Op 9 september 1777 schrijft de 21-jarige Mozart zonder aanwijsbare reden een “Sancta Maria” (KV.273). Nu moest hij in opdracht van zijn werkgever aartsbisschop Colloredo wel veel religieuze muziek schrijven, maar dit was duidelijk een zeldzame religieuze opwelling van hemzelf.

Korte tijd daarna vertrekt hij merkwaardig genoeg met zijn moeder op reis. Zijn zus en zijn vader blijven voor één keer eens achter.
Op 13 februari 1778 speelt Mozart in Mannheim (op weg naar Parijs) zijn ouverture tot “Il re pastore” ten huize van de componist Christian Cannabich, van wie ook een symfonie werd uitgevoerd. Daarnaast zong Aloysia Weber, zijn latere schoonzus, maar op dat moment zijn grote, maar onbeantwoorde liefde, twee aria’s uit “Lucio Silla”. Bovendien werd zijn hoboconcerto KV.314 uitgevoerd, evenals twee klavierconcerti. KV.175 speelde hij zelf, terwijl KV.238 door Rosa, de dochter van Cannabich, werd gespeeld. Naar aanleiding hiervan schrijft Mozart vanuit Mannheim met afgunst over het plaatselijke orkest in vergelijking met de klungelaars uit Salzburg, waarmee hij het moet stellen. Hij is vooral onder de indruk van de klarinetspelers. De “eigenaar” van het orkest, keurvorst Carl Theodor bestelt bij Mozart een opera voor carnaval 1781. Dat zal “Idomeneo” worden.
Op 27 februari brengt hij een bezoek aan de beroemde tenor Raaf, die hij een concertaria aanbiedt (men kan slechts gissen welke) met het verzoek die naar believen te wijzigen. Uiteindelijk neemt de “eccellentissimo cantore” (aldus Metastasio) genoegen met een ingekorte versie.
Wanneer hij op 23 maart in Parijs arriveert, neemt hij contact op met de zwarte violist en componist Joseph Boulogne, chevalier de Saint-Georges (1745-1799), die op dat moment de leiding van het Concert des Amateurs heeft. Deze Saint-Georges is overigens de uitvinder van de “sinfonia concertante” en dat Mozart op dat vlak bij hem in de leer is gegaan, is duidelijk te horen in een passage uit de sinfonia concertante kv.364, die precies dezelfde is als die uit een werk van Saint-Georges, maar dan een halve toon lager. Ondanks zijn huidskleur (en alle maatschappelijke discriminatie die ermee gepaard gaat: zo kon hij niet huwen – al was hij “met zoën latte joengne” wel de minnaar van zowat alle adellijke dames uit Parijs – en de Parijse opera mocht hij ook niet leiden, ook al vond men geen waardige vervanger) had Saint-Georges blijkbaar toch een hoog aanzien, want Mozart zelf moet zich uiteindelijk tevreden stellen met het kwalitatief mindere maar kwantitatief erg grote (57 man, waaronder twee klarinetspelers: Mozart gebruikt ze op die manier voor het eerst, zij het voorzichtig, wellicht omdat hij de spelers niet erg vertrouwt) Concert Spirituel van Joseph Le Gros, die in maart ’77 de overleden Leduc is opgevolgd, nadat Gaviniès en Gossec hadden bedankt.
Toch is het Lahoussaye, die Mozarts 31ste symfonie, de “Parijse” (KV.300a of 297), waarvan hij op 12 juni een eerste versie heeft voltooid, zal uitvoeren. Op de repetitie was het orkest zo slecht dat Mozart dreigde diens viool uit zijn handen te grissen als het tijdens het concert ook zo slecht zou zijn, maar het was een succes. Typisch is dat het publiek in applaus uitbarst na een mooie passage. Omdat Mozart dit voorzien had, herneemt hij dezelfde passage nogmaals. En, omdat men graag die “stomme critici” op de korrel neemt, die bij een creatie nooit horen dat het om een meesterwerk gaat, willen we hier wel opmerken dat er één criticus aanwezig was, die blijkbaar Mozart nog kende als kindsterretje en hij schreef dat hij was uitgegroeid tot één der vakkundigste componisten. Le Gros daarentegen had enige reserves over het andante. Alhoewel Mozart het totaal niet eens is met hem, schrijft hij voor een tweede uitvoering op 15 augustus toch een nieuw andante. Aangezien het korter moest zijn, wordt het in sommige uitgaven “andantino” genoemd.
Velen speuren onaflatend naar een “tweede Parijse symfonie”, waarover Mozart het op een bepaald moment heeft, maar wellicht was dat één van zijn vroegere symfonieën die hij traditiegetrouw als “nieuw” probeerde te verlappen.
Wolfgangs moeder stierf in Parijs op 3 juli. Als hij daar dan ook een klaviersonate, KV.310, schrijft, hij deze een tragische stemming niet alleen omwille van haar dood, maar ook wegens zijn uitzichtloze situatie.
Als hij half januari opnieuw in Salzburg arriveert, heeft zijn vader ervoor gezorgd dat hij aan de slag kan als hoforganist van graaf Hieronymus Colloredo.
Daarna schreef Mozart zijn 17de klavierconcert. In de cadenza verwerkte Van Immerseel in Gent een paar maten van deze Marseillaise, wat een aantal aandachtige toehoorders deed glimlachen en wat de grappenmaker die Mozart toch wel was, wellicht geapprecieerd zou hebben (wie in het allegro van het 25ste klavierconcerto de latere Marseillaise meent te herkennen, heeft geen ongelijk, ook al zitten we dus nog een paar jaar vóór de Franse Revolutie!). Die cadenza’s vormen natuurlijk een probleem op zich. Iemand die graag improviseert, zoals Jos Van Immerseel, beseft ook wel dat wanneer men een opname “voor de eeuwigheid” wenst vast te leggen, dat er dan bepaalde criteria dienen te worden gehanteerd. Zo zal Van Immerseel altijd de cadenza’s van Mozart zelf nemen, voor zover hij die (b.v. voor een minder begaafde pianist) heeft uitgeschreven. Anders maakt hij gewoon een drietal opnamen en wordt de beste eruit gekozen. Iemand als Murray Perahia zal zich echter nog meer aan historische bronnen houden. Als er geen partituur van Mozart voorhanden is, dan gebruikt hij b.v. de cadenza die Hummel schreef voor het 22ste concerto of die van Beethoven voor het 20ste. Ook cadenza’s door beroemde pianisten als Serkin of Artur Balzam worden door Perahia overgenomen. Wat overblijft (en dat schijnt toch nog heel wat te zijn) dat doet hij dan toch uiteindelijk zelf. (Maar hij noemt dat dan “componeren” i.p.v. “improviseren”.)
Ook voor de cadenza’s van Mozart zelf moet men echter op zijn hoede zijn. Uit de briefwisseling met zijn zusje Nannerl over het 16de concerto blijkt b.v. dat hij blijkbaar slechts een “geraamte” noteerde en dat er van de pianist werd verwacht er nog een schepje bovenop te doen (Nannerl had zich namelijk erover beklaagd dat de cadenza uit het andante een beetje schraal was; het is natuurlijk godgeklaagd dat Nannerl, die in aanleg bijna even briljant was als Mozart, haar talenten als componiste omwille van de maatschappelijke druk nooit heeft kunnen uitproberen).
Op 26 april 1779 voltooit Mozart in Salzburg zijn 32ste symfonie (KV.318). Het is zijn eerste symfonie na zijn mislukte reis naar Parijs. Aangezien het werk veel weg heeft van een ouverture van de Parijse opéra comique zoals van Grétry, heeft men een tijdlang gedacht dat dit de ouverture tot “Thamos” of “Zaide” moet geweest zijn, maar dat is niet zo (ze is in G, terwijl althans voor “Zaide” D logischer zou zijn geweest). Het is wél waar dat het voor het theatergezelschap van Johann Heinrich Böhm was bedoeld, die ook “Thamos” en een Duitse versie van “La finta giardiniera” hebben opgevoerd. Deze groep verbleef op dat moment weliswaar in Augsburg, maar het was Mozarts nichtje Maria Anna Thekla (“Bäsle”) die voor de correspondentie instond. Samen met twee aria’s leende hij deze symfonie dus uit voor de opera buffa van Bianchi “La Villanella rapita”. Trompetten en pauken werden pas toegevoegd voor een latere opvoering in 1785.
“Zaide” had Mozart samen met trompettist Johann Andreas Schachtner geschreven, naar “Der Serail” van Joseph von Friebert. Het Singspiel blijft onafgewerkt omdat door het overlijden van keizerin Maria Theresia de kans op opvoering in Wenen zo goed als nihil is. Hij zet zich dan maar aan het schrijven van “Idomeneo” voor München, maar “Zaide” is toch een duidelijke voorstudie van “Die Entführung aus dem Serail”: het eindigt ook reeds met een uitspraak van de sultan die zegt dat “ook Azië edele geesten kan voortbrengen.” Alhoewel, “eindigt”? Het oorspronkelijke scenario voorzag nog een coup de théâtre, waarin zou blijken dat het verliefde slavenpaar Zaide en Gomatz uiteindelijk de kinderen van Allazim waren, de bewaker die hen helpt te ontsnappen!
Pas op 27 januari 1866 werd “Zaide” voor het eerst opgevoerd in een productie van de uitgever André, die de manuscripten van Constanze had “gekregen”. Hij zorgde ook voor een titel (Mozart had er geen), een ouverture en een finale van zijn eigen hand.
Op 9 juli 1779 voltooit Mozart zijn 33ste symfonie (KV.319). Oorspronkelijk bestaat het werk slechts uit drie delen, het menuet werd pas in 1782 toegevoegd, ter gelegenheid van een concert dat hij in Wenen gaf (vandaar dat het dicht tegen een Ländler aanleunt). In 1784 werd ze voor het eerst gepubliceerd, maar toch bood Mozart ze twee jaar later samen met nog elf andere composities “exclusief” aan aan de prins van Fürstenberg. Deze had het bedrog wel door, maar betaalde Mozart toch het overeengekomen bedrag, want “noblesse oblige”.
Nog uit 1779, 3 augustus om precies te zijn, dateert de zogenaamde “Posthoornserenade” (KV.320), waaruit alweer een symfonie in D afkomstig is. Mozart zelf noemde het “Final-Musiken” en dat duidt erop dat het bedoeld was voor afstuderende studenten die een hulde brachten aan aartsbisschop Colloredo.
In 1780 schrijft hij op 29 augustus zijn 34ste symfonie (KV.338), de laatste die hij in Salzburg schrijft, zij het dat hij de symfonie KV.385 (Haffner) wel nog voor Salzburg zal schrijven. Oorspronkelijk had deze symfonie een menuet, maar Mozart scheurde het uit het manuscript, alleen de eerste twaalf maten blijven over, omdat die op de keerzijde stonden van de eerste beweging. Einstein was van oordeel dat het menuet KV.409 dan voor deze symfonie was bedoeld, maar Hogwood zegt dat dit niet kan omdat dit menuet veel te lang is en bovendien een andere bezetting vereist. Nu ja, ook genieën zijn maar mensen.
Op zijn naamdag verrassen een aantal straatmuzikanten Mozart door onder zijn raam een serenade te spelen. Mozart reageert met hen een door hem geschreven serenade voor een sextet van houtblazers (KV.375) ten geschenke te geven.
Op 5 november 1780 vertrekt hij naar München om de productie van “Idomeneo” te leiden. In 1712 werd in Parijs reeds “Idomenée” gecreëerd van André Campra op een libretto van Antoine Danchet, dat vooral in die zin met de latere versie van Mozart verschilt dat het hier slecht afloopt. Het verhaal gaat immers terug op de Trojaanse oorlog, waarbij Idomeneo, de koning van Kreta, op zijn terugkeer in een storm belandt en aan Poseidon belooft de eerste mens die hij zal tegenkomen te offeren als hij de storm zou willen bedaren. Dat blijkt dan zijn zoon Idamante te zijn. Het is duidelijk dat we hier met hetzelfde thema hebben te maken als bij Ifigenia en ook bij het bijbelse Jefta.
Om het allemaal nog wat dramatischer te maken is Idamante op dat moment verliefd op de krijgsgevangen genomen Trojaanse prinses Ilia, terwijl een andere Trojaanse krijgsgevangene Elettra juist op hém verliefd is. Idomeneo tracht aan zijn lot te ontkomen door Idamante met Elettra weg te sturen over zee, maar opnieuw steekt een storm op, waaruit een zeemonster te voorschijn komt. Idamante verslaat het monster maar kan toch niet uitvaren. Als het volk en de priesters de belofte van Idomeneo vernemen, eisen ze dat hij woord houdt, maar Ilia stelt dan voor dat zij in de plaats van Idamante zal sterven. Daarop wordt Idomeneo, die in de versie van Campra eveneens naar de gunsten van Ilia dingt, door de godin Nemesis met waanzin geslagen zodat hij Idamante doodt met een offerbijl. Hierop pleegt Ilia zelfmoord bij Campra, maar niet zo bij Mozart dus, die Neptunus/Poseidon (als voorafspiegeling van de sultan uit “Die Entführung aus dem Serail”) zo ontroerd laat zijn, dat hij niet alleen de twee jongelingen in leven laat, maar ook nog Idomeneo verplicht af te treden zodat Idamante koning kan worden. Met Ilia als koningin uiteraard.
De opera van Mozart is gebaseerd op een libretto van abt Giambattista Varesco en toont vooral in het slotkoor de invloed van Gluck en vooral diens librettist Ranieri da Calzabigi, die wel eens de anti-Metastasio wordt genoemd en zich meer op Franse invloeden beriep. Bij zijn beide bezoeken aan Parijs had Mozart immers de Franse barokopera bestudeerd, “niet voor de melodieën,” zoals hij zelf schrijft naar zijn leerling Joseph Frank, “maar voor de dramatische effecten”. Deze afwijking van de “opera seria” uit zich ook in de karaktertekening van Idomeneo: die is veel menselijker. Het is een vader die vecht voor het lot van zijn zoon i.p.v. zich “heroïsch” naar de wil der goden te schikken. Invloed van Giuseppe Sarti (die zich verzette tegen de “nummer-opera’s”) vinden we ook in het feit dat Mozart in het recitatief van Idomeneo tekstuele én muzikale echo’s laat weerklinken van de aria van Ilia (“Se il padre perdei”).
De première had uiteindelijk plaats op 29 januari 1781 met de castraat Vincenzo del Prato in de rol van Idamante. Daarna lopen de meningen uiteen. Volgens sommigen liep er met carnaval reeds een Duitse versie van Andrea Schachtner te Wenen, volgens anderen zou het nog tot de herfst duren vooraleer Johann von Alxinger met een Duitse tekst én een gewijzigde partituur op de proppen kwam. Het zal uiteindelijk de versie van Treitshke uit 1805 zijn die de opera in het Duits een populair succes zal laten worden. Wat niet belet dat er nog alternatieve versies zullen ontstaan, met name van W.von Zuccalmaglio uit 1838, E.Lewicki uit 1904 en natuurlijk van Richard Strauss uit 1931.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s