Het is vandaag ook al veertig jaar geleden dat de Britse toneelauteur Terence Rattigan is overleden.

In ons land is hij haast uitsluitend bekend door het toneelstuk “The Winslow Boy” uit 1946, dat twee jaar later werd verfilmd door Anthony Asquith (in 1999 zou er een remake volgen door de jarige David Mamet). Het stuk is gebaseerd op een waar gebeurd feit. In 1908 zou de dertienjarige George Arsher-Shee een postwissel ter waarde van vijf shilling hebben gestolen uit het kastje van een medeleerling. Aangezien hij op dat moment op de militaire school zat, werd hij door de legerleiding van school gestuurd, een beslissing waartegen geen beroep mogelijk is, tenzij via een bijzondere procedure, waarbij de koning zelf zijn toelating moet geven. Aangezien de jongen zijn onschuld volhield, zette zijn vader deze procedure op gang, ook al bracht dit de hele familie in geldnood. De advocaat die de verdediging van de familie op zich nam (Edward Carson), was ook de advocaat van Oscar Wilde, toen die de markies van Queensberry aankloeg voor laster in verband met zijn vermeende homoseksualiteit. Dat liep echter slecht af. En ook George Arsher-Shee heeft niet veel geluk: hij zou in 1914 overlijden in de loopgrachten aan de IJzer.
Toen de film uitkwam, ging tegelijk alweer een nieuw toneelstuk van Rattigan in première, namelijk “The Browning Version” (1948), dat ook quasi onmiddellijk door Asquith werd verfilmd (in 1951) en waarvan in 1994 nog eens een remake werd gedraaid door Mike Figgis. Er is een zekere overeenkomst met het vorige stuk, omdat het zich eveneens afspeelt op een strenge Engelse school en de relatie van een leerling tot een ontgoochelde, zieke, oude leraar het centrale thema vormt. De spanningsboog is echter minder voelbaar en zo wordt dit nog méér een ideeënstuk dan het vorige al was.
“The Deep Blue Sea” uit 1952 was dan weer gebaseerd op de zelfmoord van een jonge acteur, waarmee Rattigan een relatie had gehad, maar omdat homoseksualiteit in die tijd nog een misdrijf was in Engeland heeft Rattigan de voornaamste rol toebedeeld aan een vrouw. Bij de creatie was de rol een triomf voor Peggy Ashcroft, al had ze er zelf fameus de pest in. Later is de rol nog gespeeld door o.a. Penelope Keith en Greta Scacchi. Toch komt homoseksualiteit in het stuk ter sprake, als de zelfmoord van Hester Collyer (het vrouwelijke hoofdpersonage dus) mislukt en zij toch besluit verder te leven, mede geïnspireerd door een dokter in haar huurwoning die op basis van zijn homoseksualiteit op non-actief werd gezet. Het bittere pact dat beide “outcasts” sluiten, is een soort voorafschaduwing van wat we later zullen terugzien in “Una giornata particolare” met Sophia Loren en Marcello Mastroianni.
“The Deep Blue Sea” zelf zal in 1955 al worden verfilmd door Anatole Litvak (met Vivien Leigh in de hoofdrol) en ook deze film kende een remake, namelijk in 2011 door Terence Davies (met Rachel Weisz in de hoofdrol). Let op, er bestaat ook nog een griezelfilm met deze titel, maar die heeft uiteraard niets vandoen met het stuk van Rattigan.
Daarna volgde “The Prince and the Showgirl” (1957), de eerste film van Laurence Olivier als regisseur, die niet gebaseerd was op een stuk van Shakespeare. De film is inderdaad gebaseerd op “The Sleeping Prince” van Terence Rattigan. Laurence Olivier gaf zichzelf de hoofdrol en als tegenspeelster “koos” hij Marilyn Monroe, maar tijdens het draaien kreeg hij een verschrikkelijke hekel aan haar. Olivier stond op dat moment op het toppunt van zijn roem. Hij was op vijftigjarige leeftijd een gelauwerd Brits acteur en regisseur en net door de koningin tot ridder geslagen. Monroe (31) was, als gevolg van steeds groter wordende psychische problemen, erg onstabiel. Daardoor was ze extreem angstig en kon soms gewoon haar kleedkamer niet uitkomen. Aan de andere kant zag ze zichzelf als method acting actrice. Bij deze manier van acteren zoeken acteurs altijd een diepere betekenis achter de tekst en proberen met gebruik van eigen ervaringen en emoties om hun personage levensecht te maken. Olivier werd gek van de vragen en opmerkingen die de actrice aan hem stelde over regiebeslissingen en aanwijzingen. Elke keer als Olivier regieaanwijzingen gaf of een scène doorsprak, werd hij onderbroken door Monroe. De verstandhouding tussen regisseur en actrice ging van kwaad tot erger. Olivier, die wist hoe gevoelig en nerveus Monroe was tijdens de opnames, liet met opzet zijn vrouw Vivien Leigh toe om naar de opnamen te kijken. Leigh, de ster van “Gone with the Wind” had de rol van Elsie Marina op toneel tegenover Olivier gespeeld en Monroe werd erg nerveus van haar aanwezigheid. Haar toch al onstabiele psychische situatie verergerde zienderogen en ze stond op het randje van een zenuwinzinking. Uiteindelijk was Olivier zo over zijn toeren dat het nog tot 1970 zou duren vooraleer hij nog een film (“Three Sisters”) zou regisseren.
“The Prince and the Showgirl” was dan ook de enige film die Monroe in het buitenland opnam. Haar eigen productiemaatschappij was co-producent en had voor Monroe een aandeel in de winst bedongen. De film was echter een flop in de bioscopen. De productie kwam weliswaar uit de kosten, maar van winst was geen sprake. De film kreeg ook weinig waardering van de critici.
In 1958 volgde dan “Separate Tables”, een grote Hollywood-productie gebaseerd op twee eenakters van Rattigan uit 1954). Aangezien het chequeboek was bovengehaald kon het niet op: de hoofdrol werd gespeeld door Rita Hayworth naast Deborah Kerr, David Niven en Burt Lancaster. Zelfs voor een kleinere rol deed men een beroep op mensen als Rod Taylor. Daarover gesproken, Wendy Hiller kreeg een oscar voor “best supporting actress”, terwijl David Niven zelfs met de “grote” oscar voor beste mannelijke hoofdrol ging lopen.
Ondertussen was echter in 1956 John Osbornes “Look Back in Anger” in première gegaan, een kleine revolutie in de toneelwereld. Er ontstond een nieuw type toneel, met meer oog voor rauwe emotie en grotere sociale betrokkenheid. Rattigan, en met hem vele schrijvers van zijn genre, viel als ‘ouderwets’ in ongenade en het gevoel dat hij niet meer meetelde raakte hem diep.
Bovendien kreeg hij leukemie net op het moment dat Beatlemania hoogtij vierde in Engeland, iets waaraan hij zo mogelijk nog een grotere hekel had dan aan de angry young men. Hij verhuisde dan ook naar Bermuda en keerde pas weer in de jaren zeventig toen hij door de queen werd geridderd. De ziekte had hem op dat moment al helemaal in haar greep en hij heeft het niet lang meer uitgezongen.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s