Het Festival van de Fantastische Film editie 2002 werd geopend met de nieuwste verfilming van “Belphégor”, de belle époque roman van Arthur Bernède, die eigenlijk reeds op 4 april 2001 in première was gegaan.
Wat wij nu vooral kennen als de eindeloze, in het begin intrigerende, maar later ontgoochelende televisieserie “Belphégor” van Claude Barma uit 1964 met Juliette Gréco in een dubbelrol was oorspronkelijk (namelijk in 1927) een vierdelig filmfeuilleton. Daarom besteedde het Brusselse filmmuseum gedurende de hele maand maart aandacht aan dit genre.
In 1909 draait in de States de legendarische D.W.Griffith “The lonely villa”, een film die de harten van de kijkers sneller doet kloppen als Mary Pickford door haar vader uit de klauwen van een stel bandieten dient te worden gered. Mary Pickford zou hierdoor “America’s Sweetheart” worden en de film zou later model staan voor dingen als “The Perils of Pauline” (gespeeld door Pearl White) van Spencer G.Bennet uit 1914, een voorbeeld van de films “in afleveringen” die in die tijd furore maakten. Met op het einde het fameuze zinnetje: “Zal onze held ten onder gaan? Come and see next week!” Griffith zou van deze ‘last minute rescue’ niet alleen zijn handelsmerk maken, het zou een typisch element blijven voor de structuur van de doorsnee‑speelfilm in het latere Hollywood.
De Amerikaanse filmfeuilletons waren echter ook toen al gekenmerkt door een grote oppervlakkigheid (uitsluitend de nadruk op actie: achtervolgingen, ontploffingen en vuurgevechten). Het is eerder op het Europese vasteland, meer bepaald in Frankrijk, dat er ook een mysterieuze, haast magische dimensie aan werd gegeven.
Dat was vooral het werk van één man: Louis Feuillade (1873-1925). Hij draait in 1917 de avonturen van “Judex” (*). De bankier Favraux, die in zijn leven al vele mensen ten gronde heeft gericht, staat op het punt zijn dochter uit te huwelijken aan een geldzieke ridder. Maar een en ander komt roet in het eten gooien. Op weg naar zijn kasteel rijdt Favraux een bedelaar aan. Het blijkt vader Kerjean te zijn, één van zijn vroegere slachtoffers. Van een hem onbekend personage genaamd Judex ontvangt Favraux daarna een brief, waarin wordt geëist dat hij de helft van zijn fortuin aan de armen zou schenken. Uiteraard denkt hij er nog niet aan! Dan wordt hij echter ontvoerd en opgesloten in het Rode Kasteel, waar hij bewaakt wordt door Kerjean. Zijn dochter Jacqueline krijgt ondertussen weet van haar vaders vroegere misstappen en besluit niet zo maar de helft, maar meteen haar hele fortuin weg te schenken. Een zekere Diana duikt dan echter op, die een oude vlam van Favraux blijkt te zijn en die alles in het werk zal stellen om Jacqueline uit de weg te ruimen. Weer zal Judex optreden als deus ex machina.
Alhoewel het fantastische element (onmisbaar in een goede avonturenfilm) in de filmfeuilletons wél een rol speelt, leunden deze films toch nog te zeer aan bij detectivefilms (het is juist in het voor dit genre vereiste realisme dat ze ervan afwijken). Het fantastische zou echter steeds meer aan belang winnen, zo bijvoorbeeld bij de opvolger: “Fantômas”.
Nadat we in de periode van de stomme film bij de zogenaamde “feuilletonfilms” reeds tal van eigenaardige detectives te zien kregen, wordt de detective in de sprekende film een serieus man. In tegenstelling tot de Amerikanen die meestal een “privé-detective” opvoeren, die zelf op de dunne koord tussen goed en kwaad balanceert, kiezen de Fransen voor iemand die ook officieel recht en orde incarneert. Wie ontelbare malen tot leven is gekomen op het witte doek is natuurlijk commissaris Maigret, gecreëerd door de Luikenaar Georges Simenon. “La tête d’un homme” werd in 1932 reeds (amper één jaar na het eerste Maigret-verhaal) verfilmd door Julien Duvivier met Harry Baur in de rol van de commissaris en Valéry Inkijinoff als de ten dode opgeschreven Radek (eigenlijk een pathetische versie van Raskolnikov).
“Judex” werd overigens een kleine halve eeuw later nog eens opnieuw verfilmd door Georges Franju (1912-1987). Grappig is dat de Franse regisseur hiermee weerwraak wou nemen voor het feit dat de rechten voor een remake van “Fantômas” aan zijn neus waren voorbijgegaan. Die had Edouard Molinaro immers te pakken gekregen om er met Louis de Funès, Jean Marais en Mylène Demongeot een kluchtige reeks van te draaien. Hoe belangrijk de magie voor Franju wel was, blijkt uit het feit dat hij er niet voor terugschrok om de hoofdrol toe te wijzen aan Channing Pollock, enkel en alleen omdat dit een goochelaar was en de frappante beginscène met het tot leven wekken van een dode duif niet (of althans toch minder) zou hebben gewerkt met de gebrekkige “special effects” waarover men in die tijd beschikte. (Een andere minder gelukkige casting was die van Theo Sarapo, de tragische laatste minnaar van Edith Piaf.)
VAMP
In 1918 draait Louis Feuillade bovendien “Les Vampires”, geen vampierenfilm maar de naam van een misdaadorganisatie, waarbij de lege straten van Parijs tijdens de Eerste Wereldoorlog een luguber realistisch decor vormen. De film wordt echter gedragen door Musidora, de eerste “vamp” uit de Franse filmgeschiedenis (1889-1957). In 1996 zal Olivier Assayas een satire rond een zogezegde remake van deze film draaien, onder de titel “Irma Vep” (een anagram voor “vampire”) door ene René Vidal. Deze rol wordt gespeeld door Jean-Pierre Léaud. De rol van Irma Vep (of Musidora als u wil) wordt vertolkt door de Hongkong-ster Maggie Cheung.
De naam “vamp” is eigenlijk ontleend aan alweer een Amerikaanse film, namelijk “A fool there was” met Theda Bara uit 1915. Gebaseerd op het verhaal “The vampyre” van Rudyard Kipling is het eigenlijk een romantisering van het waargebeurde verhaal van Kiplings neef, de schilder Philip Burne-Jones, die letterlijk ten onder ging aan zijn liefde voor de actrice Mrs.Patrick Campbell. Een vamp is dus met andere woorden een “femme fatale”, die mannen uitzuigt en laat vallen. (**)
POPULARITEIT/KWALITEIT
Deze filmfeuilletons waren in de belle époque zo populair dat ze ook een verlengstuk kregen in kranten en tijdschriften, die natuurlijk al lang een traditie hadden van feuilletonliteratuur.
Anderzijds werden de vertoningen van sommige films (vooral buiten Parijs) door de burgemeesters verboden omdat de hoofdpersonages hun misdaden begingen “omwille van de misdaad”. “L’art pour l’art” als het ware. Het enige “positieve” hoofdpersonage is dan ook de reeds geciteerde Judex. Latere bewonderaars zoals bijvoorbeeld Johan Daisne zouden, louter op morele gronden, deze Judex-films dan ook hoger inschatten dan de overige (al moet Daisne toch ook door het magisch-realistische karakter van de andere films aangesproken geweest zijn).
Over kunst gesproken, in 1908 werd de firma “Film d’Art” opgericht om het medium meer “aanzien” te geven, kan enkel maar puur toeval zijn, want het was daar zeker geen reactie op, aangezien Le Bargy hier eveneens aan de oorsprong stond. Uiteindelijk kan men trouwens stellen dat het in beide gevallen enkel om verfilmd theater gaat, zij het dat in “L’assassinat du duc de Guise” weliswaar acteurs van de Comédie Française optreden. Een andere “adelbrief” was de “soundtrack” van Camille Saint-Saëns, die daarmee de eerste componist wordt die de opdracht krijgt een orkestwerk te schrijven voor een film. Toch heeft deze beweging haar belang gehad omdat deze “echte” acteurs niet onnodig gesticuleerden en omdat ze door de korte spoelen (een film duurde tussen 15 en 20 minuten) gedwongen waren enkel het meest essentiële te tonen. Kortom, vóór de Eerste Wereldoorlog werd de internationale film gedomineerd door Frankrijk. Het waren niet de Amerikaanse, maar wel Franse ondernemers als Charles Pathé en Léon Gaumont die al snel verticaal geïntegreerde filmbedrijven uitbouwden. De filmproducties, gaande van komische (Arnaud, Bosetti, Feuillade) tot sociaal‑kritische drama’s (Zecca), of tot gemengde tekenfilms (Cohl), werden wereldwijd verdeeld en vertoond. Het zijn stuk voor stuk mijlpalen in de ontwikkeling van de narratieve film. Nadien ging het echter bergaf. Zo heeft ook Frankrijk in 1928 z’n eerste geluidsfilm, “Les trois masques” van André Hugon, maar omdat de infrastructuur ontbrak, moest hij wel in Engeland worden opgenomen.
De critici waren in die tijd echter helemaal niet mals voor Feuillade. Wellicht omdat zijn stelling was dat kwaliteit in de film (als “grote volkskunst van onze tijd”) uitsluitend kon worden afgelezen op basis van de populariteit bij de massa’s. Het mag voor Bert Anciaux misschien een troost zijn dat de discussie waarmee hij nu al heel de tijd geconfronteerd wordt van alle tijden is.
SURREALISME
En voor Feuillade mag het misschien een troost zijn dat hij in de armen werd gesloten door de surrealisten. Guillaume Apollinaire en Max Jacob stichtten in 1912 de Société des Amis de Fantômas. Op hun bijeenkomsten, waarop onder meer Aragon, Breton, Magritte, Bunuel, Prévert en Queneau aanwezig waren, werden er rollenspelen gespeeld of simpelweg gekwist met vragen als: “Hoeveel moorden werden er in deze of gene film gepleegd?”
Toch zeggen we “misschien” want filmpionier Georges Méliès werd bijvoorbeeld ook door Luis Bunuel aan het hart gedrukt en deze was daar helemaal niet gelukkig mee.
Nochtans dient gezegd dat de surrealisten de kwaliteiten van de films van Feuillade heel precies omschreven. Peter Rotsaert formuleert het in het tijdschrift van het Paleis voor Schone Kunsten als volgt: “Ze prezen zijn vermogen om, binnen een realistische fotografie en enscenering, toch de droomkwaliteiten van de werkelijkheid bloot te leggen. Het alledaagse transformeerde zich voor Feuillades camera tot een slangenkuil waarin niets is wat het lijkt. Of het nu gaat om Fantômas, Les Vampires, Barrabas of de anderen, heel de wereld lijkt beheerst door een anti-burgerlijk complot. De straten van Parijs of de interieurs van de herenhuizen fungeren als doodnormale decors, maar als bloed uit de muur sijpelt het kwaad er langzaam binnen. Geen stuk meubilair of het verbergt wel een geheime gang. Geen rekwisiet of het kan omgebouwd worden tot wapen van de misdaad.”
Kortom, de sfeer die Umberto Eco zo treffend omschrijft in “De Slinger van Foucault” met Fantômas als man met steeds wisselende identiteiten, net als de graaf van Saint-Germain…

Ronny DE SCHEPPER

(*) De benaming “feuilleton” heeft op zich niets te maken met “Feuillade”, maar toch is het een merkwaardige overeenkomst…
(**) Zoals in het gedicht “Le Vampire” (p.32) van Charles Baudelaire, alhoewel dat met de minder geslaagde titel “Allégorie” (p.120) eigenlijk nog beter een dergelijke vrouw omschrijft. (Beide uit “Les Fleurs du Mal”)

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.