Vijf jaar geleden begroette ik Lukas De Vos als nieuwe gastcolumnist. Lukas is bij het grote publiek vooral gekend van de VRT-nieuwsdienst, ikzelf heb hem in het begin van de jaren zeventig leren kennen in de Germaanse. Lukas is niet de eerste gastschrijver op mijn blog, hij is wel de eerste die dit doet met een aantal persoonlijke columns. Het spreekt vanzelf dat ik het niet altijd honderd procent eens ben met wat hij (of iemand anders in die hoedanigheid) schrijft, zulke eenstemmigheid kan men immers nauwelijks verwachten…

Klein is de naam. Ik keek op. Zijn grijze ogen blonken geel. Gelogen, dacht ik. Het maakte dezelfde avond niks meer uit. Klein alias lag op zijn buik, er zaten een viertal nette, zwart geronnen gaatjes in zijn rug. Hij zeverde nog wat rozig schuim. Longen kapot, geen hoop meer. De vermoeide heelmeester, muts half weggeschoven, mondmaskertje omlaaggetrokken, zag een leven onder zijn handen uiteenkruien. Een lillend hoopje kwik uiteenstuiterend in duizenden uitzinnige bulletjes. De geur van het slachthuis, formol en bloed. Ondergronds, ziekenhuis in Zadar. Mannen van de vuilniskar, te vet, te stoer, te veel slivovitsj. En te dood. Wat in de operatiezaal werd binnengegooid, was heen. Anderen lagen te kermen in een aanpalend zaaltje, zes te jonge jongens, meer branie dan verstand, meer hulpeloos dan weerloos. Eentje ijlde om zijn moeder, greep mijn hand en wou ze niet meer loslaten. Tien minuten lang heb ik gepraat, wat ik kwam doen, waarom ik daar stond, in potjesduits. Niemand maalde erom, ook de geknakte jongens niet. Ze begrepen nauwelijks wat ik zei. Maar er was iemand die er was. Waar hij ook vandaan kwam.

De gore geur veegde de akelige efficiency van het noodziekenhuis weg dat ik een dag eerder op het eiland Nis had bezocht. Keurige heren, hupse verpleegsters, kraaknette machines. Wachtend op een aanval van het Servische leger. Overbodig wachtend dus, en ongebruikt gebleven. Vormelijk de tegenpool van de stukgeschoten – en allicht met wrakken, verwrongen staal en lege munitie mee in scène gezette – hospitaalruïne van Vincovci. Ook daar lagen de zieken en gewonden netjes ondergronds. Rij aan Rij. Afgelijnd. Het bedrieglijke zit hem in de beweging. Rotten ziekbedden, bloedvlek hier, windsels daar, gesmoord gekreun, niet al te groezelig, ziekenhuizen lijken wat op tuinperkjes, als de eerste scheuten opschieten, de kraaien vechten, en de rabarber van vorig jaar nog staat te verpieteren. De tweede verdieping. Eén brok puin, met daartussen handig gedrapeerd kromgetrokken scanners en lusteloze lamphouders. Een uitkijkpost van het Kroatische leger. Kijk, dat is de frontlijn, links de Servische vlag, nog met rode ster. Rechts, op goed honderdvijftig meter, dezelfde vlag met het schaakbord. Tussenin, wind. De rust van de rustine. In de verte, op zes kilometer, de romp van de watertoren in Vukovar. Ieder zijn herkenningspunt. Het wachten is het ergste. Er gebeurt niets, wekenlang, de boterbloemen groeien, de obussen roesten. Zadar, ver weg aan de kust, beweegt, schokkerig. Tegenaanval op het dorpje Murvica. Klein-is-de-naam had zich wat onwillig, maar hanig voorgesteld dezelfde middag. Zwart uniform, half sjampetter, half burgerbescherming, zijn Duits leek nog het best op het mijne, maar met een vettig Slavisch aksent. Loop mee. Zijn laarzen kraakten nog naar nieuw, veel ochtenddauw en bosgrond waren niet aan hem besteed. Zijn stap was breed en hoekig, een boerse feldwebel die een kraanvogel met latten wil zijn. Groot is hij wel, wat kwabbig om het middel, maar toch fors ingesnoerd met een koppel. Achteloos hangen enkele granaten aan zijn riem, de FAL zwiept hij heen en weer als een mattenklopper. Klein heeft hem wellicht ook zo gebruikt. Maar er was een tsjetnik die iets minder beschonken was, of iets minder onhandig. Of nog angstiger, en dus sneller schoot. In de rug, het valt niet op. Voor Klein niet meer, zijn gereutel stokt. Gevallen voor het vaderland, al twijfel ik sterk aan dat vaderland. Oekraiene misschien. Of Wolgaduitser. Gestuit in zijn loop. Twee schichtige kameraden ontmoet, het zwart legioen. Wie gepakt wordt, komt hooguit in schijfjes terug. In een flits hoor ik een Wase tongval. Onmiskenbaar, van over ’t water. Ze zijn hun eigen Rubico overgestoken, ze kunnen nooit terug uit hun maquis. Braamdoorns, konijnengaten, jong struweel, in het struikgewas, aan hun baard. Gehuurde blauwe ogen, voor kerktoren en haard, ze zijn weinig van zeggen, ontkennen heftig : er vechten geen betaalde avonturiers mee. Klein heet net zo min Klein, als de Waaslander en de Hollander Kroaten zijn. Ik heb ze nooit meer gezien, Klein ligt in zijn kuil, de zwarten zijn opgelost in de mist van hun eigen oorlog. In de Krajina, in Murvica, in Nustar. Streepjes op een muur. Zandzakjes aan de gevel. Niet meer dan een fluim, en de zoveelste borrel. Van de intakt gebleven stokerij Maraska. Obojen Prirodnom Bojom. De halve fles van Klein-is-de-naam heb ik gehouden. Ze staat nog in mijn bar, bestoft, likeur uit 1991, streepjeskode 8 600025 012600. Zesendertig graden. Zo warm was het ook toen Kleins slikvermogen het begaf. Ik heb er nooit meer van gedronken, want ze draagt de even rampzalige naam ‘Half’. Die halfgare streber, met zijn halfwassen blik en gedachten, ik heb hem een halve dag gekend, en met hem gedronken. En toen was hij weg, en met hem zijn wereld. Klein is de wereld.

Lukas De Vos

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.