Het is vandaag ook al vijf jaar geleden dat Rik Lanckrock op 89-jarige leeftijd is overleden. Ik wist dat zijn gezondheid hem al enige jaren in de steek liet, dus een verrassing kon ik het niet echt noemen, maar toch kwam het bericht nog altijd als een schok.

De Gentenaar Rik Lanckrock kon niet zonder zijn pen leven. Zijn artikels, recensies, kronieken, essays, cursiefjes, gedichten, haiku’s en aforismen vormen een omvangrijk oeuvre. Vanaf 1941 tot 1984 werkte hij bij de Rijksdienst Voor Arbeidsvoorziening, waar hij eindigde als directeur van de Regio Kortrijk. Hier heeft mijn vrouw nog een tijdlang op zijn dienst gewerkt en zij spreekt daar nog altijd met veel lof over.
In 1945 werd hij medeoprichter en later hoofdredacteur van het letterkundig tijdschrift Arsenaal. Hij had een grote bewondering voor Johan Daisne. Geen wonder dan ook dat het Johan Daisne Centrum een initiatief is van Rik. Hij vertelde er tegen Jan Mestdagh in De Rode Vaan destijds het volgende over: “In 1943 las ik met stijgende geestdrift Johan Daisnes meesterlijke roman ‘De trap van steen en wolken’, niet beseffend dat dit werk een belangrijk keerpunt in mijn leven zou betekenen. Ik overdrijf zeker niet als ik beweer dat voornoemd boek een mijlpaal is in onze eigentijdse Vlaamse literatuur. Ik had echter heel wat meer ontdekt dan een groot schrijver en een fascinerend verhaal, namelijk het magisch-realisme dat destijds evenwel met tal van andere benamingen werd bedacht en dat tijdens de oorlogsjaren geen burgerrecht verwierf. In mijn bestaan bekleedt het magisch-realisme een voorname plaats, niet louter op artistiek, maar ook op levensbeschouwelijk en wijsgerig vlak. Terecht schrijft Hubert Lampo in ‘De ring van Möbius’ dat het magisch-realisme meer is dan een genre, namelijk een existentieel fenomeen. Dat is het beslist, zeker voor mij en ongetwijfeld ook voor vele anderen. Het is een houding, een visie, een instelling zelfs. Dit alles werd mij vooral duidelijk gemaakt door de figuur en het werk van Johan Daisne, als kunstenaar, als mens en als vriend. Vandaar dat ik het zovele jaren later als een plicht beschouwde een ‘Studiecentrum Johan Daisne’ op te richten, te meer omdat het werk van de Gentse schrijver sinds zijn dood niet voldoende aandacht meer krijgt.”
In de jaren vijftig werd Rik medewerker van de rubriek Geestesleven in de krant Vooruit. In die tijd verzorgde Rik ook een vaste kroniek op de nationale radio onder de titel Praatjes van een Humanist. Hiervoor kreeg hij in 1961 de Letterkundige Prijs van de Stad Gent.
Van 1965 tot 1989 maakte hij deel uit van de raad van bestuur van NTGent, maar hij schreef ook een gewaardeerde brochuren over Toneelstudio ’50 en het Arcatheater (1976). En hij was ook een grote verdediger van Romain Deconinck en het Gentse volkstoneel. Een vraag die hem bezighield was de vraag naar de mogelijkheid van politiek theater in onze samenleving. Wat is de politieke relevantie van theater? Heeft theater een politieke functie? Rik Lanckrock maakte zich jaren geleden reeds boos over de uitdrukking dat “theater op de eerste plaats theater moet zijn”, waarmee de makers toen eigenlijk bedoelden dat theater geen (politieke, maatschappelijke) standpunten mocht innemen. Lanckrock merkte toen al op dat “pure theatermakers” als Shakespeare, Ibsen of Strindberg eigenlijk niets anders deden!
Op 14/10/1969 ging in Arca “Kosmika” van Jan Decorte in première en hierover schreef Lanckrock: “Met deze productie voltrok zich meer en meer het keerpunt dat vorig seizoen was aangekondigd: een vrijer, sterk corporeel theater, een radikale breuk bovendien met allerhande burgerlijke opvattingen over erotiek en naakt in het theater. Hier werd een belangrijke stijl gelanceerd die men jarenlang zou volhouden. (…) Tegenover de onverbloemde, naakte openheid van deze montering kreeg de herrie, die destijds verwekt was rond het blote borstje in de NTG-opvoering van De horens van de haan door Fernand Crommelynck, het aanschijn van een bekrompen dorpsrel. Die reactie was trouwens onbegrijpelijk als men ze situeerde in het hedendaagse theatergebeuren en in de zo felle ommekeer van het ethische klimaat rond het einde van de jaren zestig. Een paar seizoenen later – ’71-’72 – werd aan het consequent doortrekken van die lijn door Theater Arena bij de opvoering van … en ook de bloemen werden geboeid door Fernando Arrabal een bruusk einde gesteld. De directie en de vertolkers werden vervolgd. Dit alles heeft Arca niet afgeschrikt. Men bleef op dat stuk zonder overdrijving doordrukken.”
In 1986 nam Rik afscheid als voorzitter van het Studiecentrum Achilles Mussche. Deze keer haalde ik hem zelf aan het lijntje
Rik Lanckrock is bij de meesten van onze lezers wellicht voornamelijk bekend als letterkundige, essayist of theatercriticus. Slechts diegenen die met een olifantengeheugen begiftigd zijn, zullen hem zich ook nog herinneren als voorzitter van het Studiecentrum Achilles Mussche, want het is nu toch alweer een tijd geleden dat we dit centrum bij u hebben geïntroduceerd. Zó lang zelfs dat Rik, als we er dan eindelijk toe komen het reeds lang beloofde telefoongesprekje te voeren, groot nieuws heeft : hij is niet langer voorzitter van de kring.
Rik Lanckrock : Ik had een aanvraag ingediend voor subsidiëring in de sector letteren en dramatische kunst, wat mij de juiste weg leek. Maar je krijgt daar vanzelfsprekend niet onmiddellijk reactie op en intussen hadden een paar andere leden van de raad van beheer dus met de beste bedoelingen onderzocht bij het ministerie van de Vlaamse gemeenschap of dààr de mogelijkheid niet bestond om onder het vijfde decreet te werken.
Op een bepaald moment krijg ik dan telefonisch bericht dat we inderdaad onder « letteren » zouden worden gesubsidieerd, maar tegelijk heb ik ook inspectie gekregen voor dat « vijfde decreet ». En die man heeft me te verstaan gegeven dat we mooesten kiezen, wat me ook vrij logisch lijkt. Van bij de aanvang hadden wij ook een BTK-project ingediend, en als gewezen directeur van de RVA wist ik dat dit voldeed aan alle voorwaarden om goedgekeurd te worden — het heeft trouwens het gunstige advies gekregen van alle vereiste instanties. Maar door het feit dat de huidige regering zinnens was wijzigingen aan te brengen aan de reglementering van het BTK- en DAC-stelsel werd dat dossier niet goedgekeurd. De wijziging behelst immers dat we tien procent van de wedde die men aan die BTK’er zou verlenen zelf zouden moeten dragen. Dat kan een vzw als de onze niet en ik vraag me trouwens af welke vzw in de socioculturele sector dat wel kan !
Een dergelijk studiecentrum zou nochtans over volwaardige arbeidskrachten moeten beschikken om normaal te functioneren. Als wij onze oorspronkelijke doelstellingen willen realiseren, namelijk een volledige bio- en bibliografie samenstellen, een volledig archief, het opzoeken van teksten die niet gebundeld zijn, het uitgeven van teksten die nog niet gepubliceerd zijn enz., dan kan dat niet op vrijwillige basis door één mens gebeuren. En in de praktijk kwam het hierop neer, namelijk dat ik ons colloquium moest voorbereiden, acht gespreksavonden organiseren en ondertussen ook nog een brochure samenstellen over dat colloquium, die begin ’87 bij het Vermeylenfonds zal worden uitgegeven.
En dan heb ik gezegd tegen de raad van beheer : kijk, beste vrienden, met alle Chinezen maar niet met den dezen. Gedurende anderhalf jaar heb ik daar gemiddeld vier uur per dag aan gewerkt, ik heb mijn plicht gedaan en zo is het wel goed geweest. Dààrvoor heb ik geen vervroegd pensioen genomen, maar wel om niet meer onder die stress tezitten en mij te kunnen bezighouden met die dingen die bij mij prioritair zijn, namelijk het schrijven van een paar essays en microscopie, een hobby die ik al sedert twintig, dertig jaar uit het oog verloren heb. In feite kan men stellen dat ik wat dat betreft anderhalf jaar heb verloren. Daarom heb ik mijn ontslag gegeven, zodanig dat men in februari een nieuwe raad van beheer en dus ook een nieuwe voorzitter zal verkiezen.
— Het is dus geen maneuver om in extremis meer hulp te krijgen ?
R.L. :
Zeker niet ! Ik heb mijn ontslag in alle vriendschap aangeboden. Er is geen sprake van een breuk of van strubbelingen. Ik heb mijn opdracht tot ieders tevredenheid vervuld en het is gewoon wegens het vele werk dat ik er de brui moet aan geven.
— En het is dus ook niet zo dat het Studiecentrum nu kans loopt om te verdwijnen ?
R.L. :
Evenmin. Men heeft me zelfs gevraagd naar een aantal valabele kandidaten uit te kijken, die representatief zijn op literair vlak en die over voldoende organisatorische capaciteiten beschikken. Trouwens, aangezien de raad van beheer ondertussen voor subsidiëring onder « letteren » heeft gekozen, zijn ze van de strakke verbintenissen van het vijfde decreet verlost en kunnen ze dus volstaan met b.v. een jaarlijkse tentoonstelling en colloquium en een paar gespreksavonden. Op voorwaarde dan dat er daarnaast een paar studieopdrachten worden uitgevoerd. Eén daarvan, ben ik trouwens zelf bereid van op mij te nemen : namelijk een vervolg schrijven op het essay van Frans Buyens over Mussche, dat uiteraard eindigde bij het werk dat op dat moment was verschenen.
In die contekst kunnen we er tot slot trouwens nog op wijzen dat het werk van Achilles Mussche dat bij onze lezers wellicht het meest bekend is, namelijk « Gedenksteen voor Rosa » (Luxemburg) door de uitgeverij De Vries-Brouwers is heruitgebracht.
Later verscheen er een Jubileumboek Rik Lanckrock en in Het Laatste Nieuws verscheen toen de volgende vooraankondiging:

Rik Lanckrock is bovenal humanist, vrijdenker en geus. De Vlaamse kring in Brussel heeft hem gelauwerd om zijn cursiefjes en volgend jaar huldigen zijn vrienden hem in een boek.
Zijn rechterarm « rust » momenteel in een draagverband. Hij leverde een ongelijke strijd met een slecht geplaatste kachel. Het tijdelijke ongemak omschrijft hij als « de ondraaglijke lichtheid van de aftakeling ».
In huize Lanckrock zak je in de luie zetel tussen boeken, manuscripten en naslagwerken. Een schrijftafel vormt een rustpunt. De literaire kritieken, toneelrecensies of levensbeschouwelijke bijdragen die aan dat bureau werden geschreven schat Rik Lanckrock op een goede 6.000. En toch begon alles toevallig, de Tweede Wereldoorlog legde zijn verder leven in een definitieve, zij het grillige plooi.
« In 1941 verliet ik het hoger secundair onderwijs met 91% van de punten. Mineralen en een microscoop vormden het centrum van mijn studentenkamertje. Ik droomde van geneeskunde of biologie, maar het werd uiteindelijk het ministerie van Tewerkstelling en Arbeid : de boterham kreeg voorrang op de studie ». Rik Lanckrock beklom de ambtenarenladder en eindigde als gewestelijk directeur (mijn tweede vrouw heeft in die hoedanigheid nog bij hem gewerkt, RDS).
« Vrienden hebben mij al een poosje gevraagd mijn memoires op papier te zetten maar ik ben een te ongeduldig man om lang in het verleden te duiken. Ik ben trouwens geen romancier, geen episch schrijver. Ik heb wel een schuchtere poging gedaan maar alras bleek dat ik het portret van een vader aan het schilderen was voor mijn kinderen Wim en Maud. Ik ben ermee gestopt. Dat voorstel van mijn vrienden heeft natuurlijk een beetje mijn ijdelheid (wie is dat niet ?) gestreeld. Het boek wordt een soort bio-bibliografie, een overzicht van alle geledingen waarin ik bedrijvig ben geweest. Er komt een bloemlezing in van alle behandelde genres ; getuigenissen moeten aantonen dat ik een leven lang op de koord heb gedanst, tussen twee twijfels in. Lisette De Backer zal een interview met mij publiceren. Toch deze bemerking : het uitgeven in eigen beheer heb ik afgewezen maar ik zal toch de financiële consequenties van het boek dragen ».
Rik was voor mij overigens de aanleiding (en ik druk op het woord ‘aanleiding’, de oorzaken lagen uiteraard dieper en gingen al enkele jaren terug) om mijn medewerking aan Het Laatste Nieuws te staken. De overgang van het NTG naar het Publiekstheater was voor hem immers de aanleiding (of de oorzaak? hier weet ik het natuurlijk niet zo goed) om zich uit het Gentse theaterleven terug te trekken. Hij had me voorgesteld hierover toelichting te geven in HLN. Ik heb dit interview goed voorbereid en stelde toen vast dat dit onmogelijk kon voor HLN. Mijn voorbereiding alleen al was veel te uitgebreid voor de lengte die voor de grootste (!) stukken wordt gereserveerd en dan moest Rik nog aan het woord komen. En Rik kennende, wist ik dat die geen genoegen zou nemen met een ‘beknopte samenvatting’. Neem daarbij nog dat HLN meestal een specifieke invalshoek kiest (‘sensatiezucht’ zou confrater Frank Pauwels van De Gentenaar het noemen), zodat ik besefte dat ik voor een onmogelijke opdracht stond. Ofwel zou ik het vertrouwen van Rik moeten beschamen, ofwel zou ik alweer een artikel schrijven dat in de prullenmand zou verdwijnen of onherkenbaar verminkt zou worden (en waarvoor ik op de koop toe zou mogen opdraaien, want tenslotte staat mijn naam er toch onder). Vandaar dus…
Rik had begrip voor mijn voorbehoud en kon me ook bijtreden als ik stelde dat ‘De Gentenaar’ een beter forum voor zijn ideeën zou zijn. Met name Karel Van Keymeulen was daarvoor de geschikte man, vond ik. Maar ook met de dood van Rik, kan er daar maar een klein hoekje van af. Het Laatste Nieuws heb ik niet gezien en dat het in de Gazet van Antwerpen van mijn moeder niet vermeld stond, kon ik nog begrijpen. Maar ik hoor nu dat ook De Morgen zijn dood het vermelden niet waard vond en dat is toch beneden alle peil…

Referentie
Jan Draad, Rik Lanckrock aan het lijntje, De Rode Vaan nr.2 van 1987

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s