De klok staat al (bijna) opnieuw op winteruur, de warme jas wordt weer uit de kast gehaald: het is duidelijk, de zomer is voorbij. Voor de meesten is dan ook de vakantie voorbij. De “happy few” die nog met wintervakantie kunnen gaan, doen dat trouwens toch meestal nà nieuwjaar. Maar hoe zit dat nu eigenlijk met de zelfstandigen? Gaan die nog met vakantie? We vingen geruchten op dat dit minder en minder het geval was. Maar om die geruchten aan de realiteit te toetsen belden we een aantal leden (*) op en gingen na of de economische crisis hun vakantiegedrag had beïnvloed…

Mevrouw Magda Van Epperzeel uit Mechelen heeft toevallig juist een superjaar achter de rug! Zoals gewoonlijk bestond de jaarlijkse zomervakantie in een verblijf van vier weken in Spanje, maar daarbij kwam nog dat ze in het voorjaar zowaar voor twee weken naar China was getrokken met haar echtgenoot!

“Dat was in het kader van een studiereis, zoals zelfstandigen er zoveel aangeboden krijgen. Daar kun je uiteraard niet steeds op ingaan, maar déze reis konden we nu toch niet naast ons neerleggen. Voor de rest heeft de krisis immers wél een invloed op onze reisgewoonten. Die vakantie in Spanje, dat is immers bij de familie van mijn echtgenoot, die van Spaanse afkomst is. Dus eigenlijk betalen we dan enkel voor de reis, want eten moet je hier ook doen natuurlijk. Je moet echter weten dat we drie grote kinderen hebben (14, 18 en 20 jaar) en dan wordt reizen anders toch wel een heel dure onderneming.”

Tijdens hun afwezigheid blijft de winkel van mevrouw Van Epperzeel dicht. Zij verkoopt immers verwarmingstoestellen, die haar man dan gaat installeren. “Maar gelukkig heeft hij méér werk dan enkel dat, want als we uitsluitend van de winkel zouden moeten leven dan konden we de boel wel sluiten. Dat maakt immers slechts zo’n tien procent van onze omzet uit. Op die elf jaar dat we onze winkel nu hebben, is dat bijna altijd zo geweest. Wij beschouwen dat dus eerder als een visitekaartje voor het werk van mijn man. Zo’n winkel werkt drempelverlagend. Maar het kan dan ook geen kwaad als die een maand dichtgaat…”

Een 44-jarige bedrijfsleider uit het Limburgse (gehuwd, zoon van 17) staat nog méér aan de klaagmuur. Zodanig zelfs dat hij liever anoniem wenst te blijven. Hij noemt zichzelf immers een “knokker” en wil naar buiten uit daarom niet als “gedeprimeerd” overkomen. Maar dat belet niet dat hij realistisch genoeg moet zijn om toe te geven dat het helemaal niet goed gaat. Hij heeft dit jaar nog totaal geen vakantie genomen. Een paar losse snipperdagen kunnen zelfs amper het vele weekendwerk compenseren. In die toestand ziet hij voor volgend jaar weinig verandering. Zijn bedrijf is immers actief op het vlak van de damesconfectie en, zoals hij het zelf zegt, “de confectienijverheid is op dit moment in België eerder een bloedende dan een bloeiende industrie.”

In 1988 is hij begonnen met een bedrijf van 1500m²: “Moderne gebouwen met moderne machines, mijnheer, en dat met de bedoeling de werkgelegenheid hier in Limburg vooruit te helpen, maar omwille van de zware loonlast, of om nog preciezer te zijn: de druk van de sociale lasten op de lonen, die maakt dat die lonen in de confectie de hoogste zijn in heel de wereld, ben ook ik stilaan naar de lage-loonlanden (meer bepaald naar Portugal) moeten uitwijken. Ik doe dat niet met plezier, het is gewoon een oplossing om voor mezelf het hoofd boven water te kunnen houden. Maar het spreekt vanzelf dat dit geen oplossing is voor het land in het algemeen, dat zouden de politici toch moeten inzien. Ik ben met vijftig personeelsleden begonnen. Nu heb ik er nog 25. Er zijn er nog onlangs negen afgevloeid en er zullen er wellicht nog volgen… Zo kan het toch niet langer? Gelukkig ben ik heel stressbestendig, want anders was ik er zeker al onderdoor gegaan. Eigenlijk is er zelfs een soort van berusting over mij gekomen: die problematiek heb ik immers niet in eigen hand, daarover wordt op een hoger echelon beslist. Je kan nu eenmaal geen ijzer plooien met je handen…”

Robert Steeman uit Gent klaagt niet en toch heeft ook hij maar tien dagen vakantie per jaar. “Dat is een toestand waarvoor men nu eenmaal heeft gekozen,” zegt hij. Ook hij is 44 en gehuwd en hij heeft twee zonen (8 en 16 jaar). Hij heeft een winkeltje binnen de Volkskliniek, waar hij tijdschriften, bloemen, fruit en andere geschenkartikelen verkoopt. “Langer dan tien dagen tijdens de Gentse Feesten kan ik echt niet gesloten blijven, anders heeft dat een nadelige weerslag op de zaak. En op tien dagen tijd kan je natuurlijk niet naar het buitenland gaan, daarom houden we het bij dagtrips met de trein. Maar nogmaals, ik wil niet klagen. Misschien dat ik ooit wel eens veertien dagen vakantie neem, maar eigenlijk volstaan die tien dagen voor mij ruimschoots.”

Een 45-jarige herbergierster uit het Kortrijkse heeft zelfs nog nooit vakantie genomen. Als grote luxe (!) heeft ze zich dit jaar gepermitteerd gedurende vijf weken twéé sluitingsda­gen per week te nemen i.p.v. één. Tijdens die twee dagen bracht ze dan met haar man en haar elfjarig zoontje telkens een bezoek aan haar gehuwde dochter, die ergens een apparte­mentje had gehuurd. Deze manier van doen heeft echter niets met de ekonomische krisis te maken, het is eerder een service naar haar klanten toe. Ze vindt het dus allemaal niet zo erg. “Vroeger hadden we zelfs geen sluitingsdag,” lacht ze, “en dan ging het toch ook?”

Toch vormden België en Luxemburg samen in 1994 de tweede snelst groeiende toeristische markt, goed voor een groei met 18,5 procent wat de toeristische inkomsten betreft. Daarmee moet ons land dus alleen Turkije laten voorgaan, dat volgens de OESO een steile klim van 45,4 procent maakte ten opzichte van 1993. De recente politieke ontwikkelingen zullen echter wel als remmende factor werken. Helemaal onderaan bengelt Japan, dat zijn toeristische inkomsten met 10,2 procent zag dalen ten aanzien van 1993. Een en ander is wellicht te verklaren door de sterkte van de yen op de wisselmarkten. Ook Nederland moest vorig jaar volgens de OESO-cijfers inleveren, met een achter­uitgang van zowat 2 procent.

Over op vakantie gaan gingen we praten met Ed Goris, direkteur van Picknick, reisbegeleiding en kadervor­ming ten dienste van Joker (kommerciële touroperator), en Theo Maesen, het “brein” achter de “Go minus 26”-formule van jonge­renreizen, precies bij Joker.

Picknick is een vzw, erkend door het ministerie; Joker is een commerciële reisorganisatie. Hoe valt dat eigenlijk te rijmen?

Ed: Ik denk dat je daarvoor best teruggrijpt naar de geschie­denis. Hoe het gegroeid is, met andere woorden. Picknick bestaat ondertussen 21 jaar en is opgericht als een organisa­tie gespecialiseerd in jongeren- en studententoerisme en heeft zich als dusdanig steeds beziggehouden met het ontwikkelen van nieuwe reisformules voor jongeren, het begeleiden van reizen en heeft een beperkt aantal reizen ook altijd zelf georgani­seerd, al werden het grootste gedeelte van de commerciële activiteiten bewust buiten de vzw gehouden. Daarvoor werkten we dan samen met diverse touroperators, maar sedert tien jaar, met name sedert het ontstaan van Joker, is dat bijna uitslui­tend met Joker geweest. Nadat wij een tiental jaren reizen bij andere organisaties hadden begeleid, waren wij het immers eigenlijk beu dat wij als vereniging van reisleiders en reizi­gers eigenlijk relatief weinig impact hadden op die reizen. Die waren wel gericht op jongeren, maar kwa formule en gedeel­telijk kwa bestemming waren die eerder klassiek. Ik heb zelf nog busreizen begeleid door Griekenland die nauwelijks ver­schilden van wat klassieke touroperators deden, alleen het publiek was jonger. Maar wij wilden bewust iets anders. Wij wilden reizen met kleinere groepen, zodat je contact kan zoeken met de bevolking, waar je uit het voorgeprogrammeerde en toch wel klassieke toerisme uitkon, weg uit die airconditi­oned bus, al is dat soms wel leuk. Wij wilden gebruik maken van openbaar vervoer en wij wilden programma’s hebben die een zekere vrijheid, flexibiliteit boden, want dat is het wat jongeren bij klassieke reizen toch nogal stoort. Alles ligt vast: twintig minuten om dit te bezoeken, dan een half uurtje rijden, dan weer een half uurtje om iets anders te bezoeken, dan twee uur vrij enz. Dat willen we dus duidelijk niet.

Vandaar dat wij vanuit Picknick zelf met een aantal reislei­ders de aanzet hebben gegeven om Jokertoerisme op te richten. Een aantal begeleiders, waarvan sommigen nu nog altijd meewer­ken, hebben zich verenigd in een koöperatieve. Ze hebben daarvoor hun eigen spaargeld bij elkaar gelegd en dat waren geen grote kapitalen, dat kan ik u verzekeren. Wie een paar tienduizend frank inbracht, was al een grote aandeelhouder. Daarnaast hebben ze dan nog wat kapitaal aangetrokken van bestaande touroperators, het voormalige Airtour, France Air, Wasteels, en zo hebben ze dan een nieuwe touroperator opge­richt, Jokertoerisme, waarbij wel de afspraak was dat Picknick een zeer grote impakt zou hebben op de begeleide reizen. De vereniging van reisleiders maakt samen met de technische specialisten van Joker, de brochure die iedereen kan aanvra­gen. Zij stellen de reizen samen, proberen ze uit, sturen ze bij en begeleiden ze. We hebben er dus bewust voor gekozen om de zaken redelijk zuiver te houden: kommerciële aktiviteiten bij Jokertoerisme; de begeleiding, vorming van begeleiding, voorselektie, kulturele aktiviteiten enz. bij de vzw. Daardoor kan de vzw het zich permitteren om een vrij kritische houding aan te nemen tegenover toerisme. Vooral de laatste jaren is men daar immers toch anders over gaan denken.

– En wat is dat dan precies, wat zijn b.v. de nieuwste tenden­zen bij jongeren tot 25 jaar?

Theo: Reizen is nu gewoon een vaste topic bij jongeren, wat een aantal jaren geleden nog niet zo was. In het kader van Go Minus ga ik geregeld naar de scholen, waar ik wat uitleg verstrek over ons projekt, maar waar ik ook wil te weten komen wat hun precies interesseert. En dan zie je dat heel wat jongeren onder het juk van de ouders uit willen, als ik het zo mag uitdrukken. Als wij vroeger op reis gingen, dan was dat met de ouders. Nu willen de jongeren meer op reis met hun vrienden of in groep of op andere manieren. Ook kwa program­ma’s is er een wijziging. In de meeste groepen waar ik kom zijn ze niet echt meer geïnteresseerd in louter “sex, sun and sand”-vakanties. Ze willen iets méér doen, vandaar trouwens dat succes van de clubs.

– En betalen ze die reizen dan ook zelf? Gaan ze daarvoor wer­ken? Of krijgen ze het gewoon in de schoot geworpen?

Theo: Heel veel kunnen we daar nog niet over zeggen, omdat we nog niet zo lang actief zijn op de jongerenmarkt. We kunnen alleen maar gissen. En zo zien we dat er vrij veel jonge mensen bij waren, zeventien, achttien jaar, en dan veronder­stellen we inderdaad dat ze dat geld toegestopt krijgen. Ikzelf heb vroeger altijd voor mijn eigen reizen gewerkt. In restaurants, portier spelen en wat weet ik nog allemaal. Nu bestaat er nog altijd vakantiewerk, maar ik denk dat dit voor een groep is die ouder is dan twintig.

Ed: De “avontuur”-reizen van Joker zijn meestal verder en daarom ook duurder en bijgevolg zijn het meestal mensen die afgestudeerd zijn en op z’n minst reeds één jaar hebben ge­werkt en zich daardoor zo’n reis kunnen veroorloven.

– U zegt: “die afgestudeerd zijn”, wil dat zeggen dat enkel universitair gevormden of laten we zeggen: mensen die hogere studies hebben gedaan, die zich tot dit soort reizen aangetrokken voelen?

Ed: Niet echt. We hebben bij ons publiek ook jonge arbeiders.

– Heeft de economische crisis een weerslag op de toeristische sector of spaart men zich nog liever het brood uit de mond om toch maar op reis te kunnen gaan?

Ed: Het publiek is geen monoliet. Een zeer groot deel zal als het moet inderdaad op de eerste plaats op de vakantie bespa­ren. Het is immers hoe dan ook een luxe. Zo merkt men b.v. dat men meer en meer voor korte vakanties opteert. Bij het publiek dat wij hebben, een jong publiek, meestal ook een vrijgezel­lenpubliek, staat die reis veel hoger op het verlanglijstje dan andere zaken. Daarop wordt dan helemaal niet bespaard, ofwel gaat men juist op zoek naar goedkopere budgetformules en dan komt men juist bij ons terecht. Zo is een jaarlijkse stijging van twintig procent voor ons een “normaal” verschijn­sel, terwijl het op de algemene markt juist uitzonderlijk is. Ik geef wel toe dat het soms problemen schept met mensen die normaal een duurdere reis boeken bij een duurdere reisorgani­satie, maar die dan ook meer komfort verwachten dan wat wij gewoonlijk bieden.

– Men spreekt in jullie geval wel eens van een “gekanaliseerd risico”: geen hotels gereserveerd vanuit België; lokaal ver­voer enz.

Ed: Als je dàt daaronder verstaat, akkoord, maar ik zou toch de term “risico” willen vermijden, omdat wij zeker geen risi­co’s nemen. Avontuur betekent bij ons niet dat je werkelijk het lot gaat tarten. Bovendien moet je een onderscheid maken tussen Go Minus en Joker Avontuur. De meest avontuurlijke reizen situeren zich uiteraard in deze tweede groep, waar de leeftijden toch enigszins anders liggen. De Kilimanjaro be­klimmen is desondanks geen riskante onderneming. Het is wel je grenzen verleggen, uitdagingen aangaan. Voor een aantal van onze reizen is het evident dat je over een goede fysieke konditie beschikt. Zowel voor trekkings in het hooggebergte als voor expedities in de jungle van Indonesië b.v. Regelmatig gaan joggen kan daarvoor wel een goede zaak zijn, maar je hoeft heus niet overtraind te zijn om op expeditie te gaan met ons. Het heeft vaak te maken met uithoudingsvermogen, mentale instelling. De meeste van onze reizen zijn fysiek echter niet overzwaar, al geef ik toe dat er wel een paar tussen zitten. Ik heb trouwens op jungle-expedities juist mensen zien afgaan die zeer zwaar hadden getraind en allerlei vitamine-pillen slikten e.d. Zij konden echter blijkbaar niet leven op een dieet van drie keer rijst per dag. Maar de echte alpinisten hebben hun eigen klubs, hoor. Maar goed, soms ben je inderdaad een paar dagen onderweg, ver van de bewoonde wereld, en als er dan iets gebeurt, dan is het aan de begeleider of de lokale gids die je meehebt om zo snel mogelijk kontakt te zoeken met een hulpcentrum. Vandaar dat in al onze reizen ook een verze­keringspolis is voorzien. Maar dat belet natuurlijk niet dat als je je been breekt in het hooggebergte, het enkele uren, misschien zelfs dagen, zal duren vooraleer men je kan repatri­ëren.

– De begeleiders moeten dan wel goed opgewassen zijn tegen hun taak.

Ed: Onze begeleiders zijn vrijwilligers, mensen die dus elders een job hebben en tijdens hun vakantie begeleiden. Zij worden daarvoor niet vergoed, maar reizen uiteraard wel gratis. Het budget dat andere deelnemers moeten voorzien, krijgen ze mee voor hun onkosten, maar daar houden ze niets aan over. Sommige begeleiders nemen ter plekke nadien nog wat vakantie bij, maar dat is op eigen kosten en zelfs de kosten die het verplaatsen van het vliegtuigticket met zich meebrengt, zijn dan voor henzelf. Vandaar dat we zozeer die persoonlijkheid benadruk­ken. Dat zijn immers mensen die nogal geëngageerd moeten zijn en van wie enig idealisme wordt verwacht. Anders doe je dat niet. Je mag dan wel ieder jaar een mooie reis maken (als je goed bent, tenminste), maar zo’n reis waar je alles ter plaat­se moet regelen: hotels, transport, alle bezoeken, zorgen dat het programma vlot verloopt in overleg met de groep, eventueel bemiddelen in de groepsdynamische problemen die er kunnen ontstaan tot zelfs het hoofd koel houden als er iets ernstigs gebeurt, het is niet iedereen gegeven.

Om bij ons te begeleiden moet je dan ook tenminste één jaar de vormingscyclus van Picknick gevolgd hebben. Die bestaat uit een aantal vormingsweekends waar men op reistechnisch, groeps­dynamisch en toeristisch vlak een zekere vorming aangeboden krijgt, die redelijk interaktief verloopt. Wij verwachten dus een redelijk grote inzet van de begeleiders en daarom moet je reeds voor je daaraan kan deelnemen een selektie doorlopen. Dat gebeurt ook op een weekend, waarbij men enerzijds op een aantal redelijk gemakkelijk te testen gebieden wordt geselek­teerd, talenkennis b.v. Wij verwachten een meer dan behoorlij­ke kennis van Engels en Frans. Liefst ook nog wat Spaans of nog een paar andere talen. Je moet ook minimum 21 zijn en om te starten als begeleider liefst niet boven de 40. Reiserva­ring is ook zeer belangrijk, liefst ook buiten Europa. Maar het allerbelangrijkste voor ons zijn persoonlijkheidskenmer­ken, hoe moeilijk die ook te “testen” of te herkennen zijn. Wij hebben ervaren dat die persoonlijkheid veel belangrijker is dan alle mogelijke reiservaring die je mag hebben opgedaan. Zo is het wel mogelijk dat mensen die b.v. enkel nog maar door Europa hebben gereisd toch uitgroeien tot zeer sterke begelei­ders. Als ze maar stevig in hun schoenen staan, voldoende zelfvertrouwen hebben, maar ook voldoende flexibiliteit, respekt voor andere kulturen, als hun motivatie groot genoeg is, als ze met groepen kunnen werken enz. Een groot deel van de selektie- en introduktiedagen wordt dan ook besteed aan rollenspelen. Wij brengen kandidaat-begeleiders in moeilijke situaties, zij het dan enkel verbaal, en dan vragen we: hoe zou jij dat aanpakken? Al hebben we daar een checklist voor, toch is het naar buiten toe vaak moeilijk hard te maken, waarom iemand beschouwd wordt als een zeer goede begeleider en zeker als je iemand op die basis weigert. En dat kan dan zowel iemand zijn die te arrogant overkomt als iemand die niet voldoende leiderschap bezit. Als je eenmaal die selektie hebt doorgemaakt, kun je de vormingskursus volgen en kom je eventu­eel in aanmerking om reizen te begeleiden. Er is trouwens ook een sterk uitgebouwd kommunikatienetwerk achteraf in de zoge­naamde toeristische werkgroepen. Begeleiders die ervaring hebben in een bepaald land, geven daarin deze ervaring door aan andere begeleiders. Hier wordt ook een voorstel van ideale programma-indeling gemaakt, waar de groep echter kan van afwijken, als men dat wil, want die vrijheid vinden we nogal essentieel.

– En doe je ook aan reisbegeleiding vooraf? Als ik hoor over die reizen die een bepaalde fysieke conditie vereisen, wijs je dan mensen af? Verwijs je ze naar andere reisbureaus?

Ed: De laatste jaren moeten we er bij de potentiële klanten inderdaad meer en meer de nadruk op leggen dat ze moeten weten waaraan ze beginnen. Vandaar dat we her en der in het land zogenaamde “landencocktails” organiseren, waarop wij informa­tie geven over de reizen. We geven over elke reis ook een landendossier uit, dat is een vrij beperkt pakket over het land en de reis. En als iemand niet geschikt is voor een reis, zullen we dan ook duidelijk zeggen dat hij beter iets anders doet. Desnoods verwijzen we inderdaad door naar andere organi­saties. En één maand tot drie weken voor het vertrek van elke reis hebben we ook een kontaktavond, waarop de mensen met elkaar en met de begeleider kunnen kennismaken en waarop het programma wordt besproken. Maar ik geef toe, dan is men reeds ingeschreven voor de reis. En het gebeurt dan heel sporadisch toch nog wel eens een keer dat iemand meegaat die beter was thuis gebleven. Maar dat gebeurt steeds minder en minder, omdat men toch wel begint te weten wat voor soort reizen wij brengen.

– Vertel eens wat over je eigen reizen die je als jongere hebt meegemaakt.

Ed: Ik moet toegeven dat mijn reislust op iets latere leeftijd is gekomen. Voor mijn dertigste ben ik nauwelijks buiten Europa geweest. Als scholier en student uit een niet zo rijk milieu was ik trouwens vaak op de fiets aangewezen als ver­voermiddel en al heb ik dan grote delen van West-Europa daar­mee doorkruist, heel ver geraak je daar natuurlijk niet mee. Later reisde ik met de trein met de fameuze BIGE-ticketten en nog later met mijn eigen wagen. Maar echt verre reizen heb ik maar gemaakt toen ik begeleider ben geworden.

Theo: Ik reis al vanaf mijn zestien. Eerst ook met een BIGE-ticket, vooral naar Engeland. Toen ik iets ouder was, ben ik beginnen liften, maar daar ben ik vrij vlug van afgestapt omdat dat niet zo vlug vooruitging en je kwam eigenlijk bijna nooit waar je wou komen. Toen de charters dan goedkoper wer­den, ben ik stilletjesaan charterticketten beginnen kopen en dan rondreizen, eerst op eigen houtje met openbaar vervoer, en toen ik dan ouder dan twintig was, ben ik beginnen reizen met internationale groepen, waarbij je mensen van zowat overal tegenkomt en dat vond ik heel tof. Je bezoekt b.v. Thailand, samen met Australiërs die daar een heel andere kijk op hebben.

– Zo’n groepen, hoe kwam je daarmee in contact?

Theo: Ik studeerde toen al toerisme en voor ik naar een land wilde gaan, keek ik gewoon alle brochures na om te zien wat je het meeste aanspreekt. En zo ben ik op zo’n Engelstalige brochure gebotst.

– Hebben die reiservaringen een rol gespeeld als je met “Go minus 26” voor de dag bent gekomen? Als ik het goed begrijp, heb jij eigenlijk een beetje het ‘trial and error’-systeem toegepast: je probeert op je eentje vanalles uit en dan fil­tert zich een situatie uit. Heb je daaruit besloten dat jonge­ren misschien toch beter een handje krijgen toegestoken i.p.v. aan hun eigen lot te worden overgelaten?

Theo: Zeker als je niet voldoende tijd hebt om ergens naartoe te gaan. Met Go Minus doen wij b.v. nogal wat festivals of voorstellingen; in de V.S. bezoeken wij verscheidene parken en steden. Als je dat op je eentje wil doen, dan moet je ongeveer het dubbele van de tijd voorzien en moet je ook rekening houden met een aantal tegenslagen. Als je b.v. op je ééntje naar het Festival van Avignon trekt, dan moet je aanvaarden dat je alleen naar die voorstellingen kunt gaan, waarvoor er nog een paar plaatsjes vrij zijn en niet naar de toppers. Als je op je eentje naar de V.S. gaat, dan kan je geluk hebben, maar het kan net zo goed zijn dat je geen bus vindt naar een nationaal park of dat je aan de ingang wordt afgezet en dan zie je maar! Door het voordeel dat wij een aantal groepen kunnen samenbrengen, kunnen wij een gekoncentreerd programma maken, waarbij de vrijheid, die ikzelf heel erg belangrijk vind, toch niet helemaal verdwenen is.

Ed: Wat ik zeker voor jongeren erg belangrijk vind is dat je de mogelijkheid hebt om in groep te reizen. Akkoord, er zijn er altijd die er liever alleen op uittrekken, maar een aantal jongeren kiest bewust om in groep te reizen.

– Laten we een kat een kat noemen: zo’n reizen worden vaak gebruikt om een lief op te scharrelen. (Instemmend geknik) Maar financieel gezien: die service-verlening dient te worden betaald. Maar alleen heb je ook vaak supplementaire kosten. Hoe is de verhouding op dat vlak?

Theo: Dat is moeilijk in te schatten. Zo een reis die je op je eentje doet kan ook meevallen. Maar het is gewoon een kwestie van geluk. Als het tegenvalt, betaal je zelfs veel te veel. Vaak gebeurt het dat je ergens naartoe gaat en als je aan de poort staat, verkopen ze tickets van 2.000fr i.p.v. 1.000fr, maar aangezien je al die moeite hebt gedaan om er te geraken, ben je dan geneigd dat toch maar te aanvaarden. Via CJP en andere kanalen slagen wij erin een aantal tarieven te drukken en op die manier komen we uit op een tarief dat voor iedereen even interessant zou moeten zijn als wanneer je het zelf doet.

– En die samenwerking met internationale groepen?

Theo: Ja, die hebben wij in “Go Minus” ook voorzien. Voor de Verenigde Staten werken wij b.v. samen met Track America, een van de meest ervaren organisaties op dat gebied, omdat ze uit 35 landen hun deelnemers rekruteren. Voor Europa hebben we gekozen voor Kontiki, wat in den beginne een Australische organisatie was die Australiërs naar Europa bracht, nu is de hoofdzetel naar Engeland overgebracht, maar ze zoeken hun klanten nog steeds in verschillende landen.

– Tot mijn verbazing (maar tevens mijn tevredenheid) richten jullie zich nogal op artistieke reizen, festivals en zo. How come?

Ed: Dat hangt eigenlijk samen met de wijze waarop Go Minus is tot stand gekomen. Zo’n twee jaar geleden kregen we namelijk van het CJP de vraag om samen met hen iets op te zetten voor een jonger publiek dan wat we bij Joker hadden. Dat situeert zich vooral tussen 20 en 40 jaar, terwijl deze vraag zich nu specifiek tot tussen 16 en 25 jaar richtte. Zij zijn naar ons gekomen omdat wij, in alle onbescheidenheid, toch wel al het een en ander hadden gerealiseerd op het gebied van jongeren­toerisme en zij wilden dus iets uitbouwen met duidelijk cultu­rele inslag. Cultuur dan wel vrij ruim genomen. Ook pop en sport vallen daar b.v. onder. In Go Minus hebben we dan twee echt artistieke programma’s opgenomen, een reis naar de Pro­vence, met daarin begrepen het Festival van Avignon, en in augustus een reis naar Edinburgh. Daarnaast zijn er sportieve vakanties in Italië, vooral gericht op watersport, en ook reizen met een meer algemene invalshoek, zoals naar Praag, gekombineerd met wandeltochten in de hoge en de lage Tatra. En hoe ruim we cultuur wel beschouwen blijkt uit een uitstap naar Parijs, waar een dag besteed wordt aan Eurodisney.

Theo: Het is gewoon een surplus. Als we naar het Festival van Edinburgh gaan, is het niet de bedoeling een elitaire groep aan te spreken. Het is immers in de eerste plaats een vakan­tie. We gaan uiteraard ook naar Loch Ness, naar een whisky-distillery enz. Maar het is een vakantie, waarbij je ook iets opsteekt.

– Is “Go Minus 26” heel letterlijk op te nemen? Of kunnen “ouwe zakken” onder bepaalde voorwaarden toch nog mee?

Ed: Eigenlijk hebben we duidelijk geopteerd voor jongeren onder de 26, maar in de opstartfase zijn er wel samenwerkingen met Joker en Picknick voorzien. Zo b.v. die bus naar de Tatra, waarbij we een heel tehuis hadden afgehuurd en waarvan we niet zeker waren dat we het wel allemaal aan jongeren verhuurd zouden krijgen, daarom dat het voor de helft ook een Picknick-reis is geworden. Maar ter plaatse splitst die groep zich dan toch, met elk een aparte begeleider.

EN DE JONGEREN ZELF?

Gezien wat voorafging, was het niet gemakkelijk om een jongere te vinden die reeds avontuurlijke reizen achter de rug had. Mario Coppens is er echter zo eentje. We begonnen dus meteen maar met te vragen of hij soms een rijke erfgenaam is of zo. Een schamper lachje is ons deel.

Mario: Ik een rijke erfgenaam? Integendeel! Maar ik wou koste wat het kost reizen. En daarom heb ik besloten in de weekends iets bij te verdienen als kelner. Dat was heel makkelijk voor mij, want ik studeerde in de hotelrichting en daar is heel wat werkgelegenheid.

– En vanwaar die reismicrobe?

Mario: Mijn ouders gingen vaak op reis, meerdere keren per jaar zelfs, maar dan wel naar de traditionele bestemmingen in Frankrijk en Spanje. Toen ik achttien was, wou ik liever iets ‘op mijn eigen’ doen en dan ben ik met mijn één jaar jongere broer naar Zuid-Spanje getrokken. Dat was echter ook gewoon met de bus…

– Sea, sex and sun…

Mario: En dat beviel mij wel, maar ik wilde toch iets meer de natuur in. Vooral nadat ik samen met mijn ouders een diavoor­stelling van een reisbureau over Thailand, Egypte en Indonesië had gezien, begon die droom meer werkelijkheid te worden. Ik heb mezelf dan ingeschreven voor de reis naar Egypte, maar die werd enkele weken voor de afreis afgelast omdat er te weinig inschrijvingen waren. Alhoewel het nogal een klassieke reis was, je weet wel: met een boot op de Nijl en die toestanden, was dat toch heel frustrerend. Dat reisbureau schoof dan Thailand naar voren en alhoewel ik dus eerst min of meer ontgoocheld was, is dat dan toch de revelatie geweest voor mij. Ook dit was nog een traditionele, luxueuze rondreis met de bus en dat was duidelijk geen spek naar mijn bek. Maar ik kwam er wel in contact met buitenlandse jongeren, vooral Duitse, die een alternatieve vorm van reizen hadden ontdekt en toen wist ik wat ik al die tijd eigenlijk had gezocht. Maar om evidente budgettaire redenen duurde het natuurlijk nog een jaar vooraleer ik die droom kon verwezenlijken. Eigenlijk zelfs nog twee jaar, want het eerste jaar reikte mijn budget slechts tot Oost-Turkije en dat was bovendien ook nog zo’n klassieke busreis.

Een jaar later, ik was toen twintig, ben ik echter mijn stu­dies in de richting toerisme begonnen en zo heb ik Joker ontdekt, waarmee ik naar Sumatra ben gereisd. Dat was een heel andere ervaring: reizen met het openbaar vervoer, slapen bij de plaatselijke bevolking, kortom je beleeft het tropische kader veel intenser. Het zijn ook geen typisch toeristische streken, zodat de plaatselijke bevolking een vertekend beeld van je heeft. Men aanziet je als een rijke westerling, als een soort van J.R., want niet in de allerkleinste dorpjes, waar zelfs geen elektriciteit is, maar in de halfgrote laten we zeggen, is er wél televisie en is het “Dallas” en dat soort soap-series dat ze daar ook te zien krijgen. En omgekeerd, wat mezelf betreft, werd ik vooral getroffen door de grote miserie die je ziet. Niet zozeer in die dorpjes, waar men wel z’n streng trekt, maar in de steden heb je dat lompenproletariaat dat langs de straten leeft en dat helemaal aan z’n lot wordt overgelaten.

– Dat lijkt me eerder ontwikkelingshulp dan vakantie. Wat is daar nu zo “plezant” aan?

Mario: Je bent in een groep met leeftijdsgenoten of min of meer toch (ik was meestal de jongste) en vooral met mensen die dezelfde interesse hebben. Het is trouwens meer “interessant” dan “plezant”. Je krijgt een heel ander beeld dan dat wat je je via televisie b.v. hebt gevormd. Neem nu in de dorpen waar het vooral de kinderen en de oudere mensen zijn, die je volle­dig uitvragen. Ze willen vanalles weten, ze zijn heel nieuws­gierig.

– En in welke taal is dat dan?

Mario: Er was van hieruit iemand meegegaan die Indonesisch sprak en bovendien was er voor sommige trajecten nog een plaatselijke gids, omdat men onmogelijk alle dialekten kan kennen. Maar de meest voorkomende taal is de gebarentaal uiteraard. En ook een klein beetje Engels, vooral dan bij de jongeren.

– Hou je daar vrienden aan over?

Mario: Er worden wel adressen uitgewisseld en foto’s opge­stuurd, maar na een paar brieven sterven die contacten af, wat vrees ik een beetje normaal is. In de groep zelf hangt het natuurlijk van de samenstelling af. Van dat eerste jaar zie ik soms nog wel eens iemand, maar echt vrienden zijn dat niet, nee. Dat was wel anders een jaar later, toen ik op dezelfde manier India ben gaan verkennen. Die groep was beter op mekaar afgestemd en zo gebeurt het zelfs dat we af en toe nog eens samenkomen.

– U was als individueel meegegaan…

Mario: Ja, maar dat was voor de meesten het geval en dat is zeker geen belemmering. Na twee, drie dagen kent iedereen mekaar reeds mag men stellen, ook al omwille van de contacta­vond die aan de reis voorafgaat en die zeker heel nuttig is op dat vlak. Anderzijds stond de plaatselijke bevolking bijlange niet zo open voor vreemdelingen. Zeker niet in de berggebieden waar wij zaten. Wij zaten immers op de uitlopers van de Hima­laya en daar is men echt àrm. Ook door de weersomstandigheden leeft men daar extreem primitief. Zes maanden van het jaar kunnen ze zelfs niet buiten komen omwille van de extreme koude en leven ze in een klein huisje, tesamen met hun geiten en schapen.

– Maar u bent er wel in de zomer geweest?

Mario: Ja, zij het dat wij ook dan nog soms een halve dag door sneeuwvelden hebben gewandeld, want we zijn naar een hoogte van 5.100m getrokken. Van de zon voel je trouwens niet zo veel, maar je moet wel oppassen dat je niet verbrandt. Op een bepaald moment waren we vier dagen onderweg en iemand kreeg zo’n pijn in zijn rug dat hij niet meer verder kon. Die wist dat op voorhand en had morfine meegenomen, maar na een paar uur was dat uitgewerkt. Toen hebben we een draagberrie ge­mproviseerd, want we moesten zeker nog een halve dag stappen vooraleer we in een kampement terecht kwamen. Op die manier leer je elkaar wel kennen natuurlijk! Eigenlijk zou je je natuurlijk niet mogen inschrijven voor dergelijke reizen, als je dat risiko loopt, maar ja… Gelukkig is hij achteraf een beetje opgeknapt, want anders hadden we een helikopter moeten laten komen en had de begeleider moeten beslissen of hij ons zou achterlaten of niet, enz.

HET OP STAPEL STAANDE DECREET OP DE REISBUREAUS

Op 6 juli 1994 dienden L.Martens, H.Lauwers, P.Hostekint en D.Ramoudt een voorstel van decreet in ter regeling van de erken­ning van reisbu­reaus in de Vlaamse Raad. Dit voorstel is momenteel in behandeling en maakt veel kans om bij het begin van de volgende legislatuur te worden goedgekeurd. Nu reeds hebben verscheidene lidorganisaties vastgesteld dat dit de­creet verstrekkende gevolgen zal hebben voor de sector van het sociaal‑cultureel werk en daarom willen we er enige aandacht aan besteden.

Tot op heden is de verouderde nationale wet van 21 april 1965 en de samengevoegde Koninklijke Besluiten van 30 juni 1966, 1 februari 1975, 22 oktober 1987 en 22 september 1988 over het statuut van de reisbureaus geldig in Vlaanderen.

Tot aan de Sint‑Michielsakkoorden en de derde fase van de staatshervorming bleven de economische aspecten van het toe­risme (vestigingsvoorwaarden voor reisbureaus, hotels en kampeerterreinen) een nationale bevoegdheid. Op 1 januari 1994 werd deze bevoegdheid overgedragen aan de gewesten.

Bovendien houdt de wet van ’65 geen rekening met nieuwe struc­turen in de toeristische sector (bijvoorbeeld touropera­tors of time‑sharing) noch met het feit dat branche‑vreemde personen of organisaties de facto reizen organi­seren.

Op 16 februari 1994 kwam een nieuwe wet op de regeling van het contract tot reisorganisatie en reisbemiddeling tot stand.  Deze wet wil, in uitvoering van een Europese Richtlijn van 13 juni 1990, het indienen en behandelen van klachten reglemente­ren. Het ingediende voorstel van decreet wil dan ook een onderbouw van deze wet van 16 februari 1994.

Dit voorstel van decreet heeft een dubbel doel: de consumen­ten een degelijke bescherming geven en de zogenaamde vestigings­voorwaarden regelen waarbij een officiële vergunning wordt verleend aan reisbureaus die voldoen aan de voorwaarden zo­als gesteld in dit decreet.

Op dit moment zijn er tal van sociale, culturele en sportieve organisaties, die geregeld (meer­daag­se) reizen en weekenduit­stap­pen organiseren, al laat de vigerende wet van 21 april 1965 dit eigenlijk niet toe. De ontwerp­tekst van het nieuwe decreet voorziet dan ook een aantal maatregelen die specifiek bedoeld zijn voor het verenigingsle­ven.

De Vlaamse regering, op voorstel van minister‑president Luc Van den Brande, heeft in zitting van 15 december 1998, princi­pieel het voorontwerp van decreet goedgekeurd dat het samen­werkingsakkoord met de andere gewesten en gemeenschappen betreffende het statuut van de reisbureaus bekrachtigt.

Indien deze ontwerptekst in zijn huidige vorm zou worden goedgekeurd (er komt nog inbreng van de Raad voor Toerisme, de Raad van State en de parlementaire commissie werkgelegenheid en economie) dan is geen vergunning vereist:

– voor de organisa­tie van eendagsreizen (stadsbezoek, museum­be­zoek…)

‑ voor logiesverstrekkende bedrijven die behalve logies en maaltij­den, ook nog andere toeristische diensten aanbieden zoals stadsbe­zoek of toeristische attracties…

‑ mits aan bepaalde voorwaarden wordt voldaan, te weten:

  1. a) het gemeenschappelijk belang tussen de persoon die de activiteit beoefent en de persoon die het genot ervan heeft (verantwoordelijke van een vereniging en de leden ervan, een leraar en zijn leerlingen…);
  2. b) de organisatie van de betreffende activiteit mag geen winstgevend oogmerk hebben. Als de gevraagde prijs wordt vermeerderd in het voordeel van de natuurlijke persoon of de rechtspersoon die de reis organiseert, wordt de activiteit dus met een winstgevend oogmerk georganiseerd, behalve wanneer de reiskosten van de persoon die de betref­fende reis organi­seert, in de gevraagde prijs zijn begrepen;
  3. c) de activiteit moet een nevenactiviteit zijn, vandaar dat als criterium wordt gehanteerd dat de activiteit slechts tweemaal per jaar mag plaatsvinden;
  4. d) er mag geen reclame voor de bedoelde activiteit worden gemaakt, behalve in een eigen persorgaan (bijvoorbeeld het blad van de vereniging), dus ook reclame­folders zijn uitgeslo­ten, aangezien deze voor een breed publiek be­stemd zijn.

De Vlaamse Raad voor Toerisme heeft m.b.t. dit artikel echter een negatief advies uitgebracht, aangezien men wel zal moeten voldoen aan de zware verplichtingen van de reiscontractenwet, waarin gesteld wordt dat elke reisorga­nisator of ‑bemiddelaar zich moet verzekeren tegen insolven­tie en ook een aantal administratieve voorwaarden moet vervullen.

Onder meer stipu­leert deze wet dat iedere reisorganisator of ‑bemiddelaar duidelijke reisvoorwaarden moeten meedelen en zich tegen financiële risico’s moet indekken via een speciale verzeke­ring.

De Vlaamse Raad voor Toerisme verzet zich overigens ook tegen de vrijstellingen die zouden kunnen worden verleend, omdat dit aanleiding zou kunnen geven tot een totale willekeur, waardoor de belangen van de consument kunnen worden geschaad.

Nochtans zou zo’n vrijstelling misbruiken kunnen tegengaan. Wat b.v. met die verenigingen die méér dan tweemaal per jaar een meer­daagse uitstap of reis organiseren? Zal dit niet leiden tot ontwijken van deze norm door de organisatie toe te vertrouwen aan diverse afdelingen? Maar zelfs met een vrij­stelling zullen deze verenigingen nog altijd onder de ver­plichtingen van de reiscontractenwet en wordt als dusdanig niet ontlast van de de zware aansprakelijkhe­den en dito ver­antwoor­delijkheden.

De vrijstelling van licentie zou overigens slechts gelden voor de duur van drie jaar, waarna ze moet worden vernieuwd. Dit bemoeilijkt de planning van vele organi­saties en schept andermaal (rechts)onzekerheid.

De vrijstelling zou beter gekoppeld worden aan de doelstelling van de betrokken vereniging. Als het maatschappelijk doel niet wijzigt zou de vrijstelling beter in duur onbeperkt zijn.

Belangrijk voor de sociaal‑culturele sector is anderzijds het feit dat een aparte vergunningscategorie zou worden ingevoerd voor de VZW’S, met name ‘categorie IV’. Hier worden min­der strenge eisen gesteld dan t.a.v. de categorie ‘tour­opera­tor’, maar zelfs dan blijft de drempel om te kunnen voldoen aan deze normen zeer hoog, zo moet de verantwoordelijke een per­soon met beroepsbekwaam­heid zijn (aan­tal jaren beroepserva­ring of diploma).

Overigens, noch in het samenwerkingsakkoord noch in de memorie van toelichting wordt bepaald hoe vzw’s zullen aantonen te voldoen aan de kapitaalver­eiste. De aanvrager van een vergun­ning moet ook het bewijs leveren dat hij een borgsom van ten­minste 1.000.000 fr. heeft gesteld, enzovoort.

Toch bestaat er veel kans dat de tekst van het ontwerpakkoord in zijn huidige vorm zal worden goedgekeurd.  Uitgaande van deze veronderstelling ‑ wat dus inhoudt dat (erkende) verenigingen een beperkt aantal reizen zelf (zonder vergunning) mogen organiseren‑ blijft de aanspra­kelijkheid en verantwoordelijkheid bij de reisorganisatie als een zwaard van Damocles boven de bestuursleden van de sociaal‑culturele verenigingen hangen. Zelfs wanneer de vereniging in samenwer­king met een vergund reisbu­reau een reisprogramma in mekaar steekt, blijft het uit de doppen kijken: inning deel­namegelden, winstmotief, publiciteit, aankondiging (want voor de reisbemiddelaar gelden evenzeer strikte voorwaarden).

Nochtans beschikt de commerciële sector niet altijd over de geschikte producten voor specifieke doelgroepen zoals zieken­vakanties, reizen voor en met gehandicapten, senioren… En wat met kleinschalige initiatieven die door de vrijwilligers zelf in mekaar worden gestoken en rechtstreeks geregeld met het hotel (weekends aan zee of in de arden­nen)?

Indien het ontwerpdecrect in zijn huidige vorm wordt goedge­keurd, dringt zich een specifieke verzekering voor reizen op.  De gewone verzekerin­gen bieden op dit moment geen uitkomst. Een speciale polis voor vrijwilligers van verenigingen die reizen organiseren, kan uitsluitsel brengen. Die polis moet dan volledig beantwoorden aan de wettelijke vereisten, zoals die ook gelden voor professionele reisorganisatoren en ‑bemiddelaars. Koepelorganisaties zouden dan zo’n polis kunnen onderschrijven waardoor hun afdelingen in orde zijn met de vigerende reiscontracten­wet. Bovendien moet een modelformulier (bestelbon) worden opgemaakt dat een wettelijke organisatie en/of bemiddeling door het verenigingsleven toelaat.

Voor meer informatie inzake de Reisbureauwet kan men zich wenden tot de Vlaamse Gemeenschap, “Toerisme Vlaanderen”, Vlaamse Openbare Instelling voor bevordering van het Toeris­me in Vlaanderen en Brussel, Cel Reisbureaus, Grasmarkt 61, 1000 Brussel, tel: 02/504.03.22, fax: 02/504.03.66.

Referenties
Ronny De Schepper, Ik wil de wereld zien, Switch juni 1993
Ronny De Schepper, ’t Is weer voorbij die mooie (?) zomer, Zelfstandig jg.1 nr.7 oktober 1993

(*) Een deel van het artikel is geschreven toen ik nog voor de Vlaamse Socialistische Zelfstandigen werkte.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s