Toen ik klein was, was ik ook écht klein. Klein, mager en tenger. Tot grote ergernis van mijn vader was een sportieve carrière voor mij dan ook niet weggelegd. Zelf had hij nog bij KSV Temse gespeeld en de enige keren dat ik mij kan herinneren dat hij met mij heeft “gespeeld”, bestond erin dat ik in onze tuin in de “goal” moest staan, waarop hij dan keiharde ballen afvuurde. Daarbij scheen hij het vooral vermakelijk te vinden op mijn gezicht te mikken. Zodat mijn moeder moest tussenkomen om het “spel” stil te leggen.


Kortom, het lijkt wel het voorspelbare verhaal van “the nerd” in een onvriendelijke, ja zelfs gevaarlijke wereld… Not!
Nee, integendeel. Niet alleen had ik veel vriendjes toen ik klein was, ik ontpopte me zelfs als hun leider. En dat kwam vooral omdat ik me – zonder het te weten uiteraard – net zoals Robert Louis Stevenson tot een Tusitala, zoals de inwoners van Samoa hem noemden(*), had opgewerkt. Het was zelfs meer dan “vertellen”, het was ook “naspelen”.
Ik had me in die gepriviligeerde positie kunnen wurmen voornamelijk omdat mijn vriendjes geen boeken lazen en ik wel. Ik vertelde hen dan die verhalen en, zoals gezegd, speelden we ze ook soms na. Vooral “Michael Strogoff” van Jules Verne was een succesnummer, waarbij ikzelf natuurlijk de titelfiguur speelde: van de blindmakingscène kon ik maar geen genoeg krijgen… Maar ook “Manko Kapak” speelden we na, al konden we dat allemaal wel op televisie bekijken.
Die ervaring heb ik proberen te verwerken in een stuk dat ik speciaal voor mijn zonen heb geschreven, toen ze nog klein waren uiteraard, maar aangezien ik er nog allerlei thema’s aan de haren heb bijgesleurd (**), is het ook weer een mislukking geworden, ook al was ik deze keer (in tegenstelling tot mijn andere mislukkingen) dichter bij mijn eigen leven gebleven (***).

HET GEBROKEN ZWAARD

Vrijdag
Op het moment dat het doek opgaat, zit een jongen van nog geen twaalf jaar op de drempel van een arbeiderswoning in een huizenrij een punt aan een stok te scherpen. Dan klinkt vanuit het huis de stem van een vrouw, zijn moeder. Aangezien in dit stuk geen enkele volwassene op de scène komt, krijgen we haar niet te zien.
MOEDER: Roddy! (geen reactie, daarom harder, bozer ook:) Roddy!
(Roddy stopt met snijden, luistert, blik op oneindig ; daarop zijn moeder met een met een lange uithaal waar geen ontkomen aan is:) Roooooooddyyyyyy!
(Hij staat lusteloos op en gaat naar binnen. We horen op een luide, kwade maar toch ook bezorgde toon:) Waar bleef je nou zolang? Kun je niet onmiddellijk komen als ik roep? En wat doe je met dat mes? Geef dat hier! Dat is veel te gevaarlijk! Je weet dat ik je heb verboden met een mes te spelen. En niet van de deur weggaan, begrepen? Vader komt zo dadelijk thuis en het eten is bijna klaar. Heb je ’t gehoord?
Roddy komt opnieuw buiten en gaat weer op de drempel zitten. Van links komt een jongetje op dat erg op hem lijkt, alleen is hij wat jonger. Dat is John, het ingebeelde broertje van Roddy. Als enig kind van ouders die wel materieel goed voor hem zorgen, maar hem emotioneel aan zijn lot overlaten, voelt hij zich wat verloren en heeft hij zich zelf een broertje ‘geschapen’. Het is John niet aan te zien dat hij een ‘geest’ is. Hij ziet eruit als de andere kinderen in het stuk en loopt er ook gewoon tussen. Alleen ziet natuurlijk niemand hem of spreekt niemand tegen hem, tenzij Roddy, die ook de enige is die hem hoort.
JOHN: Weer problemen?
RODDY: Wat dacht je?
JOHN: Wat nu weer?
RODDY: Och, ik was me een zwaard aan het maken. (Toont iets dat er eigenlijk toch nog eerder als een gewone stok uitziet, een paar inkervingen niet te na gesproken.)
JOHN (een klein beetje spot kan hij toch niet verbergen ): Een zwaard?
Dat lijkt me eerder een doodnormale stok. Hoe wou je daar nu een zwaard van maken?
RODDY (gepikeerd): Dat is het ‘em juist. Hoe kan ik nou verdomme van een stok een zwaard maken als ik geen mes mag gebruiken?
JOHN (voorzichtig): Het is gevaarlijk, een mes…
RODDY: Weet ik ook wel, maar het is toch maar even.
Verveelde stilte.
JOHN: Waarom heb je eigenlijk een zwaard nodig?
RODDY: Die van de Hoge Hof hebben ons uitgedaagd.
JOHN (fronst): Oh? De bende van de Rosse?
RODDY (zorgelijk): Ja, ja.
Opnieuw verveelde stilte.
JOHN: En waarom heb je dan een zwaard nodig?
RODDY: Het zal worden uitgevochten met houten zwaarden en schilden.
JOHN: Is dat niet gevaarlijk?
RODDY: Uiteraard, maar het is het beste wat we hebben kunnen afspreken.
Weet je waarmee ze ons gisteren hebben aangevallen? (John schudt ontkennend)
Met pijl en boog.
JOHN (ontzet): Met echte pijlen? Met een ijzeren punt zoals Ronny er één heeft?
RODDY: Uiteraard niet, dat zou er nog aan ontbreken. Nee, met pijlen met zo’n rubberen dop waarmee men naar een wip schiet. Maar dat kan ook aardig pijn doen, hoor. Diane die met haar fiets wou wegvluchten kreeg er een tussen haar spaken en ging over kop. En Arlette heeft haar oog bezeerd.
JOHN: Kreeg ze er een pijl in?
RODDY: Tuurlijk niet, dan was het vast uit geweest. Nee, het was een stuk papier dat met een proppeschieter was afgevuurd.
JOHN: Hadden ze het speciaal op de meisjes gemunt?
RODDY (traag): Nee…
JOHN: Waarom kwamen ze dan? Of zijn jullie op hun terrein geweest?
RODDY: Nee, nee, ze zijn wel degelijk naar het basketpleintje gekomen.
Ze… euh… ze kwamen voor mij…
JOHN: Voor jou?
RODDY: Ja! Herinner je je nog die keer toen ik die katapult van Etienne mocht uitproberen? En ik per ongeluk een steentje in het oog van de Witte schoot?
JOHN: En toen hij deed alsof hij blind was?
RODDY: Juist! (pauze, dan voor zichzelf) Doodsbang was ik. Het was echt een ongeluk, ik zweer het. Het kan trouwens niet in zijn oog geweest zijn, want dan zou het wellicht echt uit geweest zijn.
JOHN: En?
RODDY: En wat?
JOHN: Wat heeft dat nu met gisteren te maken?
RODDY: Oh ja, wel de Witte heeft dat voorval aan de Rosse verteld en gisteren kwamen ze wraak nemen. Alleen Rudy en Erik waren echter bij mij en die zijn net als de meisjes op de vlucht geslagen. (Pauze) Ik kan ze eigenlijk geen ongelijk geven…
JOHN (na pauze): En jij?
RODDY: Met twee, drie man namen ze mij beet en sleurden mij voor de Rosse.
Naast hem stond de Witte uitdagend te lachen en meer uit schrik dan wat anders schopte ik naar hem – dat was het enige wat ik kon doen, want mijn armen werden vastgehouden. Maar dan kreeg ik van de Rosse zo’n klap dat alle lust om nog te proberen de held uit te hangen mij wel verging.
JOHN: En dan?
RODDY: Toen gaf de Rosse een teken dat ze mij moesten los laten. Hij wou het met mij uitvechten, zei hij, in een eerlijk gevecht, man tegen man.
JOHN: Oeh! Dat is blijkbaar niet doorgegaan, want anders zou je hier niet ongeschonden zitten.
RODDY: Dat is juist. Ik wist ook wel dat ik tegen de Rosse geen schijn van kans had en daarom heb ik mijn gekend wapen gebruikt… (glimlacht)
JOHN: En dat is?
RODDY: Ik heb er me uitgepraat! Ik zei dat ik onmogelijk met hem kon duelleren omdat ik geen secondant had.
JOHN: Geen wat?
RODDY: Geen secondant. Als in vroegere tijden, toen duels nog niet verboden waren, een tweegevecht ging plaatshebben, dan had iedere partij een getuige bij, dat noemde men een secondant. Die keek na of alles wel volgens de regels verliep en eventueel moest die ook aan de familie van de duellist, ja, zeg maar de slechte uitslag gaan mededelen, als hij gedood of gewond werd dus.
JOHN: En wist de Rosse wat een secondant is?
RODDY (lacht voor zich uit): Nee, maar ik heb hem ongeveer hetzelfde verteld als daarnet.
JOHN: En hij trapte daarin?
RODDY: Ik denk dat hij zich min of meer vereerd voelde. Hij zag zichzelf wellicht als een soort edelman die op een mistige morgen met hoge hoed en kap-
mantel naar het bos gaat, langzaam zijn witte handschoenen uittrekt, en het pistool inspekteert. En dan rug aan rug en tien stappen voorwaarts…
JOHN (gniffelt ook als hij het beeld voor zich ziet, maar dan weer ernstig):
Hoe dan ook, het is slechts uitgesteld. Hoe komen we anders opnieuw bij dat zwaard terecht?
RODDY: Dat is juist. We hebben afgesproken overmorgen het duel uit te vechten met houten zwaard en schild en het spreekt vanzelf dat het erg belangrijk zal zijn met een mooi en sterk zwaard voor de dag te komen…
JOHN (kijkt sceptisch naar de stok): Dat ziet er niet goed uit voor je…
RODDY: Nee, maar ik…
MOEDER (binnen): Roddy! Eten!
RODDY: Je hoort het, ik moet gaan.
JOHN: Jips.
RODDY: Dag, broer.
John gaat af. Roddy gaat binnen. Doek.
____________________________

ZATERDAG

—————————-

Deze keer zit John op de drempel. Hij kijkt geamuseerd naar links, waar er een kabaal van jewelste is te horen. Dan komt Roddy plotseling op met voor zich in zijn armen Arlette, een meisje dat iets ouder is dan de andere kinderen, ze heeft al iets vrouwelijks. Haar lange zwarte haren zijn in twee vlechten gebonden en ze draagt een “Indiaanse” band op het hoofd.
Roddy heeft een zwart hemd aan en draagt een zwarte cowboyhoed. Ze doen alsof ze paardrijden. Midden de scène, dus ongeveer waar John zit, roept Roddy “Owwww!”
en ze doen alsof ze afstijgen. Dan gaan ze zich achter een denkbeeldig bosje verschuilen. Een ogenblik later komen met veel kreten Ronny, Erik en Marleen de scène opgehold. Marleen is het jongere zusje van Arlette, maar zij ziet er zo goed en zo kwaad als het kan als een jongen uit. Net als Roddy dragen ze hoeden en een revolver.
RONNY: Waar zit dat loeder?
RUDY: Hij heeft zich zeker verstopt, baas. (Ze doen alle moeite van de wereld om de schijn te geven dat ze zoeken, daar ze in werkelijkheid Roddy en Arlette gemakkelijk kunnen zien zitten.)
RONNY: Waar is hij met die gemene squaw heen getrokken?
ERIK (ernstig): Misschien naar zijn moeder? (De anderen stoppen hun spel en kijken ontgoocheld in zijn richting).
RONNY: Naar zijn moeder! Een cowboy! Kun je je voorstellen?
RUDY: En daarbij… de Bonanza’s hebben geen moeder!
RONNY: De Bonanza’s? De Cartwrights zal je bedoelen! De Bonanza is de naam van hun boerderij.
ERIK: Da’s niet waar. Dat is de Panderosa.
RUDY: De Ponderosa!
ERIK: De Panderosa!
RUDY: Wedden?
RODDY (vanuit zijn “schuilplaats”): Zeg, wordt er hier nog gespeeld of hoe zit dat?
RONNY: Akkoord. Maar, eerlijk gezegd, deze keer kan ik je verhaal toch ook niet goed volgen, hoor Roddy.
RODDY: Hoezo?
RONNY: Wel, waarom zouden de Cartwrights een squaw willen redden uit de handen van bandieten? Zouden wij niet beter apachen zijn en Arlette een domineesdochter of zoiets?
RUDY (schaterlacht): Arlette een domineesdochter? Ha, zij is maar juist goed als een Indiaanse!
ARLETTE (richt zich in haar volle lengte op, ze is zeker een kop groter dan
hem): Zeg, sproetekop, heb jij al eens de vuist van een Indiaanse tegen je gevel gevoeld? (Rudy is meteen gekalmeerd, vanuit de koelissen komt plotseling Etienne op, verkleed zoals de anderen.)
ETIENNE (wijdbeens): Zeg eens, kletskousen, wij staan daar al een uur te wachten om te mogen opkomen, wanneer gaan jullie eigenlijk eens beginnen schieten?
RODDY: Zeer juist. En wat die apachen betreft, de apachen waren goede indianen, zeg dat ik het heb gezegd.
RONNY: En waarom dan wel?
RODDY (aarzelt): Wel… omdat ze broeken droegen… en vuurwapens hadden…
en ze hadden lang haar en ze droegen een band in hun haar. Omdat ze mooi waren, voilà! (Arlette kleurt bij het verdoken kompliment.)
RONNY (eerder tegen zichzelf): Ze zijn goed omdat ze mooi zijn! Gaat daarmee naar de oorlog!
ETIENNE: Voortspelen zeg ik, verdorie! (Gaat weer af, het spel gaat verder, de cowboys lopen weer te “zoeken”, Arlette kruipt dichter tegen Roddy aan.)
RONNY: Dààr! Daar zit het addergebroed!
RUDY: Kill them!
ERIK: Wat wals is, vals is, sla dood!
RONNY (tussen zijn tanden): Dat is van iets anders, idioot! (Er ontwikkelt zich een “vuurgevecht” ; Ronny – de beste “akteur” – laat zich met veel vertoon op de grond vallen, maar Marleen, Rudy en Erik schijnen aan de winnende hand te zijn ; dan komen echter de andere ‘Cartwrights’ hun broer ter hulp: Etienne als Ben, de vader, Willy als de tamelijk zwaarlijvige Hoss en Harry, klein maar vinnig als Little Joe.)
ETIENNE (die het trompetgeschal van de kavalerie heeft nagebootst): Hoor wat een stem ik heb! (Met de nodige omhaal worden de twee bevrijd, terwijl de schurken tegen de grond gaan – na daar een tijdje gelegen te hebben, richten ze zich gedeeltelijk op om de rest van het verhaal te volgen.)
ETIENNE: Wel, Adam, ben je ongedeerd?
RODDY: Ik meen van wel, pa.
HARRY: Wie heb je daar meegebracht, broertje?
RODDY: Dit is… euh… Dit is Witte Bever, van de stam van de apachen, Little Joe. Zij was net water aan het putten bij de bron toen zij werd lastig gevallen door deze schurken hier.
WILLY: Lastig gevallen? Waarom?
RODDY (verveeld): Nou, dààrom.
HARRY: Versta je dat dan niet, domme Hans? Zie je niet dat dit twee tortelduifjes zijn? (Volgens Roddy gaat Harry duidelijk iets te veel in zijn rol op, de situatie gaat de verkeerde kant uit, hij moet zich hier uit redden.)
RODDY: Kunnen we haar niet meenemen naar onze ranch, pa? Ze kan koken en afwassen.
ARLETTE (verontwaardigd): Zeg, als ’t dààrvoor is dat je me nodig hebt, om te koken en af te wassen, bedankt!
DIANE (is op haar gemak komen aanwandelen, een beetje jaloers): En ik dan? Ik deed toch het huishouden op de Ponderosa?
ERIK: De Pànderosa! (Ronny slaat zijn hoed voor zijn ogen).
ARLETTE: Wel kind, als jij daar mee tevreden bent, dan mag je dat jobje gerust van mij hebben. (Ze werpt demonstratief haar “indiaanse” band weg en begint haar vlechten los te maken.) Kom je, zus?
MARLEEN: Nou zeg, spelbreekster!
RODDY (die het toch niet meer in de hand heeft): Och kom, ’t spel is toch gedaan, hé Ronny? Hé Etienne? (Die twee kijken eens naar elkaar en halen de schouders op.)
RONNY: Allé, vooruit dan maar. Dan ga ik maar. (Af)
ETIENNE: Ik ook. Tot morgen, zeker? (Roddy steekt z’n hand op, langs de andere kant is Arlette ook ongemerkt verdwenen, hij kijkt haar wat neerslachtig achterna.)
DIANE: Zouden we niet beter gaan zitten en een verhaal vertellen?
RUDY: Jij vertellen? Wat zou jij te vertellen hebben?
DIANE (geeft hem een duw): Thuis heb jij alvast niets te vertellen, broertje!
MARLEEN: Diane bedoelt natuurlijk dat Roddy een verhaal gaat vertellen, hé Diane?
DIANE: Natuurlijk! (Ook de anderen betuigen hun instemming en dringen een beetje tegen Roddy op.)
RODDY (lachend): Zeg, heb ik hier ook nog iets te vertellen?
HARRY: Wel, vertellen, dat is juist wat we willen, hé mannen? (Instemming. Roddy gaat op de trap naast John zitten, de anderen gaan in een kring rond hem zitten, waarbij ze – zoals gezegd – geen acht slaan op John.)
DIANE: Welk boek heb je nu weer gelezen, Roddy?
RODDY: “Ben Hur”. Over de Romeinen. Wil je hem eens lenen?
DIANE: Neenee, dat weet je toch al lang dat ik niet graag boeken lees, maar als jij ze vertelt is dat toch precies eender?
MARLEEN: Ja, op die manier is het net of wij ook al die boeken hebben gelezen!
RUDY (lacht): Onze meester zal tevreden zijn!
HARRY: En als wij op onze beurt je dan al eens met iets kunnen helpen, hé Roddy…? (Knipoogt veelbetekenend)
DIANE: Kom op, wie was die Ben Hur eigenlijk?
RODDY:Ja, dat boek begint met het verhaal van de geboorte van Kristus…
RUDY (met vies gezicht): Zeg, dat moet je ons niet vertellen, hoor, dat moeten we al genoeg slikken op school en in de kerk! (De anderen zijn het hiermee eens.)
RODDY (glimlacht): Dat was ik ook niet van plan, ik ben geen pastoor. (Hilariteit bij de anderen.)
MARLEEN: Jij pastoor? Dan zou je zoveel niet naar mijn zuster mogen kijken!
RODDY (rood, vlug zijn verhaal volgend): Ik zeg dat maar omdat dit onrechtstreeks toch een belangrijke rol speelt in het verhaal. Ben Hur is immers een jood, maar toch heeft hij een Romeinse vriend Messala…
RUDY: Als we dat verhaal ooit eens spelen, mag ik dan Messala zijn, Roddy?
RODDY: Voor mijn part wel, maar let op, die Messala wordt een heel slecht karakter, hoor.
RUDY: Dat geeft niet. Ik speel liever de “slechte”, dat is veel plezanter.
RODDY: Ook als het iemand is die zijn vrienden verraadt? Want daar gaat het eigenlijk over: Messala de Romein zal zich later tegen Ben Hur de jood keren.
ERIK: Wat zaten die Romeinen eigenlijk in… in… bij de joden te doen?
WILLY: Heb je dat dan nog niet geleerd op school, slimmeke, tijdens de oorlog werden de joden in koncentratiekampen opgesloten en er vergast, nietwaar Roddy?
RODDY: Dat is wel waar, maar nu geloof ik toch dat je twee oorlogen door elkaar haspelt, hoor Willy – en met zo’n tweeduizend jaar ertussen.
(De anderen lachen) Maar zo erg moet ik daar toch niet mee lachen. Eigenlijk heeft Willy toch ook een beetje gelijk: de Romeinen hadden in die tijd bijna de hele hun bekende wereld veroverd, juist wat de Duitsers ook probeerden te doen, en op die manier zaten ze inderdaad in Palestina ten tijde van Kristus.
ERIK: Polestina, juist. Ik kon er niet opkomen.
RUDY: Pàlestina.
ERIK (triomfantelijk): Zie je wel! dan is het ook Pànderosa, als het niet Polestina is. (Iedereen lacht, behalve Rudy.)
RUDY (droog): Allé, wat is dat nu voor een redenering?
MARLEEN: Ssst! Kom, Roddy, vertel verder. Eerst waren die Messala en Ben Hur dus vrienden. En dan?
RODDY: Wel op zekere dag… (terwijl hij het verhaal verder vertelt, gaat zachtjes het licht uit, als het weer aan gaat, zit hij nog met John alleen op de scène.)
JOHN: ’t Was een mooi verhaal.
RODDY: Ja, dat vond ik ook, al zeg ik het zelf.
JOHN (plagend): Ik bedoelde het verhaal zélf, niet de manier waarop je het vertelde.
RODDY (even uit zijn lood geslagen): Ze vonden het toch… (Dan merkt hij aan de glimlach van John dat het niet gemeend was) Plaaggeest! (Even zitten ze beiden voor zich uit te lachen, dat gaat Roddy ernstig verder.) Bij mezelf speelt die scène op de Kalvarieberg steeds in mijn hoofd, veel meer dan die twee galeien.
JOHN: Waarom?
RODDY: Wel, in dat boek staat dat het Ben Hur was die Kristus te drinken gaf aan het kruis. Zou dat waar zijn?
JOHN: Is dat belangrijk?
RODDY: Nee, eigenlijk niet. Maar sindsdien heb ik altijd een eigenaardige droom en ik geloof dat die daarmee in verband staat.
JOHN: Wat is dat dan voor een droom?
RODDY: Wel, ik ben een Romein, maar ik sta aan de kant van Kristus.
Ik wil hem steeds bevrijden, maar telkens kom ik net te laat. Hij ziet echter nog bijtijds mijn goede bedoelingen en op die manier is het toch geen echte mislukking.
JOHN: Jaja, ik begrijp al wat je bedoelt. Maar morgen zou het beter zijn indien Kristus jou zou kunnen helpen in plaats van jij hem. En ’t is maar te hopen voor jou dat hij dan niet te laat komt…
RODDY (lacht mistroostig): Ja, een andere versie van diezelfde droom zou me dan beter van pas komen…
JOHN: Hoe gaat dat dan?
RODDY: Wel, op zo’n moment droom ik dat mijn bed een uiterst beweeglijk wagentje is dat je op je buik bestuurt. Het heeft een koepel van een soort onbreekbaar glas. Op die manier kan ik me in alle gevechten mengen, zonder zelf gekwetst te raken.
JOHN: Ja, dat zal nodig zijn! Hoe zit het met je zwaard?
RODDY (zonder veel overtuiging): Dat schiet goed op… (stilte) Het begint reeds donker te worden. Ik denk dat ik maar eens naar binnen ga, voor moeder weer haar keel openzet. Dag John!
JOHN: Dag Romein! (beiden af)

—————————

ZONDAG

—————————

Roddy komt op met een stripverhaal dat hij zojuist heeft gekocht.
Arlette staat hem op te wachten, ze zijn beiden “op hun zondags” gekleed.
ARLETTE: Hi!
RODDY: Oh? Dag, Arlette. (Een beetje onwennig:) Je ziet er leuk uit.
ARLETTE: Dank je. Maar… voor straks zal ik deze jurk maar uittrekken, zeker?
RODDY: Straks?
ARLETTE: Kom nou, doe nu niet of je het vergeten bent. Hoe is het met je zwaard?
RODDY: ’t Is af…
ARLETTE (na stilte): ja en?
RODDY: Wat wil je dat ik nog meer zeg? ’t Is af en daarmee uit.
(Stilte)
ARLETTE (zacht): Je hebt schrik, hé?
RODDY: Ik? Schrik? Ha! (stilte) Natuurlijk heb ik schrik…
ARLETTE: Ja, de Rosse, dat is niet iemand om mee te lachen…
RODDY: Ik vraag me af hoe ik me d’r nu zal kunnen uit praten…
ARLETTE (legt haar arm om hem heen): Ach, trek het je niet aan.
Je vrienden zijn er ook nog. Kijk, daar heb je zet net!
(Etienne, Willy en Harry komen op)
ETIENNE: Ga jij zo naar het duel?
RODDY: Ben je gek, man. Ik heb gewoon nog geen tijd gehad om me om te kleden.
WILLY: Wat voor een stripverhaal heb je daar? (Leest:) “Deul in de wolken”
ETIENNE (schamper): Deul! Duel zeker!
WILLY (die wat stottert als hij nerveus wordt): “Deul” staat er hier, lees maar.
ETIENNE (zonder kijken): Duel!
WILLY: Harry, lees jij dat eens?
HARRY (verveeld): Zeg jong, als je denkt dat ik mij dààrmee ga bezighouden.
WILLY (koppig): Deul!
ETIENNE: Deul! En wat is dat dan wel een deul?
WILLY: Wel euh…
ETIENNE: Ha! Zie je nu wel! Duel, slimmeke, of is wat Roddy zo dadelijk moet gaan uitvechten ook een deul misschien?
(Er wordt gelachen, maar niet erg oprecht.)
ARLETTE: Ik ga me omkleden. Dat zou jij best ook doen, Roddy!
RODDY: O.K. Ik ben dadelijk weer terug ; jongens.
(Terwijl ze beiden afgaan:)
HARRY (roept): Wie is je adjudant, Roddy?
ETIENNE: Secondant, kwibus.
HARRY: Awel, ’t is toch dat wat ik zei, hé?
ETIENNE: Hoe dan ook, hij heeft het niet meer gehoord. Maar ik neem aan dat het voor iedereen duidelijk is dat ik zijn secondant zal zijn.
HARRY: Ha ja, en waarom dan wel?
ETIENNE: Omdat ik altijd de tweede baas ben achter Roddy, tiens.
HARRY: De tweede baas! Pff! Wedden dat ik je er met een truuk kan inluizen?
ETIENNE: Een truuk? Welke truuk?
HARRY: Met deze bloem hier (Harry toont een takje met allemaal kleine witte bloesems aan) Steek dat eens in je mond.
ETIENNE: Niks van. Eerst Willy.
WILLY (die verstrooid op kwauwgom te staat te kauwen): Wat is dat?
HARRY: Steek dit eens in je mond, Willy…
WILLY: Hoe dan wel?
HARRY: Zo! (Steekt de bloem op zo’n manier tussen Willy’s tanden dat aan de ene zijde de stengel eruit steekt en aan de andere de bloesems. Vooraleer Willy goed en wel beseft wat er gaande is, trekt Harry bliksemsnel aan de stengel zodat de bloesems in Willy’s mond terechtkomen.)
WILLY (stotterend): Nu eet ik verdoeme tuttifrut met blom!
(Harry en Etienne lachen ; Roddy komt op.)
ETIENNE (fluisterend): Lap het Roddy eens!
HARRY: Roddy, wil je deze bloem eens in je mond steken?
RODDY (verstrooid): Ja, waarom niet? (Maar als Harry aan de stengel trekt, heeft hij die al doorgebeten, de bloem blijft zoals een sigaret tussen zijn tanden steken.) Wel? Wat scheelt er nu?
ETIENNE: Ach, laat maar zitten. Ik neem aan dat ik jouw secondant ben, Roddy?
RODDY: Mij goed, Etienne. Maar je houdt er toch wel rekening mee dat indien ik rap uitgeteld zou zijn, de Rosse het dan misschien wel tegen mijn secondant wil opnemen?
ETIENNE (verrast): Oh? Maar ik sta er niet op, hoor, om secondant te spelen. Harry hier had het ook al gevraagd.
HARRY: Broekschijter!
ETIENNE: Broekschijter? Ik? Als ik geen bril op had, hé manneke, dan zou ik u…
RODDY: Jaja, ’t is al goed. Zeg, we gaan nu toch niet onder elkaar beginnen vechten, zeker? Ben jij bereid om mijn secondant te zijn, Harry?
HARRY (fier): Zeker!
RODDY: Komaan dan, dan zijn we weg. (Wil opstappen)
ETIENNE: Ben je niks vergeten?
RODDY: Wat dan wel? (Merkt het) Godverdorie! Het zwaard!
(Gaat het halen. Ondertussen komen de Witte op en… Erik)
HARRY (misprijzend): Wie we daar hebben!
ETIENNE: Wel Erik, overgelopen?
ERIK: Als jullie niks anders kunnen dan met mij lachen…
ETIENNE: Lachen?
ERIK: Wel ja, als ik Panderosa zei.
ETIENNE (schatert): En daarom ben je overgelopen naar de Rosse?
(Harry en Willy lachen mee.)
WITTE: Je zal niet meer lachen als de Rosse, euh Gilbert hier is!
ERIK: Ha, ge weet het!
ETIENNE (die twee hoofden groter is dan hem ; tilt hem op bij zijn hemdskraag): Wat zoudt gij weten wat wij nog niet weten, kinkel?
Roddy komt weer op.
RODDY: Wat is dat hier allemaal?
ETIENNE: Dat broekventje hier is overgelopen naar de Rasse.
ERIK (piept): De Rosse!
Ieder lacht: ook de Witte, wat merkwaardig is, maar als de anderen gestopt zijn, lacht hij nog verder. Het is duidelijk dat hij om iets anders lacht. Bijna stikkend wijst hij op Roddy’s zwaard, dat mooi geschilderd is in wit, rood en blauw.
WITTE: Hahahaha! De Franse vlag!
RODDY: Is dat nu zo om te lachen? (Maar ook zijn vrienden moeten hun hand voor de mond houden wegens de gekke kleurenkombinatie.) Allé, ’t is nu genoeg geweest, hé. Wat kwamen jullie hier eigenlijk zoeken?
WITTE: Zoeken? Wij kwamen niets zoeken! Jullie zouden beter zoeken!
Missen jullie niemand?
RODDY: Zeker niet, we zijn hier allevier.
WITTE (spottend): Ja, de vier Bonanza’s, de verdedigers van weduwen en wezen!
RODDY (begrijpt het): Arlette!
WITTE: Ja, Arlette is in onze macht!
RODDY: Gij… (Wil hem aanvliegen, maar de Witte is hem te vlug af. Hij wil er vanonder muizen, maar Willy en Harry hebben hem nog net bij de lurven. Erik van zijn kant stormt de scène af.)
ETIENNE (roept hem na): En ga maar tegen uw baaske zeggen dat hij zijn witte handlanger kan terugkrijgen, als hij Arlette ongeschonden terugbezorgt. Allé, haast u, rap naar de Rasse!
(Willy en Harry hebben de Witte elk bij een arm vast en ze brengen hem voor Roddy.)
HARRY: Vooruit, Roddy, sla d’erop.
(Roddy heft even zijn vuist op en laat ze dan weer zakken.)
RODDY: Ach, zo is er niks aan.
(De Rosse komt op.)
ROSSE: ’t Zal zo dadelijk inderdaad wat anders zijn, hé schijtluis. Hier heb je je ‘lief’ terug! (Duwt Arlette ruw van zich af, tegelijk loopt de Witte naar de Rosse toe, die reeds geflankeerd werd door Erik. De Rosse heeft een heel primitief zwaard bij. Helemaal niet geschilderd of zo, maar het ziet er wel veel steviger uit.)
ROSSE: Is dat uw zwaard? ’t Is veel mooier dan ’t mijne. Hahahahaha, dat lijkt wel een zwaard voor een meisje. Zeg, kloefkapper, ben je d’r zeker van dat het eigenlijk geen cadeautje is voor uw lief? (Zijn handlangers lachen.)
RODDY (gaat onverhoeds in de aanval): Hou nu eindelijk toch eens op over dat ‘lief’! (Maar nog voor de eerste slag kan vallen heeft de Rosse hem reeds ontwapend. Met zijn eigen zwaard slaat hij Roddy tegen de grond en dan breekt hij a.h.w. ‘plechtig’ het mooigeverfde zwaard op zijn knie en gooit de stukken weg.)
ROSSE: Ziezo, opgeruimd staat netjes. (Maar dan vliegt onverwacht de kleine Harry op ; met het hoofd stoot hij in de buik van de Rosse, die vooroverbuigt van de pijn. Een kopstoot tegen zijn neus maakt dan het werk van Harry af. Onder triomkreten van Willy, Etienne en Arlette gaat de Rosse K.O. Om verdere vernederingen te voorkomen, nemen Erik en de Witte hem snel onder de arm en voeren hem af.)
ETIENNE: Ziezo! Dat hebben we goed gedaan!
WILLY: Wij? Wij hebben helemaal niets gedaan! Harry, ja, die heeft het helemaal op zijn eentje geklaard.
RODDY (nog op de grond, aan zijn hoofd wrijvend): Jaja, en geen sekonde te laat. (Steekt de hand uit!) Dank je, Harry. (Trekt zich meteen ook recht aan Harry’s arm.)
ARLETTE: Heb je je geen pijn gedaan?
RODDY: Dat gaat wel. (Wrijft toch nog eens bedachtzaam over zijn hoofd.)
ETIENNE: Enfin, eind goed, al goed.
WILLY: Ja, dat dient gevierd. Met een ijsje op “De Ark”. Ga je mee, Roddy?
RODDY: Euh… nee. Ik blijf maar hier, je weet toch nooit met zo’n klop. Ik wacht nog even af.
ARLETTE: Zal ik bij je blijven, Roddy?
RODDY (bekijkt haar aandachtig): Bij nader inzien, nee Arlette. Daarvoor is het nog wat te vroeg. Ga maar mee met Etienne en de anderen. Misschien weet Etienne meer van die dingen af.
ARLETTE (een beetje ontgoocheld): Zoals je wil… (Iedereen af, groetend en zwaaiend.)
JOHN (komt op, terwijl Roddy peinzend en wrijvend voor zich uit zit te staren): Zo, dat heb je er goed vanaf gebracht, niet?
RODDY (schamper): Vind je?
JOHN: Die nederlaag zal de Rosse zich nog lang heugen.
RODDY: Dat is het ‘m juist. Ik denk dat dit verhaal helemaal niet af is.
JOHN: Maar jij hebt geen zin om het nog verder te… vertellen?
RODDY: Waarom zou ik? Ik kom er zo al bekaaid genoeg van af.
JOHN: Nounou, is dat nu de taal van een overwinnaar?
RODDY: Overwinnaar? Wie is er hier de overwinnaar? Harry? Wie weet, als we in de toekomst zouden kunnen kijken, waartoe dat vechterstalent van hem nog zal leiden…
JOHN (kijkt naar het zwaard): Ja, dat je geen vechter zal worden, daar moet je inderdaad niet mee inzitten. Maar een kunstschilder zal je toch ook niet worden, hé? (Kan zich amper bedwingen niet te lachen.)
RODDY (kijkt ook naar het gebroken zwaard): Ja,… Eigenlijk waren het toch wel gekke kleuren, niet… (Begint ook stilletjes te lachen, John ook, steeds luider.) Maar misschien is het wel juist daarom dat we gewonnen hebben. Misschien was de Rosse slap van ’t lachen!
JOHN: Ja, de slappe lach!
RODDY: Van de Rasse! (Ze wissen zich de tranen van het gelaat ; John gaat naast Roddy op de drempel zitten en legt de arm om zijn schouder.)
JOHN: We hebben toch eens goed gelachen.
RODDY: En dat is het voornaamste.
JOHN: Maar als je nog eens uitgedaagd wordt tot een duel…
RODDY: Of een “deul”! (Ze barsten weer in lachen uit, terwijl van binnen de boze stem van MOEDER klinkt: “Roddy! Waar zit je? Ben je weer een zwaard aan ’t scherpen met een mes? Kom maar rap binnen! Hoor je niet? Binnen, zeg ik, en rap!”)
JOHN: Ze zullen ons nooit verstaan, hé broer?
RODDY: Nee broertje, nooit. Alleen jij en ik.
JOHN: Jij en ik. En dat is meer dan genoeg.

Ronny De Schepper

(*) Het was hun manier om het woord “storyteller” te proberen uitspreken, zie ook bij het interview met Michiel Hendryckx.
(**) Zoals mijn verlangen naar een broer, zoals dat b.v. nogal genant tot uiting kwam in het interview met Jeroen Krabbé.
(***) “Als hij meer vooruitziend was geweest, had Eddie zich daar op dat moment zijn beperkingen als schrijver kunnen realiseren: hij zou nooit een solide leugenaar zijn.” (John Irving, Weduwe voor een jaar, Amsterdam, Anthos, 1998, p.205)

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.