November Music

Het November Music Festival is eigenlijk een Nederlands initiatief dat zijn oorsprong vindt in ’s Hertogenbosch in 1992, maar in 1993 week men reeds uit naar Gent om in samenwerking met Vlaamse culturele centra en concertorganisatoren een soort internationaal circuit voor uitvoerders van hedendaagse muziek poogt op te zetten.

Deze kampen immers vaak met het probleem dat zij een programma instuderen dat zij amper één keer kunnen brengen. In 1994 werd het festival uitgebreid met Maastricht, Middelburg, Tilburg en Antwerpen. Het thema is dit jaar tweeledig. In “heroverwegingen” werden acht componisten uitgenodigd om een bestaande compositie in een nieuw daglicht te plaatsen. Luc Van Hove koos iets van Chopin, Gijsbrecht Royer de Grosse Fuge van Bach en Joop Voren een strijkkwartet van Verdi en verder is natuurlijk ook Boudewijn Buckinx van de partij want dit is toch een typisch postmodernistische opvatting (citaten!). Een tweede thema is “muzikale vrijheden”, waarbij de nadruk op de improvisatie ligt, niet noodzakelijk uitsluitend in het heden (Palestrina!) en in de westerse cultuur (Chinese traditionele muziek).
Het postmodernistische pianokwintet van Schnittke heeft vijf delen en is doordrongen van de doodsgedachte. De oor­sprong van het stuk moet men immers zoeken bij de dood van zijn moeder, Maria Vogel, in september 1972. Toch werkte hij de compositie pas af in 1976.
Aan de dood van zijn moeder wijdde hij ook een “In Memoriam” voor symfonisch orkest). Dat is niet zo evident als het lijkt. Zoals Arie Van Lysebeth als directeur van het Brusselse conservatorium in zijn eigen tijdschrift (december 1997) opmerkt: “Het is wel zo, dat een bepaalde compositorische stroming uit de vijftiger, zestiger jaren van deze eeuw, als reactie tegen een ietwat ‘gemakkelijk’ romantisme, het groot symfonieorkest systematisch ging vermijden. Allerlei heterogene instrumentencombinaties staken de kop op en er werd druk geëxperimenteerd. Men constateert echter vandaag reeds dat sommige van deze tendenzen (b.v. de seriële muziek), die zich onder meer van allerlei ongestructureerde instrumentengroepen bedienden, helemaal niet de meest boeiende passages uit de muziekgeschiedenis zijn geworden.”
Bij zijn dood in 1998 was Schnittke misschien wel een van de populairste nog levende (allé, tot op dat moment toch nog) componisten, maar niet iedereen dacht er zo over. Zo schreef Stephen Bayley in The Independent van 26/9/1998: “For all its manipulative, saccharine cheek-sucking whimsy, Eleanor Rigby exceeds in artistic value anything irritatingly cacophonous by Arthur Schnittke or Pierre Boulez.”
Alhoewel de Hongaar György Kurtag slechts één jaartje jonger is dan Boulez die dat jaar z’n zeventigste verjaardag vierde, is er toch een wereld van verschil tussen beiden. Boulez wordt nu door de jonge Turken immers reeds als een gevestigde waarde beschouwd en “dus” ook in vraag gesteld, terwijl Kurtag juist volop “in” is.
Philippe Boesmans: “Decennia lang heeft de seriële muziek ons denken beheerst, maar uiteindelijk bleek het systeem toch een aantal wezenlijke eigenschappen van onze westerse muziek over het hoofd gezien te hebben. Het principe van spanning en ontspanning, bijvoorbeeld, werd opgegeven – zodat er nog slechts spanning overbleef. Het systeem was gewoon te beperkt. Natuurlijk heeft het heel mooie dingen voortgebracht: als een genie zoals Boulez zo’n systeem hanteert, dan komen daar echte kunstwerken van. Maar het is zeker geen exclusief systeem, al heb ik zelf ook lang in die overtuiging geleefd. Ondertussen ben ik tot het besef gekomen dat ik vooral moet proberen om muziek te schrijven die tot de mensen spreekt. Het is trouwens merkwaardig welke reacties je daarop krijgt. ‘Maar het heeft toch geen zin om nu weer veristische opera’s te gaan schrijven?’ bijvoorbeeld. Het is inderdaad niet nodig om weer iets te gaan doen wat al gedaan is. Maar muziek, en zeker opera, moet wel gevoelens en emoties uitdrukken.” (tegen Stephan Moens in De Morgen van 26/2/93)
Als voorbeelden van de “oude” avantgarde zijn er nog de Zwitser Klaus Huber en de Amerikaan Morton Feldman, die net als zijn leermeester John Cage nog niet zo heel lang geleden is overleden. Ook zal Chris Mann in de Logos Tetraeder (Bomastraat) niet zijn kennis van het Chinees ten toon spreiden, maar ons wel confronteren met zijn “klankpoëzie”. En dat gebeurt dan in het Engels, of liever het Australisch, want deze 48-jarige dichter is afkomstig uit Melbourne. Dat zijn poëzie (net zoals bij ons die van Paul van Ostayen b.v.) niet los te denken is van (experimentele) muziek, wordt o.m. bewezen door het feit dat John Cage reeds meerdere malen teksten van hem in zijn composities heeft gebruikt. Zo b.v. in “Eight whiskus”, niet te verwarren met “Eight whisky’s”, want dat zou eerder een werk van “onze eigen” Luc Brewaeys zijn. Deze heeft immers de gewoonte om zijn composities, of het nu symfonieën of strijkkwartetten betreft, telkens de naam van een whisky-merk mee te geven. Cheers!
Veel aandacht gaat in de twintigste eeuw naar composities voor slagwerk, zo is er o.a. het grappige “Tafelmuziek” van Thierry De Mey (drie slagwerkers bespelen, jawel, een tafel) en “Smiles” van Philippe Boesmans. Voor het seizoen 1997-98 mag deze in de Munt een jazz-, rock- en wereldmuziek-concert organiseren. Op de persconferentie verdedigde Boesmans op een aandoenlijke manier de popmuziek. “Voor de jazz is dit niet meer nodig,” zei hij (terecht, aangezien het een optreden van Chick Corea betreft) en ook wereldmuziek wordt niet bestreden vanwege “politically correct”. Maar rock?!? Alhoewel men nog niet bekend kon maken wie er zou komen (“bij pop is men blijkbaar niet gewoon een jaar op voorhand te programmeren”), liet Boesmans toch een beetje in zijn kaarten kijken door vooral de lof te zingen van de rhythm’n’blues “die wat zangtechniek betreft veel typischer is voor de 20ste eeuw dan het Sprechgesang, waarvan men dat meestal beweert.” Toch is het de vraag wie Boesmans uitgerekend nu, nu de popmuziek in een diepe crisis verkeert, zal uitnodigen. Iemand van zijn (en dus ook mijn) generatie? Dat lijkt me heel goed mogelijk. Maar staat die dan nog wel symbool voor de huidige popmuziek? Vooral daar het toch een uitnodigend gebaar betreft naar de jongeren toe?
Iets heel bijzonders is de “Prometheus”-cyclus, waarbij deze mythe op drie verschillende wijzen gestalte wordt gegeven. Er is een choreografie van José Besprosvany op muziek van Peter Swinnen, er is een “scenisch concert” van Heiner Goebbels op tekst van Heiner Müller en, last but not least, is er ook een uitvoering van de symfonie van Alexander Skriabine met inbegrip van een pianist die dankzij geavanceerde computertechnieken eindelijk een “lichtklavier” zal kunnen bespelen zoals de componist het wenste.
Tijdens elk concert kunnen de aanwezigen ook een bijdrage storten voor de creatie van een werk volgend jaar. Een steunfonds heeft zich voorgenomen dit bedrag te verdubbelen.

Referentie
Ronny De Schepper, November Music in Gent, Het Laatste Nieuws 16 november 1994

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s