Vandaag is het al 35 jaar geleden dat de Antwerpse schrijver Maurice Gilliams is overleden.

Maurice Gilliams behoort ongetwijfeld tot de bijzonderste schrijvers die ons taalgebied rijk is. Zijn eigengereid poëticale streefdoel ‘zichtbaarheid voor zichzelf verkrijgen’ bracht hij tot uitdrukking in een beperkt en intimistisch oeuvre dat bestaat uit herinneringsproza, hermetische poëzie, persoonlijke journaals en essays.
Als maniakale redacteur van eigen werk selecteerde hij zeer secuur de gepubliceerde en niet gepubliceerde teksten die het nageslacht onder ogen mochten komen (*). Zijn vroege kritieken die hij tussen 1934 en 1937 in het bibliografisch periodiek “Contact” publiceerde, rekende hij daar kennelijk niet onder. Nochtans zijn deze bijdragen bijzonder waardevol als getuigenis van een belangrijke fase in de poëticale en persoonlijke evolutie van de auteur. Bovendien documenteren ze Gilliams’ positionering binnen de contemporaine literatuuropvattingen van het interbellum.
Gilliams debuteerde in 1928 als dichter met de bundel “Eenzame Vroegte”. In 1933 verscheen zijn eerste prozawerk, “Oefentocht in het luchtledige”, maar ook de hermetische dichtbundel “Het verleden van Columbus”.
“Contact” werd door Albert Pelckmans en Maurice Gilliams in 1934 opgericht als publicitair tijdschrift voor boeken die bij De Nederlandsche Boekhandel voorradig waren. De besprekingen nam Gilliams tijdens de eerste twee jaargangen zo goed als uitsluitend voor zijn rekening. De auteur hield echter allerminst rekening met de informatieve doelstelling van het blad en ontleedde de werken vlijmscherp vanuit zijn eigen schrijversperspectief. Van de vele auteurs die in Contact de revue passeerden, konden er maar een paar, waaronder Leopold, Van de Woestijne, Van Ostaijen en Rilke, op de sympathie en bewondering van de criticus rekenen. Werk van o.m. Elsschot, Demedts, Walschap, Marsman, Burssens en bloemlezers Herreman en Gijsen werd genadeloos afgekraakt.
In zijn later subtieler essayistisch en journalistiek werk zou de auteur nooit meer zo onomwonden zijn mening over andermans werk neerschrijven.
De editie van de Contact-opstellen, die na zeventig jaar weer toegankelijk zijn voor onderzoekers en geïnteresseerden, vult dan ook het beeld aan dat we via Gilliams’ literaire testament “Vita brevis (1975-1978)” verkregen hebben. Zowel biografisch, bibliografisch, tekstgenetisch als intrinsiek literair dragen de Contact-teksten daartoe bij.
Liesbeth Van Melle (Gent, 1981) studeerde Germaanse Talen aan de Universiteit Gent. In 2003 studeerde ze af met de eindverhandeling “Die Onvindbare heb ik bij u gezocht, Maurice. De briefwisseling tussen Maurice Gilliams en Maurice Roelants”. Haar scriptie werd bekroond met de CTB Prijs voor Teksteditie 2003 en verscheen in 2006 bij de KANTL. In 2007 promoveerde ze op een proefschrift met de titel “Geen woorden duren zoals het marmer. Historisch-kritische editie van Elias of het gevecht met de nachtegalen en Winter te Antwerpen van Maurice Gilliams”. Ze publiceerde o.m. over de relatie tussen Gilliams en Roelants in “ZL:literair-historisch tijdschrift” en over de verhouding tussen Gilliams en Walschap in “Spiegel der letteren”.
In 1936 schreef Gilliams zijn bekendste werk: “Elias of het gevecht met de nachtegalen”. Het is net als de novellenbundel “Oefentocht in het Luchtledige” een reflectie op zijn jeugd die hij heeft doorgebracht op een buitengoed in de buurt van Antwerpen. In dit typische fin-de-siècle decor van een groot kasteel met dito park, verblijft de jonge Elias tussen bedaagde familieleden. De enige uitzondering vormt oom Augustin, die als een natuurkind het park verkent. Toch wordt Elias niet door hem aangesproken, maar door een oudere neef, Aloysius, die de natuur op een extatische, sensatievolle manier beleeft. Er zitten, onder invloed van Marcel Proust en Virginia Woolf, ook elementen van masochisme en hysterie in het verhaal verweven.
“Elias” is echter vooral een stilistisch pareltje. Ondanks een voorkeur voor passieve werkwoordvormen en onpersoonlijke onderwerpen, wordt het boek toch gekenmerkt door een agressieve stijl, met een snel zinsritme, alliteraties, assonaties, enz.
Gilliams is het type van de vereenzaamde verbeeldingsmens met een groot geestes- en gevoelsraffinement, vandaar de nadruk op diverse stemmingen, de stilte, de droom, het occulte, verdoving van het bewustzijn, religieus dilettantsime en immanentisme (pantheïsme). Zijn thema’s zijn de vergankelijkheid van het leven en de onbereikbaarheid van het geluk. Alhoewel men zich dikwijls niet van de indruk van “decadent estheticisme” (of “esthetisch decadentisme”?) kan ontdoen, was het doel van zijn kunst nochtans niét schoonheid te scheppen, maar het doordringen tot de kern van het bestaan.

Ronny De Schepper

(*) In “Fuga” staat o.m. een opstel over de “Nagelaten gedichten” van Karel Van de Woestijne. Deze waren louter voorstudies, mag men deze dan publiceren, zo vroeg Gilliams zich af. En op basis van een vergelijking van een sonnet van Van de Woestijne met het minder goede voorontwerp is zijn antwoord duidelijk: die voorontwerpen zijn louter “aas voor gieren”…

Bronnen
Persmededeling van de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde
Jean Weisgerber, De Vlaamse Roman, p.123-136
XXX, Wanhoop als levenskunst, Humo, 4 december 1975

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

w

Verbinden met %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.