Vandaag is het precies 85 jaar geleden dat een eerste Academy Award werd toegekend aan een cartoonfilm. Uiteraard, zou ik bijna zeggen, ging hij naar Walt Disney (hij is op dit moment nog altijd recordhouder) voor “Flowers and Trees, the 29th Silly Symphony”, tevens de eerste “full-colour” cartoon. Ook Goofy is hierin voor het eerst te zien.

Een jaar later volgt “Three Little Pigs” met de hitsong “Who’s afraid of the big bad wolf?” Rond die tijd werd eveneens bepaald dat Mickey Mouse niet meer mocht drinken of roken.
Mickey Mouse is op dat moment zo populair dat zijn eigenlijke schepper, Ub Iwerks dus, het met zijn Flip de kikker opnieuw moest afleggen. In 1936 ging zijn studio dan ook op de fles, zodat Iwerks in 1940 voor een tweede maal terugkeerde naar Disney. Hij was er vooral werkzaam als “technical researcher” en in die hoedanigheid zou hij zelfs nog twee oscars winnen (in 1959 “for improvements in optical printing” en in 1965 “for advancing techniques of travelling matte”). Hij is ook verantwoordelijk voor de “special effects” in “Pollyanna”, een tearjerker van David Swift naar het boek van Eleanor H.Porter (met het nodige patriottisme en religieus fanatisme, maar merkwaardig genoeg zonder één zwarte, zelfs niet bij het personeel), maar het is me niet helemaal duidelijk wat dat dan wel moge zijn, tenzij het de “regenboogprisma’s” zouden zijn… Tussendoor werkte hij ook nog mee aan de special effects voor “The birds” van Hitchcock.
93 geboorte van Donald Duck in The wise little hen uit 1934DONALD DUCK
Op dat moment stelde Disney zo’n twintig mensen te werk. Dat worden er tweehonderd, wanneer Mickey in 1934 (eerst in “The Wise Little Hen”, maar vooral in “Orphans benefit”) zware concurrentie krijgt van Donald Duck (stem: Clarence Nash). Ook hiervan wordt weer gezegd dat het geen “echte” creatie van Walt Disney was, maar van een andere medewerker, Carl Barks (1901-2000), maar dit klopt niet. Deze aflevering uit de reeks “Silly Symphonies” was animated by Art Babbitt, Dick Huemer, Dick Lundy, and Ward Kimball and directed by Wilfred Jackson, maar het figuurtje werd misschien wel degelijk door Walt Disney gecreëerd. Alleszins kwam Barks maar een jaar later op de proppen: Barks begon inderdaad pas voor Disney Studios te werken in 1935, dus een jaar na het debuut van Donald Duck. Hij werkte samen met anderen aan animatiefilms als Donald’s Nephews (1938), Donald’s Cousin Gus (1939), Timber (1941), The Vanishing Private (1942) en The Plastics Inventor (1944).
Barks nam in 1942 ontslag bij de Disney Studios. Niet alleen was hij ontevreden met het feit dat men alleen nog maar Donald-cartoons als oorlogspropaganda produceerde, maar ook de airconditioning bij Disney had hem bijna de das omgedaan. Barks was van plan een eigen strip rond superhelden te maken, maar al snel kreeg hij bericht van Western Publishing, die in licentie van Disney Donald Duck-strips uitgaf, dat hij hij hen aan de slag kon. Barks was de laagstbetaalde werknemer van Western, maar klaagde daar nooit over. Hij werd liever gewoon met rust gelaten.
Barks zou de daaropvolgende drie decennia verhalen maken, tot ruim na het bereiken van de pensioengerechtige leeftijd. Hij omringde Donald Duck met een bezetting van excentrieke en kleurrijke personages als ’s werelds rijkste eend Dagobert Duck, Donalds fortuinlijke neef Gus, uitvinder Willie Wortel, de volhardende misdadigers de Zware Jongens, enz.
Mensen die voor Disney werkten deden dat in alle anonimiteit: de verhalen waren voorzien van Walt Disneys naam en (soms) een kort identificatienummer. Lezers begonnen echter door te krijgen dat er verhalen waren die door hun kwaliteit met kop en schouders boven alle andere uitstaken. Ze begonnen te vermoeden dat deze het werk waren van één en dezelfde artiest en noemden deze the good Duck artist of the Duck man. Later kwam men er achter dat deze man Carl Barks heette.
Barks’ verhalen waren grappige avonturen met een donkere, defaitistische ondertoon. Barks toonde een afspiegeling van de harde (Amerikaanse) samenleving, waarin Donald als underdog in statusgevoelig Duckstad constant onder moordende sociale druk staat. Ze werden daardoor niet alleen bij kinderen, maar ook bij volwassenen populair.
Aangezien Walt Disney reeds in de jaren dertig is gestopt met tekenen, wordt wel eens beweerd dat hij niet kon tekenen. Hierbij gaat men wel voorbij aan het feit dat hij op jonge leeftijd als een pure tekenaar aan de kost kwam. Maar het is waar dat hij en Iwerks mekaar goed aanvulden: Iwerks was de vakman en Disney was de scenarist, de producer, degene die zorgde voor “the presentation”, zoals Schindler over zichzelf zegt in de film “Schindler’s list”.
De namen van al die medewerkers kennen we dan ook enkel van het opzoekingswerk door nijvere journalisten, want Disney onthield de credits voor alle namen behalve de zijne. Ter gelegenheid van zijn 35ste verjaardag hadden een aantal van die medewerkers dan ook een tekenfilmpje gemaakt, waarin Minnie Mouse door Mickey werd genomen. Zoals zij door Disney werden genomen was de onderliggende boodschap. Na de vertoning van het filmpje applaudisseerde Disney zeer opvallend en prees het tekenwerk. “Wie heeft het eigenlijk getekend?” vroeg hij langs zijn neus weg. Toen de fiere tekenaars zich bekend maakten, konden ze meteen ook hun biezen pakken…
AVONDVULLENDE TEKENFILMS
Het was met de succesvolle toepassing van het geluid in de tekenfilm “Sneeuwwitje en de zeven dwergen” (1937) dat Disney de concurrentie de nekslag toebracht. Deze film gaat weliswaar door voor de eerste avondvullende tekenfilm, maar dat is niet het geval. Twintig jaar eerder was er reeds een langspeeltekenfilm in Argentinië en in Europa was er “Prins Hamad” van Otto Reiniger.
Disney haalde zijn inspiratie voor “Sneeuwwitje” uit een stomme film met Marguerite Clark die hij in 1915 had gezien. Het volkssprookje van Sneeuwwitje zoals het werd opgetekend door Johann en (vooral) Wilhelm Grimm heeft een oedipale oorsprong. In de allervroegste versie is er immers helemaal geen stiefmoeder, maar is het de moeder zelf die haar dochter naar het leven staat, terwijl Sneeuwwitje niet wordt teruggehaald door een prins, maar door de vader. In deze versie is het dus duidelijk waarom het écht draait: de erotische rivaliteit tussen moeder en dochter om de gunst van de vader.
Uiteraard heeft Disney deze erotische component niet behouden (aangezien hij zich op Grimm baseerde, kénde hij deze misschien zelfs niet eens), tenzij merkwaardig genoeg in de passage bij de dwergen, die hij laat verliefd worden op Sneeuwwitje. Het blijft echter allemaal erg platonisch en de dwergen zijn vooral een aanknopingspunt om komische gags in het verhaal te brengen.
Uiteraard kreeg Disney ook voor “Snow White” een oscar (overhandigd door Shirley Temple). Of om preciezer te zijn: één “fullsize” oscar en zeven kleintjes… De Disney-studio’s zijn nu op hun hoogtepunt en stellen twaalfhonderd mensen te werk.
In Groot-Brittannië wordt “Snow White” echter ongeschikt geacht voor jeugdige kijkertjes. Wie jonger is dan zestien jaar mag er enkel naartoe onder begeleiding van een volwassene!
In de ogen van Walt Disney waren de opvolgers, achtereenvolgens “Pinocchio” en “Fantasia”, artistiek belangrijker, maar door de oorlogsomstandigheden is het succes daarvan niet zo groot.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s