Morgen zal het al tien jaar geleden zijn dat Jan Wolkers is gestorven. Wolkers stierf dus op mijn verjaardag en dat kwam eigenlijk wel goed uit want hij heeft een belangrijke rol gespeeld in mijn leven, het hoe en het waarom staat nog eens allemaal in ’t lang en in ’t breed uitgelegd op het einde van dit stukje.

Het draait allemaal natuurlijk om “Turks Fruit” (1969), een boek dat een uitstekend voorbeeld was van het vitalisme, een literaire stroming die toen in de jaren zestig hoge toppen scheerde met boeken als “Ik, Jan Cremer” (Jan Cremer, 1964) en “Black Venus” (Jef Geeraerts, 1969).
Een paar jaar later zou ik een fragment eruit bespreken in de klas. Even werd ik op het matje geroepen bij Broeder Directeur (ik gaf toen les in een broederschool), maar toen ik uitlegde dat ik het gaf als voorbeeld van een portret (van de schoonvader), volgde er geen enkele sanctie. Op het fragment dat ik voorlegde was dan ook niks aan te merken (alleen het fameuze “tietenkont” op het ritme van de Radetzkymars had ik weggelaten, al heb ik er dat in de klas zelf wel bijverteld).
Een fragment uit dit fragment ging als volgt: “Toen Olga nog klein was, had ze een keer tijdens het eten overgegeven en was in huilen uitgebarsten. Haar moeder was kwaad van tafel gelopen maar hij had een beertje van haar gepakt en dat steeds buigend boven de kots gehouden en gezegd: ‘Beertje moet pugen. Beertje moet pugen’. Net zolang tot ze begon te lachen. Ik hield van die man, zoals hij met zijn rode vlekkerige gezicht en zijn kwabbige lichaam in die crapaud geklemd zat als we op bezoek kwamen. Zijn dikke armen hijgerig op de leuningen, tenminste als hij niet aan het bulletjes draaien was.”
Als bespreking vertelde ik dan o.m. het volgende:
Over de vader:
– hij is kinderlijk (cfr. de “bulletjes”), maar niet dom (hij wéét dat zijn vrouw hem bedriegt);
– hij is goedhartig: hij neemt geen maatregelen tegen Olga (cfr. het “pugen”);
– zijn wapen is de humor, zoals bij de Figaro van Beaumarchais: “Je me presse de rire de tout; de peur d’être obligé d’en pleurer” (cfr. de moppen die hij vertelt).
Over de moeder:
– zij is hypocriet, schijnheilig (cfr. vooral het opscheppen van de “jus”);
– zij is formalististisch: “wat zullen de mensen hiervan zeggen?” (cfr. de schaamte bij het “pugen”).
Over Olga:
– zij is een kindvrouwtje, dat nooit echt volwassen is geworden;
– zij is te zeer afhankelijk van haar ouders;
– dit staat haar verhouding tot haar man in de weg: zij beschouwt hem als een “tweede vader” (cfr. als ze al gescheiden is, komt ze nog bij hem terug om over haar moeilijkheden met haar achtereenvolgende mannen te spreken).
De “Olga” waarvan sprake is eigenlijk Annemarie Nauta die als “Agnes” ook opduikt in de roman “Negenenveertig beren” van Helen Mellaart (Den Haag, Leopold, 1975). Het was Wolkers’ tweede vrouw, waarmee hij in 1957 o.a. vijf maanden in Parijs heeft gewoond, toen hij er verbleef om te studeren bij de bekende beeldhouwer Ossip Zadkine. Wolkers was immers tevens beeldhouwer en dat kan men ook terugvinden in zijn plastisch taalgebruik.
Jan Wolkers, die een astmalijder was, kreeg een gereformeerde opvoeding, waartegen hij rebelleerde door in zijn jeugd te gaan zwerven en aan de kost te komen als land- en fabrieksarbeider en vooral als dierenoppasser. Hij was immers een groot dierenvriend (cfr. de rol van de dieren in “Turks Fruit”: de kat, de eend, de meeuw, het dode vogeltje). Op een bepaald moment was hij de voortrekker van een actie tegen de uitroeiing van de zeehonden.
Zijn woning had hij als naam “Smoiny” gegeven naar een meisjeskostschool in Rusland, waar volgens sommigen de revolutie begonnen is…
Vóór “Turks Fruit” had Wolkers reeds zes boeken geschreven. Ik weet nu wel dat vitalisme juist veel met de dood vandoen heeft (eros en thanatos), maar in de eerste drie – “Serpentina’s petticoat” (1961), “Kort Amerikaans” (1962) en “Een roos van vlees” (1963) – is de dood (of verrotting of deformatie) toch veel nadrukkelijker aanwezig dan de eros waarmee hiertegen dan wordt gereageerd. Jos Borré vat in De Morgen van 7/1/1984 deze werken terecht samen als: “De dood vreet alle mensen van binnenuit aan als een woekerende en dan uitzaaiende schimmel.”
Met “Terug naar Oegstgeest” (1965) komt er een kentering, die zich doorzet in “Horrible tango” (1967) en “De hond met de blauwe tong” (1964), waarin de opstandige zoon zich bijvoorbeeld tegen de vader verzet omdat deze zijn konijn heeft gedood. Je hoeft er niet eens “Totem en taboe” van Sigmund Freud bij te halen om hierin een offeren van de vader te zien (een gebaar van heidense oorsprong dat echter ook zijn weg heeft gevonden naar het christelijke misritueel) om plaats te maken voor een opvolger.
Door toedoen van “Turks Fruit” (weliswaar eerder door de verfilming door Paul Verhoeven in plaats van door het boek zelf, maar kom) ben ik zowaar een eerste keer getrouwd. Op 19 mei 1973 besloten Sonia en ik immers uit elkaar te gaan. Ik weet niet meer wiens idee het eigenlijk was, aangezien het van ons allebei bijna tegelijk uitging. We hadden geen ruzie of zo, maar ’t ging gewoonweg niet. Eigenlijk heel luciede, maar juist omdat we geen ruzie hadden, besloten we die avond toch naar de bioscoop in Antwerpen te gaan, zoals we reeds vooraf gepland hadden. We gingen in cinema Pathé naar “Turks Fruit” en blijkbaar waren we door die film zo aangegrepen dat we nog in de bioscoop zelf opnieuw zijn beginnen vrijen, wat er uiteindelijk toe zou leiden dat we toch nog getrouwd zijn. We kochten uiteraard ook het boek en de soundtrack en toen we later in Gentbrugge een optreden van Toots Thielemans bijwoonden, konden we hem met dit verhaal overhalen om “Dat mistig rooie dier” te spelen.
Ik heb deze anekdote ook enkele jaren later aan Hugo Claus verteld en die vond dat best een grappig verhaal. “Dat moet ik aan Jan (Wolkers) doorvertellen,” zei hij. Ik weet niet of hij daar nog de tijd voor heeft gehad, want Jan Wolkers stierf exact op mijn 56ste verjaardag, dus op 19 oktober 2007. Hij was geboren op 26 oktober 1925. Claus was trouwens, ondanks een zeer wankele gezondheid, aanwezig op de uitvaartplechtigheid van Wolkers. Of hij ooit zijn belofte heeft gehouden, zal ik dus nooit te weten komen en indien het niet zo is, is het nu natuurlijk hopeloos te laat. Toch hoop ik van wel, niet omwille van mijn “fifteen minutes of fame” (Wolkers zou sowieso mijn naam toch alweer vergeten zijn), maar omdat het zeker een bulderlach aan de brede bast van Jan had kunnen ontlokken, vooral omdat het hele verhaal met een echtscheiding is afgelopen, wat heel het sentimentele gedoe toch een beetje in een ander perspectief plaatst…

Ronny De Schepper

(Zeer) selectieve bibliografie
Graa Boomsma, Over Jan Wolkers, beschouwingen en interviews, Bzztôh, ’s Gravenhage, 1983
Jos Borré, De nieuwe Wolkers: weemoed en gedempt vitalisme, De Morgen, 24 november 1984
Maarten ’t Hart, De wilde aardbeien van Jan Wolkers, Vrij Nederland, 24 november 1979
Karl Van den Broeck, P.C.Hooftprijs: laattijdige bekroning voor Jan Wolkers, De Morgen, 8 december 1988
Dirk Van den Eede, “Eet je maar dood aan het lekkere leven”, De Morgen, 18 december 1982

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s