Het is vandaag al 35 jaar geleden dat in de omgeving van Parijs de Franse filmmaker en komiek Jacques Tati is gestorven.

In een oude Snoecks (ergens in de jaren zestig) stelde Louis Paul Boon voor een literatuurgeschiedenis te schrijven in annekedoten. Ik geef toe dat af en toe een mooi gestructureerd overzicht niet te versmaden is, maar toch viel dit voorstel bij mij niet in dovemansoren. Ik ben m.a.w. zót van A(nekdoten) en altijd bereid om daaraan dan een wat meer beschouwend stuk te koppelen. Zo wil ik het vandaag hebben over Jacques Tati, de legendarische Franse filmregisseur (1907-1982), die dit jaar centraal staat in het Internationaal Filmfestival van Gent. En het is met name directeur Jacques Dubrulle die vandaag in De Gentenaar aan Karel Van Keymeulen een leuke anekdote verteld over deze man: “Ik leerde Tati kennen in 1969 toen hij filmde in Sint-Niklaas. Voor Trafic maakte hij opnamen op een nieuwe weg die de toenmalige E3 met het centrum van Sint-Niklaas verbond. Ik mocht hem als freelancer voor Radio 2 interviewen in hotel Serwir. Ik rekende op tien minuten maar kreeg een uur. Toen ik wilde vertrekken, vroeg hij: En wat gaan we nu doen? Hij wilde graag kip moambe eten. In de Gentse Dampoortbuurt was een restaurant waar ze dat serveerden. Na de maaltijd wilde ik hem terugbrengen, maar opnieuw vroeg hij: En wat gaan we nu doen? We trokken naar het Galgenhuisje en bij Leentje, een populair café. Om 2 uur ’s nachts heb ik hem naar huis (sic, RDS) gevoerd.”
En zo’n anekdote is nodig om de aandacht trekken op de Franse humor, want – zoals deze week (12/10/2010) in Humo staat – “Fransen en humor: als u het ons vraagt toch niet zo’n geslaagd huwelijk als Engelsen en humor, maar voor de geweldige regisseur en acteur Jacques Tati maken we héél graag een uitzondering. Alhoewel: Tati was eigenlijk van Russische oorsprong (zijn echte naam was Tatischeff), en zijn taalloze, visuele humor was universeel.”
Jacques Tati (die een Nederlandse moeder had) is met “Jour de fête” (1947), “Les vacances de monsieur Hulot” (1952), “Mon oncle” (1958), “Playtime” (1965) en “Trafic” (1972) het Franse antwoord op Charles Chaplin. In “Jour de fête” wordt de hoofdrol nog gespeeld door “een” postbode (Tati zelf), met overigens een magistrale wielerscène, maar in “Les vacances de Monsieur Hulot” maken we kennis met het typetje dat een tongbreker is voor Eddy Wally, maar verder voor eeuwig op Jacques Tati zal kleven. De film zelf schetst de verveling, de flaters en de toevallige samenloop van omstandigheden tijdens een vakantie aan zee. De losse pantomime‑scènes zijn niet zozeer door een verhaal verbonden, dan wel door de herhaling van plaatsen en personages en het ritme van de geluidsband. Het herhaaldelijk gebruik van de tune van de titelmelodie is de eenheidsscheppende factor bij uitstek. Neem daarbij de uitvergrote ‘achtergrond’‑geluiden van de veer van de restaurantdeur, het herkenbare gesputter van Hulots autootje en andere overtrokken geluiden, en je hebt een audiovisueel universum om je vingers bij af te likken.
In ‘Mon Oncle’ wordt Tati’s personage Monsieur Hulot, de vleesgeworden onhandigheid, geconfronteerd met de organisatiedrift van zijn neef, de industrieel en controlefreak Arpel. Arpels huis is uitgerust met allerlei futuristische snufjes, maar zijn zoontje Gerard vindt het chaotische huis van oom Hulot veel gezelliger. Jacques Tati is de meester van de klankband in het slapstick‑genre. Het mimespel van Monsieur Hulot, de caleidoskopische structuur en de vele gags doen denken aan de films uit de eerste periode.
Ook zijn navolger Pierre Etaix is uitstekend. Deze is nog meer beïnvloed door mimespeler Marcel Marceau dan Tati! Doordat de hoofdpersoon in “Allez France” (regisseur Robert Dhéry zelf) door een ingreep van de tandarts tot zwijgen gedwongen is, past ook deze film uit 1964 in deze reeks.
63 FernandelMaar voor de rest is Franse humor vooral verbaal, vooral bij Sacha Guitry, bij wie men zelfs nog invloed van Molière kan herkennen! Daarna schakelt Fernandel wel al over op smoelentrekkerij (“Le petit monde de Don Camillo” van Julien Duvivier, 1951; “Le retour de Don Camillo” van Julien Duvivier, 1953; “La grande bagarre de Don Camillo” van Carmine Gallone, 1955; “Don Camillo, monseigneur” van Carmine Gallone, 1961). In 1956 is hij vooral irritant als “Le couturier de ces dames” in de gelijknamige film van Jean Boyer. Akkoord, hier zitten wel weer Sacha Guitry-dialogen in, maar het geheel is toch een machistische en homofobe bedoening (in de wereld van couturiers ligt het voor de hand dat dit thema aan bod komt, maar de aanpak is hoegenaamd niet meer denkbaar in de huidige omstandigheden). De scheefpoeperij van het personage van Fernandel wordt immers toch maar lekker vergoelijkt, net als in “L’homme à l’imperméable” van Julien Duvivier uit 1957, waarin Fernandel als klarinettist van een moord wordt verdacht omwille van zijn “imperméable”, terwijl hij eigenlijk weer de scheve schaats aan het rijden is. Dus moet hij zelf maar de moordenaar zien te vatten, vooraleer zijn vrouw lucht krijgt van zijn escapades. Ernstiger is natuurlijk wel “La vache et le prisonnier” van Henri Verneuil uit 1959, de lievelingsfilm van mijn vader, omdat die tijdens zijn krijgsgevangenschap zelf met koeien te maken had (zie foto).
93 Vader als FernandelBourvil startte als Fernandel-imitator. Hij stelde zich dan ook heel wat voor van “La cuisine au beurre” van Gilles Grangier uit 1963. Helaas stelde Fernandel zelf alles in het werk om het leven van Bourvil zuur te maken. Hij wou de fakkel niet uit handen geven. Nu, ik moet eerlijk zeggen dat ik daar in de uiteindelijke montage van de film niets heb gemerkt. Integendeel, het scenario legde het er zo op aan dat die aflossing van de wacht er juist zat aan te komen. In de film komt Fernandel immers jaren na de oorlog uit Duitsland terug, waar hij een verhouding had met “ein Deutsches Mädel” (Anne-Marie Carrière) wier echtgenoot vast zat in Siberië. Als haar man echter vrijgelaten wordt, zit er voor Fernandel (die in de film de naam Fernand draagt, net zoals Bourvil ook gewoon André heet; ze komen beiden ook uit hun echte regio: Fernand uit Marseille en André uit Normandië) niets anders op dan terug te keren naar zijn vroegere restaurant in Martigues (men kan niet zeggen dat de afscheidsscène op het perron van Krems erg emotioneel verloopt – toch niet van de kant van Fernand). Maar in Martigues staat zijn naam al op het monument van de gesneuvelden en is zijn vrouw (een veel te jong gecaste Claire Maurier) met de Normandische inwijkeling André getrouwd. Fernand wordt eerst met open armen ontvangen, tot blijkt dat volgens de wet en volgens de kerk hij nog steeds de wettelijke echtgenoot van Christiane is. Dan gaan de poppen aan het dansen natuurlijk. Hoe het uiteindelijk afloopt, ga ik niet verklappen al zou men nauwelijks van een spoiler kunnen gewagen, zo flauw is het.
In 1965 speelde Bourvil dan weer samen met Louis de Funès in “Le corniaud”. Een jaar later gevolgd door “La grande vadrouille”, eveneens van Gérard Oury. In 1967 was hij te zien in “Les cracks” van Alex Joffé en uit 1968 stamt “Le Cerveau” opnieuw van Gérard Oury, maar dan met Jean-Paul Belmondo en David Niven.
Opvallend: waar men in andere landen oordeelt “een komedie, daar kunnen ook de kinderen naar komen kijken”, daar schijnt men in Frankrijk daarentegen juist eerder wat erotiek te integreren. Toegegeven, het is brave erotiek (een bloot been en een blote schouder in “L’homme à l’imperméable” tot gewoonweg blote tieten in “Ah! les belles Bacchantes” van Jean Loubignac uit 1954 met Colette Brosset, Robert Dhéry en Louis de Funès) en misschien vinden de Fransen het helemaal niet erg als kinderen daar ook naar kijken, maar het is toch een merkwaardig verschil tegenover b.v. de Verenigde Staten waar deze films ongetwijfeld “kinderen niet toegelaten” zouden zijn.
In zijn beste films zoals eveneens “La grande vadrouille”, maar ook “La folie des grandeurs” en “Les aventures de Rabbi Jacob”, allemaal van Oury (1919-2006), kan Louis de Funès nog best vermakelijk zijn, maar de ellenlange gendarme-serie stelt het geduld wel erg op de proef. Of zoals Tati het formuleert in de reeds geciteerde Humo: “Ik maakte een langspeelfilm met een postbode in de hoofdrol, en die bleek enorm goed te lopen. Maar wat kreeg ik na dat succes van Jour de fête van de producenten te horen? ‘Tati, je krijgt carte blanche… om nóg een film met die postbode te maken.’ Terwijl ik net vond dat ik het verhaal van die postbode helemaal verteld had. Ik had ze kunnen maken, hoor: Le facteur à Saint-Tropez, Le facteur à New York, Le facteur se marie… Maar ik bleef liever constant naar compleet nieuwe dingen zoeken.”
94 fernandelIn 1970 is er het afscheid van Fernandel, dat eigenlijk heel goed wordt geëvoceerd in “Heureux qui comme Ulysse…” van Henri Colpi. Uiteraard heb je het gegeven van het oude paard dat door zijn baas eigenlijk wordt voorbestemd om te sterven in de arena van Arles, maar die door de knecht Antonin (Fernandel) wordt “ontvoerd” en vrijgelaten in de Camargue (niet nadat er eerst een pseudo-sterfscène heeft plaatsgehad). Maar daarnaast wordt er ook teruggeblikt op de carrière van Fernandel: de tocht met het paard roept natuurlijk reminiscenties op naar die met de koe Marguerite; net als Don Camillo praat Antonin met de Voorzienigheid en op een bepaald ogenblik zelfs letterlijk met een gekruisigde Jezus, maar daarbij maakt Antonin zich ogenblikkelijk de bedenking: “Wat brengt dat nou op?”; en tenslotte is er de overweldigende reclame voor Fernandels biotoop: het Zuiden van Frankrijk, met name de Provence en de Camargue. In het eerste deel van de film stelt Fernandel zich ook uiterst onaangenaam op en dat is natuurlijk ook iets dat erbij hoort, als men terugblikt op de loopbaan van deze “komiek”. En tenslotte is er ook nog de merkwaardige misogyne passage halfweg de film, als Antonin afscheid neemt van een oude rivaal, die hem destijds het knapste meisje van het dorp afhandig maakte. Hij heeft nu een even prachtige dochter (Evelyne Séléna), die hem echter evenzeer op de zenuwen werkt dan destijds zijn vrouw. Het slot van deze scène is dan ook Fernandel die lachend aan het graf van de vroegere geliefde staat en zonder spijt de foto die hij de hele tijd van haar heeft bewaard achterlaat.
Yves Robert is op dat moment al te oud om als “opvolger” te worden bestempeld, maar toch is hij het die voor coming man Claude Berri dat jaar de rode loper uitrolt in diens autobiografische “Le cinéma de papa”, aangezien Berri zelf als hoofdrolspeler bewust een zeer schlemielige prestatie neerzet. De film werd slecht onthaald, maar François Truffaut nam de verdediging van Berri op zich.
Daarnaast is er dat jaar ook nog “Raphaël le débauché” met muziek van Vincenzo Bellini, gespeeld door Orchestre de Chambre de l’ORTF m.m.v. de sopraan Mady Mesplé en de tenor Alain Vanzo. Deze film van Michel Deville is gebaseerd op een scenario van Nina Companeez. Maurice Ronet in de titelrol zal uiteindelijk zijn meerdere vinden in Françoise Fabian, nadat hij Brigitte Fossey en Isabelle de Funès heeft binnengedaan. Fabian trouwt dan met Jean Vilar. Daarnaast is er de verfrissende humor van “Colinot Trousse Chemise” (Nina Companeez) en “Home sweet home” van de Belg Benoit Lamy (uit 1973). “Impossible… pas français” van Robert Lamoureux (uit 1974) is al een stuk minder, maar de Fransen zullen vooral de meesters van de ongein worden vanaf 1975 met “On a retrouvé la septième compagnie” (opnieuw van Robert Lamoureux) of een jaar later met “La situation est grave… mais pas désespérée” van Jacques Besnard of “L’hôtel de la plage” van Michel Lang. Vooral deze laatste was een voorbeeld van de ongein waarin de Franse komedie was verzeild geraakt. Veel naast de pot pissen, maar dat kenden we natuurlijk al uit de boulevardkomedies van de negentiende eeuw. Daarnaast echter vaak ranzig gedrag (pesterijen eigenlijk), dat als “grappig” wordt gepresenteerd. Nochtans was de film heel populair, zodat er in 1978 een soort van “opvolger” kwam met “Les bronzés” (Patrice Leconte).
Sommigen zullen wel vinden dat Coluche, die in 1976 reeds de sidekick was van Jean Rochefort in de politieparodie “Les vécés étaient fermés de l’intérieur” van Patrice Leconte, “iets nieuws” bracht, maar persoonlijk vind ik het “hetzelfde maar anders”. “Nowadays Patrice Leconte is a respectable member of the arthouse fraternity,” schrijft Robert de Saint-Loup op de Internet Movie Database, “offering tasteful middle-class entertainments, such as the agreeablely tantalising THE HAIRDRESSER’S HUSBAND, the prettily dubious TANGO, the restrained hothouse MONSIEUR HIRE, and the costume drama par excellence, RIDICULE. These films are characterised by deft verbal play, elegant visuals, affected cynicism and a mild, bittersweet romanticism. In the 70s and early 80s, however, Leconte was notoriously successful for a series of crude comedies of which this is a deceptively shoddy example.”
“VECES suffers from many of the flaws Leconte’s early films are reviled for; vulgar, laddish humour, erratic construction and an indifference to plot, a preference for caricature over character, and a singularly implausible solution. Worse is a misogyny that is either leeringly voyeuristic – on three occasions, the policemen encounter naked women (opening a door, sitting in a train, dancing on a porch) for no good reason other than spectacle – or brutally sadistic (the cliff scene with the prostitute).”
“All this is true, but Leconte didn’t suddenly become intelligent overnight, and underneath the childish shock tactics a brilliant brain is working. At the time VECES was made, by far the most popular type of film in France was the polar, policier or police crime film. (…) Leconte wastes no time in satirising these films. The polar depended on a single male identity being able to order chaos and reassert normality. Leconte splits his opening points of view between assassin and police inspector, and never allows the latter to control the narrative. The tone throughout is parodic, refusing the hardboiled nobility usually offered the police inspector. Our heroes are idiots – the boss less so because of his air of assumed gravity which makes Charbo
(rol van Coluche) look up to him; but their methods are arbitrary and inept; their leads aren’t based on science, or even instinct, just blundering graspings at clues. They follow one man just because he was the only one in a club not to know the murder victim – not unusual since he’d just joined.”
“Un moment d’égarement” van Claude Berri uit 1977 has the same formula: a good script plus the visual appeal of the Riviera provide enjoyment, schrijft de Canadees Bob Taylor op de IMDb. Jean-Pierre Marielle, tall and graceful, and Victor Lanoux, shorter and bull-like (remember him as the lover in Cousin, Cousine) play well off each other. Agnes Soral, with her hawk nose (?) and easy wit, does a fine job as Marielle’s lover. Christine Dejoux, playing Marielle’s very discontented daughter is even more darkly unhappy than Demi Moore was in the remake.
En die remake dat is dan “Blame It on Rio” van Stanley Donen uit 1984 with Michael Caine. “Blame It on Rio” was strangely sold back then as one the “Porky’s”-style sex comedies of the era, gaat de Chileense Lazarillo verder. And while adolescent boys of the 80’s no doubt enjoyed seeing voluptuous lead actress Michelle Johnson in all her glory (and that movie also marked the rather inauspicious debut of Demi Moore), it’s doubtful too many of them could really relate to the middle-aged angst of the male protagonist played by Caine. This theme though is MUCH more common in French movies of the 70’s and 80’s (in fact the 17-year-old actress here Agnes Soral is a relatively mature young woman compared to the objects of middle-aged male affection in movies like “Beau Pere”).
This is a more serious movie then “Blame It on Rio”, but like that film the end is kind of a cop-out that doesn’t really puncture the middle-age male fantasy. But that’s alright I guess, besluit Lazarillo die ondertussen in Denver (Colorado) woont.
In 1981 volgde “Le maître d’école”, eveneens geregisseerd door Claude Berri en daarna “Tchao Pantin” uit 1983. Kort daarna is Coluche presidentskandidaat en stichter van de “restos du coeur” (armenkeukens). Op 19 juni 1986 is hij echter overleden in een moto-ongeval.
Kortom, zoals Marc Holthof schrijft in “De Andere Sinema”: “De helden van de Franse komedie zijn sullen die hyper-onhandig of koleriek zijn, eeuwig bedrogen worden maar er zelf nooit in slagen een slippertje tot een goed einde te brengen. Kortom, mensen die slechts aan vreet en seks denken, maar gewoonlijk alleen gefrustreerd zijn. Voorwaar, er wordt geen vleiend portret van Frankrijk geschetst in zijn komedies. Je vraagt je af hoe een volk naar films kan gaan waar het zo afgeschilderd wordt als imbecielen – bij de Amerikanen zou het niet lukken.”
Coluche zegt het letterlijk als de garagist Ben-Hur Marcel in “1h45 avant J.C.” van Jean Yanne: “Avouez que vous êtes cons!” Want alhoewel sommige films, zoals die van Jean Yanne, soms de indruk mogen wekken dat ze politieke satire zijn, in werkelijkheid zijn ze dat helemaal niet. “En fait, je suis plutôt anar,” aldus Jean Yanne, die echter de mogelijk politieke inhoud van zo’n bekentenis onmiddellijk ondergraaft door eraan toe te voegen: “Anarchiste de gauche, sûrement, encore que je ne vois très bien la différence entre la gauche et la droite.”
Of zoals zijn collega Michel Audiard zegt: “’Intellectuel de gauche’ ou ‘anarchiste de droit’, ce sont des estampilles hasardeuses. Je suis totalement apolitique, je n’ai jamais voté de ma vie.”
Louis de Funès van zijn kant wist over mei ’68 te zeggen: “Au début, j’étais pour, parce que je croyais que c’étaient les étudiants. Mais après j’ai compris que c’était politique et j’ai pris cela en horreur.” En hij voegde er in Le Monde van 24/12/1971 aan toe: “La politique tue le rire.”
Maar het omgekeerde is evenzeer waar (in Frankrijk): “Le rire tue la politique.” Marc Holthof heeft dan ook overschot van gelijk als hij schrijft: “De Funès is het tegendeel van brave sukkels als Bourvil en Fernandel – de kopstukken van de Franse rurale komedie. Negentien jaar lang heeft de Funès met een alpinomuts in dat soort films rondgelopen. Zonder succes. Tot hij – op vijftigjarige leeftijd – zijn alpinopetje ruilde voor een gendarmekepi en de degoutante chef Truchot creëerde. Van dan af haat en bemint Frankrijk hem genoeg om hem tot de ster nr.1 van de Franse film te maken. De alpino verdwijnt voorgoed (Paul Preboist heeft het petje geërfd, vermoed ik) en de Funès speelt nog alleen gezette burgers, fabrieksdirecteuren, restaurantuitbaters en gendarmen. De Funès’ personages zijn altijd bête et méchant: xenofoob, achterbaks, laf, racistisch, intolerant, agressief. (…) Een curieuze schets van een van de meest populaire acteurs van Frankrijk. Maar het geheim van de Funès is natuurlijk dat hij met zijn overdrijvingen qua gebaren en gelaatsuitdrukkingen (hij is vooral een visuele komiek) perfect past in de structuur van de Franse komedie. Dat is immers een soort catchwedstrijd: er wordt niet écht in gevochten maar alle uiterlijke tekenen van zo’n gevecht zijn wel aanwezig, worden nagespeeld. In een Franse komedie lach je (al te vaak) niet écht, maar alle uiterlijke tekenen van grappigheid zijn wel aanwezig. Daarom ook dat alleen kijkers met totaal geen cinemacultuur er nog echt mee kunnen lachen: kinderen en allicht Papoua’s,” zo besluit Holthof, maar met die slotconclusie hoef je het niet noodzakelijk met hem eens te zijn.
In 1985 was er ook “Les rois du gag”, zijnde Michel Serrault, Thierry Lhermitte, Coluche, Gérard Jugnot en Macha Méril. Met deze film van Claude Zidi is het echter huilen met de pet op i.p.v. huilen van het lachen. Om nog te zwijgen van de films met Les Charlots (de begeleiders van Antoine, in de kortstondige periode dat die nog een protestzanger was)!
Nog een voorbeeld is Yves Robert (met o.a. “La famille Fenouillard” uit 1960 en “La guerre des boutons” uit 1961) die in de jaren zeventig Pierre Richard zou lanceren. We kenden deze al uit 1970 met “Le distrait”. Pierre Richard deed een jaar later zijn typetje van onhandige maar sympathieke kluns nog eens over in “Les malheurs d’Alfred”, opnieuw in een eigen regie, maar naar een idee van Roland Topor. Het is echter in een regie van Yves Robert dat hij echt doorbreekt, namelijk met “Le grand blond avec une chaussure noire” uit 1972. Na een totaal mislukte prekerige (vooral tegen de wapenindustrie) eigen film “Je sais rien, mais je dirai tout” in 1973, was hij in 1974 in zo maar eventjes drie succesvolle films te zien: “La course à l’échalote” (Claude Zidi), “Le retour du grand blond” (Yves Robert) en “La moutarde me monte au nez” (Claude Zidi). Ook “La carapate” van Gérard Oury uit 1978 mag er nog zijn (over mei ’68), maar dan gaat het met “Je suis timide… mais je me soigne” bergaf. Nochtans geregisseerd door Richard zelf, koppelt hij zich hier, net als twee jaar later in “C’est pas moi, c’est lui” aan de Italiaanse acteur (Aldo Maccione). Het is geen succes.
Als duo met Gérard Depardieu daarentegen komt hij er nog eens opnieuw door in “Le coup de parapluie” (Gérard Oury) uit 1981 en in “La chèvre” en “Les fugitifs” (Francis Veber). Komedies met een dosis sentiment en een sociale ondertoon zijn de specialiteit van Francis Veber (Le jouet, La chèvre, Les compères). Met Les fugitifs en lievelingsacteurs Gérard Depardieu en Pierre Richard levert hij opnieuw een pretentieloze, maar meeslepende film af die enkele universele relationele waarden in de kijker plaatst. Het goed uitgekiende scenario biedt een raak gedoseerde afwisseling van humor, ernst en ontroering. Les fugitifs gaat over de ontmoeting tussen Pignon, een onhandig-wanhopige weduwnaar die na drie jaar werkloosheid het slechte pad wil bewandelen en Lucas, een zware jongen die na vijf jaar cel wegens 14 bankovervallen besloten heeft eerlijk te worden. Maar… tijdens een overval pikt amateur Pignon er net prof Lucas als gijzelaar uit. Voor de politie is Lucas natuurlijk het brein achter de kraak. De haat/liefde-relatie tussen beide vluchtelingen kan van start gaan… Maar er is een derde hoofdpersonage, nl. Jeanne, het zesjarige, schattig-tengere dochtertje van Pignon, dat sinds de dood van haar moeder geen woord meer gesproken heeft. Zij buigt Les fugitifs om tot een origineel en gevoelig verhaal over liefde, genegenheid en vriendschap. Met zijn pittig tempo, zijn snedige dialogen en zijn overtuigende cast steekt Les fugitifs flink boven de middelmaat uit.(*)
De “solo-films” van Pierre Richard uit die tijd, “Le Jumeau” van Yves Robert uit 1984 en “A gauche en sortant de l’ascenseur” van Edouard Molinaro uit 1988 kunnen echter toch niet voldoen, ook niet drie jaar later als Pierre Richard na meer dan tien jaar nog eens zichzelf regisseert in “On peut toujours rêver”. Richard speelt hierin de rol van een in zijn werk en eenzaamheid opgesloten rijkaard. Tot hij een simpele Noord-Afrikaan ontmoet (Smaïn) die weer vreugde in zijn leven pompt. Kortom, het scenario staat nog altijd bol van stereotiepen. Ze zullen het blijkbaar nooit leren, onze zuiderburen…
Daarna speelde Richard gedurende lange tijd nog bijna uitsluitend in zogenaamd “ernstige” films zoals “La partie d’échecs” (Yves Hanchar, 1994), maar in 2009 zag ik hem terug in een film die opnieuw aanknoopte met zijn vroegere werk. In “Victor” van Thomas Gilou speelt hij een oude knakker, die zichzelf laat adopteren om op kosten van zijn adoptiefamilie een heerlijk leventje te leiden. Deze film deed me merkwaardig genoeg denken aan “Le jouet”, waarin hij ook door een rijke familie wordt “aangekocht”, maar deze keer als speeltje voor een verwend joch. In “Victor” is de adoptiefamilie zelf niet zo rijk, maar zij worden gesponsord door een schandaalblad die in de hele historie een vervolgverhaal ziet dat kan zorgen voor een hoge oplage. Welnu, net zoals in “Le jouet” is Victor weliswaar het verhandelde subject, maar hij weet de zaken zodanig te manipuleren dat hij uiteindelijk als winnaar uit de hele affaire komt. Toch haalt “Victor” het niveau van “Le jouet” niet, omdat regisseur Thomas Gilou blijkbaar niet wist waarmee hij met zijn film nu eigenlijk naartoe wilde. Wilde hij de schandaalpers aanklagen? Of de manier waarop mensen van de derde leeftijd door de maatschappij worden afgeschreven? Of is het dan toch een “romcom” over een echtelijke verhouding die onder druk komt te staan?
Heel subjectief was mijn voorkeur voor “Parpaillon” van Luc Moullet uit 1994. Deze film gaat over de beklimming van deze Alpencol door diverse wielertoeristen. Men kan b.v. een splijtende demarrage meemaken van Karl Marx, die daarmee Jezus Christus ongenadig ter plaatse laat.
De meeste Franse komedies op het einde van de twintigste eeuw waren echter om te huilen. Zelfs als Claude Berri na zijn Pagnol-verfilmingen nog eens naar dit genre teruggrijpt met “La débandade” is dit het geval, maar dan niet omdat de flauwe grappen zich opstapelen, maar omdat er bijna geen grap in voorkomt. Het gegeven (een oudere man wiens seksuele potentie letterlijk verslapt) is eigenlijk zelfs intriest. Bovendien geeft Claude Berri toe dat er een autobiografische component is verwikkeld. Om dit aan te geven speelt hijzelf de hoofdrol onder zijn echte naam, Claude Langmann, zij het dat het in dit geval dus eerder Claude Slapmann is.

Ronny De Schepper

(*) Veber dook in 2006 plotseling nog eens op met een intelligente komedie “La doublure”. Hierin speelt Daniel Auteuil een PDG van een groot bedrijf die een verhouding heeft met een topmodel (Alice Tagioni). Zijn vrouw (Kristin Scott-Thomas) komt erachter, zodat de PDG zich genoodzaakt ziet een toevallige “doublure” op te duikelen (Gad Elmaleh) die zogezegd wél een verhouding heeft met dat model. Het grappige zit ‘m vooral in het feit dat de PDG voortdurend met “président” wordt aangesproken, zodat het voor iedereen wel duidelijk is dat hier geknipoogd werd naar de Franse president Sarkozy (Auteuil lijkt er zelfs een beetje op) en zijn verhouding met het ex-topmodel Carla Bruni.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s