Tachtig jaar geleden werd de eerste aflevering van “The Dandy Comic” gepubliceerd, volgens Wikipedia de eerste strip die gebruik maakt van tekstballonnen. Er bestonden natuurlijk al strips met tekst, maar die teksten stonden tot dan toe gewoon afgedrukt onder de plaatjes.

Je kent wel die raadseltjes: wat heeft dit met dat gemeen? En dan zoek je je te barsten en dan blijkt het uiteindelijk iets zeer voor de hand liggends te zijn. Hetzelfde doet zich nu voor als ik je deze trits begrippen geef: lange haren, naakt op de beeldbuis, rock’n’roll, stripverhalen. Welk kenmerk hebben die gemeenschappelijk? Wel, dat bij de eerste confrontatie ermee, ze hevig negatieve reacties uitlokten, maar dat dit nu ondertussen door de macht der gewoonte geluwd is. Nu lezen “zelfs” wat men noemt “intellectuelen” stripverhalen en wat meer is, ze doen dit niet langer stiekem. Een volwassene die op de trein “Suske en Wiske” wenst te lezen, hoeft dit niet meer in een exemplaar van “Knack” te verbergen, zoals hij dat (voorlopig?) met een blote-meiden-boekje wel nog doet.
Waaruit men kan afleiden dat het destijds onnodig was om strips als zodanig te lijf te gaan. Sommige mensen deden dat met eerlijke bedoelingen: men was namelijk bevreesd dat vooral kinderen van “echte” lectuur zouden afgehouden worden. Nu valt natuurlijk heel die discussie in het niets tegenover die andere, véél belangrijkere: de invloed van de televisie op het leesgedrag van kinderen (om nog te zwijgen over de computer!). Toch heeft men b.v. in de stedelijke bibliotheek van Sint-Niklaas vastgesteld dat de meeste kinderen die stripverhalen ontlenen, daarbij meestal met “non-fiction” werken naar huis gaan, dit wil zeggen boeken waar sowieso ook veel foto’s en tekeningen in staan.
STRIPS EN ONDERWIJS
In scholen bleven strips lange tijd taboe. Dat ging zelfs zo door aan de “grote school” (de universiteit). Wij citeren uit “Inleiding tot de voornaamste moderne literaturen” van wijlen prof.dr.Alex Bolckmans (Rijksuniversiteit van Gent, 1974):
“Bij de roman horen ook de beeldverhalen (de “comics”) en fotoromans. In een foto- of beeldroman wordt ’t verhaal van een bekende roman in een opeenvolging van gefotografeerde of getekende scènes weergegeven en daaraan wordt een zeer beperkte en eenvoudig gehouden tekst toegevoegd. Oorspronkelijk stond die tekst onder de afbeeldingen; later werd hij in ’t beeld zelf opgenomen. De “comics” zijn getekende reeksen waarin de tekst tot een minimum is herleid en enkel voorkomt in wat de personages zeggen. De woorden worden in cirkels (“balloons”) geplaatst, zodat men ook wel van “blaasverhalen” spreekt. Die “comics”, nog meer dan de fotoromans behoren tot de laagste vormen van de consumptieliteratuur.”

Enige tijd geleden wijdde het Franse tijdschrift « La quinzaine littéraire », een speciale aflevering aan de volksroman en de consumptieliteratuur. Uiteraard werd in het kader hiervan ook het stripverhaal op de snijtafel gelegd, waarbij men tot de bevinding kwam dat zich naast de « klassieke » verslinders van stripverhalen, zijnde kinderen en volwassenen die wel altijd kind zullen blijven, het profiel aftekent van een nieuw soort stripfanaten, dat blijkt samengesteld te zijn uit « intellectuels de pointe, étudiants, lycéens, cadres évolués et affranchis ». Samen met dit nieuwe publiek heeft ook de wereld der academische kritiek het stripverhaal ontdekt, en dit alles tot meerdere wrevel van de gewone stripliefhebber die zich door de hooggeleerde bollebozen eens te meer in het hoekje gedrumd voelt. François Rivière besluit dan ook zijn bijdrage met de bange vraag (nee, zoiets moet men zich echt in ’t Frans afvragen) : « La bande dessinée ne serait-elle pas finalement sortie de son innocence admirable pour entrer brusquement dans le ghetto de la culture ? ». Zelfs aan de Gentse universiteit kon prof.Freddy Decreus in november ’95 een studiedag houden over de ideologie bij Asterix!
VOORGESCHIEDENIS
Vijftien jaar eerder was er al een stripverhaal als cursorische lectuur in de klas verschenen. Een lovenswaardig initiatief dat helaas ietwat mank door de uitgeverij Manteau in het kader van haar “literair project” naar de klassituatie toe werd vertaald.
Inderdaad, het boekje dat de korte strip “Requiem voor een dode zon” bevat, werd uitgegeven op hetzelfde formaat als de andere deeltjes in de reeks “cursorisch lezen”. Dat betekent meteen dat de strip zowat driekwart van zijn waarde verliest omdat hij zo ontzettend verkleind wordt. Een afzonderlijke uitgave ware dus aangeraden.
Toch is het onzin te beweren dat het lezen van stripverhalen het échte lezen in de weg zou staan. Van zodra ik immers met een boek vlot kon omspringen, verdween de nochtans niet onaardige berg stripverhalen van mijn leestafel. Deze prille jeugdliefde is nooit meer heropgeflakkerd.
De voorstanders van strips, die het “nieuwe” medium toch wetenschappelijk willen benaderen, wijten deze afweerreactie aan het nog niet objectief kunnen verwerken van een nieuw gegeven. Om te bewijzen hoe “cultureel” strips wel kunnen zijn, verwijzen zij dan naar de alleroudste rotstekeningen in “Altamira” als “voorlopers” van het genre (20.000 jaar voor Christus!). Is het misschien daarom dat vele striptekenaars teruggrijpen naar de oertijden? (De beste strip in dit genre is mijns inziens “B.C.” Before Christ, vóór Christus, van Hart en Parker, die ooit nog in Humo verscheen).
Al een heel stuk dichter bij huis zijn de “biblioa pauperum” uit de Middeleeuwen. Inderdaad een soort beeldverhalen, uitsluitend met de bedoeling om ook aan ongeletterden enig onderwijs te kunnen verschaffen. Vandaar trouwens dat de onderwerpen bijna steeds uit de Bijbel gehaald werden. Dezelfde functie hadden trouwens de glasramen en kruiswegen in onze kerken.
En wie kent niet “de zoon van Napoleon de Grote” of “de bloedige moord van Nijlen”? Vroeger werden deze volksliederen op kermissen gezongen met als illustratie een soort van stripverhaal in het groot, zodat de mensen (alweer wegens het analfabetisme) gemakkelijker de tekst konden volgen en van buiten leren. Dit laatste was immers noodzakelijk in een tijd waarin men nog niet eens beschikte over platendraaiers of bandopnemers, laat staan iPods en MP3-spelers!
De jongste voorlopers van de strip dan tenslotte waren de politieke spotprenten. Wanneer men een bepaalde hekeling immers niet in één tekening gezegd kreeg, gebruikte men er meerdere na elkaar.

Ronny De Schepper
(met veel dank aan Jan Mestdagh)

Selectieve bibliografie
Steef Davidson, Beeldenstorm, de ontwikkeling van de politieke strip 1965-1975, Amsterdam, Van Gennep, 1978.
Guido Eeckhoudt, Het beeldverhaal gestript (gesprek met Daniël Jansens), De Rode Vaan nr.33 van 1979.
Lukas De Vos & Gilbert Van Hoeydonck, De Uitbeelding aan de macht. Analyse van strips, Antwerpen/Amsterdam, Manteau, 1980.
Edgar P.Jacobs, Un opéra de papier (mémoires).
Rik Pareit (red.), Geheimzinnige sterren, over het Belgische stripverhaal, Antwerpen, Dedalus, 1996.
Jan Segers, Een halve eeuw stripverhalen in België, De Voorpost, 23 juni 1978.
M.Sheridan, Comics and Their Creators, 1942.

Een gedachte over “Gestript, gebonden en genaaid: het babbelende beeldverhaal

  1. Alweer volkomen verbluft door de immense vaardigheid en kennis van de heer Ronny de Schepper [hoezo toch die naam ? hij schept commentaren;-) ] een dank aan hem waarover ik ook iets ga lezen, kunst in allerlei vormen, politiek etcccccc Merci workaholic, en een gemend compliment. we kennen onze klassiekers , 11:30 20-1- zondag

    Like

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.