De Vlaamse acteur Eddy Vereycken viert vandaag zijn 65ste verjaardag.

“Ik heb o.a. nog wortels bij Het Trojaanse Paard, toen dat nog een trotskistisch theater was geleid door Marianne Van Kerckhoven, de dochter van Jeanne Brabants en Bert Van Kerckhoven, de toenmalige directeur van de BRT. Frans Redant zat daar toen nog bij (en misschien ook nog Ann Nelissen en Geertrui Daem, RDS). Hij speelde toen het Kapitaal en ik speelde het Leger, geloof ik. In een stuk dat heette Angolees verzet, Portugese wet. Een stuk op rijm van Marianne zelf. Ik ben nog altijd van oordeel dat theater met politiek te maken moet hebben. Ondertussen mag men niet meer zo doen (steekt de vuist omhoog) en men weet niet meer wat links is en wat rechts, maar mijn hart ligt nog altijd aan de linkerkant en het zal daar blijven liggen. Ik heb ooit nog eens de artistieke leiding overgenomen van Theater Tentakel, geleid door Perry Dijkstra, wat juist geteld één jaar heeft geduurd omwille van interne problematiek. Zij waren ermee gestopt, maar toen ze hoorden dat we toch geld kregen, keerden ze terug. Dat leidde tot enorme verwarring, waarvan ik me dan heb gedistantieerd, zodat ik bij het NTG ben beland. Ik bekijk mijn werk immers eerder als een schilder. Die vraagt toch ook niet telkens aan 20, 30 mensen: ben ik nu goed bezig met mijn schilderij? Heb je er niks aan toe te voegen misschien? Neem ’s een borstel… Theater is relativeren, zoals het hele leven dat is.”
Aan het woord is Eddy Vereycken, op het moment dat hij bij het toenmalige NTG in 1991 “Richard Everzwijn” regisseerde. Bij het Trojaanse Paard of bij Tentakel had ik hem nooit aan het werk gezien, maar wel in Theater Malpertuis in het stuk “Zeepbellen blazen” van Tennessee Williams (1984). Bovendien had hij bij het begin van het seizoen 87-88 in het NTG een bewerking geregisseerd van de novelle “Menuet” van Louis Paul Boon.
MENUET
De naam van Samuel Beckett duikt een paar keer op in de persinformatie die naar aanleiding daarvan werd verspreid. Er wordt daarin trouwens wel meer aan name-dropping gedaan (Foucault, Barthes, Beuys…) en precies dààr is regisseur Eddy Vereycken reeds in de fout gegaan. Hij heeft er te veel willen instoppen, in dit miniaturistische meesterwerkje van Louis Paul Boon waarvan de stille kracht precies in de soberheid schuilt: de haast onmerkbare accentverschuivingen in het minimalistische verhaal zoals achtereenvolgens de man, het hulpje in het huishouden en de echtgenote dat vertellen; de aangrijpende juxtapositie van de krantenknipsels enz.
Vereycken heeft dat alles uitvergroot. Er is ten eerste het scènebeeld dat een echt environment is. Mooi om naar te kijken, maar met tal van mankementen wat de bespeelbaarheid aangaat. Er zijn de videobeelden die gedeeltelijk in de plaats komen van de krantenknipsels (wat nog aannemelijk is), maar daarnaast ook oververduidelijkend zijn. En er is vooral het tempo, of beter gezegd: de tempi. Want er wordt crescendo geacteerd. Alleen in de laatste versie (die van de echtgenote dus) bereikt hij daarmee een effect: het “oerwoud” overwoekert haar geordend wereldje. Het begin (de man) is echter zo tergend langzaam dat zelfs het recht trekken van de Herald of Free Enterprise een boeiender aangelegenheid was.
Vereycken heeft de drie personages ook ontdubbeld (handelen en denken), maar de denkende component voegt niets essentieels toe aan wat bijvoorbeeld via een bandopname had gekund. Integendeel, de stereotiepe gebaren (het drinken en het kuchen van de man, het giechelen van het meisje…) werken uitermate irriterend.
Nee, al was dze voorstelling wel iets beter dan de “Minnebrieven” van Multatuli die Vereycken voor het Multatulitheater vorm heeft gegeven, ze is volledig in hetzelfde bedje ziek. Als regisseur is Vereycken een beetje (of eerder nogal erg) one-track-minded en het is een weg waarop niet enkel ikzelf maar ook de overgrote meerderheid van het publiek hem niet wilde volgen. Het is nochtans geen oneer om “enkel maar” een goed (zelfs zéér goed) acteur te zijn, Eddy…
RICHARD EVERZWIJN
“Richard Everzwijn” was door Hugo Claus speciaal voor de viering van 25 jaar NTG geschreven. Het was geen vertàling van “Richard III” van Shakespeare, ook al wijkt het wat de dramatische lijn betreft niet zo heel ver van het origineel af. De nogal exuberante Eddy Vereycken verraste hier trouwens met een sobere maar doeltreffende regie. Richard III werd tot mijn verrassing meeslepend vertolkt door Herman Coessens. Zijn houterige houding waaraan ik me anders nogal eens durf storen, wordt nu juist een pluspunt, aangezien Richard aan één zijde zo goed als verlamd is (tijdens een voetbalwedstrijd met het hoofd van Hastings vergeet hij dat eventjes maar soit). De andere acteurs mochten allemaal eens hun nummertje opvoeren, maar moeten dan weer naar af. Eigenlijk is “Richard Everzwijn” net zoals “Richard III” immers een soort van monoloog met nu en dan eens een repliek. Dat belet niet dat de steracteurs van het NTG het er weer briljant van afbrachten. Chris Thys is goddelijk in de scène wanneer Richard haar verleidt bovenop het lijk van haar schoonvader (Henry VI). Diens weduwe, gek geworden van verdriet en daarom juist heel “helderziend”, werd meesterlijk geïncarneerd door Chris Boni, terwijl Blanka Heirman ingehouden de rol van de vrouw van Edward IV vertolkt. Bij de mannen schitterden verder nog Bob van der Veken als een hypocriete Buckingham, Nolle Versyp als een waardige Hastings en Mark Verstraete als een seniele Edward IV (al was-ie maar goed veertig jaar).
Maar de voornaamste aandacht ging ongetwijfeld naar de tekst van Hugo Claus, zoals ook regisseur Eddy Vereycken al aangaf…
Eddy Vereycken: “Het stuk speelt zich af ergens op hoog politiek niveau, op koninklijk niveau, en tegelijk zitten we daar met die toch nogal volkse benadering. Een duidelijke lijn in de regie was dan wel nodig. Ik opteerde dus enerzijds voor een groteske benadering van het stuk en anderzijds voor een politieke, wat een zeer strenge soberheid tot gevolg had. De teksten worden expliciet naar voren gebracht. Bijna geen enkel attribuut wordt gebruikt, enkel het hoogst nodige. Ik heb zelfs geen troon. Ik heb de volledige pente gerecupereerd van King Lear (één van de vorige stukken van het NTG, RDS) waarop zes treden werden geplaatst en een valkuil of sterfput of noem het zoals je wil, werd aangebracht. Voor de rest zijn het de acteurs, de kostuums en de tekst die hun werk doen.
Wat de cast betreft wil ik wel heel duidelijk stellen dat het niet een zuiver professionele cast is. Er zitten b.v. zeven tweedejaars conservatoriumstudenten in. Ik denk wel dat ik ze uiteindelijk als professionals heb kunnen doen acteren, maar dat was toch heel lastig werken omdat deze mensen pas na vijf uur ’s avonds vrij waren om te repeteren. Herman Coessens is als Richard III de enige die maar één rol speelt. Voor de rest komen er immers zo’n zestig personages in voor en het was dus noodzakelijk om verschillende rollen door één en dezelfde acteur te laten spelen. Het is een low budget productie geworden, maar laten we zeggen dat dit ten goede is gekomen aan de voorstelling. Dat maakt ze zeker sympatiek. (Toch klinkt er een zeker cynisme door. Het is een publiek geheim dat Sam Bogaerts de regie heeft geweigerd omdat hem te weinig financiële middelen ter beschikking stonden, RDS.)
– Het is ook een muzikale voorstelling geworden?
Eddy Vereycken:
Dat was de bedoeling. Daarvoor heb ik mijn vriend Paul Couter, de man die ooit met Arno Hintjens samenwerkte in Tjens-Couter, gevraagd. Die heeft aardige muziek gemaakt, die als een leidmotief het hele stuk door terugkeert. Daarnaast zorgde Johan Desmet voor een koorzang. Carla Hoogewijs schreef verder een aantal liederteksten op basis van Shakespeare, een ballade over de slag bij Bosworth b.v. Ik verwijs daarbij ook duidelijk naar de Golfoorlog en naar het misbruik van de media. Voor mij was het duidelijk dat zoiets om een moderne versie vroeg. De acteurs dragen dezelfde maatpakken als president Bush en Saddam Hoessein. Herman Coessens heeft zich zelfs een snor laten groeien! Daarom wou ik het stuk doen, om te laten zien hoe een dolgeslagen machthebber aan zijn einde komt. Hoessein, Schwarzkopf, de voorbeelden zijn legio. In “The Godfather III” zie je dat ook: Michael Corleone wil nog wel het een en ander herstellen, maar het lukt hem niet meer. Als hij in de keuken daar op Sicilië tegen zijn ex-vrouw zegt: “Beveel mij dat ik mij met dit keukenmes moet ombrengen”, dat is pure Shakespeare.
– Maar op de persvoorstelling sprak je niet over Coppola maar over David Lynch (“Wild at heart”, “Twin Peaks”, “Blue Velvet”) en Pedro Almodovar (“Atame”, “Mujeres al borde…”).
Eddy Vereycken:
Uiteraard, want dan heb ik het niet over de inhoud, maar over de speelstijl. Vooral qua kleur en extremiteit in spelen. Wat ik vooral bij Lynch apprecieer is zijn theatrale manier van benaderen. Een beetje voorbij de grens zelfs, vind ik. En dat wil ik ook bereiken. Net over de schreef gaan, wat heel moeilijk is, want het moet toch heel ingeleefd blijven echter zonder dat men in de huid van het personage kruipt. En daarom werkt dat systeem met die stoelen. Omdat men de acteur in en uit de rol ziet kruipen. Het mag niet zijn: ik trek een ander jasje aan en nu ben ik die of die. Nee, het personage leeft in de mens. Vandaar ook dat ik alle mogelijke kostumering die tot klichees zou kunnen leiden heb afgevoerd tot het minimum minimorum. Een stola voor de bisschop b.v. Voor een volledig ornaat zou trouwens geen tijd zijn.
– Vandaar ook bijna geen decor?
Eddy Vereycken:
Het is louter spelen. En dan vooral nog met de taal. Ik wil dat men spreekt alsof men zou zingen. Er zijn er die dat schitterend doen, Chris Boni b.v. die dan ook een opera-opleiding heeft gehad.
Vereycken zelf schitterde als Raskolnikov in “Schuld en boete”, waarmee hij na zijn mislukte regie van “Bij Jules en Alice” van Tom Lanoye, waarmee het NTG-seizoen opende, nogmaals bewees dat hij een veel sterker acteur is dan regisseur (12/12/91).
BIJ JULES EN ALICE
Omdat “Monster zonder waarde”, het eerder aangekondigde stuk van Paul Koeck rond moordenaar Freddy Horion, uit begrip voor de nabestaanden (het drama speelde zich af in Sint-Amandsberg, vlakbij Gent) werd afgevoerd, moest het NTG op de valreep uitkijken naar een vervangstuk. “Blankenberge” van Tom Lanoye mocht door de pers (en nog meer door Tom zelf) nogal op zware kritiek zijn onthaald, het was toch een publiek succes en daarom aarzelde men niet lang om de Vlaamse creatie te brengen van “Bij Jules en Alice”, Toms eigen bewerking van één van zijn novellen uit “Een slagerszoon met een brilletje” (1985). Deze bewerking had hij oorspronkelijk gemaakt voor Toneelgroep Amsterdam, die daar vorig jaar een goed onthaalde, nogal “droge” voorstelling van bracht (o.a. in de Brusselse Beursschouwburg). In tegenstelling tot de “zuinige” aanpak van de Nederlanders, pakt Eddy Vereycken in de Minnemeers uit met een reusachtig speelplateau en een volledige trukendoos. Het seksuele element wordt ook veel meer benadrukt, misschien als “Wiedergutmachung” omdat een te preutse aanpak door regisseur Senne Rouffaer o.m. de oorzaak ervan was dat “Blankenberge” de mist inging, i.p.v. dat de dampen werden veroorzaakt door de broeierige hitte, die het moest oproepen. Vereycken was toen overigens samen met Pedro Edo de enige acteur die van Lanoye wél lof oogstte voor zijn prestatie.
Toch kon Vereycken géén betere “Jules en Alice” afleveren dan de sobere Hollandse aanpak, die ik het jaar daarvoor te zien kreeg. De rommel op het toneel drukte veel beter de ‘rommel’ in Jules’ hoofd uit dan het cleane decor van Andreas Szalla, maar dat is niet de grootste fout die Vereycken heeft gemaakt. Een totaal foutieve keuze lijkt mij vooral het opteren voor een komedie, meer zelfs: een farce, een klucht, een slapstick. Inclusief een taartengevecht, het dieptepunt van de opvoering. Ik zal wel de laatste zijn om te ontkennen dat er in de tekst grappige elementen zitten, maar net zoals bij mensen als Claus, Boon of Walschap (die terecht als referentie worden aangehaald), is die lach een grim-lach, die eigenlijk de tragedie nog meer beklemtoont. Door die komische elementen echter dik in de verf te zetten en breed uit te smeren miste de regisseur compleet de tragische dimensie. Omdat echter elke medaille twee kanten heeft, moet ik er wel onmiddellijk aan toevoegen dat ik een voorstelling bijwoonde waar toevallig veel gehandicapten waren op afgekomen. En alhoewel het niet niks is wat Jules op dat gebied overkomt, konden die hun pret niet op. Therapeutisch theater, zeg dat wel! (Het feit dat Jules na een ruzie met Alice zijn geslacht afsnijdt, waarna zij het in de diepvries stopt, mag op het eerste gezicht vergezocht lijken, in oktober 1992 deed een 32-jarige man in het Australische Perth precies hetzelfde!)
Bovendien moet ik constateren dat er ook nu weer veel acteerplezier te rapen valt. Magda Cnudde verdient toch wel een speciale vermelding als een volbloed Alice, een Shirley Valentine uit Waasmunster, al mochten Walter Moeremans (na vier jaar Arca teruggekeerd naar de oude stal) als Jules en Eddy Spruyt als zijn vriend Oscar er ook zeker zijn. Twee rasactrices als Chris Thys (buurvrouw Verstraeten) en Blanka Heirman (moeder Desmet) werden door de regie al zwaarder op de proef gesteld, maar konden het dankzij hun talent toch nog waarmaken. De anderen vielen wat lichter uit, zij het dat Pjeroo Roobjee op het einde een opgemerkte verschijning maakt…
THEATER PROMETHEUS
Na bijna dertien jaar heeft de artistieke leidster van Theater Poëzien, Mieke Felix, afscheid genomen van het theater dat ze samen met Robert Van Yper heeft opgericht. Deze wordt nu algemeen directeur. Als zakelijk leider wordt hij opgevolgd door Yvonne Peiren en als nieuwe artistieke leider werd Eddy Vereycken aangezocht. Die verklaart de benaming: “Uiteindelijk hebben we voor de benaming “Prometheus” gekozen, omdat deze Griekse mythologische figuur het streven van de theatermaker belichaamt. Hij heeft kontakt met de wereld van de goden (goede en kwade). Hij steelt het vuur en brengt het naar de mensen, maar wordt gestraft. Het eeuwige lijden krijgt hij als vergelding voor zijn moedige daad. Net zo dienen theatermakers te handelen. Moedig durven zij tonen en zeggen wat ze aan ervaringen opdeden tijdens hun lange gesprekken met de eigen innerlijke goden. Zonder angst voor de straf en zonder te streven naar een beloning, zal de theatermaker zich begeven op het rotsige, smalle pad dat hem naar het vuur leidt. Wanneer hij het dan rooft en naar de toeschouwer brengt, zal deze de geheimzinnige stroom voelen die sinds eeuwen in en onder ons bestaan vloeit. Na deze overdracht wacht hem de vereenzaming. Dat moet hij weten en er zich niet door laten afschrikken. Precies de ‘zuivere daad’, het vuur roven en het overbrengen, houdt de theatermaker bezig. Weg van het psychologiserende theater dus waar ik nog veel te veel inzit, vind ik.”
“Waarom heb ik deze leiding aanvaard? Op basis van de positieve herinneringen die ik heb aan die eerste voorstelling. Dat was mijn eersteling in het beroepstheater. Ik heb dat 90 keer kunnen spelen en daar heb ik veel ervaring mee opgedaan, ook met het spelen voor scholen. Het contact is dan directer. Ze zijn niet zo beleefd, ze zitten meer op het woord. Ik heb ook altijd geprobeerd theater te maken met vrienden uit mijn studietijd en die daarna ook aangegroeid zijn. Dat heb ik geprobeerd in Sint-Niklaas met Theater Zonder Toegevoegd Zout, dat geef ik niet op, maar daar zijn geen financiële middelen voor. Ook de subsidie van Poëzien is merkelijk te laag en ik hoop dan ook dat ze zal worden verdubbeld. Ik wil ook werk brengen dat door vrienden werd geschreven en die nooit de kans krijgen in het gevestigde theater. De kleinschaligheid van dit theater spreekt me ook aan. De directe communicatie die er is tussen spelers, administratief en technisch personeel. Want ik ben een beetje moe, maar nu moet ik toch wel opletten dat ik dit juist formuleer, van in een schizofrene situatie te verkeren tussen het grote theater en het kleine theater. Niet dat ik mijn kansen binnen het NTG niet heb gekregen, zeker niet, maar je blijft daar toch altijd maar in een grote mastodont meedraaien. De bedoeling is dat ik vanaf januari ’93 dit beleid overneem.
De eerste productie van Eddy Vereycken voor Theater Prometheus was ‘Engelenstad’ en ging vooral over het leven van Brecht zelf in de periode dat hij de drang voelde om ‘Mahagonny’ te maken, tegenover de problemen die hij tegenkwam bij het tot stand komen van dit stuk. Problemen met pers, met akteurs, met geldschieters enz. Herkenbare toestanden dus. Voor de jongeren wilde het dan ook een soort van documentair drama zijn om te laten zien hoe hard een schrijver, een regisseur moet werken om zijn kreativiteit waar te maken. De tekst van de hand van dramaturg Alain Pringels was volgens Sander Vandenbroeck in “De Gentenaar” echter “een potje”. Brecht is het grote idool van Vereycken, die een stuk graag binnen de filosofische context van de tijd waarin het geschreven werd, plaatst.
Een tweede stuk is er nooit gekomen. “De Storm” naar Shakespeare, werd aangekondigd als zijnde van Theater Prometheus, maar opgevoerd door Theater Zonder Toegevoegd Zout… (in feite is het een solostuk van Carla Hoogewijs, die het stuk vertelt).
TZTZ zal dan ook wel instaan voor het stuk dat gepland was over Marie-Antoinette en de Franse Revolutie. In oktober 1993 zal ze herdacht worden en dat leek voor Eddy Vereycken een interessant uitgangspunt voor een vooral visuele voorstelling. “De acteurs zijn allemaal vrienden van het eerste uur of gewezen leerlingen van mij in het konservatorium van Gent. Ik vind dat heel belangrijk, want dan hoeft men niet veel meer te zeggen, dan kan men eerder intuïtief werken. Geen vedetten dus, de eeuwige leerling blijven lijkt me juist erg interessant. Al die mensen hebben al heel wat werk gedaan, bijna voor niets en ik hoop dat ik ze nu iets kan geven. Mijn levensgezellin Carla Hoogewijs en ik hebben dit opgestart en eigenlijk komen we alleen een zakelijke leiding à la Robert Van Yper te kort. Het multidisciplinaire aspect vind ik ook erg belangrijk. Wat doen we in deze slechte wereld? Laten we die aan ons voorbijgaan? Gaan we hem esthetiseren? De politiek in Vlaanderen, de verkiezingen, de toestanden die hier allemaal aan de gang zijn, dat opkomende fascisme, dat blijft me toch wel bezighouden. Dit is mijn laatste poging om verder te doen en als Poëzien stopt, dan denk ik dat ik het ook voor bekeken hou. We hebben ook bedoelingen met de ruimten. Er is daarnet gezegd: Poëzien speelde op zolders, maar was daar dan ook niet echt op gericht. Ik vind, als dat dan toch zo is, dan concipieer je de volledige voorstelling beter naar die zolder toe. We zouden dus op lokatie willen spelen. Waar de architectuur een aanvulling of juist een tegenstelling is tot het stuk dat we gaan brengen. De dialectiek tussen stuk en gebouw lijkt me interessant. Wegens het verkoopcircuit kan dat voorlopig nog niet, maar over twee jaar zou dat toch moeten kunnen. Ikzelf heb dit project vijf jaar gegeven.”
Eddy Vereycken: “Ik was een aanhanger van postmodernisme en arte povera. Joseph Beuys vond ik mooi, blijf ik mooi vinden. Ik merkte alleen dat je soms je doel voorbijschiet als het te complex wordt. Waarom maak je theater, toch niet voor die tien man en een paardenkop?”
Daarom werkte Vereycken nadien aan een nieuw gezelschap: De Suikerij. De naam doet het reeds vermoeden: er is een band met Theater Barrikade in de Gentse Suikerijsteeg. “Een groep van ongeveer twintig mensen, allemaal vrienden die ooit in Macbeth meespeelden. Ik ga een bewerking maken van Mariken van Niemeghen en Dracula samen. Naar Vlaamse toestanden toe, met veel humor en muziek in, voor een groter publiek. Dan kun je nog dezelfde dingen vertellen. Ik was te complex bezig. Ik kan het niet meer, Joyce was de laatste op mijn etappe. Ook lesgeven aan de theaterafdeling van het conservatorium stopte ik. Ik hield er een kater aan over. Al het werk, de inspanningen werden genegeerd. De studenten daarentegen waren zalig, ik werk graag met jonge mensen, dat is de basis van het theater. Ik heb een plan om twee dagen les te geven in de Suikerij, drie jaar aan een stuk. Ik wil een soort lessenpatroon uitdokteren samen met een logopedist en iemand die speltraining geeft. Een soort opleiding naast het konservatorium. Voor volwassenen. Ik wil al die voorbereidingen van lessen voor het conservatorium niet verloren laten gaan.” (Tegen Karel Van Keymeulen in “De Gentenaar” van 19 september 1991)
“Nu ben ik een beetje moe, al moet ik toch wel opletten dat ik dit juist formuleer, van in een schizofrene situatie te verkeren tussen het grote theater en het kleine theater. Niet dat ik mijn kansen binnen het NTG niet heb gekregen, zeker niet, maar je blijft daar toch altijd maar in een grote mastodont meedraaien. De kleinschaligheid van dit theater daarentegen spreekt me aan. De directe communicatie die er is tussen spelers, administratief en technisch personeel. De bedoeling is dat ik vanaf januari ’93 dit beleid overneem.”
Eddy Vereycken: “De reden dat ik het NTG nog altijd niet verlaat, heeft om te beginnen te maken met het artistieke beleid dat Hugo van den Berghe heeft uitgedacht en hij rekent op mij om daar verder in mee te draaien. Ik wacht dus nog een beetje de tijd af om de definitieve stap te nemen. Al wil ik dus wel van die schizofrene situatie af. Zes of zeven jaar NTG lijkt mij voldoende. Het moet nu maar eens veranderen.”
FREDDYTEX
En óf het veranderde! Op 2 april 1994 ging op TV1 de eerste aflevering van “Freddytex”, een komisch bedoeld feuilleton over zo’n “groeiende kmo” in een regie van Pieter Raes. Eigenlijk is het een aanpassing van het Engelse “The Rag Trade”. Eddy Vereycken (Freddy) heeft daarin een naaiatelier, waar buiten de klusjesman (Jos Van Geel) alleen maar meisjes werken. Dit zijn dan Ann Esch, Gerda Marchand, Bieke Brunin, Monique De Beun en Helena Van Loon, onder de leiding van Els Olaerts. Ondanks de rolverdeling werd het vreselijke boereleute, waarvoor Monique me al waarschuwde, die ik een paar keer ben tegengekomen op de trein, nadat ze terugkeerde van de opnames.
Kortom, Vereycken bleef wijselijk bij het NTG en regisseerde er Gotthold Ephraim Lessing “Nathan de Wijze” in een decor en kostuums van Andreas Szalla. De muziek was van Paul de Couter en de vertaling van Frans Redant. De acteurs: Roger Bolders, Herman Coessens, Carla Hoogewijs, Els Magerman, Walter Moeremans, Lieve Moorthamer, Eddy Spruyt, Erik van Herreweghe, Mark Willems. Bij de aanvang van het stuk keert de joodse zakenman Nathan terug naar huis ; tijdens zijn afwezigheid heeft een brand zijn woning verwoest, en zijn aangenomen dochter is als bij wonder aan de vuurdood ontsnapt. We zijn niet in Solingen anno 1993, maar in Jeruzalem anno 1187, ten tijde van de tweede kruistocht, wanneer de voor joden en christenen heilige stad weer in handen is van de moslims, en onder het bestuur staat van de verlichte maar onverbiddelijke sultan Saladin. Elders is de strijd nog aan de gang ; de situatie is explosief. Saladin die voortdurend in geldnood verkeert om oorlog te kunnen voeren, zal de vermogende Nathan het mes op de keel zetten (première op 26 maart 1994, zelf heb ik het niet gezien). Nadien vertolkte hij in januari 1996 de hoofdrol in “Het wijde land” van Arthur Schnitzler, het regiedebuut van voormalig Blauwe Maandag-acteur Guy Van Sande. De rol van zijn vrouw werd gespeeld door Carly Wijs.
Toen Jean-Pierre De Decker als nieuwe directeur werd aangeduid, kondigde hij aan dat negen van de elf acteurs werden ontslagen. Die negen waren: Herman Coessens, Lieve Moorthamer, Jef Demedts, Roger Bolders, Chris Boni, Blanka Heirman, Els Magerman, Walter Moeremans en Nolle Versyp. Het kwam erop neer dat enkel Magda Cnudde en Eddy Vereycken mochten blijven.
Deze laatste niet voor lang echter want op 2 september 1998 mocht ik van Jean-Pierre De Decker een fax ontvangen dat “Eddy Vereycken van zijn opdrachten voor het lopende seizoen wordt ontheven”. Wat er aan de hand was, zal pas later duidelijk worden. In De Morgen van 12/9/98 hangt Vereycken zelf tegen Steven Heene een verhaal op over “stalking”. In een Antwerpse bar waar ze aan “paaldansen” doen had hij een zwarte “danseres” leren kennen. Op de kortste keren trok ze met heel haar familie bij hem binnen en raakte hij haar niet meer kwijt. En dat had natuurlijk gevolgen voor zijn werk. Met name regisseur Guy Van Sande (“Het bal”) kon daar geen genoegen mee nemen. Maar dan trok Vereycken zelf de problematiek “open” en verklaarde hij dat het tevens een wraak is omwille van kritiek die hij op Van Sande had uitgebracht, wat diens functie binnen het Gentse conservatorium aangaat. En natuurlijk komt uiteindelijk ook “hét” ter sprake: “Je moet ook weten dat ik heb meegedongen naar de baan van artistiek directeur. Ik behoorde tot de laatsten uit een groep van veertig. Uiteindelijk ging het nog tussen Jean-Pierre De Decker en mijzelf. Men vroeg me of ik de oudere acteurs aan de deur zou zetten, maar dat zag ik niet zitten. Mijn vader heeft erg geleden onder dat soort toestanden en ik zou dat nooit doen. De Decker zei dat hij dat wél zou doen en kreeg de baan. Nu besef ik meer dan ooit dat hij dat kan: zonder scrupules iemand op straat zetten.”
Hoe dan ook, Eddy Vereycken geraakte door dit alles een tijdje aan lager wal maar werd door de VRT weer opgevist als politie-inspecteur in “Thuis”. Op die manier kon hij weer wat orde krijgen in zijn leven en hij schreef o.m. een boek over die stalking-affaire.

Referentie
Ronny De Schepper (met dank aan Karel Van Keymeulen), “Een beetje over de schreef gaan net zoals David Lynch”, De Rode Vaan nr.18 van 3 mei 1991

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

w

Verbinden met %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.