De spraakmakende wielrenner en eeuwige womanizer Roger De Vlaeminck neemt vandaag tram zeven. Roger kennende, moet dat hard aankomen.

Reeds bij zijn deelname aan het televisieprogramma “Eeuwige Roem”, nu toch al enkele jaren terug, noteerde ik ter gelegenheid van zijn opgave: “Net zoals vorig jaar Freddy De Kerpel, kon ook dit jaar de gedoodverfde winnaar van “Eeuwige roem”, het spelprogramma met gewezen sporthelden op één, het niet waarmaken. Roger De Vlaeminck gooide zelf de handdoek in de ring met als reden dat een blessure het hem onmogelijk maakte om zijn kansen naar behoren te verdedigen. Persoonlijk hecht ik meer geloof aan de analyse van de professor topsport die in het panel van begeleiders zit. Naar zijn opvatting heeft Roger De Vlaeminck altijd ontkend dat de leeftijd hem stilaan aan het inhalen was en nu werd hij in deze competitie met z’n neus op de feiten gedrukt. Volgens die man (en ik treed hem daarin bij, in tegenstelling tot de anekdote als zou Roger ooit door Robert Van De Walle in de hoek van de kamer zijn gesmeten) zou zo’n “onnozel” spelletje dus wel eens een kritieke rol kunnen spelen in het leven van De Vlaeminck. De Zimbabwanen bijvoorbeeld kunnen maar best blij zijn dat dit andere programma afgelopen is, want ik vrees dat Roger voortaan niet meer de energie zal kunnen opbrengen om zich met zo’n stelletje flierefluiters bezig te houden. (Dat zij “blij” mogen zijn, is natuurlijk een manier van spreken want de werkelijkheid in Zimbabwe is zo mogelijk nog slechter dan toen het programma begon, het zal voor degenen die teruggekeerd zijn dus allesbehalve een lachertje zijn. Zij die hier bleven – meestal om amoureuze redenen – dat is een ander verhaal natuurlijk. Wat jammer dat we daarover af en toe niet méér vernemen.)
MONSIEUR PARIS-ROUBAIX
Roger is natuurlijk op de eerste plaats “Monsieur Paris-Roubaix” (vier overwinningen), maar hij won ook drie keer Milaan-San Remo en twee keer de Ronde Van Lombardije. Hij werd ook twee keer kampioen van België, eenmaal bij het begin van zijn carrière (1969) en eenmaal op het einde (1981). Toen reed hij bij DAF, waar niemand minder dan Willy Voet verzorger was! Deze vertelt hierover in Humo van 2/1/2007: “Laatst was ik uitgenodigd in Eindhoven, waar de Daf-ploeg van 25 jaar geleden nog eens bijeenkwam. Ze hadden misschien gedacht dat ik niet zou komen, maar ik ben toch gegaan. De deur zwaait open, ik kom binnen – en het feestgedruis valt stil. José De Cauwer (de toenmalige sportdirecteur, RDS) heeft toen het ijs gebroken: ‘Verdomme Willy, goed dat je gekomen bent.’ Met José heb ik altijd goed kunnen opschieten. Roger De Vlaeminck haalde me ook aan. ‘Ik ben content dat je niet over mij gesproken hebt in je boek,’ zei hij. Ik heb geantwoord dat ik op hem niks aan te merken had (lacht).”
Roger De Vlaeminck zelf is minder te spreken over José De Cauwer als sportdirecteur. Als hij b.v. in “Sportmagazi­ne” een voorbeeld geeft van hoe onbelangrijk een sportbestuur­der wel is, dan zegt hij: “Zelfs José De Cauwer heeft de Ronde van Frankrijk gewonnen, hé”
De reactie van José: “Ken je De Vlaeminck? Er is geen groter kind dat er op de wereld rondloopt. Ten tweede, hij is zelf als ploegleider aan de kant gezet. Kritiek van zo iemand leg ik dus naast me neer.” (*)
REBEL
Het was in het gezegende jaar 1968 dat Roger De Vlaeminck voor het eerst op het internationale wielerforum verschijnt (amateurwereldkampioen veldrijden; winnaar met de punten van de Ronde van de Toekomst). Dat is dus welhaast symbolisch voor iemand die tegelijk als “rebel” en als “speelvogel” te boek staat. Was één van de grote slogans van de beweging van ’68 immers niet: “L’imagination au pouvoir” (de verbeelding aan de macht)?
1968 is ook het jaar dat de strijd voor de troonsopvolging van Rik Van Looy definitief gewonnen lijkt door de jonge Eddy Merckx. Meer zelfs, ondanks zijn jeugdige leeftijd (23) heeft Merckx naast een wereldtitel en tal van klassiekers ook reeds een Ronde van Italië op z’n naam geschreven en met lede ogen moeten de Van Looy-supporters dan ook aanzien dat deze tot de frankofonie bekeerde Vlaamse Brusselaar wellicht de eerste naoorlogse Belgische renner zal worden om zijn naam in te vullen op het palmares van de Ronde van Frankrijk en op die manier de “Keizer” te overtreffen. Zeker na het falen van de “brave” Herman Van Springel kijkt gans Van Looy-minnend Vlaanderen dan ook hoopvol uit naar de jonge rekel uit Eeklo (°1947), die later o.m. aan het Franse wielertijdschrift “Miroir du Cyclisme” eens zou verklaren: “Braaf? Bij ons in Eeklo maakt men honden die te braaf zijn af.”
Zestien jaar later zit Roger De Vlaeminck vóór mij in het restaurant van het Gentse Sportpaleis, terwijl op de baan de liefhebbers de Toekomstzesdaagse betwisten. De afspraak is dat we het interview beëindigen vóór ze de finale ingaan, want de liefhebbers wil Roger nog wel zien rijden. Voor de beroepsrenners heeft hij minder belangstelling. Het typeert nog steeds het vechterstemperament van De Vlaeminck, al zal de speelse kant van zijn karakter ook nu weer de bovenhand halen, want een pannekoek en een lieftallige dienster doen het gesprek uiteindelijk tóch uitlopen.
Na een tweetal keren op z’n beslissing om te stoppen met wielrennen te zijn teruggekomen, lijkt het deze maal wel definitief. Roger heeft nu een job gevonden als public relations bij de wielerploeg Verandalux-Dries en die lijkt hem wel te liggen. Toch is het uiterlijk nog niet te merken dat hij er de riem zou hebben afgelegd. Hij staat nog steeds scherp. (Dat is ook nu, op 65-jarige leeftijd, nog altijd het geval!)
VOETBAL & TAARTJES
Mijn eerste vraag was natuurlijk of Roger er zich van bewust was dat hij de schare Van Looy-supporters had geërfd?
Roger De Vlaeminck: Ik heb inderdaad veel brieven in die zin gekregen en zelf een Van Looy-supporter zijnde deed dit mij wel enorm veel plezier.
– Was dat voorbeeld van Van Looy destijds voor jou ook de impuls om wielrenner te worden of was dit eerder te wijten aan je oudere broer Erik?
R.D.V.:
Eigenlijk had het met iets heel anders te maken. Ik was namelijk voetballer bij F.C.Eeklo, die toen in derde afdeling speelde. Als zestienjarige werd ik voor het eerst opgeroepen voor het eerste elftal en dat nog wel voor een belangrijke wedstrijd in Sint-Niklaas. Die speelden immers voor de titel, terwijl wij tegen de degradatie vochten. Nu, op het moment dat ik uit de bus stap, komt de voorzitter naar mij en vraagt mij wie ik eigenlijk ben. Die man kénde mij dus niet eens! En dat terwijl ik op die jonge leeftijd toch een beloftevolle carrière in de benen had.
Daarnaast had ik ook al vastgesteld dat er in het voetbal weinig te verdienen viel en aangezien ik ondanks alles in de sport mijn weg wilde maken, heb ik dan maar voor het wielrennen gekozen en dat is redelijk goed meegevallen.
– Dat is ’t minste wat je wel kan zeggen. Anderzijds zou ik durven stellen: typisch De Vlaeminck, zo’n antwoord. Waarmee ik dan bedoel dat je eigenlijk nooit écht wielrenner bent geweest, in je hoofd dan.
R.D.V.:
Ik ben steeds wielrenner geweest voor enkele weken. En dan weer enkele weken rust.
– Is het dan tóch waar, dat van die taartjes? Ik meende nog te zeggen, kom, Roger, ’t is nu toch gedaan, geef nu maar toe dat het een mooi verhaaltje was…
R.D.V.:
Ik kan je maar dit zeggen: ooit heb ik van deelname aan de Waalse klassiekers moeten afzien omdat ik tevéél taartjes had gegeten.
EDDY MERCKX
– Met die Van Looy-erfenis kreeg je er meteen de titel “challenger van Merckx” als cadeau bij. Heeft dat je loopbaan erg bepaald? Iemand heeft berekend dat jij tot de tien beste renners aller tijden behoort, op basis van uitslagen e.d., maar toch heeft men nooit echt dat gevoel gehad. Allicht omdat de loopbaan van Merckx steeds die van jou heeft overschaduwd?
R.D.V.:
Een rondewinnaar zou ik, ook zonder Merckx, nooit geweest zijn, maar een paar klassiekers had ik zeker nog kunnen inpikken. Dat ik echter geen rondes kon winnen had niets met Merckx te maken, maar alles met mijzelf. Ik wist namelijk mezelf er niet van te overtuigen dat ik dat kón, ondanks het feit dat ik in 1975 de Ronde van Zwitserland heb gewonnen en vierde ben geëindigd in de Ronde van Italië.
– Kwatongen zuden ook kunnen beweren dat je dankzij Merckx zo’n mooi palmares bij elkaar hebt gereden. Gezien je speelse mentaliteit zou je zonder die uitdaging je misschien (nog) meer hebben laten gaan…
R.D.V.:
Luister, in ’75 reed Merckx niet mee in de Ronde van Italië en ik win zeven ritten. Dat heeft er dus niks mee te maken, je rijdt altijd om te winnen. Natuurlijk, als Merckx demarreert, ga ik erachter, maar als hij er niet is, dan doet het wel iemand anders en die ga ik dan net zo goed halen.
Soms was hij echter wél een stimulans voor mij, dat moet ik toegeven. Neem nu Luik-Bastenaken-Luik, dat is een wedstrijd die ik niet graag reed, ik reed immers niet graag in Wallonië. Op zo’n moment was de aanwezigheid van Merckx wél een prikkel voor mij om desondanks toch goed te presteren. In ’69 heb ik op die manier zelfs kunnen winnen. In Parijs-Roubaix was ik lek gereden en op dat moment slaat Merckx een kloof. En als Merckx weg is, dan zie je hem niet meer terug natuurlijk. Maar “gelost” was ik niet en ik had dan ook in de pers verklaard dat ik in Luik-Bastenaken-Luik eens zou bewijzen dat Merckx mij niet kon lossen…
– Heeft dat feit dat je niet graag in Wallonië reed, te maken met je “flamingantische” image? Je hebt je familienaam mee natuurlijk (*), maar ook in de anti-Merckx-hetze zaten veel flamingantische trekjes. Werd je er dààrom slecht onthaald? (**)
R.D.V. (aarzelend):
Niet echt, nee. ’t Had meer te maken met Luik zelf. Ik hou niet van die stad. Met die fabrieken en zo. Ik vind dat een vieze stad, laten we zeggen. Ik kan me daar niet goed uitleven. Dat was zo bij mijn eerste kennismaking en dat is altijd zo gebleven. Met Merckx-supporters heb ik af en toe inderdaad wel last gehad, maar anderzijds had ik net zo goed Waalse aanhangers, hoor.
– Aan “Miroir du Cyclisme” heb je nochtans eens verklaard dat je weigert Frans te spreken…
R.D.V.:
Als Theo Mathy geen enkele inspanning doet om ook maar één woordje Nederlands te spreken, waarom zou ik dan, die ook niet zo vlot Frans spreek, dat wél doen? Als Joseph Bruyère door Fred De Bruyne werd geïnterviewd, sprak die toch ook Frans?
GEEN DOPING
– Vijftien jaar aan de top als beroepswielrenner en nooit op doping betrapt. Dat moet zowat een unicum zijn?
R.D.V.:
Dat zou ik niet durven beweren. Ik weet bijvoorbeeld met zekerheid dat ook een Eddy Merckx het zich niet kon permitteren om doping te nemen. Gans die historie in de Ronde van Italië kan dan ook enkel maar op een “ongeluk” berusten.
– Als ik die lange succesrijke carrière overloop, dan is het eerste wat me opvalt die Ronde van de Toekomst van 1968. Niet zozeer omdat je die hebt gewonnen op punten, maar vooral omdat ik je in de uitslag op de tiende plaats aantref. En alhoewel van de winnaar (Boulard) achteraf nooit meer iets werd vernomen, was het toch geen “makkie”, zoals de zevende plaats van Bernard Thevenet en de… 22ste van Lucien Van Impe (nochtans toen al bergkoning) mogen bewijzen…
R.D.V.:
En ik zal je zelfs méér zeggen: ik kon die Ronde gewonnen hebben! De derde dag heb ik me echter laten verrassen. Het is een winderige dag en ik verlies mijn petje. Als ik afstap om het te gaan halen, vormen de Fransen een waaier en gaan ervandoor. We hebben ze nooit meer teruggezien. In de bergen heb ik op die mannen echter niks meer verloren. Integendeel, ik won de laatste rit en de slottijdrit.
– In ’68 heb je ook deelgenomen aan de Olympische Spelen van Mexico, waarover Miel Puttemans me onlangs vertelde dat hij je met je fiets in het zwembad heeft zien duiken…
R.D.V.:
Dat was ik niet, dat was Jean-Pierre (Monseré). Maar de verwarring is begrijpelijk want wij waren er twee van hetzelfde ras.
– Je was toen 21, je hebt dus op je 22ste verjaardag moeten wachten om over te stappen naar de profs, zoals de BWB-regels toen voorschreven. Heb je daar spijt van?
R.D.V.:
Een beetje wel, ja. Het liefst was ik al prof geworden op negentien, twintig jaar. Ik kon dat zeker aan. En hoe vroeger dat je het bent, hoe beter. Al mocht ik natuurlijk niet klagen, wat aanpassing en zo betreft, want ik won in mijn eerste profjaar al meteen de Omloop Het Volk en het kampioenschap van België en ik werd tweede in Milaan-San Remo.
– Op het einde van dat seizoen wint je boezemvriend Monseré de wereldtitel in Leicester (na de historische woorden tegen de bondscoach: “Denk je dat er maar één renner is misschien?”, die renner zijnde – alweer – Eddy Merckx), maar lang heeft de euforie niet geduurd, in maart komt Jean-Pierre in Retie om het leven tijdens een wedstrijd. Jijzelf wint dat jaar wél de Waalse Pijl, maar dat is dan zowat alles. Was dat dan dààraan te wijten? Men beweert ook dat de problemen van je broer Erik daardoor zijn begonnen…
R.D.V.:
Ik weet het niet. ’t Is allemaal zo lang geleden. ’t Zal natuurlijk wel geen voordeel geweest zijn dat er iemand sterft, waarmee je heel goed over de baan kon. (Roger spreekt duidelijk met tegenzin over deze periode, ik besluit dan ook verdere vragen over Erik achterwege te laten. Na de begrafenis van Erik eind 2015 – waarbij diens weduwe had beslist dat Roger daarop niet mocht aanwezig zijn – vertelde hij aan Het Nieuwsblad:  “Ik zou over die problemen van mijn broer veel kunnen vertellen. Maar ik ga dat niet doen. We gaan hem in vrede laten rusten. Alleen dit: hij kwam die producten egen in het uitgaansleven. Om te koersen heeft hij dat nooit nodig gehad. Erik had klasse, maar misschien iets te veel. Had hij zich altijd goed gesoigneerd, hij was vijftien keer wereldkampioen geworden.”)
– Zelf kwam je het dichtst in de buurt van de wereldtitel in Yvoir ’75…
R.D.V.:
Ja, het is duidelijk dat Van Impe en Merckx die dag niet wilden dat ik wereldkampioen werd. Het is dan Hennie Kuiper geworden, met wie ik in ’81 nog ploeg zou vormen.
– Bij het begin van dat seizoen heb ik je toenmalige sportdirecteur Fred De Bruyne geïnterviewd en die heeft toen de dure eed gezworen: als Freddy Maertens nog ooit terugkomt, dan ga ikzelf ook weer fietsen! Nu, Maertens is dat jaar wereldkampioen geworden…
R.D.V.:
Ik had ook nooit gedacht dat hij nog zou terugkomen.
– Nadien is hij even snel weer verdwenen… Een verklaring?
R.D.V. (lange stilte):
Daar kan ik niks over zeggen. Je weet nooit met welke privé-problemen iemand te kampen heeft en eigenlijk gaat ons dat niet aan ook. Al zou het natuurlijk wel interessant zijn te weten wat er precies gaande is. Dat zou misschien de inhoudloze beschuldigingen stoppen. Luister, je weet zelf dat als het thuis niet goed gaat en je hebt kinderen en zo, dat je je dan moeilijk kiplekker kunt voelen. (***)
– Die gemiste wereldtitel had eigenlijk de bekroning moeten worden van een superseizoen, we hebben het er reeds over gehad, maar ik wil je toch nog eens een typische anekdote horen in herinnering brengen, namelijk toen je in de Ronde van Zwitserland je ploegmaat Bellini bijna “dwong” om een rit te winnen.
R.D.V.:
Ik vind dat normaal. Dat was een wederdienst. Merckx zou dat nooit doen, Moser evenmin, maar ik vind dat je ergens een beetje mens moet blijven. Natuurlijk had ik die rit ook graag gewonnen, dan had ik er acht gewonnen op de tien… Maar die jongen had me goed geholpen in de bergen. Zonder hem was ik misschien niet van de anderen kunnen wegrijden, maar de laatste drie kilometer op de Maloja-pas reed hij dermate op kop dat enkel ik hem kon bijhouden. Nadien hebben we samen nog vijftien kilometer stand gehouden op het vlakke tegenover acht of negen achtervolgers en dan vond ik het maar normaal dat hij als eerste over de meet ging.
24 Demuynck en DevlaeminckDEMUYNCK
– Maar een heel ander verhaal horen we in 1976, het jaar dat jouw ploegmaat Johan Demuynck kans maakt om de Ronde van Italië te winnen en jij op een beslissend moment met Ronald De Witte naar huis trekt. Ik moet zeggen, als supporter eerder dan als journalist: op dat moment heb ik toch aan Roger De Vlaeminck getwijfeld…
R.D.V. (gekwetst):
Oh ja? Wel, dan was jij geen goede supporter. Waarom zou je in dat geval aan mij twijfelen? Ik heb Demuynck uit de problemen gehaald. Hij lag in de kliniek met een dubbele schedelbreuk en hij kreeg zeven duizend frank in de maand. Dan heb ik hem in onze ploeg binnengehaald voor iets meer dan dertig duizend frank. En ik heb hem zeker nooit iets in de weg gelegd. Bij Merckx zou hij die kans nooit gehad hebben. Er reden daar renners bij die nog beter waren dan Demuynck: Bruyère, De Schoenmaeker… En waar hebben ze het gebracht? Nergens! Hadden die bij mij gezeten, dan hadden ze misschien ook een keer de Ronde van Italië kunnen winnen. Je moet het natuurlijk kùnnen, hé. Demuynck kon het, maar had hij bij Merckx gezeten, hij had nooit de Ronde van Italië gewonnen, zeg dat De Vlaeminck het gezegd heeft!
Ter gelegenheid van Roger’s 65ste verjaardag, mag Johan Demuynck in Het Nieuwsblad van 24/8/2012 nog eens zijn versie geven: `Ik zal Roger geen egoïst noemen’, aldus De Muynck. ‘Tenzij voor de koersen die hij in zijn kop had zitten. Dat jaar had hij zijn grote vis nog niet binnen en dat werkte op zijn gemoed. Had hij toen al Parijs-Roubaix gewonnen, dan was het allicht ook anders gelopen in Italië. Zolang hij zijn ding niet had, bleef hij immers kopman van ’s ochtends tot ’s avonds. Daarna kon het hem niet zoveel meer schelen. Een egoïst? (lacht) Als hij zijn tafel vol had en er viel een stukje af, dan mocht je het hebben…’ (****)
– Dat jaar wint Marc Demeyer Parijs-Roubaix. Nu al bijna drie jaar geleden is hij gestorven aan een hartstilstand (*****), net zoals zovele wielrenners: Vicente Lopez-Carril, Ludo Van der Linden, Louis Verreydt…
R.D.V.:
Als ik de krant lees dan zie ik dat er jongens zijjn van 21 jaar die niet aan sport doen en toch ook sterven… Als je in de belangstelling staat, is het normaal dat daarover eens wordt gediscussieerd, maar volgens mij… Wie kan er echt vaststellen of men een afwijking aan het hart heeft of niet? Oscar Daemers heeft een hartinfarct gehad op hoge leeftijd, hij heeft zich daarna goed gesoigneerd en hij heeft nóg vijftien jaar geleefd. Je weet daar allemaal zo weinig over, hé? Misschien komt men mij volgend jaar wel vertellen dat ik óók een afwijking aan mijn hart heb…
– Anderzijds kan je er toch niet onderuit dat topsport niet echt “gezond” is. Als zelfs een Hinault zijn knie naar de vaantjes trapt… À propos, hoe sta jij tegenover “de grote versnelling”?
R.D.V.:
Zelf heb ik er nooit last van gehad, maar ik geloof inderdaad dat je je knieën kan kapot krijgen door te lang met de grote versnelling te rijden. Ik heb daar dan ook steeds wat schrik van gehad toen Merckx op een 12 begon te rijden. Ik heb dat dan ook af en toe gedaan, maar dan met een 52 vooraan in plaats van een 53 of een 54. En dan nog alleen in de spurt.
DE WOLF
– We springen ineens naar 1980 – je erelijst is immers veel te lang om overal te blijven bij stilstaan – en dan komen we bij iemand die, alleszins als liefhebber, ook bekend stond voor “de grote molen”, Fons De Wolf. Onder uw hoede wint hij dat jaar de Ronde van Lombardije en de Trofee Barracchi, terwijl hij nu toch weer is weggedeemsterd. In hoeverre heb jij daar een rol in gespeeld?
R.D.V.:
In de eerste plaats moet hij zelf duwen natuurlijk. Maar De Wolf is wel iemand die voortdurend iemand naast zich zou moeten hebben om hem te zeggen: je hébt klasse, je bént de beste, toon nu eens wat je kan. Anderzijds mag hij in volle vorm zijn en ik zou bij hem gaan en zeggen: Fons jongen, dat ziet er hier niet goed uit, hé, dat zal niks worden… dan rijdt hij ook geen prijs. De Wolf is met andere woorden geweldig beïnvloedbaar. Ik ook, maar ik kan mij daarboven zetten. Ik trap daar niet in. Maar Fons heeft zeker klasse te over om nog mooie wedstrijden te winnen, of hij er echter nog ooit zal door komen, dat weet ik niet…
– Voor jou is het nu alleszins afgelopen, je zet er een punt achter met een veldrit, een specialiteit die we toch zeker ook niet onvermeld mogen laten. Het systeem van de superprestige is voor jou wat laat gekomen?
R.D.V. (met spijt):
Eigenlijk wel. Een jaar of drie geleden, had men dan de punten van die vier wedstrijden die daarmee begonnen zijn, samengeteld dan had ik gewonnen. Maar ja…
– Zou je belangstelling voor het veld dan groter zijn geweest?
R.D.V.:
Welnee, ik kon er iets mee verdienen en het was een goede voorbereiding voor het wegseizoen, dat is alles. En ik deed het graag.
– Dat kun je alvast niet zeggen over het pistewerk…
R.D.V.:
Mmmja… Maar je moet een beetje allround zijn, hé. En daarbij, daar viel ook geld te verdienen. ’t Komt allemaal een beetje op ’t zelfde neer, hé?
– Beoordeel je dan je mooiste overwinning ook in functie van het geldgewin dat eraan vastzat?
R.D.V.:
Nee, mijn mooiste overwinning is het Belgisch kampioenschap in 1981. Omdat ik mij er niet helemaal meer aan verwachtte en ook omdat ik een kampioenschap steeds hoger heb geplaatst dan een klassieker. Je hebt dan een trui die je kunt verzilveren. Zie je, ’t komt weer op geld aan! (lacht)
PUBLIC RELATIONS
– Dan zal die overwinning in Milaan-San Remo waaraan je een Ferrari hebt overgehouden je toch ook wel bijgebleven zijn!
R.D.V.:
Ja, dat was ook een goeie! De baas van Brooklyn had juist een nieuwe Ferrari gekocht en die zinde me natuurlijk wel. O.K., zegt hij, als je wint is hij van jou. Maar ik moet eerlijk zeggen dat ik er niet aan gedacht heb, toen ik die overwinning heb behaald. Men is het mij pas op het podium komen meedelen.
– Heb je die nog?
R.D.V.:
Nee gij! Ik heb er tien duizend kilometer mee gedaan en toen ik hem in de garage binnendeed kostte mij dat dertig duizend frank, gewoon om de olie te verversen. Ik zeg tegen die garagist: ik moet hem niet meer hebben. Ik heb er uiteindelijk nog iets aan gewonnen. Enfin, alles eigenlijk natuurlijk (grinnikt).
– Waarin bestaat je huidige functie bij Dries?
R.D.V.:
Ik moet de pers wijsmaken dat we veel veranda’s moeten verkopen, hé (lacht)! Nee, ernstig, dat komt er natuurlijk bij, maar ik moet er vooral voor zorgen dat onze kopmannen, Teun Van Vliet en Hennie Kuiper zo veel mogelijk in de belangstelling komen.
– Van Vliet is Jan Bogaert over het hoofd gegroeid als kopman? (******)
R.D.V.:
Bogaert is een heel goede renner voor in België. Ik zie hem bijvoorbeeld wel in staat een Gent-Wevelgem te winnen, maar ik denk niet dat hij bekwaam is om een Ronde van Vlaanderen of Parijs-Roubaix te winnen. Teun Van Vliet daarentegen heeft persoonlijkheid, wat heel belangrijk is voor een renner. Hij straalt iets uit als men er tegen praat, hij weet wat hij wil en hij heeft zeker de mogelijkheden, wat zijn derde plaatsen in de Ronde van Lombardije en Blois-Chaville bewijzen.
COME-BACK
Roger De Vlaeminck kon natuurlijk niet voorzien dat Van Vliet uiteindelijk maar een korte carrière zou kennen, aangezien hij met zware medische problemen zou af te rekenen krijgen. Wat Jan Bogaert betreft, had hij wel volkomen gelijk. Hij zou Gent-Wevelgem uiteindelijk wel niet winnen, maar een vierde plaats hierin zal achteraf zijn beste uitslag blijken te zijn.
In zichzelf had Roger blijkbaar een minder goed inzicht, want twee jaar later hang ik opnieuw aan de lijn, want Roger is zowaar terug in het veld verschenen! Kon hij dan de aanpassing aan het “burgerleven” toch niet aan?
R.D.V.: Waarom niet? Iedereen heeft toch uitdagingen nodig?
– Jamaar, bedoel je nu dat het burgerleven een uitdaging was voor jou of dat je na verloop van tijd behoefte had aan een nieuwe uitdaging?
R.D.V.:
Beide. Luister, als je 45 bent, dan moet je niet meer herbeginnen, hé!
– Maar heb ik niet ergens gelezen dat je oorspronkelijk in triatlons een uitdaging ging zien?
R.D.V.:
Zo is het eigenlijk begonnen, ja. Maar de training is daarvoor nog zwaarder dan voor veldrijden en vooral het onderdeel zwemmen deed ik niet graag. Kwam daar nog bij dat ik toen geen enkele journalist heb gezien, maar van zodra je er iets mee kan verdienen, hangen ze aan je deur. Al is dat misschien ook wel mijn eigen fout, want ik heb mij voor die triatlon in het diepste geheim voorbereid. Zelfs de mensen die mij aangespoord hadden deel te nemen, had ik wijsgemaakt dat ik dat niet ging doen. Maar buiten dat zwemmen – ik lig wel graag in ’t water maar dan om een beetje te spelen of zo – ging het allemaal zeer goed. Op training liep ik de tien kilometer in 35’30” ongeveer, dus dan mag je er in de wedstrijd zelf nog een kleine anderhalve minuut afdoen. Maar toen vond ik het tijd om eens een grotere afstand aan te pakken. Ik heb hier een ronde van 15 km en ik ben daaraan begonnen met nieuwe schoenen. En eens dat ik gestart ben, keer ik niet op mijn stappen weer, dat weet ge, hé? Op die manier heb ik echter zo’n blaar op mijn hiel gekregen dat ik me naar huis heb moeten laten brengen. Toen kon ik natuurlijk een kruis maken over die triatlon. En zo zijn mijn gedachten uiteindelijk toch naar het veldrijden uitgegaan, omdat ik dacht op die manier mijn neef Geert beter te kunnen begeleiden. Ik ben dan eens gaan rijden met Mark Uytterhoeven en die moedigde me aan. Misschien om te lachen, maar ik geloof daar nogal rap in, vooral omdat ik weet dat ik gestopt ben op een ogenblik dat ik het fysisch nog steeds aankon, de verzadiging was bij mij eerder psychisch. Ik heb dan nadien de joggingwedstrijd bij Eddy Merckx gewonnen vóór 1.500 renners. Dat heeft natuurlijk geen betekenis, maar het zegt toch iets. Vooral die sprint. Kortom, ik begon weer de mooie kanten van het wielrennen te ontdekken: winnen, fietsen, afzien, competitie doen… Toen we dan bij Eddy Merckx de twee fietsen van Geert gingen ophalen, vroeg Eddy mij of ikzelf ook niet in zijn materiaal geïnteresseerd was. Maar dan had ik nog geen sponsor natuurlijk. “Wat zou je willen verdienen?” vroeg Eddy. En dan hebben we het daar op een akkoordje gegooid.
– Wat wil je nu in het veld eigenlijk nog bereiken, Roger?
R.D.V.:
Ik heb nu ingezien dat ik een maand of twee te laat begonnen ben. Als je ziet dat Liboton en Stamsnijder pas nu (december 1986, RDS) op dreef komen! En ik ben zelfs drie, vier maanden later begonnen, zodat ik mij niet meer kon inrijden in kermiskoersen, zodanig dat het mij nu een beetje aan snelheid ontbreekt om in de start fluks te kunnen reageren. Niet dat ik me anders in staat achtte Liboton, De Brauwer of Messelis te kloppen, maar ik zag me toch wedijveren met Ludo De Rey en de andere mindere goden. Vooral op een licht parcours had ik wel gehoopt eens voor een verrassing te kunnen zorgen. Vandaar trouwens dat ik in Frankrijk beter presteer dan hier. Al speelt daar ook wel een rol dat de druk er minder groot is. Er zijn geen supporters en zo.
– Aangezien de kampioenschappen laat op het seizoen vallen, zijn de toppers tegen die periode echter vaak uitgeblust…
R.D.V.:
Ja maar ik neem niet deel aan de kampioenschappen, hé! … Alhoewel … Met mij weet ge nooit. Ik durf dan ook geen uitspraken meer doen in de zin van “ik doe dit niet meer “ of “ik doe dat niet meer”.
Maar uiteindelijk heeft hij dan toch woord gehouden wat dat laatste betrof. En toch… als ik hem met zijn Zimbabwanen bezig zie, denk ik zelfs nu nog, dus meer dan twintig jaar later: Roger kan nog altijd beter rijden dan die mannen. Dus, als zij wel mogen deelnemen aan het WK, waarom zou Roger dan…

Referenties
Ronny De Schepper, “In het voetbal was er te weinig te verdienen”, De Rode Vaan nr.52 van 1984
Jan Draad, Roger De Vlaeminck aan het lijntje, De Rode Vaan nr.52 van 1986
Jan-Pieter De Vlieger, “Ik kon op Eriks begrafenis toch geen ruzie gaan maken?”, Het Nieuwsblad 9 januari 2016

(*) In tegenstelling tot mensen die Dewael of D’hollander heten, lijkt het niet evident dat een Vlaming ook “De Vlaeminck” heet, want zijn we niet allemààl Vlamingen? Maar de naam De Vlaeminck verwijst specifiek naar een bewoner van de kuststreek (“De West-Vlaeminck” dus eigenlijk) en zo kan een inwoner van b.v. Eeklo wel degelijk de naam De Vlaeminck meekrijgen natuurlijk.
(**) Toen Merckx in die fameuze Luik-Bastenaken-Luik door De Vlaeminck werd geklopt, liet de legendarische Luc Varenne op de RTB een welgemeend “merde!” horen.
64 marleen de vlaeminck(***) Ik heb ook de eerste mevrouw De Vlaeminck (de Nederlandse Marleen) nog eens geïnterviewd en zij wist mij o.a. te vertellen: “Als Roger een tijd van huis weg was, had hij altijd last van heimwee. Vandaar dat ik hem vaak achterna reisde. Niet dat hem dat dan stimuleerde om een of andere prestatie te leveren, maar het feit dat hij wist dat ik in de buurt was, was voor hem voldoende. Ik at immers nooit samen met hem en ik sliep in een aparte kamer. Al moet ik daar onmiddellijk aan toevoegen dat Roger en ik het nooit deden voor een belangrijke wedstrijd. Toch heb ik dat altijd grote onzin gevonden, want je hebt dat nodig als eten en drinken. En voor de rest geldt ook gewoon de regel dat ‘overdaad schaadt’. Maar je weet hoe sportlui zijn, hé. Als ze eens een mindere dag hebben, zoeken ze naar een verklaring en als ze dan toevallig hebben gevrijd… Maar dat is voor 90% psychologisch, neem dat maar van me aan.”
(****) De foto dateert van twee jaar later: toen stond Johan De Muynck opnieuw op het punt de Giro te winnen (en hij zou dat trouwens ook doen), als hij door Roger De Vlaeminck ten val wordt gebracht. Op de foto kan men zien hoe Roger zijn uiterste best doet om zijn fout te herstellen, zodat Johan toch maar geen schade zou ondervinden van de val.
(*****) Op dat moment wist ik nog niet – wat insiders, waarbij ongetwijfeld ook Roger De Vlaeminck, wél wisten – namelijk dat Demeyer zelfmoord had gepleegd.
(******) Als Temsenaar moést ik die vraag wel stellen natuurlijk: de familie Bogaert woonde in onze buurt en Martin en Ward, de oudere broers van Jan, waren vrienden van mij. Ik heb overigens ook Jan Bogaert ooit geïnterviewd, maar het is helaas niet de moeite waard om dit op mijn blog te zetten. Jan was typisch zo’n zwijgzaam type dat enkel met “ja” en “nee” antwoordde. Onbegrijpelijk dat hij later in de gemeentepolitiek zou stappen. Dat gebeurde dan wel in een partij van oud-renners zoals Gaston Hoskens en Jan Meersman. Minder fraai is dat deze partij een soort voorloper was van het Vlaams Blok.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s