De Dag van de Jeugdhuizen werd vijf jaar geleden voor het eerst gevierd. Een bijzonder feest was het, want de jeugdhuizen in Vlaanderen bestonden toen officieel vijftig jaar. Dat verklaarde de (in mijn ogen ongelukkige) titel van de grootse viering: Don’t Hype. Jeugdhuizen zijn immers geen hype, geen bevlieging van korte duur. Integendeel. In die vijftig jaar zijn ze alleen maar in aantal toegenomen. Er zijn er nu 409.

De jaren vijftig. Economische hoogbloei. Iedereen heeft werk, ook de jongeren. Die jongeren hebben geld. En uiteraard willen ze ook beslissen wat ze met dit geld gaan doen. Hoe kan de consumptie-industrie nu dat geld binnenhalen? De jeugd zet zich af tegen de generatie van haar ouders, die verslaafd zijn aan Glenn Miller en andere brave big-band muziek. Tegengewicht: een solo-star, agressief van uiterlijk en nieuw van sound. Naast Elvis Presley zijn er zeker nog wel duizend andere kings of rock’n’roll.
Tussen 1953 en 1956 was België de grootste afnemer van Amerikaanse jukeboxes (b.v.Würlitzer) voor 78-toerenplaten. En dat in absolute cijfers! Maar alhoewel op 19 oktober 1958 Bill Haley de wereldtentoonstelling afsloot, bleven de hele jaren vijftig door vooral specimens als Jan Verbraeken, La Esterella, Henk De Bruin, Ray Franky en Enny Denita het mooie (?) weer maken. Maar de doorbraak van rock’n’roll in België mag dan redelijk laat zijn gekomen, uiteindelijk was het fenomeen ook hier niet te stoppen. En dus steken goedmenende moralisten een waarschuwende vinger op. In Humoradio schrijft Max Helder (Willy Courteaux): “Een genre als rock’n’roll dat aanleiding geeft tot uitingen van geestloos, afgestompt barbarisme is uiteraard verachtelijk. Dat de grootste hoop van de lichte muziek alleen maar tot het sentiment spreekt en het intellect verwaarloost: jammer. Maar rock’n’roll gaat verder: het spreekt tot de ingewanden, die bezwaarlijk het nobelste deel van de mens kunnen worden genoemd. Nergens is het woord van Eduard Hanslick zo toepasselijk: dat er muziek bestaat, die men kan horen stinken.”
Kan men de nieuwe jongerencultuur niet tegenhouden, dan kon men op z’n minst ervoor zorgen dat jongeren die behoefte hebben aan een eigen plek om elkaar te ontmoeten zonder dat ze meteen deel willen uitmaken van een georganiseerde jeugdbeweging, toch in een soort “beschermde” ruimte terecht kunnen. Het eerste jeugdhuis was het lokaal van de Young Women Christian Association (YWCA) in Antwerpen, waar alleen meisjes samenkwamen. In 1958 begint de Chiro samen met het bisdom met het organiseren van gespreksavonden en bijeenkomsten voor jongeren naast de gewone werking van de jeugdbeweging.
In de jaren zestig hebben jongeren door de economische groei steeds meer vrije tijd. De vrijetijdsindustrie boomt en de samenleving wil jongeren beschermen tegen de uitwassen ervan. De eerste initiatieven voor jeugdwerk ontstaan dan ook in de parochies en vanuit de zuilen. Er ontstaan verschillende confederaties. In 1962 zetten jeugdverenigingen uit de verzuilde samenleving de eerste stappen naar een pluralistische federatie. De overheid begint met subsidies. De eerste veertien erkende jeugdhuizen krijgen elk 35.000 frank. Bij die veertien zal ongetwijfeld ook de T-Club in Lokeren wel zijn geweest, die eigenlijk reeds in 1960 was gesticht door een pater-minderbroeder. In 1965 worden de statuten van de algemene pluralistische Vlaamse Federatie van Jeugdhuizen (VFJ) getekend. Vanaf nu staan de jeugdhuizen los van ideologische strekkingen in de samenleving.
De contestatie van mei ’68 en de hippiebeweging vinden ook hun weg naar de jeugdhuizen. Er is meer aandacht voor maatschappijkritiek, kansarmoedebestrijding en individuele begeleiding van jongeren. Een typisch voorbeeld daarvan is de “afscheuring” van jongerengroep Veldstraat in Temse, zowel enerzijds van de KSA als anderzijds van de “brave” jeugdclub Broebelke (foto Erik Westerlinck).
Dat maatschappijkritische zal de rode draad worden door de jaren zeventig. Een voorbeelden hiervan zijn De Spikkel uit Nieuwkerke-Waas, ’t Fabriekske in Aalst of ’t Schuurke uit Harelbeke (wat is dat toch met die verkleinwoorden in de jeugdhuissector?). In de jaren tachtig echter zit de overheid op zijn centen wegens de aanhoudende crisis. De jeugdhuizen zijn ook niet opgewassen tegen het geweld van de nieuwe vrijetijdsindustrie. Jongeren blijken in crisistijd ook minder bereid tot engagement. Steeds meer jeugdhuizen sluiten de deuren. Aan het eind van de jaren tachtig blijven er nog ongeveer 130 overeind.
In de jaren negentig komt er echter een heropleving omdat door de hoge prijzen van de consumpties en de drugsproblematiek de dancings meer en meer een slechte naam krijgen. Jongeren zijn opnieuw op zoek naar kleinere groepen en een eigen identiteit. Hun ouders hebben heimwee naar hun jeugdhuistijd en stimuleren hun kinderen om zich te engageren. De gemeenten worden nu verantwoordelijk voor de besteding van de Vlaamse subsidies. Via de gemeentelijke jeugdraden krijgen jongeren inspraak. Gemeenten investeren ook steeds meer eigen middelen in het jeugdwerk. Het aantal jeugdhuizen neemt opnieuw pijlsnel toe. Vooral kleine vrijwilligersinitiatieven schieten als paddenstoelen uit de grond. Een gevarieerd aanbod van muziek en niet al te dure drankjes doet het goed. Vanuit de gemeentelijke overheid worden ook geregeld grotere jeugdhuizen opgericht. In de grote steden hebben de jeugdhuizen het wel vaak lastig. Het is daar moeilijker om jongeren te vinden, die zich blijvend willen engageren.

Referentie
Kris Vanmarsenille, Vijftig jaar jeugdhuizen: levendiger dan ooit, Gazet van Antwerpen, 17 november 2012

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.