Het is vandaag negentig jaar geleden dat de eerste gesproken – en meteen ook gezongen – film “The jazz singer” in première ging. In deze film van Alan Crosland naar de Broadway-musical van Samson Raphaelson pakt Al Jolson (1886-1950) met absolute tearjerkers uit (zoals “Mammy”, “Swanee” en “Sonny boy”). De film “The Jazz Singer” was eigenlijk een draak, het sensationele zat ‘m enkel in de bijgeluiden (applaus, een voorbijrijdende trein enz.) en een paar monologen van Al Jolson (*), af en toe onderbroken door een tussenwerpsel van zijn “moeder” Eugenie Besserer. Dat de film desondanks geschiedenisboeken haalde is dan ook enkel te wijten aan het feit dat het de eerste klankfilm was…

Toch veroorzaakte “The Jazz Singer” een revolutie bij de acteurs, zoals dat uitstekend wordt weergegeven in “Singing in the rain” van Stanley Donen (1952) met Gene Kelly. Bovendien maakten de gebrekkige montagemogelijkheden voor klank en beeld tegelijk het bijna onmogelijk dat de film z’n beweeglijkheid van vroeger behield. Het werd bijna verfilmd toneel, aangezien ook de camera zich niet kon bewegen, want ook dàt maakte geluid. Toch vindt men in deze aanvangsfase alles wat geluid maakt veel interessanter dan het beeld. En wat maakt er het mooiste geluid? Muziek natuurlijk. Musicals verdringen dan ook de westerns als populairste genre, al vinden de meeste filmliefhebbers dit een stap achteruit.
Het grootste bezwaar is dat de actie telkens wordt stilgelegd om een lied te gaan kwelen. Zelf zie ik op het eerste gezicht drie uitzonderingen: “Paint your wagon” van Frederick Loewe en Allan Jay Lerner, “Something funny happened on the way to the forum” van Stephen Sondheim en “Oliver!” van Lionel Bart. Ik vraag me zelfs af of dit wel musicals zijn die oorspronkelijk voor het theater zijn geschreven. Dit is zeker niet het geval voor “Dancer in the dark”, waar de actie tijdens de liedjes van Björk zelfs sneller gaat dan wanneer er niet wordt gezongen! Op die manier vormt de film dan toch nog een tegenstelling met “West Side Story”, waarmee hij vaak wordt vergeleken, omdat de nadruk bij “West Side Story” toch wel sterk op de muziek ligt. Men schrikt er dan ook niet voor terug om de stem van Natalie Wood naar aloude traditie te vervangen door die van een professionele zangeres (Marni Nixon). Niet dat er veel aan verloren is gegaan, want in “The Great Race” van Blake Edwards uit 1965 en “Penelope” van Arthur Hiller uit 1966 mag mooie Natalie zelf een liedje kwelen, in dit laatste geval zelfs van een jonge John Williams dan nog wel (hij laat zich zelfs nog “Johnny” noemen), maar het is echt niet om over naar huis te schrijven.
Het was overigens niet toevallig dat de eerste geluidsfilm meteen ook liedjes bevatte. In de oerperiode van de geluidsfilm deed men er immers alles aan om zangers en zangeressen op pellicule vast te leggen. Zo hebben we tenminste tijdsdocumenten van jazzlegendes als Bessie Smith (“Saint Louis Blues” uit 1929, niet te verwarren met de gelijknamige langspeelfilm van Allen Reisner uit 1958 met Nat King Cole in de hoofdrol), Duke Ellington (“Black and tan”, 1929) en Billie Holiday samen met Count Basie. In het geval van de extreem populaire Louis Armstrong werden zelfs ware voorlopers van videoclips gedraaid (o.m. door ze te verweven met animatiefilms als die van “Betty Boop”), maar het dient tevens gezegd dat er hier ook een grote scheut racisme bij komt kijken, zodat we daar nu met gekromde tenen naar zitten te kijken. Vooral wanneer niemand minder dan Ronald Reagan in “Going places” (Ray Enright, 1939) een interviewtje van hem afneemt.
Toch is het eind jaren twintig dus al musicals wat de klok slaat, met als bekendste voorbeelden “Broadway melody” van Harry Beaumont, “Hollywood revue of 1929” en vooral een eerste versie van “Showboat”. Daarna volgde “Dancing lady” met het debuut van Fred Astaire in een klein rolletje. Datzelfde jaar volgde reeds “Flying down to Rio” met Ginger Rogers wat zijn doorbraak betekende met het fameuze “Carioca”-nummer. Verder vernoemen we nog “The merry widow” van Ernst Lubitsch, met Jeanette MacDonald en Maurice Chevalier. Ruby Keeler (die van 1928 tot 1939 gehuwd was met Al Jolson) was dan weer te zien in “Gold-Diggers of 1933”, “Footlight Parade”, “Flirtation Walk”, “Dames” en “Shipmates forever”. Dat geeft duidelijk aan op welke niveau die eerste filmmusicals zich situeerden.
In 1935 brengt Woody “One-Take” Van Dyke (1889-1943), bekend van “Tarzan” en “The thin man”, de zangvedetten Jeanette MacDonald en Nelson Eddy voor het eerst samen in de film “Naughty Marietta”. De grote doorbraak is echter voor een jaar later, want dan draait hetzelfde trio “Rose Marie”. De bijnaam One-Take spreekt eigenlijk voor zichzelf: Woody Van Dyke was beroemd (berucht?) om zo snel mogelijk (en dus ook zo goedkoop mogelijk) te werken.
In 1937 volgt dan “One hundred men and a girl” van Henry Koster met Deanna Durbin als “the girl”. Het is een beetje een onheilspellende titel, maar eigenlijk bedoelt men met die honderd man het orkest van Leopold Stokowski, die zelf de mannelijke hoofdrol vertolkt in deze film.
DE MUSICAL WORDT ERNSTIGER
Ernstiger is “Hallelujah” (Charles Vidor), een gezongen film over de zwarten in katoenplantages met gezangen als een echte verheerlijking van het gesproken woord. De film schakelt zeer natuurlijk over van de dialogen naar de zang. De visuele expressie werd onderlijnd door de klank.
Producer Arthur Freed geeft met een andere negermusical “Cabin in the sky” Vincente Minnelli zijn eerste regiekans. Hij zal het genre van “serieuze musicals” nog verder uitbouwen, met o.a. “Meet me in Saint-Louis” en “The Pirate”.
Dat jaar is er ook een tweede filmversie van “Showboat”, deze keer door James Whale met Irene Dunne als Magnolia (een rol waarmee ze op Broadway werd ontdekt door William Le Baron, het productiehoofd van RKO), Helen Morgan als het tragische mulattenmeisje Julie la Verne en Paul Robeson die “Old man river” zingt. Andere muzikale films: “The Bohemian girl”, “Rose Marie”, “The great Ziegfeld” en “Firefly” met Jeanette MacDonald. Allan Jones zingt hierin “Donkey Serenade”, wat zijn grootste hit werd. Ook hij was te zien in “Show boat” en in “Everybody sing” (met Judy Garland).
In 1939 is er “The wizard of Oz”, uiteraard opnieuw met Judy Garland, en “Let the people sing” van Frank Eyton, Ian Grant en Noel Gay. Deze laatste oproep was eigenlijk een noodkreet tegen het fascisme. Ook Ernst Lubitsch draait in 1942 een vlammende anti-nazi parodie, “To be or not to be” met Jack Benny in de rol die later door Mel Brooks zou worden overgedaan en Sig Ruman als Duitse kolonel.
In Engeland speelt Vera Lynn de hoofdrol in “Rhythm serenade” van Gordon Wellesley met Jimmy Jewel, Ben Warris en Peter Murray Hill. 1943 is ook het jaar van Girl crazy (Norman Taurog), My heart tells me (Betty Grable) en Stormy weather (Andrew Stone). Tijdens de oorlog zijn musicals trouwens erg populair: Let’s dance (Norman Z.McLeod), Summer stock (Charles Walters) en Tea for two (David Butler). Dorothy Lamour zingt “It had to be you”, Frank Sinatra is te zien in “Anchors aweigh” en Judy Garland in “Meet me in Saint-Louis”.
OPTIMISTISCHE GOLF
Maar ook in de naoorlogse periode heerst een optimistische golf in de bioscopen. Zo waren er in 1947 “Easter Parade” (Charles Walters), “The red shoes” (Michael Powell) en “The inspector general” (Henry Koster), in 1949 “On the town” (Gene Kelly & Stanley Donen), “Take me out to the ball game” (Busby Berkeley) en “A Connecticut Yankee in King Arthur’s court” (Tay Garnett).
Gene KellyIn 1951 was er “An American in Paris” (Vincente Minnelli), waarin Gene Kelly (foto) “I got rhythm”, “Wonderful” en “Our love is here to stay” zingt en Georges Guétary “Stairway to paradise”. De rol van Lise Bouvier was oorspronkelijk bedoeld voor Cyd Charisse, maar deze moest juist bevallen. Daarom werd Leslie Caron binnengehaald die in 1948 door Gene Kelly zelf was ontdekt toen zij de sfinx danste in het ballet “La Rencontre” van David Lichine.
Daarna volgde “Royal Wedding”, waarin Fred Astaire in zijn hotelkamer gewoon op de muren en tegen het plafond danst alsof voor hem de zwaartekracht niet bestond. Wat in zekere zin ook zo was, al werd hij hier toch wel een beetje geholpen door het ingenieuze decorontwerp van Stanley Donen.

(*) Al Jolson stierf aan een hartaanval tijdens een partijtje poker in kamer 2121 van het St.Francis Hotel in San Francisco, m.a.w. vlak naast de kamer waar destijds Virginia Rappe werd verkracht.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s