Vandaag wordt de Antwerpse cineast Robbe De Hert 75 jaar oud. Naar aanleiding van zijn zeventigste verjaardag had Patrick Vincent in de Gazet van Antwerpen een lang interview met het feestvarken, waarbij vooral de afsluiter in het oog sprong natuurlijk: “Ik vind ouder worden afgrijselijk. lk word stilaan een sukkelaar. Ik heb altijd heel goede ogen gehad, maar dat is gedaan. Ze zijn nu al maanden aan het discussiëren of ze me een andere bril gaan geven of een vergrootglas. Ik vind het verschrikkelijk dat ik niet meer direct iets kan lezen, wanneer ik dat wil. En die bril ben ik altijd kwijt. Mijn gsm ook trouwens. Ik heb speciaal daarvoor een tweede gsm gekocht. Die ligt altijd op een vaste plaats, en daarmee kan ik dan bellen naar mijn andere gsm om te horen waar hij ligt.”

Door oorlogsomstandigheden geboren op 20 september 1942 in Farnborough, Engeland, is Robbe De Hert desondanks een volbloed Antwerpenaar (*). Na een rumoerige jeugd met twaalf stielen en dertien ongelukken (onder andere als zeeman en als elektricien) lanceert hij zich in de vroege jaren zestig in de filmwereld met diverse kortfilms voor “Filmgroep 58”.
Robbe De Hert: Mijn filmopleiding duurde welgeteld vijftien minuten. ’t Is te zeggen de tijd dat het duurde om uit te leggen hoe mijn eerste camera werkte. Bij Orson Welles duurde dat drie kwartier. ’t Kan niet missen dat zijn films beter zijn dan de mijne (lacht)! Maar echt waar, ik heb alles in de bioscopen geleerd. En in Filmgroep ’58 natuurlijk. Dat was eigenlijk een afsplitsing van de Mortselse filmclub, die in die tijd de grootste van het land was. In de filmclub was er immers een conflict ontstaan tussen de oudere, begoede leden, die over filmapparatuur beschikten, en de jonge creatievelingen zoals Harry Kümel, Herman Wuyts, Rik Kuypers en ikzelf, die wel ideeën over filmmaken hadden maar geen geld. Vandaar die afsplitsing en het ontstaan van Filmgroep ’58, die uitgroeide tot de beste filmclub van ’t land. Met alle groten der aarde zoals Jef Cornelis, Harry Kümel, Herman Wuyts, Rik Kuypers, Jos Pustjens, Patrick Le Bon, Paul de Vree, Louis Celis en ikzelf. De eersten werden opgevist door de BRT, de anderen liggen aan de oorsprong van “Fugitive Cinema”.
Alles begon op het eerste Filmfestival van Antwerpen in 1962. Een aantal jongeren , onder wie Robbe De Hert, bezeten door het medium film, werden geconfronteerd met wat toen in België op het vlak van film werd gepresteerd. Ervan overtuigd dat zij het even goed of zelfs béter konden, gingen ze aan het filmen. Robbe De Hert draaide met zijn broer Jos (voor de mannelijke hoofdrol) en Walter Heynen (voor de muziek) de korte film “Twee keer twee ogen”. Kort daarop realiseerde hij samen met zijn vrienden, met uiterst beperkte middelen en in moeilijke omstandigheden, een tweede korte film, “An old story”, een ‘western’ met sociale inslag. Beide films werden voorgesteld op het Festival van de Belgische Film – Antwerpen 1964 en werden bekroond, respectievelijk met de Prijs voor het Beste Debuut en de Prijs van de Kritiek.
Op 17 maart 1966 richtte Robbe De Hert dan samen met zijn broer Jos, Walter Heynen, André Boeren, Louis en Frans Celis, Kris Van den Bogaert en Paul de Vree Fugitive Cinema op. Deze laatste nam het voorzitterschap op zich en zou voorzitter blijven tot zijn overlijden in 1982.
– Vanwaar is eigenlijk de benaming “Fugitive Cinema” afkomstig?
R.D.H.:
Ik was indertijd wég van de film ‘De man met het slangevel’. Een film van Sidney Lumet uit 1959 met Marlon Brando, Anna Magnani en Joanne Woodward, die in het Engels ‘The Fugitive Kind’ heette. Vandaar. Ik heb trouwens àltijd van Hollywoodfilms gehouden. Ik zou dolgraag werken met mensen als Sigourney Weaver of Sean Connery. Als ik moet kiezen tussen James Bond en Fellini, kies ik voor James Bond.
Veel kiezen kwam er in die tijd echter nog niet bij te pas en zeker niet tussen James Bond en Fellini. Integendeel, het financiële risico was groot en kwam uiteraard op de schouders van de voorzitter te liggen. In ruil daarvoor prijkte diens naam op de neventitel van Fugitive: Paul de Vree and his lonely filmers.
R.D.H.: De Vree is een van de minnelijkste figuren die ik ooit heb gekend. Over zijn verleden wist ik niets. Ik wist wel dat hij sterk onder de invloed stond van Van Ostaijen en dadaïstische poëzie schreef. Pas later vernam ik dat na de oorlog moeilijkheden gekend had. Maar ondertussen had De Vree zoveel gedaan voor Fugitive. Trouwens voor mij is dit nog altijd geen probleem. Wij hadden daar geen weet van en bovendien hadden we er niets mee te maken. Wat De Vree tijdens de oorlog verkeerd “zou” gedaan hebben, heeft hij alleszins vergoed door bij ons voorzitter te zijn (lacht). Ten eerste was hij voor alles financieel verantwoordelijk. Hij was degene die de leningen, meestal zonder borg, afsloot. Van dossiers kende hij niks. Toen we in de jaren zeventig een schuld van 700.000 BEF hadden af te betalen, vreesden we dat de bank de kunstwerken die in zijn huis hingen, zou in beslag nemen. Bovendien fungeerde hij als een soort scheidsrechter tussen al die individualistische artiesten. Hoe dan ook, Paul de Vree is voor Fugitive bijzonder belangrijk geweest. Zonder hem had het collectief nooit zolang overleefd. Hij was absoluut de voorzitter en tot vandaag ben ik hem bijzonder dankbaar voor wat al wat hij voor ons gedaan heeft.
Dat deze cineasten zich al vlug als lonesome cowboys in het Vlaamse medialandschap zouden voelen, bleek toen de Vlaamse televisie tv-reportages als S.O.S. Fonske (1968) en De Dood van een Sandwichman (1971) ondanks talrijke internationale bekroningen aanvankelijk weigerde op het scherm te brengen.
Echt zware financiële problemen ontstonden bij en na de productie van de eerste lange fictiefilm Camera Sutra (1970-1973) en vooral van de lange reportagefilm Le Filet Américain (1978-1980), die de BRT nooit wou vertonen. (**)
1982 werd een rampjaar: niet alleen was er het overlijden van voorzitter Paul de Vree, maar bovendien werd door brandstichting het eigen theater en filmhuis King Kong, dat vanaf 1972 was uitgegroeid tot een uniek centrum voor film, muziek, dans en toneel, vernietigd.
Daarna produceerde Fugitive toch nog de schitterende documentaires De Droomproducenten (1984), Henri Storck, ooggetuige (1987), Janssen & Janssens draaien een film (1990) en de compilatiefilm Elixir d’ Anvers (1996).
Onoverkomelijke financiële problemen waren er tenslotte de oorzaak van dat Robbe De Hert in 1998 besliste een punt te zetten achter de werking van Fugitive Cinema, ooit Vlaanderens enige filmcollectief.
Ondertussen had Robbe zelf reeds faam verworven met films als “De Witte”, “Zware jongens” en “Blueberry hill”, maar ook (wat minder geweten is) van b.v. de televisiereeks “Meester bij begint weer”. Het interview had plaats in “Het Leen” in Eeklo, waar Robbe eerst nog een ontmoeting met een aantal jongeren van Sjalom, een organisatie die de integratie van de mindervaliden wil bevorderen, moet afwerken. Die jongeren luisteren aandachtig naar wat Robbe in sappig Antwerps zit te vertellen. Vooral als hij vertelt dat hij heeft moeten bleiten bij “E.T.”: “Allé komaan zeg en dat voor een plastieken pop!”
Alhoewel ik het een prachtig voorbeeld vind van de kracht van de cinema, toch mag ik het nadien niet gebruiken in het interview dat ik van Robbe afneem (***). Er waren overigens ook nog andere problemen. Robbe blijft natuurlijk Antwerps praten en dat biedt nogal wat problemen bij het neerschrijven. Zo opteer ik bijvoorbeeld toch maar voor de Vlaamse gij-vorm, want hoor je Robbe al “jijen” en “jouwen”? Kom nou!
Het interview is eerst gepland voor “Dag Allemaal”, maar als het geweigerd wordt door toenmalig hoofdredacteur Guido Van Liefferinghe (zonder opgave van redenen) kan ik het alsnog kwijt in De Rode Vaan, waar ik dan al vertrokken ben, maar nog bijdragen lever als losse medewerker. Robbe gaat akkoord, maar wil het dàn wél eerst nalezen. Als ik hem nadien opbel om te horen of het o.k. is, is hij woedend (“geen wonder dat Dag Allemaal dat heeft geweigerd”). Hij begint over de telefoon een half uur lang wijzigingen aan te brengen. Een komma hier, een punt daar, enzovoort. Eigenlijk dingen waar hij geen verstand van heeft, enfin toch niet meer dan ik, maar aangezien het niet de moeite waard is om er tegenin te gaan, geef ik hem heel de tijd gelijk. Op het einde vraag ik hem waarom hij zich nu zo boos heeft gemaakt, want inhoudelijk heeft hij niets veranderd buiten het feit dat het NTG “zijn pree” ondertussen wél reeds had uitbetaald (zie verder). “Is’t nog niet genoeg misschien?” sneert hij en hij smijt de telefoon op de haak. Even later hoor ik dat zijn toenmalige vriendin Ida Dequeecker bij hem is weggegaan (****). Ik vrees dat het interview gewoon the wrong time and the wrong place is afgenomen, want eigenlijk kan Robbe best beminnelijk zijn. Ik vergeef het hem alsnog en keer in gedachten terug naar dat achterkeukentje in Eeklo, waar we eerst nog wat napraten over zijn gesprek met die jongeren. Als “linkse filmer” verwachtte men van hem een Boodschap-met-hoofdletter, maar die ligt er bij Robbe nooit dik op…
R.D.H.: Uiteraard niet. Wat was mijn probleem indertijd? Ik maakte films als “Le filet américain”, waar geen kat kwam naar kijken. Tenzij dan diegenen die het allemaal al wisten. Alleen als de film op televisie kon geraken, was dat anders. Maar “Filet américain” is op geen enkel televisiestation ter wereld vertoond, terwijl “De dood van een sandwichman” (over de dood van wereldkampioen wielrennen Jempi Monseré) wel op achttien stations is geweest. Daarbij moet ik er wel op wijzen dat het heel wat voeten in de aarde heeft gehad vooraleer hij op de BRT te zien was. We hebben ook ooit eens iets gemaakt over de begrafenis van Kialunda, de zwarte voetballer van Anderlecht die van armoede gestorven is. Op zijn begrafenis waren wij de enige cameraploeg. We zouden hierover dus een tweede “Dood van een sandwichman” kunnen maken, maar ’t is er nog niet van gekomen.
“EEN FILM ALS ‘BLUEBERRY HILL’ SCHUD IK BIJ WIJZE VAN SPREKEN UIT MIJN MOUW”
R.D.H.: “SOS Fonske” weigerde men eerst ook te vertonen op de BRT. Slechts toen “Fonske” bekroond werd met de prijs van de Katholieke Filmliga, van de Socialistische Filmliga, van de beste documentaire van het jaar en vooral van de TV-critici “omwille van de informatie zoals die verwacht wordt van de televisie” werd hij uiteindelijk toch uitgezonden en dan nog wel op een zaterdagavond, vlak voor het Eurovisiesongfestival. Dàn waren we er natuurlijk! Dat was recht in de roos. Maar niets van dat alles dus voor “Le filet américain”, die ik nog altijd mijn beste film tot hiertoe vind, samen met “Trouble in paradise”, al heeft dat waarschijnlijk ook te maken met het feit dat dit de twee “kinderen” zijn waarmee ik het meeste last heb gehad. Die ziet ge dan ’t liefste, hé. Want “Blueberry hill”, dat schud ik bij manier van spreken uit mijn mouw. Wat niet belet dat er ook wel passages inzitten die ik erg goed vind. Die revolte tegen het gezag bijvoorbeeld. Volgens mij is dat overigens de reden waarom de film zo goed aanslaat. Als ge een Vlaamse film kunt verkopen aan Japan, Egypte, de ZDF, de BBC, dan moet er toch iets inzitten. Of niet soms?
– Maar het is een totaal andere aanpak dan “Le filet américain”…
R.D.H.:
Omdat we op een gegeven moment tot de constatatie kwamen dat we zo niet verder konden. Na een vertoning van “Le filet” in Namen met Kerstmis 1976 kwam er een producent in het café naar me toe en die vroeg mij: kent gij iemand die “De Witte” wil verfilmen? Ze hadden immers toen al acht of negen regisseurs aangesproken, onder andere André Delvaux, Collet & Drouot en verscheidene Hollanders waaronder Bert Haanstra. Maar de film van Jan Vanderheyden uit de jaren dertig was nog altijd zo populair, dat niemand dat aandierf. Ik was op dat moment gelukkig zat, zodat ik heb geantwoord dat ik het zelf wel zou doen. Waarop die producent begon te bulderen van ’t lachen. Maar ik meende het. Alleen heb ik wel aan aantal voorwaarden gesteld. Bijvoorbeeld dat het liedje over de zoon van Napoleon zou worden vervangen door een geëngageerd lied van Wannes van de Velde, dat er een scène in kwam in de stad, die iets anders liet zien dan alleen maar boeren op klompen, dat we de vrije hand kregen wat de preken betreft (vandaar die preek over die “vuile, smerige gazet”) en dat we ook het einde mochten aanpassen.
Van de andere kant mocht ge met “De Witte” toch niet zo maar doen wat ge wou. Ge moogt niet vergeten dat het boek op dat moment aan zijn 117-de druk was en dat bovendien de meeste mensen niet eens het boek kenden, maar wel de film uit 1934, die op de dag van de première zelfs nog ergens in het Brugse te zien was! Publicitair gezien is dat dan ook een enorme stunt geweest. Ik zal nooit vergeten dat zelfs het “Pallieterke” zich in die periode speciaal rode inkt had aangeschaft om zowel op de voor- als achterpagina een artikel te schrijven onder de titel “De Witte wordt De Rooie”.
Het probleem was echter dat “De Witte” een enorm succes werd maar toch financieel niet rondkwam. Eigenlijk stond ik er dus na “De Witte” nog slechter voor dan daarvoor, omdat nu “bewezen” was dat er zelfs met een succesfilm geen zuivere winst te verdienen viel in België alleen. Het probleem was dus vergróót in plaats van verkleind. En zo is het idee ontstaan om een film te maken met Gaston en Leo. Met een kleiner budget en volgens een ander systeem. En op dat vlak zijn we helemaal geslaagd.
– Dat is ondertussen ook allemaal al zo’n tien jaar geleden. Hoe is de toestand nu? “Blueberry hill” heeft bijvoorbeeld succes. Maar wat betekent dat dan? Winst? Break-even?
R.D.H.:
Ik durf daar niet op antwoorden. Ik ben de producent niet van “Blueberry hill”. Maar ge moogt niet vergeten dat de film ongeveer zestig miljoen heeft gekost, wat toch bijna drie keer zoveel is als “Zware jongens”. Daarvan werden tweederden binnengebracht door de Vlaamse en Waalse filmcommissie en door de televisie. De RTB heeft spontaan zeven miljoen aangeboden, terwijl we al onze relaties hebben moeten aanspreken om drie miljoen af te pingelen van de BRT. En vermoedelijk uit schuldgevoel heeft de ASLK, waarmee we al jaren aan het onderhandelen waren over een participatie in “Trouble in paradise”, geld gestoken in “Blueberry hill” omdat deze film tenminste niet over wapenhandel ging. In “Blueberry hill” zit dus zo’n twintig miljoen privé-kapitaal en ik veronderstel dat dat er uitgekomen is, onder andere door de verkoop aan het buitenland.
– Wanneer er geld binnenkomt, krijgen de privé-investeerders dus voorrang op de artiesten, als ik het goed begrijp. Zoals ook Urbanus, die toch echt niet mag klagen wat succes betreft, ergens heeft gezegd.
R.D.H.:
Ja maar, let op, bij “Koko Flanel” ligt dat anders. Er is een verschil tussen de verkoop aan het buitenland en geld dat van de binnenlandse markt afkomstig is. Van de bruto-recettes ziet de producent maar 25% terug. Het geld van een verkoop aan het buitenland gaat echter bijna integraal naar de producent, alleen het percentage van de agent wordt eraf getrokken. Dat is dus veel interessanter. Vlaanderen is gewoon een veel te klein land. Als wij een film maken kost die in principe zoveel als een film uit Frankrijk, maar er zijn 130 miljoen Franssprekenden, de kolonies meegerekend. En Nederland is geen kolonie van Vlaanderen, hé schat, vergeet dat maar! Als “Blueberry hill” in één land geflopt is, dan is het toch wel in Nederland zeker! En dat ondanks het Gouden Kalf en diverse andere prijzen. Kom zeg, Hollanders hebben van cinema geen kaas gegeten. En dat zijn niet eens mijn woorden, maar die van columnist Jan Blokker.
– “Blueberry hill” is wel een titel die eigenlijk nergens op slaat…
R.D.H.:
Er waren problemen over het copyright. Maar niemand vindt dat erg, hé schat. Gij zijt den eerste die daarover zaagt.
– Hoe sta jij tegenover de “videoclip-cultuur”?
R.D.H.:
Er zijn een heleboel clips die interessant zijn, vind ik. Vele experimenten zitten nu niet meer in kortfilms maar in clips.
– Maar jij die zoveel televisie kijkt, kijk jij naar MTV?
R.D.H.:
Zelden. Maar bij ons op kantoor staat de televisie inderdaad de hele dag aan. Dat betekent echter daarom nog niet dat we er ook naar kijken. In het voorbije jaar heb ik niet langer dan vijf minuten gekeken, geloof ik. Dat staat aan zoals een radio. Ik vind dat heel plezant. Ik hoor vooral graag oude films. Niet om naar te kijken dus hé, maar om naar te luisteren. Of de geluidsbanden van tekenfilms. En dan is er nog iets: als bij mij de televisie aan staat en ik zit toch te kijken (dat is dan vooral ’s nachts), kan ik altijd zeggen “laat me gerust, ik ben aan het werken”. Terwijl ik natuurlijk even goed de luierik zit uit te hangen als om het even wie.
“IK VIND WEL DAT GERARD MORTIER EEN BEETJE DE SJIEKE MIJNHEER UITHANGT. ZO’N OPERA KOST X AANTAL MILJOEN EN DAAR KOMEN DAN VIER OF VIJFDUIZEND MENSEN NAAR KIJKEN. IK VIND HET DAN OOK ONVERANTWOORD DAT DIE NIET OP TELEVISIE WORDT UITGEZONDEN.”
– Je “luistert” dus een hele dag naar de televisie, maar niet naar MTV. Ikzelf evenmin omdat ik een hekel heb aan videoclips. Op die manier heb ik eens een discussie gehad met Gerard Mortier omdat die vond dat zijn opera’s bij een gewone captatie op het televisiescherm niet overkwamen en daarom opera’s als videoclips wilde gaan draaien.
R.D.H.:
Dat hij vond dat opera het niet doet op een televisiescherm, daar kan ik inkomen. Ik denk dat dit hetzelfde probleem is als dat van films op televisie. Hoewel ik het interessant vind om een film terug te zien op video of op een andere zender, kan ik me echter niet voorstellen dat ge daar plezier van kunt hebben als ge een film éérst op televisie ziet. Een film moet ge gezien hebben in de cinema. Ik weet natuurlijk dat ge niet àlles kunt zien in de cinema, zodanig dat ge wel verplicht zijt om naar een videokopie te kijken. En dat drama wordt maar steeds groter: in heel de wereld spelen ze steeds meer dezelfde films. De “levensduur” van films wordt altijd maar kleiner. Ge zijt dus bijna verplicht om die films op televisie te bekijken. Maar ik kan me bijvoorbeeld niet voorstellen dat ik “Lawrence of Arabia” goed zou kunnen vinden als ik dat voor het eerst op televisie zou hebben gezien. Want als Omar Sharif aankomt in dat zand van die woestijn, dan gebeurt er op dat kleine scherm gedurende vijf minuten helemaal niets, terwijl dat in de cinema juist een prachtige scène is.
En toch zie ik dat soort films graag terug op televisie. En volgens mij geldt dat eveneens voor opera, voor theater, voor een popconcert: als ge dat gezien hebt in de zaal, dan kunt ge daar ook wel van genieten op televisie, maar als ge die magie in de zaal hebt gemist, dan kan de televisie dat inderdaad niet overbrengen. Van de andere kant vind ik wel dat Mortier een beetje de sjieke mijnheer uithangt. Zo’n opera kost x aantal miljoen en daar komen dan vier of vijfduizend mensen naar kijken. Ik vind het dan ook onverantwoord dat die dan niet gecapteerd wordt, zodat althans de mogelijkheid bestaat dat een grote laag van de bevolking daar ook kan naar kijken. Het is bijvoorbeeld toch maar aan Milos Forman te danken dat “Amadeus” zo populair is geworden. Ikzelf heb bijvoorbeeld nooit een plaat van Mozart gekocht vóór ik de film van Forman had gezien. Om dan nog van Salieri te zwijgen!
– Jaja, Salieri: dat is bij jou blijven plakken (zeg ik om hem uit zijn kot te lokken)…
R.D.H.:
Ik vond dat een heel schokkende scène toen Salieri de partituren las en ge die prachtige muziek hoorde. En hoe hij uit jaloezie en ambitie toch de carrière van Mozart wilde tegenhouden. Ik was trouwens niet de enige die toen de link legde naar bepaalde instellingen. Anderzijds zegt men bij de BRT dan wel: wie denkt hij dan wel dat hij zelf is, Mozart misschien? (giert het uit).
– Minder om te lachen was het toneelstuk dat je vorig jaar hebt geregisseerd voor het Nederlands Toneel Gent: “De indringer” van Alan Ayckbourn …
R.D.H:
Zwijg mij dààrvan! Dat was niet om aan te zien! Ze hebben mij dat vier of vijf keer gevraagd en altijd heb ik geantwoord dat ik geen toneelregisseur was. Ik ken van theater geen bal. De stukken die ik graag heb gezien dat zijn bijvoorbeeld “Karl Valentin” van De Mannen van den Dam en “Rosa” van het Trojaanse Paard. Maar zelf kan ik zo’n dingen niet maken. Ik heb dus herhaaldelijk tegen de directeur (Jef Demedts) gezegd dat ik dat niet kon, maar hij voerde aan dat het nodig was dat iemand uit een ander milieu dat eens zou doen. En wat is er dan gebeurd? Alles wat ik voorstelde dat anders was dan het theater zoals men dat gewoonlijk maakt, hebben ze tegengewerkt. Alles! Hugo van den Berghe (regie-assistent, volgend seizoen de opvolger van Demedts) heeft op een bepaald moment zelfs geroepen: “Dat is hier geen videostudio!” En excuseer mij: maar zó had ik het voorgesteld. Want dat was tenminste een medium dat ik baas kon en waarmee ik enigszins voeling had.
En wat ik ook heel erg vond was dat ze mij Ayckbourn opdrongen, een afgrijselijke schrijver, een primaire, depressieve zak. Ik zei dat ook, maar nee, het moest Ayckbourn zijn. Eerst mocht ik echter wel het stuk zelf kiezen. Zo heb ik 22 stukken van Ayckbourn gelezen, hé schat! Ik kon daar op de duur niet meer aan uit. Dat begon allemaal op mekaar te trekken. En van die zogenaamde carte blanche kwam uiteindelijk natuurlijk niets in huis. Want het moest een stuk zijn dat nog niet in België gespeeld was (omdat het zo slecht was waarschijnlijk) en waar zestien acteurs in voorkwamen. Kom schat, dat is toch geen motivatie! Voor mij is de casting het allerbelangrijkste. Maar in het NTG stonden reeds zestien acteurs op mijn lijst, nog voor dat men wist welk stuk men ging spelen! Allé, zwanst nu niet, hé!
Dat toneelstuk moet zowat het meest tegennatuurlijke zijn wat ik ooit gedaan heb in mijn leven. “Meester hij begint weer” is de hemel in vergelijking daarmee. En ’t strafste is nog dat ik daar een werkaanbieding heb aan overgehouden. Ge weet dat ik af en toe moet gaan doppen. Wel, nog nooit van mijn leven had ik uit het filmmilieu via de RVA een werkaanbieding gekregen, maar na dat werk in het theater kreeg ik een aanbieding als toneeltechnieker! (lacht hartelijk). Kom jong, dat is een fabriek geworden, daar kun je niet tegenop. Neem nu de regie. Dat is op de eerste plaats psychologie, dat weet ik vanuit mijn filmervaring ook wel. Want eigenlijk ben ik geen regisseur, ik ben eerder een psychiater. Of een dirigent. Ik besteed het meeste tijd aan het kiezen van mijn instrumenten (*****). In “Blueberry hill” heb ik Frank Aendenboom niet geregisséérd. Ik heb die gekozen en gezegd wat ik van hem verlangde. Nadat wij het eens waren over het personage is daar geen woord meer aan vuilgemaakt. Elke scène met Frank Aendenboom is welgeteld in één take gebeurd.
– Ik vind wel dat de film op het einde kantelt, met name met de opstand van de leerlingen tijdens de begrafenis van de “homofiele” leerling Eddy (Gert Nevens). Hier had je beter het realisme helemaal verlaten en volledig uitgefreakt zoals Lindsay Anderson in “If” bijvoorbeeld…
R.D.H.:
Kust mijn kloten, hé vriend. Als ik u zo bezig hoor, ben ik al blij dat Walter van den Broeck dat ettertje op school Stafke De Schepper heeft genoemd. En daarbij hoe ge het ook draait of keert, ik vind de vertolking van Frank Aendenboom in “Blueberry hill” veel beter dan die in “Het sacrament”. Maar toen ik dat zei tegen de artistieke leiding van het NTG, heb ik het bakkes gezien van die mannen en toen wist ik al hoe laat het was. Goed, we klappen er niet meer over, heb ik gezegd. Ze denken toch dat ze het beter weten omdat ze via een academische manier hun vak hebben geleerd.
– Je windt je er nogal over op.
R.D.H.:
Allé schat, zo’n degoutant anti-feministisch walgelijk stuk. En iederéén heeft dat tegen Jef Demedts gezegd, hé. De dramaturg, den Hugo, ikke. Maar nee, den dwazerik wou dat stuk opvoeren, want hij vond dat plezant. Ik vond daar niks om te lachen aan. Niks. ’t Enige wat plezant was dat was dat Koen Crucke na een paar vertoningen meer en meer uit den bol ging (Robbe kan er toch nog een beetje mee lachen). Eigenlijk zijn die theaterrepetities een soort van koers, hé. Wie gaat er vandaag demarreren? En op het meest onmogelijke moment gaat er dan de een of de andere vandoor. En dat is nog erger dan in de cinema, hé. De gevoeligheid van die mensen, Jezus Christus! In de cinema heeft iedereen reeds heel veel ziel, wat langs alle kanten rondfloddert, zodanig dat ge voortdurend op iemand zijn ziel staat te trappen, maar in ’t theater is dat nog veel erger, weet ge! Terwijl het eigenlijk employees zijn die van nine to five gaan werken!
– Maar je hebt het dan toch maar gedaan.
R.D.H:
Ja, luister, ge hebt een contract getekend, hé schat. Maar het ergste is dat geen van beide partijen er iets van geleerd heeft. Noch het NTG, noch ikzelf. Ge kon net zo goed een Papoea bij een Waal zetten. (Buigt zich speciaal voorover naar de cassetterecorder). Ze hebben mijn pree trouwens nog niet helemaal betaald.
– Daar wou ik naar toe: soms moet je wellicht al eens dingen doen gewoon om aan geld te geraken. Publiciteitsfilms draaien bijvoorbeeld.
R.D.H.:
Juist. Maar dààr wordt ge tenminste zwaar voor betaald! Ge moogt niet vergeten: als ik twee of drie reclamefilms doe op een jaar, dan kan ik met eigen middelen een project opstarten. Ik vind het echter vooral jammer dat ik zo weinig voor de BRT mag doen. Ge weet toch dat ik acht jaar lang op de zwarte lijst van de dienst drama heb gestaan, hé? En dat was niet omdat ik Puttemans Salieri noemde, als ge dat soms denkt!
– Waarom dan wel?
R.D.H:
De dag nadat “Maria Danneels” op televisie is geweest (in 1982), is er een telefoontje gekomen van de public relations van de rijkswacht, die protesteerde tegen de manier waarop de rijkswacht in die film behandeld werd.
– Hoezo? “Maria Danneels” is toch in de verste verte geen politieke film?
R.D.H.:
Heel eenvoudig: op een bepaald moment komt er een rijkswachtcontrole in voor. En een stem zegt (citeert uit het hoofd, zowaar in het Algemeen Nederlands): “Moet je die geüniformeerde snotneuzen nu eens bezig zien met hun controles op gastarbeiders en mensen met lang haar en tegenwoordig natuurlijk ook op punkers, als we dààr nu eens een film zouden over maken. Maar nee, wij moeten een film maken over Maria Danneels of het leven dat we droomden. En waarom? Omdat het schoon geschreven is. Maar daar maakt ge toch geen film mee? Film is iets maken met beelden, bewegende beelden, motion pictures”. Echt serieus, ’s anderendaags kwam er een telefoontje van de rijkswacht en ik heb nooit meer voor de dienst drama mogen werken. Tot vóór een paar maanden. Sedert Paul Van Dessel, de directeur van de dienst, met pensioen is. En ’t strafste was nog dat ik dat nooit geweten heb. Telkens als ik iets voorstelde, kreeg ik als antwoord dat er geen geld was of dat ze met eigen mensen moesten werken of weet ik veel. Maar men heeft mij nooit de echte reden gezegd. Tot een paar maanden geleden Joanna Geldof mij vroeg om iets te lezen. Iets over het onderwijs. Ik zeg: O.K., stuur dat maar op. Maar toch blijft dat weg. Op een dag kom ik haar tegen en ik vraag waar dat script blijft. Zolang Van Dessel er is, moogt gij niet binnen, antwoordt ze. Ik vind dat een echte schande. Ik heb altijd tegen Puttemans gezegd: “Frans, zolang gij niet zegt wat er eigenlijk gebeurd is, is het uw schuld”. Allé, vindt ge dat niet schandelijk? Niet dat ik geen werk heb, hé. Ik weet zelfs de komende twintig jaar nog wel wat doen, maar vindt ge dat niet erg dat een telefoontje van de rijkswacht mij acht jaar van die dienst weghoudt? Ik vind dat degoutant, ik vind dat dit absoluut niet kàn. Dat is censuur.
’t Zelfde met die gendarmenfilm (begint te lachen). Want dat was dan nog ’t plezantste. De dag na de première van “Blueberry hill” belt Frans Puttemans mij op. Hij feliciteert mij en zegt: kom maar eens terug langs. Hij vond dat we dringend opnieuw iets samen moesten doen. En ’t eerste wat ik binnenbreng is die satire op de rijkswacht en de Bende van Nijvel. Want ik had uiteraard geen erg in die affaire met de rijkswacht. Waarop Frans: allé Robbe, doet ge dat nu expres? En pas dan viel mijn frank. Echt waar, dat was echt niet om te testen hoe ver hij durfde te gaan of om te zien of hij echt zijn leven gebeterd had. En het was toen dat hij heeft gezegd: kunt ge van die gendarmen geen facteurs maken? (lacht, maar dan weer ernstig). Anderzijds weet ik toch niet of VTM het wél zou hebben aanvaard.
– Enfin, als het je kan troosten: co-producties met de televisie hebben toch ook nadelen. Zo’n dubbele shooting schaadt aan de film, zegt men meestal…
R.D.H.:
Kijk, wij zijn nu bezig met een film “The commissioner”, een internationale co-productie geregistreerd door de Brit Doug Aitkin naar een boek van een zekere Stanley Johnson. Die film speelt zich vooral af in het Engels milieu in Brussel. Het probleem is dat ge bij de televisie nog enkel geld kunt vinden voor mini-series en niet voor één film. Terwijl films als “Duel” van Steven Spielberg of “The killers” van Don Siegel oorspronkelijk televisie-films waren. Het zou dus veel interessanter zijn om voor de televisie te werken en af en toe een film daaruit ook in de bioscopen te laten lopen. Maar dat wil hier maar niet lukken. Dat was nochtans de reden waarom ik uiteindelijk toch “Maria Danneels” heb gedraaid voor de BRT, om een betere samenwerking te krijgen tussen cinema en televisie. Zonder succes echter. Enfin, hier dan, want in Shanghai is het een echte cultfilm geworden.
– Ondanks al die problemen hang je in “Janssen en Janssens draaien een film” toch een positief beeld op van de Vlaamse film.
R.D.H.:
Dat was ook de bedoeling, hé schat. Dat is een propagandafilm. En ik wou die ook zo maken. Op lezingen zoals hier ook weer in Eeklo, valt mij altijd op hoe onwetend de mensen staan tegenover Vlaamse cinema. Maar het straffe is wel dat we tijdens het draaien van de documentaire een aantal triestige dingen hebben ontdekt die wij niet eens wisten! Bijvoorbeeld. Ge herinnert u misschien dat we in 1977 eens het ministerie hebben bezet omdat alle subsidies werden achtergehouden. Wij dachten dat er een technisch probleem was, maar nu zijn we te weten gekomen dat in 1975-1976 de vertegenwoordiger van het ministerie bij de BRT, een zekere Dierckx, nu de grote directeur van de Nationale Maatschappij voor Krediet aan de Nijverheid, geshockeerd en geschandaliseerd was door al het naakt dat in de huiskamer kwam door de Vlaamse films. En die heeft dan inderdaad de hele Vlaamse film tegen gehouden.
We stootten ook op zaken die we ondertussen vergeten waren, zoals de kidnapping van Tante Terry. In 1964 was er een Oostenrijker die een film kwam draaien in België naar een scenario van Anton van Casteren, de gast die onder andere “Schipper naast Mathilde” had geschreven en de latere hoofdredacteur van TV-Expres. Maar op een bepaald moment kwam men in financiële problemen. Toen hebben ze Tante Terry gekidnapt om losgeld te krijgen. Groot schandaal. Ik herinner mij nog heel goed de krantenkoppen: handel in blanke slavinnen in villa te Schoten… Toen dat uiteindelijk allemaal uitkwam, heeft die producent zelfmoord gepleegd. Allé jong, met zo’n gegevens hebt ge eigenlijk materiaal om een serie te draaien van tenminste twintig afleveringen!
– “Daens” is ondertussen een succes geworden, maar zonder Robbe De Hert. Veel hartzeer?
R.D.H.:
Nee. Ik heb daar heel hard voor gevochten destijds. Veertien keer heb ik het in de commissie ingediend en steeds werd het afgewezen. De ene keer omdat ze vonden dat ik geen geschikte locaties zou vinden, de andere keer weer omwille van een andere onnozelheid, maar toen Stijn zijn film goed en wel af had, gaf men eindelijk toe dat het destijds op politieke gronden was dat het script werd afgewezen. Ik vond het wel straf dat Carla Galle me in die tijd kwam vragen om op de lijst te staan voor de SP, want het was juist zij die ervoor gezorgd heeft dat ik ‘Daens’ nooit heb kunnen maken! Al moet ik toegeven dat de liberalen ook goed hun best hebben gedaan. Als dat niet straf is! De katholieken hebben niet eens hun nikkel moeten afdraaien om mij tegen te houden. Maar ja, ge weet wat socialisten zijn, hé? Dat zijn katholieken die ’s zondags niet naar de mis gaan (lacht.) Maar kom, op een gegeven moment begint ge u te interesseren voor andere projecten en toen Dirk Impens vroeg om ‘Daens’ voor hem te regisseren, was ik niet meer vrij omdat ik me al had geëngageerd voor ‘De ultieme playbackshow’ en ‘The commissioner’. Bovendien was ik ook al bezig met de voorbereiding van ‘De beloning’, een soort ‘Sting’ maar dan op z’n Vlaams, en van ‘Vergeten straat’ naar L.P.Boon. Dat moest oorspronkelijk een coproductie worden met de USSR, dus daar kon ik ook naar fluiten natuurlijk!
– Uw compaan Pien heeft de film wél afgemaakt…
R.D.H.:
En noch­tans is “Vergeten straat” voor mij wat “Het recht van de sterkste” ooit voor Boon was. Voor het lezen van dat boek op school werd hij zwaar gestraft en bij mij was dat dus het geval met “Vergeten straat”.
– Je hebt vroeger nog met Boon zelf gewerkt?
R.D.H.:
In 1967 maakte L.P.Boon zijn filmdebuut als pastoor in de korte Fugitive Cinema‑productie Insane. Daar kwam een scène die in een jezuïetencollege moest worden opgenomen. Alles was vooraf geregeld, maar toen we daar opdaagden, mocht Boon niet bin­nen! (lacht) Twee jaar later, in 1969 gaf ik Boon naast de Amerikaanse actrice Betsy Blair de hoofdrol in De Bom. Het enthousiasme van Boon is op elke bladzijde van het gelijknamige acteurs­dagboek te lezen. In 1977 vroeg ik hem mee te werken aan “De Witte van Sichem”. Boon ging akkoord en schreef zelfs een synopsis, maar niet veel later is hij overleden.
– Voor “Brylcream boulevard” (1995) had je de medewerking van Hugo Claus gevraagd.
R.D.H.:
In deze opvolger van “Blueberry hill” heeft de vroegere secretaris van de vakschool (Frank Aendenboom) nu een vetbetaalde politieke functie uitoefent op het kabinet van minister Piet Balfoort. Hiervoor hadden we oorspronkelijk Hugo Claus gevraagd, ja, maar die weigerde.
– Zelf had je nochtans wel een hoofdrol vertolkt in “De Vijanden”, de eerste film die Claus heeft gedraaid…
R.D.H.:
En was ik daarin gene knappe gast? Iedereen zegt dat. De Vlaamse James Dean. Dat was ik. Of beter gezegd: dat had ik graag willen zijn. Vergeet niet: ik wilde eigenlijk acteur worden, hé schat, en gene regisseur. ’t Heeft trouwens niet veel gescheeld. Halverwege de jaren zestig heb ik een jaar in Londen gewoond. Daar nam Miriam Brickman mij onder haar hoede. Zij was toen een van de bekendste casting directeurs in de business en kende alle beroemde regisseurs en acteurs van die tijd. Dankzij haar ben ik zelfs een keer kunnen gaan fuiven met The Beatles. Wel, weet ge dat ze mij nog de hoofdrol hebben aangeboden in “If” van Lindsay Anderson?
– De film die van Malcolm MacDowell een vedette heeft gemaakt…
R.D.H.:
Just! Wel, dat had ik kunnen zijn. Maar mijn accent speelde mij parten. En ik bedoel niet mijn Antwaarps accent, hé! Nee, ik ben in Engeland geboren, maar mijn Engels is zo mogelijk nog platter dan mijn Vlaams. En een Cockney-accent in een film over een Britse upperclass school, dat kon natuurlijk niet.
WILLEM ELSSCHOT
– Ondanks het feit dat je in 1995 nog vader bent geworden van Lou en dat de moeder de 25 jaar jongere Ann Dengis, zijn met moeder Ida blijkbaar niet alle bruggen opgeblazen, want dankzij haar heb je van Ida de Ridder, de dochter van Willem Elsschot, de opdracht gekregen om “Lijmen” en “Het Been” te verfilmen.
R.D.H.:
Na de slechte ervaring met Het dwaallicht van Frans Buyens wilden ze het wel eens met mij proberen. Maar het probleem is dat ik eigenlijk geen films wil maken voor twee man. En wie gaat er naar een verfilming van Lijmen komen kijken? Wie gaat er naar Karakter? Gewoon volk? Ik vraag het me af. En zeggen dat Bont en blauw, mijn satire op de Bende van Nijvel, al zeven keer is afgewezen omdat er geen publiek voor zou zijn… Om nog te zwijgen over mijn Christusfilm die zich in de Far West zou afspelen! Mijn oorspronkelijk idee om Prinses Paola voor de rol van Maria Magdalena te vragen kan ik al vergeten natuurlijk. Niet omdat ze ondertussen koningin is geworden, maar gewoon omdat ze – met alle respect – al wat te oud is geworden. Ik denk trouwens dat die film er wel nooit zal komen, want de filmwereld wordt internationaal gedomineerd door katholieken en joden. Alhoewel… Onlangs las ik dat Paul Verhoeven van plan is om de laatste dagen van Christus te verfilmen als een thriller. Pas op, ik ben niet jaloers, hé. Paul is ook maar door een toeval naar Hollywood gegaan omdat hij in Holland zo werd gepest door de filmcommissie. En daarbij, ik zie Basic instinct heel geire. Hugo Claus niet. Die vond de achtervolgingsscène ongeloofwaardig. Ik zeg: allé Hugo, in Het sacrament moeten ze het personage van Roodkapke raden, terwijl iedereen in de zaal dat al na een halve minuut weet. En dan zit ge te zagen over een achtervolging in Basic instinct? Of neem nu Monsieur Hawarden van Harry Kümel. Die film gaat over een vrouw die als man verkleed door het leven gaat. Vanaf het eerste beeld zie je al dat die zogenaamde man in feite een vrouw is. Dat kan dus niet, hé schat!
En dan was er ook nog een project rond Soeur Sourire. Daarmee was ik zeker niet de eerste. Iedereen kent wel de Amerikaanse film The singing nun met Debbie Reynolds uit 1966, maar in 2001 was er ook een Italiaanse film Suor Sorriso van Roger Deutsch. In Vlaanderen was Marc Didden de eerste die in het tragische levensverhaal van zuster Luc Gabriel stof zag voor een film. Later is Daniel Van Avermaet er ook mee bezig geweest. En ook Jan Verheyen. Halfweg de jaren negentig ben ik zelf dicht bij een verfilming geweest. Het is er uiteindelijk niet van gekomen om meer dan één reden. U moet weten dat Mieke, de dochter van pater Mestdagh, nog bij mij heeft gewerkt. Ze vertelde me het verhaal van haar vader, ook een zingende religieuze uit de jaren zestig. Dat heeft mijn aandacht van Soeur Sourire afgeleid, want dit was eigenlijk nog boeiender (******). Ik heb ook contact gehad met een man die schilderijen van Soeur Sourire had gekocht. Via hem vernam ik zaken uit de dagboeken van de uitgetreden non die me deden twijfelen aan het onderwerp. Ik had ook problemen met de scenarist, wiens naam ik niet wil noemen. Hij wilde de rol van de kerkelijke overheid in het drama van de zingende non minimaliseren. (GVA, 14/5/2004)

Referenties

Ronny De Schepper, “Eigenlijk ben ik geen regisseur, ik ben eerder een psychiater, of een dirigent”, De Rode Vaan nr.10 van 8 maart 1991
Wim de Poorter, inleiding over Paul de Vree

(*) Van Robbe De Hert verschenen er twee boeken: “Het drinkend hert bij zonsondergang” (1983) en “Het drinkend hert in het nauw” (2003).
(**) Op 10 augustus 1991 verscheen er in “Het Laatste Nieuws” een interview van Bert Verhoye met Frans Buyens, waarin deze laatste o.m. zegt: “Maar de cineasten van mijn generatie, zoals Verhavert en Degelin, deden tenminste hun mond nog open. Nu wordt compromis na compromis gesloten. Die ellende is begonnen met Robbe de Hert, Hendrickx, Lebon. Zij konden niet meer maken wat zij wilden. Alles moest commercieel verpakt zijn. En zij zwegen.”
(***) Veel later (in het kwartaalblad Film van de zomer van 2016) zou Robbe toegeven: “Ik schat dat bij 1 op de 3 of 4 films tranen vloeien. Dat kan door een sterk verteld verhaal komen of door het plot of het groter emotionele applaus of door parallellen met mijn leven. Zoals een zin in Blueberry Hill die Impens achter mijn rug had geschrapt over haar onderbroken zwangerschap indertijd. Gelukkig was Stijn Coninx in de buurt, die over deze ingreep tussenbeide kwam.”
(****) Toen Robbe tijdens de Gentse Feesten 1991 te gast was in de Rebellenclub van Pietje Bell (Erik Goeman), kon deze laatste het niet nalaten even te vragen hoe het toch kwam dat de Trotzkisten de mooiste vrouwen aantrokken. Robbe gaf alvast toe dat Ida de voornaamste, zoniet de enige reden voor zijn “lidmaatschap” was. Columnist Eddie Vaes voegde eraan toe dat de vrouwen de “voornaamste, zoniet de enige” aantrekkingspool waren voor de Antwerpse dokwerkers. In datzelfde gesprek kon men ook nog vernemen dat de familie van Robbe De Hert tot dan toe Vlaams Blok stemde! ’t Is te zeggen: zijn moeder, want zijn vader is gestorven toen Robbe amper 17 was. Zijn moeder daarentegen is 95 geworden. “Een kreng van een vrouw die twee stenen kon laten vechten. Het soort moeder dat snerend zegt wanneer je met je zoon binnenkomt: zie je dan niet dat hij niet van jou is!”
(*****) In deze is Robbe dus blijkbaar een volgeling van de grote Joseph Mankiewicz die over zijn werk als regisseur verklaarde: “Het is de taak van een regisseur de beste decorator uit te kiezen, de beste cameraman, de beste monteur, enzovoort. Het komt er dan op aan al deze mensen op hun beste te doen functioneren, want wat brengt het op van vanalles de beste te nemen als ge ze toch gaat zeggen wat ze moeten doen?”
(******) De zingende pater Louis Mestdagh heeft op vijftigjarige leeftijd zijn kap over de haag gegooid om met missiezuster Johanna een nieuw leven te beginnen. Naast Mieke heeft hij ook nog een zoon, Rudolph, die werd bekroond voor de beste kortfilm, met name “Robokip”, en van wie ik o.m. ook de komische kortfilm “Vol au vent” heb gezien (tenzij dit twee keer dezelfde film is). Hij werkte in 1995 net als Jan Verheyen in Hollywood voor “Aardbeienmelk” en “Aan Zee”, waarin de Duitse Marianne Sägebrecht (“Bagdad Café”) de hoofdrol zou spelen. Blijkbaar bracht dit meer verwikkelingen met zich mee dan gedacht, want tot hiertoe werd daar nog niks van gehoord.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s