Op 6 september 2007 is Luciano Pavarotti (foto Kremlin.ru via Wikipedia) in zijn geboorteplaats Modena overleden aan kanker. Hij was 71 (°12 oktober 1935). Ikzelf heb Pavarotti slechts één maal ontmoet, dat was in september 1990 op de persconferentie t.g.v. zijn optreden in het Antwerpse Sportpaleis. De twee (totaal uitverkochte) concerten vonden plaats in het kader van het Festival van Vlaanderen.

Luciano PavarottiDoor die twee concerten werden de inkomsten van het Festival zowaar verdubbeld. Toch ontkende Jan Briers jr. dat het hem om “fund raising” te doen was, men vond het eerder een uitdaging om Pavarotti “voor het eerst” (voor de aanhalingstekens: zie hieronder) naar hier te halen.
De concerten op zich heb ik niet bijgewoond, maar in het Brusselse Brouwershuis gaf Pavarotti vooraf een fel geanimeerde persconferentie en daar was ik wél bij. De plaats was gekozen in functie van de sponsor: Maes Pils. En zo zat Pavarotti Jean-Marie Pfaff te spelen voor een internationale schaar van journalisten (er was er zelfs één die vroeg of hij “Europe” boven “America” verkoos en door haar vreselijk accent bestond er geen twijfel vanwaar zij dan wel afkomstig was).
Maar er waren natuurlijk ook autochtonen. Fanatici zelfs. “Wat is het eerste wat je te binnen schiet als je aan België denkt?” wou een confrater weten. “A great football team,” zei Pavarotti spontaan en zijn sponsor glunderde (toen kón dat blijkbaar nog). Na iets meer aandringen wees hij ook op de massale aanwezigheid van zijn landgenoten in de mijnen.
“Kent u Jacques Brel?” wou de aanhouder weten. Nadat de naam hem was uitgespeld, bleek Pavarotti inderdààd Brel te kennen, maar “ik treed misschien wel op in Sportpaleizen en dergelijke, maar ik ben geen popzanger, hé!” Geen versie van “Ne me quitte pas” dus. Pech? Ik weet het nog zo niet, als je op de cd “Pavarotti in Belgium” hoort wat hij van “Volare” bakt…
Het grappigste incident was ongetwijfeld dat, toen Pavarotti stelde dat het de eerste keer was dat hij België aandeed, hij prompt werd terechtgewezen door Erna Mettepenninghen van “De Standaard” die hem attendeerde op een optreden in de Antwerpse opera in 1964 (dat was zowat drie jaar na zijn debuut).
Nochtans had onze confrater de meester pas enkele dagen tevoren opgezocht in zijn zomerhuis in Pesaro. Waarom had ze het dààr niet reeds gezegd? Om alsnog de show te stelen? Nu, daar was ze hoe dan ook in geslaagd. Pavarotti was zelfs zo uit zijn lood geslagen dat hij een anekdote begon te vertellen, die hij halfweg moest afbreken, waarschijnlijk omdat hij zich dan pas realiseerde op welk glad terrein hij zich begaf.
Het was namelijk in december 1964 dat een kant-en-klare productie van Visconti naar Antwerpen werd gebracht via de trein. “We sliepen niet eens in een echte slaapwagen, maar gewoon in couchettes,” aldus de maestro, die op zijn elan doorging dat hij die “couchette” moest delen met de prima donna uit de productie, een zekere Fabri. “Niet alleen een goede zangeres, maar ook euh… een mooie vrouw,” stotterde de meester. “En toen we gingen slapen…” ging hij veelbetekenend verder, maar de rest van het verhaal moesten we op zijn hoogaangelopen gezicht aflezen.
In datzelfde jaar was er wel sprake van dat hij in een echte Vlaamse productie zou optreden, namelijk in “Tosca”. Drie weken vooraleer de repetities zouden beginnen, ontmoette hij echter Giuseppe Di Stefano, zijn grote idool, en die raadde hem dat af. Uiteindelijk heeft Pavarotti pas in 1978 de rol van Cavaradossi vertolkt.
Is het dankzij mensen als Pavarotti, Domingo en Carreras dat opera nu zo populair is, wou iemand weten. Nederig sprak de meester dat het andersom was: de televisie maakte de sterren, het is dus dankzij de televisie dat opera populair is. Hij gaf echter wel toe dat hij één van de baanbrekers is geweest. Na zijn Amerikaans debuut precies een maand nà Placido Domingo in 1968 in de Metropolitan Opera van New York zorgde hij daar immers voor een primeur door een live-concert voor televisie te verzorgen. Dat was één van de voorlopers van die megaconcerten zoals het genoemde drietal ter gelegenheid van de Mondiale heeft gegeven. Uiteraard was Pavarotti daarover heel tevreden (aangezien Domingo weer de minzaamheid zelve was en Carreras slechts moeizaam herstelde van de ziekte die hem bijna in het graf had geholpen, kon ‘Lupa’ de show stelen, je zou dus voor minder tevreden zijn).
Over “fighting spirit” gesproken: oorspronkelijk moest Pavarotti van zijn vader leraar… lichamelijke opvoeding worden! Het is pas in 1948 dat Pavarotti (die door zijn grootvader wel met opera was grootgebracht) besloot om toch een gooi te doen naar de populariteit van een Caruso e.a. Over deze “Caruso” bracht hij een song uit, die zowat het midden hield tussen pop en klassiek. Allicht was dat de aanleiding voor de Italiaanse r&b-zanger Zucchero Fornaciari om hem te vragen om samen zijn “Miserere” op te nemen, eind ’92. Tenslotte is deze song erg “Pucciniaans”, wat Zucchero (een fan van Puccini) ook grif toegeeft.
Toch kondigde 1993 zich niet briljant aan voor Pavarotti. Toen hij aan het slot van de tweede acte van Verdi’s “Don Carlo” in de Scala van Milaan begin december 1992 een beetje aarzelde bij een hoge noot, werd er ongenadig gejoeld. En dat terwijl zijn concurrent Placido Domingo triomfen vierde als Siegmund in “Die Walküre” in de Weense Staatsoper. Pavarotti kon zich wellicht troosten met de gedachte dat ook dirigent Riccardo Muti (die net als hijzelf met Gerard “ik hoor nog liever Tina Turner” Mortier overhoop lag), regisseur Franco Zeffirelli en zijn tegenspeelster, de sopraan Daniela Dessi werden uitgejouwd. Alleen Samuel Ramey kon als Filips II op onverdeelde sympathie rekenen.
En toen Pavarotti op het einde van 1995 opnieuw tweemaal optrad in het Antwerpse Sportpaleis werd hij zowaar bij zijn schabbernak gepakt voor één miljoen achterstallige belastingen (18% van zijn verdiensten van de vorige keer). De uitdrukking is kleurrijker dan de werkelijkheid, want Pavarotti verwees naar zijn Amerikaanse manager en klaar was Kees. Althans voor hem, want of de Belgische staat aan haar geld kwam, dat is niet geweten.
Anderzijds had Het Laatste Nieuws (Annick De Wit om precies te zijn, dus gelukkig niet Stéphane Godfroid en nog veel minder ikzelf) ervoor gezorgd dat Pavarotti in de coulissen Helmut Lotti “mocht” ontmoeten, die hem op dat moment overtrof in platenverkoop met “Lotti goes classic”. Volgens HLN vond Pavarotti Lotti het bewijs dat “géén stemscholing leidt tot de beste resultaten” en hij zou hem uitgenodigd hebben om samen met hem en popzangers zoals Bono van U2 een duet te komen zingen in zijn woonplaats Modena.
Om terug te gaan naar hoger genoemde persconferentie, daarop verklaarde Luciano Pavarotti ook dat hij graag eens met Maria Callas op de scène had gestaan. Er waren op een bepaald moment onderhandelingen bezig om samen “Cavalleria Rusticana” van Pietro Mascagni te doen, maar haar dood (op 16 september 1977) maakte een voortijdig einde aan deze plannen.
In het boek van Arianna Stassinopoulos is er wel degelijk sprake van een mogelijke samenwerking tussen deze twee groten (enkel voor een plaatopname), maar dan wel voor “La Traviata” en niet de “Cavalleria”. Dat was in het najaar van 1968.
“I would have liked to do everything with her,” zuchtte Pavarotti, wellicht niet helemaal begrijpend welke straffe stoten hij nu weer uit zijn botten sloeg. Overigens is het nog zeer de vraag of Callas wel met Pavarotti’s corpulente lichaam zou ingenomen zijn, is zij niet de grondlegger van de nieuwe geloofwaardigheid van de opera?
Vormen de supergages van die sterren geen hypotheek voor het genre? Andere interessante vraag. Welnee, zei Pavarotti, er zijn immers veel te veel operahuizen. In Italië is er één om de twintig kilometer, er kunnen er dus gerust een paar verdwijnen, te meer daar de kleinere gezelschappen het toch vertikken om de jongeren een kans te geven, ze willen allemaal een vedette hebben. “Maar ja, dat is de schuld van de sponsors natuurlijk!” Gekuch aan zijn linkerzijde. Herstelling dus: “Nu ja, als de staat geen geld meer heeft, dan zijn het wel de sponsors die over de brug moeten komen.”
Op mijn vraag of hij een paar namen wou geven van jongeren die voor de aflossing van de wacht konden instaan, mompelde hij in zijn haast onverstaanbaar Italiaans Engels een paar namen, waarvan enkel die van de Hongaar Dénes Gulyàs tot ons doordrong. Misschien omdat we die naam reeds waren tegengekomen op de affiche van de Vlaamse opera. De anderen waren wellicht leerlingen van hem of winnaars van het Pavarotti-concours dat jaarlijks in Philadelphia wordt gehouden.
Hij had overigens geen lage dunk van het jonge talent. Ze zijn nu veel rijper dan in zijn tijd, beweerde hij, maar anderzijds wordt het hen zo gemakkelijk gemaakt (hoezo? daarnet zei hij dat ze geen kans kregen?) dat ze misschien de “fighting spirit” missen die mensen als hem of Domingo eigen is.
Tijdens de opening van de Olympische Spelen van Turijn in 2006 was Pavarotti al erg ziek (hij zat in een rolstoel) en daarom is het niet echt verwonderlijk dat dirigent Leone Magiera na zijn dood bekend maakte dat de “Nessun dorma” die Pavarotti daar ten beste gaf en klonk zoals in zijn beste dagen inderdààd ook “in zijn beste dagen” was opgenomen! Pavarotti zong met andere woorden playback. En dàt is dan wel belangrijk: dat dit fenomeen nu ook in de klassieke muziek zijn intrede heeft gedaan, hoe begrijpelijk de omstandigheden ook mochten zijn. Gaan we na “incidenten” in de popmuziek rond de vermeende live-prestaties van Madonna of Grace Jones dergelijke discussies nu ook in de concertzaal krijgen?

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s