Twintig jaar geleden werd Frank Shipway de nieuwe dirigent van het BRTN-Filharmonisch Orkest.

Op 4 december 1996 maakte intendant Frank Deleu bekend wie Alexander Rahbari, die met slaande deuren ontslag had genomen op 1 maart, zou opvolgen. Het was de Engelsman Frank Shipway, die vooral werd gekozen omdat hij op dat moment chefdirigent was van een ander omroeporkest, namelijk dat van de RAI. Het was echter de vraag hoe lang het BRTN-Filharmonisch Orkest nog een omroeporkest zou zijn. Slechts na het maxidecreet zou men daarover meer zekerheid hebben en op die manier kon Shipway slechts een overgangsfiguur zijn voor drie, maximum vier jaar.
Anderzijds is Shipway vertrouwd met de Belgische muzieksituatie, aangezien hij reeds herhaaldelijk gastdirigent is geweest bij het Filharmonisch Orkest van Vlaanderen, het Nationaal Orkest van België en L’Orchestre Philharmonique de Liège, zelfs één keer met het BRTN-orkest (Mendelssohns “Paulus” in mei ’96). Of, zoals producer Jan De Wilde het samenvatte: “Als we spreken over Rudolf Werthen, dan weet hij wie dat is…”
Shipway kwam in dienst vanaf 1 september 1997, maar werd daarvóór reeds aan het publiek voorgesteld, namelijk op 8 februari in de Gentse Bijlokehal, ter gelegenheid van een concert met het BRTN-orkest.
Shipway is gedebuteerd als opera-dirigent en is een bewonderaar van von Karajan die een tijdje als zijn beschermheer is opgetreden. Zijn “specialiteit” is dan ook Mahler en Richard Strauss… Dat konden we dan meteen ook merken bij dat “maiden concert” op 8/2/1997. Daar stal Tsjaikovski weliswaar de show, maar de laatromantische bombast was toch hetzelfde. Ik vond het een smakeloos gebrek aan subtiliteit, maar een staande ovatie oordeelde daar blijkbaar anders over. Voor de pogingen tot subtiliteit bij de onvoltooide van Schubert kon ik nog enig begrip opbrengen, al had Shipway zichzelf toch een grote dienst bewezen door gewoonweg de helft van zijn orkest in de coulissen te laten. Het meest positief was nog de prelude van Gilson, met een mooie hobosolo van Joost Gils, die overigens ook in de twee andere werken (net als zijn collega Eddy Van Oosthuyse) mooi werk afleverde. Het orkest stond overigens “Duits” opgesteld, dat wil zeggen de tweede violen naast de eerste en de altviolen vóór de celli. Muzikaal gezien heb ik nog steeds geen voorkeur voor een bepaalde opstelling.
Een dik half jaar later zat het er echter al bovenarms op bij het orkest, omdat Shipway als een tiran tekeer ging. “Ik kan geen vrienden hebben in het orkest,” zei hij in de BRTN-documentaire en ook nog “je moet het orkest altijd als een tegenstander zien” of iets in die zin. Dat hij in diezelfde documentaire ook terugkeek op een ellendige jeugd, waarin zijn vader hem op dezelfde manier afsnauwde, telkens hij iets verkeerds deed op de piano, kan natuurlijk geen verontschuldiging zijn. Het duurde dan ook niet lang voordat de musici spontaan in staking gingen. Ook hieruit blijkt dus dat hij een onvoorwaardelijke aanhanger van “dictators” à la Herbert Von Karajan is, zoals ook blijkt uit het interviewtje dat Kristin Van den Buys met hem had bij het begin van het academiejaar 1998-99, waarin hij debuteerde als lesgever in het Brusselse Conservatorium. Hij gaf toen ook een tip wat het “geheim” van de zogenaamde hypnotiserende kracht van Von Karajan betreft: “Ik ben zelf lange tijd in de leer geweest bij een Duitse mimespeler om me meer bewust te zijn van mijn uitdrukkingen en gebaren.”

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s