Vandaag is het 55 jaar geleden dat de Vlaamse auteur Filip De Pillecyn is gestorven. Na een inleiding die ikzelf heb geschreven (waarbij ik me vooral heb gebaseerd op de lessen van Anton van Wilderode), volgt er een exclusieve bijdrage van de hand van niemand minder dan Pol Hoste.

Filip De Pillecijn werd op 25 maart 1891 geboren in Hamme. Alhoewel zijn vader vroeg overleed, kon hij dankzij zijn peter, de pastoor van Nederhasselt, toch naar school in het toen nog Franstalige Sint-Jozef-Klein-Seminarie. Daarna studeerde hij (tot grote ontgoocheling van zijn peter die hem al priester zag worden) Germaanse Filologie in Leuven. Hier werden zijn Vlaamsgezinde ideeën nog aangewakkerd. Hij behaalde zonder problemen zijn diploma, maar zijn eindverhandeling over Hugo Verriest zou hij pas in 1925 af hebben.
Toen hij afgestudeerd was, zou hij voor De Standaard gaan schrijven maar het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog dwarsboomde deze plannen. In 1915 trok hij als vrijwilliger naar het front en maakte daar kennis met de Frontbeweging. In 1918 zou hij zelfs tijdelijk Adiel De Beuckelaere vervangen (die krijgsgevangen was) aan het hoofd van de beweging. In die periode schreef hij ook een verzenbundel (“Onder den hiel”), die pas in 1920 zou verschijnen.
Na de oorlog heeft hij dan toch een tijd voor De Standaard gewerkt, maar omdat de krant te veel aanleunde bij de Katholieke Volkspartij en te minimalistisch was op het vlak van de Vlaamse strijd, stapte hij over naar De Tijd, het orgaan van het nog jonge ACV. Tegelijk schreef hij voor ’t Pallieterke.
In 1926 werd hij leraar aan het atheneum van Malmédy en schreef hij zijn eerste roman “Pieter Fardé”, over een Gentse minderbroeder uit de zeventiende eeuw. In 1927 verscheen de verhalenbundel “De rit”. Hij is ook een van de voormannen van het Verbond van Vlaamse Oudstrijders (VOS) en spreekt geregeld op IJzerbedevaarten.
In 1931 brak hij door met “Blauwbaard”, waarna hij in 1933 werd overgeplaatst naar Mechelen en het was dààr dat hij in 1935 “Hans van Malmédy” schreef (over een soldaat van Napoleon) en ook “Monsieur Hawarden” over een Parisienne die als man vermomd naar Malmédy gaat om een ongelukkige liefde te vergeten. In 1939 volgde “De Soldaat Johan”. In de documentaire “In de voetsporen van Filip De Pillecijn” van Anton Stevens (*) situeert Paul Lebeau, in tegenstelling tot Anton van Wilderode die ‘De Soldaat Johan’ als een voorbeeld van het neorealisme naar voren schoof, De Pillecijn in de neoromantische stroming. Vooral dan omwille van de figuur van de eenzame zwerver, de outcast die steeds terugkeert in zijn werk. Het verschil met de “echte” romantici was wel dat het realisme ervoor gezorgd had dat men niet meer over “helden” schreef, maar over gewone boeren. Die werden dan wel geïdealiseerd, net zoals de natuur of het volk in het algemeen. Op die manier was er dan wél een overeenkomst met de romantici. Hijzelf zag die belangstelling voor het verleden niet als een vlucht voor de werkelijkheid. Hij zag hierin echter grotere mogelijkheden voor de verbeelding. En het feit dat hij vaak soldaten als hoofdpersoon heeft, is als antimilitarist ook niet zo vreemd: eigenlijk beschrijft hij telkens hoe zij er niet in slagen zich in de maatschappij te reïntegreren, ongeveer zoals de personages uit de vele Vietnamfilms. Anton van Wilderode beschrijft het in de Moderne Encyclopedie der Wereldliteratuur als volgt: “De onrustige outlaw met een eigengereide discipline, voortdurend in conflict met zichzelf en de anderen, voortdurend ook gedreven naar de vrouw die echter zijn fundamentele onvrede nooit een blijvend tehuis zal kunnen geven.”
Tijdens de oorlog schreef hij voor “Het Laatste Nieuws” en hij heeft ook reizen door Duitsland ondernomen, maar altijd was het puur cultureel. Ook het tijdschrift Westland dat hij heeft gesticht is pas nadien politiek geworden, eerst was het cultureel. Maar waarom was hij dan lid geworden van het VNV? Juist tegen het imperialisme van de Duitsers, zegt hij. In 1942 heeft hij trouwens zijn ontslag gegeven, ook uit de D-Vlag. Hij was ook lid van de Cultuurraad voor Vlaanderen, maar andere vooraanstaanden die daarvan lid waren zijn achteraf niet lastig gevallen, een lid van de Franse cultuurraad is na de oorlog zelfs provinciegouverneur geworden. Tenslotte was hij ook directeur van het middelbaar onderwijs tijdens de oorlog, maar die positie heeft hij juist aangewend om het verzet te helpen, vooral dan om jongeren aan gedwongen arbeidsdienst te laten ontsnappen. Toch ging hij zichzelf aangeven na het beëindigen van de oorlog en werd hij door de krijgsraad veroordeeld tot een gevangenisstraf en een boete van 500.000fr. In die tijd geen peulschil. Zowat àlle Vlaamse schrijvers die naam hadden, dienden dan ook een verzoekschrift in voor een vervroegde invrijheidstelling. Die kwam er in 1949 (na vijf van de voorziene tien jaar), maar niemand wou zijn boeken nog uitgeven, zoals Roger De Vos van het Filip De Pillecijncomité vertelt in de Gazet van Antwerpen, “zodat zijn tweede vrouw Suzie De Cavel speciaal boekengilde De Clauwaert heeft opgericht om ‘Mensen achter de Dijk’ te kunnen uitgeven. Het werd een bestseller en daarna heeft De Pillecijn toch nog een tiental rustige en succesvolle jaren gekend. In het huis dat van zijn vrouw was (in de Gentse Patijntjesstraat, RDS), want zelf had hij niets meer. Zijn huis is geplunderd en zijn geliefde bibliotheek was weg.”
“Mensen achter de Dijk” gaat over de Hamse wijk ’t Heet, waarvan de buren van Temse dachten dat de naam sloeg op het feit dat de bewoners bekend stonden als “hete truffels”. Ik weet niet of dit inderdaad zo is. De etymologie bedoel ik!
Filip De Pillecijn (**) stierf op 7 augustus 1962 in het Gentse UZ ten gevolge van een longontsteking. Hij werd begraven op het Campo Santo.
De Pillecijn mag dan niet zo’n hevige collaborateur geweest zijn als zijn collega’s de socialist Marcel Matthijs (van « Doppen », een warhoofdig boek van een warhoofdig auteur), Karel Vertommen, Ferdinand Vercnocke, zelfs Ernest Claes en Felix Timmermans en natuurlijk Cyriel Verschaeve, Wies Moens (foto) en Bert Peleman (***), toch dient gezegd dat hij bijvoorbeeld in zijn gevangenisdagboek “Face au Mur” (1979) bepaalde racistische trekjes liet doorschemeren. Vooral Amerikaanse negers (en hun muziek!) vervulden hem met afschuw (p.50 en 149).
Na zijn dood werd hij door cartoonist Paul Jamin (alias Jam en later Alidor) vereerd met een prent die hem afbeeldt als Egmont en met het onderschrift: “Ic blive so”. Jamin bleef alleszins zo: tot zijn dood heeft hij steeds zijn fascisme en antisemitisme beleden.
Met de toestemming van de auteur Pol Hoste en van prof.dr.Emmanuel Waegemans, hoofdredacteur van het Filip De Pillecyncomité volgt hieronder een bijdrage die Pol schreef voor het jaarboek van het comité: Filip De Pillecyn Studies IV, gedrukt bij Epo, 2008 (ISBN 9789080985001). De bijdrage van Pol bevindt zich op pag. 35 tot en met pag. 52. Kostprijs per nr. 20€ inclusief port; bestellen door storting op rekening 850-8108291-59 van het Filip De Pillecyncomité, Marktplein 1, 9220 Hamme.

Pol Hoste FDP Dagboek

Eerste dag

Op 20.02.2007 in een brief aan prof. dr. Emmanuel Wagemans beloofd om iets te zeggen over de betekenis van het werk van de Pillecyn in het milieu waar ik opgroeide.

Geboorteplaats en datum: Lokeren, 25 maart 1947. De Tweede Wereldoorlog was voorbij. De Koude Oorlog kon beginnen.

In november 1947 werd het interneringskamp van Lokeren ontmanteld.

In 1940 was Filip de Pillecyn lid geworden van het VNV (Vlaams Nationaal Verbond) en de De Vlag (Duits-Vlaamse Arbeidersgemeenschap). Hij aanvaardde in 1941 het Directoraat van het Middelbaar Onderwijs en werkte actief mee aan de cultuurpolitiek van de Duitse fascisten. In 1944 werd hij veroordeeld wegens collaboratie. Hij zat een gedeelte van zijn gevangenisstraf uit in het Kamp van Lokeren. In juli 1949 kwam hij vrij en werd op het einde van de jaren vijftig lid van het IJzerbedevaartcomité. Alles voor Vlaanderen, Vlaanderen voor Kristus.
‘Is het zo dat u over iemand spreekt?’

Pol Hoste groeide op in een communistisch milieu.
‘Zo spreekt men over iemand.’

– Schrijft u?
Men zou van mij wel eens iets willen lezen.
Een schoon bestaan, 1989, de goelag in Oost Vlaanderen.
Een schrijver die geen schrijver is, 1978, de oude liberale burgerij in Lokeren.

Tweede dag

De Soldaat Johan opnieuw gelezen.

Geen woorden gevonden. Niets meer overzien. Niets meer willen overzien.
Zo moet doodgaan zijn.

Kant, Hegel. Heeft de Duitse filosofie de holocaust verhinderd? Goethe, Schiller. Heeft de Duitse literatuur de wereldoorlogen verhinderd? Mozart, Beethoven. Heeft de Duitse muziek de onmenselijkheid bedwongen?
En de schilderkunst? En de architectuur? Toch wel zeer eigenaardige vragen. Alsof de Endlösung niet werd bedacht door professoren in de filosofie, door doctors in de scheikunde, door plichtsgetrouwe artsen in de geneeskunde die de eed van Hippocrates hadden gezworen.

Miljoenen joodse mensen werden vermoord. Miljoenen Russische mensen uitgeroeid. Red de ziel van het kind.

De wereldoorlogen gaan nog altijd onverminderd voort. Enjoy the music, vier FM.

Het slot van De Soldaat Johan herhaaldelijk opnieuw gelezen. Niet zelden geeft het literaire een sensitiviteit aan die met geen ander discours te vatten is. Noem het ideologie.

Gij wordt een boer, kleine man, en ook, bij God, een soldaat die vrije boeren maakt overal waar de mensen zeggen: ‘Mijn heer en God’ in de taal die wij spreken. En hij lei zijn wapenrok af en toog aan de arbeid.

Boeren, soldaten, arbeiders. Het communistische milieu waar ik opgroeide kon zich daar zeer goed in vinden. God kon er nog wel bij. Die zou vanzelf wel verdwijnen naarmate de economie zich verder ontwikkelde. Zoals de ondergeschikte positie van de vrouw ook wel zou verdwijnen. ‘Ofwel niet,’ zoals mijn grootmoeder daar placht aan toe te voegen.

Opnieuw de dood op bezoek gehad. Wanneer het me zou uitkomen? Hij is voorkomend – mannelijk ook – en draait er niet omheen. Iedere vorm van pathetiek ontbreekt, dat is wel goed.

Derde dag

Op het einde van de jaren negentig liep ik m’n geschiedenisleraar van het Atheneum in Lokeren tegen het lijf, Werner Vandenabeele (1926-2000). Hij was met pensioen en vertelde dat hij niet alleen rondleidingen gaf op het Oud Kerkhof in Lokeren, maar ook opzoekingen deed in het archief van de Belgische Communistische Partij te Brussel. Hij vroeg informatie over Rosa Michaut (1914-1983), met wie ik jarenlang heb gecorrespondeerd. Zijn historisch onderzoek bleek zich te richten op de periode van kort na de Tweede Wereldoorlog. Zijn vader, Juul Vandenabeele, huisarts te Overmere, was na de oorlog veroordeeld geworden wegens collaboratie en werd net als Filip de Pillecyn opgesloten in het Kamp van Lokeren. Dat kwam ik pas later te weten.

‘Wat klopt er van de verhalen over mijn vader die in die tijd als lid van de Communistische Partij en het O.F. (Onafhankelijkheidsfront), samen met iemand van een Belgicistische weerstandsbeweging de dienst uitmaakte op het stadhuis in Lokeren, waar ze door een boer uit Daknam, die ze de rol van burgemeester hadden toebedeeld, hun beslissingen lieten ondertekenen? Er zouden interneringsmandaten voor het Kamp van Lokeren zijn afgeleverd. In welke mate was hij daarbij betrokken?’

‘Heeft uw familie er ooit last van ondervonden? Voor zover mij bekend, niet.
Björn Rzoska heeft er een studie over gepubliceerd. Vraag hem of hij de naam van uw vader is tegengekomen.’

Over zijn eigen verleden, toen hij als achttienjarige zijn vader in dit interneringscentrum had bezocht, zweeg hij. Hij zweeg ook over de getuigenissen die hij daar over verzamelde. Nieuw werk wachtte.

Vierde dag

De historicus Björn Rzoska (°1973) uit Lokeren bleek net als ik (°1947), ooit nog geschiedenis te hebben gevolgd bij Werner Vandenabeele. Het Kamp van Lokeren? Geen spoor van mijn vader. Ik vroeg hem terloops ook of hij me kon helpen om te achterhalen waar mijn vaders vader in Lokeren begraven lag en of het stadsarchief zijn overlijden vermeldde. Geen spoor van mijn vaders vader.

– U heeft gewoon een slechte relatie met uw vader. Wat heeft dat met De Pillecyn te maken?
– Voilà, de geschiedenis is geschreven.
– Waarom vraagt ge het anders?
– Omdat hij drie andere graven heeft proberen liquideren, een foto album met de vuilnis heeft meegegeven. Omdat ik me buiten de archieven om, rekenschap tracht te geven van het denken van diegenen die in Duitsland vernietigingskampen hebben ingericht, van de mentaliteit van diegenen die in Lokeren mensen zoals De Pillecyn opsloten in een kamp. Heeft Filip de Pillecyn daar iets mee te maken? Heb ik daar iets mee te maken?

Ik heb met mijn persoonlijke geschiedenis te maken. Waarom zou ik mij anders verdiepen in wetenschappelijk historisch onderzoek dat niets anders is dan een hoogst interessante verzameling anekdotische aantekeningen bij het wezenlijke van wie iemand is?
– Er zijn geen gegevens.
– Historische kritiek van Strubbe: bronnen, getuigenissen.

Zullen we dan maar het Tarot van Marseille raadplegen?
De gehangene. De zegewagen.

Of zullen we ons houden aan de rapporten van François Louis Ganshof van der Meersch, in 1944 en 1945 werkzaam voor de Belgische Staatsveiligheid?

‘Ik werd over de toestand in Lokeren ingelicht,’ schrijft hij, ‘door de procureur des konings van Dendermonde, Mr. Rommel, door Mr. Sentenair, substituut van de krijgsauditeur, afgevaardigd in deze stad en door eerste wachtmeester Rochtus, cdt. van de rijkswachtbrigade, een uitstekend onderofficier, over wie luitenant Fastrez zich in lovende bewoordingen heeft uitgelaten.
Het O.F. in Lokeren, onder leiding van een zekere Hoste, heeft de neiging om op een willekeurige manier op te treden en zijn programma uit te voeren zonder rekening te houden met de gezagsdragers. Dat blijkt ook uit hun openlijke verklaringen. Het programma lijkt communistisch geïnspireerd.
Het O.F. is overgegaan tot zeer betwistbare arrestaties, zoals die van Dr. Dierickx, een schepen die uit zijn ambt werd gezet door de Duitsers. Verder verplicht het O.F. de waarnemend burgemeester, een volslagen onbevoegde, dat hij interneringsmandaten ondertekent zonder enig verder onderzoek. Hij dient zelfs blanco mandaten te ondertekenen.
We staan hier voor een toestand waarbij de burgemeester dient te worden aangemaand om een einde te stellen aan deze praktijken. De misnoegdheid van de bevolking tegenover het O.F. heeft werkelijk de vorm aangenomen van haat.’

Het systeem van de Tarotkaarten berust op een vergelijkend schema tussen de mens en de onbekende wereld.

Vijfde dag

In 1987 verscheen het boek Schuldig Geboren van Peter Sichrovsky. Kinderen van nazi’s. met bijdragen over Helmut Seys-Inquart, ‘Gonda’ en de Vlamingen ‘Fimin’ en ‘Guido’. Ze leefden nog steeds in de schaduw van het verleden van hun ouders. Zoals ik. Een fascinerend portret van een zwaar belaste generatie.

(‘De Vlamingen’ wijst op het feit dat de vertaling in Nederland werd gepubliceerd. Een discriminerende formulering die ook al jaren wordt gebruikt in de nieuwsbrief van de Commissie Cultureel Verdrag Vlaanderen Nederland: de Vlaamse minister, de Vlaamse hoogleraar, de Vlaamse theatermaker, de Vlaamse fluitiste… de Boek-delen prijs, die vorige keer naar Khaled Hosseini ging, werd uitgereikt aan de Vlaming Stefan Brijs.)

Uit zijn voorwoord vernemen we dat Sichrovsky in 1947 in Wenen werd geboren als zoon van gerepatrieerde joodse emigranten en omgeven was door leeftijdgenoten van wie de ouders een paar jaar eerder hadden geprobeerd om zijn ouders van het leven te beroven.

Wat de ondervraagden vertelden over het nazistische milieu waarin ze waren opgegroeid is maar al te gelijklopend met wat ik zelf thuis heb meegemaakt. Helmut Seys-Inquart getuigt over zijn jeugd alsof hij spreekt over die van mij.

Een krantenbericht gevonden dat als bladwijzer werd gebruikt. NCRV-TV 28.10.1989. Ned I. 21u.44. Rondom tien. Kinderen van de oorlog. Hans Sleeuwenhoek confronteert in de studio de nu volwassen kinderen van de NSB-ers met elkaar. Ze hebben een gemeenschappelijke ervaring. Niets is vergeten, niets is verwerkt.

Opnieuw sta ik in de woonkamer van de liberale kennissen van mijn ouders voor een bibliotheek vol Duitse boeken: literatuur, filosofie, wetenschappen. Ik leer er Duitse edities in fractuurschrift ontcijferen van klassieke Griekse teksten. De Aufzeichnungen des Malte Laurids Brigge van Rilke worden er luidop gelezen, zoals men er af en toe ook een fragment voorleest uit Mensen achter de dijk.

Over De veerman en de jonkvrouw bewaart men het stilzwijgen. Het rode badpak? Men geeft elkaar het boek en vraagt enkele weken later: ‘Hebt ge De veerman en de jonkvrouw gelezen?’ Het klinkt zonder meer als een aanzoek. Hoorbaar is de ingehouden begeerte die men in de tekst heeft gevonden. De intonatie verraadt weemoed en onvervuld verlangen. Pose, romantiek, theater. Maar in de stallen neemt men de vrouwen. Hitte, geweld, drift.

Sichrovsky laat met zijn interviews zien hoe alles zowel zijn tegendeel is als datgene wat het is, hoe graag het zich voorgeeft als datgene wat het niet is, hoe het omgaat met inbeeldingen, voorstellingen, retoriek. Hoe lang duurt het toch eer men daar voor zichzelf achter komt? Schoonheid en wreedheid. Cultuur en misdaad. Moeten we tot bij Freud? Of tot bij de hoofse liefde van Middeleeuwse ridders die moordend en brandend Gods woord verkondigen?

En sprakeloos gehoorzaamde zij. In haar doodsangst was ze van bovenmenselijke schoonheid; heur haar was weggewoeld over het blauwe kleed, het witte nachtgewaad bedekte schaars de lieflijkheid van schouders en borst en haar ogen vol geglim van de kaarsvlam waren zo heerlijk dat Blauwbaard nooit zoiets had gezien. (…) Gij zijt schoon, zei hij. Hij rukte de degen uit de planken vloer en bezag hem. En als een schicht was het die boorde door het licht in de borst van de vrouw.

‘Blauwbaard heb ik toch niet zo graag gelezen,’ zegt mijn moeder enigszins verlegen. Zij speelt wie zij is en kijkt naar haar echtgenoot op als naar het soort held dat Van Wilderode in het werk van de Pillecyn herkent.

‘Je hebt veel moed gehad,’ zei me onlangs iemand, ‘om je uit dit milieu los te maken.’ Ik schrok alleen maar. Vrouwelijk Enkelvoud, 1987. Ben ik zo oneindig oud?

Zesde dag

Agnes Adriaenssen, Na den oorlog schieten ze mij dood. Meisjes tussen Diets en Duits 1940-1945.

Diverse archieven, dagboeken, krantenverslagen en persoonlijke gesprekken met niet nader genoemde vrouwen die neergeschreven bedenkingen uit hun jeugd aan de openbaarheid tonen, maar nog steeds zichzelf verbergen. Ook voor hun kinderen? Voor hun kleinkinderen?

‘In Het Laatste Nieuws lees ik dat wij een futloos volk zijn omdat wij eeuwenlang onderdrukt waren door de Fransen, naar wie wij ons geplooid hebben. Verdorie, meneer Sacré (zo heet die journalist), niet overdrijven hé. Wij zijn er ook nog.’ (p.55)

‘En als je later trouwt krijgt je man een hoeve als huwelijksgeschenk. Dan moet je wel met een boerenjongen willen trouwen, natuurlijk. Maar het leven als een zelfstandige boerin heeft ook zijn charmes, dacht ik. Dag en nacht in de gezonde buitenlucht, de natuur door alle seizoenen intens beleven, altijd dieren om je heen, ouders en je hele sibbe op het platteland. Een lange boerentafel onder een notenboom in de zomer, en daaraan vijf, zes, tien blozende peuters, kleuters, jongens en meisjes, van mij…’ (p.89)

In dit verband schrijft priester-dichter Anton Van Wilderode in de Moderne Encyclopedie der Wereldliteratuur: ‘Met Hans van Malmédy en De soldaat Johan is meteen ook de figuur geschapen die in het overige werk van De Pillecyn zonder wezenlijke verandering zal optreden: (…) voortdurend ook gedreven naar de vrouw die echter zijn fundamentele onvrede nooit een blijvend ‘tehuis’ zal kunnen geven.’

In Profiel, nawoord bij het ‘Scheppend Proza’ van De Pillecyn, wordt dat: ‘Dikwijls speelt de vrouw een belangrijke rol in hun leven, zelden echter als echtgenote en moeder, zelden ook als symbool van veiligheid of toevlucht. Veeleer zijn zij vleesgeworden hartstocht (…)’

En dat het personage Blauwbaard zeven vrouwen vermoordt, gebeurt ‘uit verzet tegen een gevreesde beperking van zijn zelfstandigheidsgevoel’, waarna Blauwbaard ‘een rustige, vriendelijke heer wordt…’

In Een schoon bestaan, een autobiografisch boek dat ik in 1989 heb gepubiceerd, loopt de terreur van de vrouwen uit mijn kindertijd als een rode draad door de tekst.

‘Soms worden de vrouwen door oudere mannen van ons weggehaald, of enkele kamers verderop door echtgenoten afgetroefd. Jonge hoeren zijn het, verslaafd aan hun lijf en het geheime ondergoed. Af en toe nemen ze ons op, drukken ons tegen zich aan, besparen ons hun verdriet. Over hun verhoudingen wordt niet gesproken.’ (p.77)

Mijn oud-leraar Latijn en Grieks, die administratieve sancties had opgelopen wegens collaboratie, was over dit literair familiealbum heel kort: ‘Men bevuilt zijn eigen nest niet.’ Maar over de oorlog tegen Troje sprak hij op een zeer poëtische manier.

Hoe kan men datgene situeren waarover men met zekerheid weet dat het bestaat, maar waar niemand ooit is aan begonnen? Is men in dit geval uiteindelijk niet verplicht om de werkelijkheid te fictionaliseren?

Nazistische en communistische milieus in Oost-Vlaanderen deelden dezelfde cultuurhistorische waarden, waren daar op een vergelijkbare manier aan onderhevig, droegen daar allebei maar al te zeer toe bij.

Men voert achteraf aan dat ze intussen toch fundamenteel andere maatschappijvisies verdedigden. Dat valt niet te ontkennen. Economische belangen en politieke machtsposities zetten hen tegen elkaar op. Maar zij deelden wel dezelfde cultuur, dezelfde moraal, dezelfde hypocrisie.

Zo deelden zij ook het werk van De Pillecyn. Zij beleefden dezelfde retoriek en ze zouden dat net zo goed hebben ontkend als bevestigd. Daar tussen bestond geen onderscheid.

– Moet men over alles zo moeilijk doen?

Men kan de geschiedenis ook anders bekijken en de voorkeur geven aan zogenaamde objectieve gegevens in plaats van zich in te werken in een zogenaamde subjectieve mentaliteitsgeschiedenis. In de aanloop naar collaboratie en repressie vindt men dan een gedefinieerd onderzoeksobject in de Frontbeweging en de Frontpartij. Het flamingantisme verschijnt er als een sociaal engagement met politieke verbindingen van uiterst links tot uiterst rechts. Het Vlaams nationalisme wordt er geformuleerd als volksverbondenheid en liefde voor de eigen taal.

In Mensen achter de dijk krijgt die liefde en volksverbondenheid een literaire vorm. Met grote precisie geeft de literaire tekst aan waar het om gaat. Het historische vertoog daarentegen, dat dit discours tracht te omvatten binnen een bredere sociaal politieke context, maakt voornamelijk zichzelf zichtbaar.

We kregen Rochus in de lessen Nederlands op de Rijksmiddelbare Jongenschool in Lokeren. Ik onderging de retoriek die weerklonk in de toon waarop de leraar voorlas, zoals ik het geweld onderging dat voelbaar aanwezig was in alles wat met zachtheid had te maken. Toen ik het geweld uit mijn lichaam had verdreven en de dwingende toon waarop Rochus werd gelezen in mijzelf had overwonnen,
kon ik op zoek naar wie ik was. Hoe stonden de zaken ervoor als ik bij Sjklovski zou beginnen?

Onlangs vroeg iemand mij: ‘Hoe kunt u zich met mensen verbinden als u niet gelovig bent?’ Ik heb, denk ik, iets gezegd over solidariteit met wie in Afrika en Zuid-Amerika op de aarde ligt dood te gaan. Een gesprek zou ik het niet durven noemen.

Zou De Pillecyn vandaag over Bourgondië schrijven? Boon over Daens?
Zou de serie ‘Flikken’ niet gekund hebben onder het nazisme? Zou er iets aan de dictatuur van de kleine burgerij in de programma’s van de VTM veranderen, als Vlaanderen een regering kreeg met een Vlaams Blok minister op het Departement Cultuur?

Leave it.

Zevende dag

Frans D. ontmoet. (Gebruik van initialen, bedoeld om de privé-sfeer te beschermen. Alsof het onmogelijk zou zijn om alle initialen te ontcijferen voor wie dat wil. Alsof er geen verzwegen beschuldiging uit spreekt, alsof men op die manier aan de ander geen gevoel van schaamte oplegt. Alsof men zelf buiten dit alles staat. Bijna alsof dit nooit eens zal ophouden. Waarom kunnen we spreken als het is om te blijven zwijgen?)

‘Ge hebt geschreven dat mijn vader in dat kamp zat.’ Een dag in maart, 2006.
‘Waarom?’ Eigenlijk is Frans D. de enige die deze passage op die manier kan lezen. (Ik schrijf zo. Ook voor één lezer. Ook voor niemand. Ik sluit niemand uit.)

‘Omdat ik hier sta, Frans. Hier waar ik sta. In de tijd en op deze plaats. En omdat ge het mij hebt verteld. Omdat ge mij uw leed hebt verteld. En omdat ik kom van waaruit ik kom. Ik draag geen schuldgevoel over de perversie van mijn ouders, maar ik draag wel een morele verantwoordelijkheid voor mijn afkomst. Wat dat betreft zit ik nog altijd bij uw vader in het Kamp van Lokeren. Hij is dood en ik moet leven.’

– Ge moogt dat zo niet zeggen. En ook, al die grote woorden…
– Ik zal samenzweren met de vos uit Vanden Vos Reynaerde omdat de anderen slecht zijn en ik de slimste ben. Is het deze Vlaamse traditie die moet worden voortgezet?

Heeft iemand het leven van de vader van Frans ooit opgeschreven? Neen. Moet alles worden opgeschreven? Kan het leven niet veel beter worden geleefd? Moet de taal niet in de eerste plaats worden gesproken? Gezongen zelfs? Hij moet de Pillecyn goed hebben gekend. Het kan niet anders. Tegen ‘de Duitsers’ gevochten tijdens de Eerste Wereldoorlog. Met ‘de Duitsers’ gecollaboreerd tijdens de Tweede Wereldoorlog. Door het katholieke Belgische franskiljonisme uit zijn burgerrechten ontzet. Hoe moest hij na de oorlog alles weer in een wereldbeeld inpassen?

Ik vertel. Margarete Buber-Neumann verzette zich tegen Stalins politiek en werd naar Siberië verbannen waar ze de concentratiekampen van de stalinisten leerde kennen. Na het Stalin-Hitlerverdrag van 1940 kwam ze door uitlevering terecht in het vrouwenkamp van Ravensbrück, waar ze vijf jaar de gruwelijkste omstandigheden overleefde.

Het is al laat als wij uit elkaar gaan.
Van Ostayen? Herman Van den Reeck. Willem Elsschot? August Borms.
Ik vertel mijn verhalen aan de huizen van Gent.

Men vraagt zich hier af of ambtenaren een hoofddoek mogen dragen. In ieder geval plaatst men op die manier de Islam op de politieke agenda van een gemeenteraad. Dat is ook de bedoeling: religieuze beleving omzetten in maatschappelijke invloed.

Ik ga nog een pint drinken waar Albanese mannen samenkomen.

Twintig eeuwen Vlaanderen gelezen. Deel 5. De Vlaamse Beweging van 1914 tot 1940. En de memoires van Hendrik De Man? En het ‘geval’ Jef Van Extergem? Teruggedacht aan het werk van Picard, Geyl, Gerlo… en aan ’68, Leuven Vlaams.

Aan de universiteit te Gent was hedendaagse taalkunde verboden. In het geheim leerde ik uit het werk van Chomsky hoe de verborgen presupposities in het dagelijks betoog het mogelijk maakten om de meest barbaarse daden tijdens de Amerikaanse oorlog in Vietnam als aanvaardbaar voor te stellen.

Mijn vader vergaderde met Werner Vandenabeele in het Vlaams huis in Lokeren over de Vlaamse Volksbeweging.
‘Dat hij nu al bij de zwarte zit,’ zeiden zijn liberale kennissen tegen mijn moeder. ‘En dat voor een communist.’

Mijn moeder las Mensen achter de dijk.

De wind strijkt vanuit de Durmevallei over het dorp.

Achtste dag

Litanie

Toen wij vernamen dat in Duitsland op verschillende plaatsen kampen hadden bestaan waar miljoenen mensen naartoe werden gebracht om er vermoord te worden, vroegen wij ons af hoe het zou gekomen zijn dat zo veel mensen in Duitsland dat niet hadden geweten. Althans zo blijken zij later te hebben verklaard. Concentratiekampen? Daar hadden zij niets over mee te delen.

Toen wij vernamen dat in Lokeren een kamp had bestaan waar duizenden mensen naartoe werden gebracht om er een straf uit te zitten die ‘hun straf’ werd genoemd, vroegen wij ons af hoe het zou gekomen zijn dat zo veel mensen in Lokeren dat niet wisten. Dat was althans wat zij later verklaarden. Een interneringskamp? Daar hadden zij niets over mee te delen.

Toen ik vernam dat mijn vader, een zekere Hoste, in Lokeren de leiding had over het O.F. en er als lid van de Communistische Partij het programma van het O.F. uitvoerde, terwijl er door de burgemeester blanco interneringsmandaten werden ondertekend, vroeg ik mij af hoe het zou gekomen zijn dat zo veel inwoners van Lokeren dat niet zouden hebben geweten.

Toen ik me herinnerde dat mijn grootmoeders een paar honderd families in Lokeren kenden en met elkaar zonder moeite van gedachten wisselden over de meest uiteenlopende sociale verbindingen binnen deze kleine stad, vroeg ik mij af hoe het kwam dat er zo weinig informatie bekend was over de manier waarop de bevolking van Lokeren zich persoonlijk tot het Kamp van Lokeren verhield.

Toen ik vernam dat universitair geschoolde historici uit Lokeren de situatie persoonlijk van nabij hadden gekend omdat hun vader of hun grootvader er had verbleven en ik vernam dat ze de geschiedenis van het interneringskamp wetenschappelijk hadden onderzocht, vroeg ik mij af hoe het kwam dat zij verklaarden dat mijn vader niets met het Kamp van Lokeren te maken had.

Toen ik in Lokeren bloemen bracht naar de graven van mijn grootouders en men mij onderweg met afgewende blik zwijgzaam voorbijliep, waarna men zijn gesprek hervattend nog even omkeek, vroeg ik mij af waarom al die mensen mij aan mijn lot hadden overgelaten toen ik een kind was en waarom zij ook later bleven ontkennen wat zij konden weten en onvermijdelijk wisten, en waarom zij over het activisme, het communisme, de collaboratie, de weerstand, de repressie, de rol van de hogere geestelijkheid en die van de liberale burgerij te Lokeren tijdens de oorlogsjaren alleen maar zwegen.

Toen het tot mij doordrong dat ik mij deze vragen stelde, vroeg ik me af waar ik mee bezig was.

Filip De Pillecyn Studies. Ik heb nooit literatuurgeschiedenis gestudeerd. Alleen Praags Cachet van Uyttersprot gelezen. En Kleist.

Negende dag

Geachte Emmanuel Waegemans, heb ik nu wel ergens over geschreven behalve over alles wat mij verwart? En over Filip de Pillecyn? En bent u er helemaal niet tevreden over? Of zal u mij vragen: ‘Waar schrijft u toch over als men u iets vraagt?’ Of zal u zeggen: ‘Ik zou graag hebben dat u aan mij overliet wat ik denk.’

Oostende heeft steeds gezwegen. U zal mij vragen wie Oostende is. Verre familie zal ik Oostende maar noemen. Het Klein Strand, de Vlaamse Club, flamingantisme en financiële transacties die hadden kunnen uitgelegd worden als collaboratie. Ziet u de kleine nuances al aankomen?

Ziet u de kleine nuances die geleid hebben tot de liquidering van Isaac Babel min of meer voor u? Herinnert u zich de brieven van revolutionaire schrijvers aan Gorki?

Mijn vader bemiddelde en dus konden wij in de zomer enkele weken met vakantie naar Oostende. Druk ik mij zorgvuldig genoeg uit? Zwijg ik sprekend voldoende? Is mijn collaboratie met het Vlaamse zwijgen duidelijk genoeg? Ben ik wel in overeenstemming met het cultuurgebied waaruit ik mij niet heb losgemaakt?

Beide foto’s kregen een plaats op mijn slaapkamer.

Heeft iemand mij gevraagd om iets over fotografie te schrijven? Ik krijg niets gezegd, laat staan dat ik iets over de heroïsche retoriek van deze Duits-Vlaamse nationalistische fotografie zou schrijven. Over de Dietsche Meisjesscharen – strakke vlechten – of over de Duitse jongens die klaar stonden om de dood in te gaan – Lederhose, Edelweiss.

filip-de-pillecyn-dagboek-0De jongen op de foto studeerde geneeskunde, pleegde zelfmoord. filip-de-pillecyn-dagboek-3Het meisje op de foto? Misschien dat ze verpleegster werd of een natuurrestaurant begon, ik weet het niet. Hun vader schreef mijn ouders ooit dat hij trots was dat ik een voordrachtwedstrijd gewonnen had. Ik won dikwijls voordrachtwedstrijden. Mijn ouders vonden dat compleet waardeloos.

De taal is niet gans het volk. Het fascisme is dat niet, het communisme is dat niet, het volk ook niet.

Wat verkocht wordt is te koop. Heidegger vindt dat kunst op het moment dat ze wordt verkocht zichzelf onteigent. Hij heeft zich met het fascisme gecompromitteerd. Vandaag is hij weer erg populair in academische kringen en ik laat mij door een professor filosofie uitleggen waarom dat ook zo bijzonder aannemelijk is.

Hoe langer ik het onderwerp de Pillecyn een plaats geef in de tijd, hoe ondraaglijker het wordt. Ik zal Roland Barthes moeten lezen om weer iets te horen, iets te zien.

Geachte Emmanuel Waegemans, misschien kunt u deze beide foto’s toch maar publiceren. Misschien dat zij mijn zwijgen doorbreken. Of moeten we wachten? Waarop? Op het moment dat De Morgen en de Humo iets anders doen dan hun jezuïtisch verleden verbergen achter branie, cynisme, pose en gespeelde superioriteit? Probeer deze foto’s toch maar te publiceren als het enigszins kan. En als iemand u zou vragen wat ze met De Pillecyn te maken hebben – misschien gebeurt dat wel – wilt u dan zeggen dat ze volgens mij alles met De Pillecyn te maken hebben? En als iemand u zou vragen om dat uit te leggen – misschien wil iemand dat uitgelegd krijgen – wilt u dan vragen of hij/zij zichzelf aan zichzelf kan uitleggen? Of moeten wij de schaamte die de Vlaamse media ons opleggen blijven verdragen?

Ons Erfdeel: ‘Maar Pol, denkt ge echt dat er iemand in Holland is die u kan lezen?’ We staan in de Vlaamse Academie die Nederlandse Academie heet. Daarna gaat het naar de Vrijdagmarkt. Daar spreekt de dichter Van Bastelaere over rode reuzen, witte dwergen en zwarte gaten.

Op een caféterras geniet de dichter Deleu van de ondergaande zon. Hij trekt zijn hoed over zijn hoofd, verdiept zich in een gedicht en laat zich vertalen. ‘Ga weg,’ zegt hij tegen mij. Ik lees zijn poëzie.

Ik lees alleen maar poëzie. Waarom heeft De Pillecyn geen poëzie geschreven? De Pillecyn had toch poëzie kunnen schrijven? Deleu schrijft wel poëzie. Is poëzie niet heel mooi? Is het proza van De Pillecyn niet heel poëtisch?
Het houdt niet op, dit soort dingen. Het houdt maar niet op.

Een onbekende komt naast mij staan. ‘Ik ken u wel,’ zegt hij. ‘Uw vader is burgemeester van Lokeren geweest.’ Het houdt niet op. Nadat ik was afgestudeerd, slaagde ik voor heel wat examens in openbare dienst. Het bleef bij opname in de werfreserve. Nooit werd ik aangeworven. Men moet zich voorstellen dat ik daar geen verklaring voor vond.

Watou op de televisie. De Ronde van Frankrijk in Gent. De onafhankelijkheid van Vlaanderen in Europa. Iedereen met vakantie.

Tiende dag

Een foto van De Pillecyn gevonden, een prentkaart die je kan versturen. Alleenverkoop: De Standaard Boekhandel. Foto: E. Barbaix, Gent. Eigendom: St. Thomasgesticht. Nieuwland, 198, Brussel. Verboden Nadruk.

Hoe je de geschiedenis eigenlijk vrij makkelijk in een paar grote lijnen kan schetsen… En hoe het vrijwel onmogelijk lijkt om vanuit persoonlijke getuigenissen vertrekkend, bij deze grote lijnen uit te komen zonder het algemene historische perspectief in te ruilen voor een oneindig boeiende anekdotiek.

Symboolwaarde van literatuur?

Wies Moens, wij zijn U zeer dankbaar om uw brieven uit de cel. Mocht de broederschap die gij aanpredikt in Vlaanderen werkelijkheid worden. (21.02.1921)

Uit het werk van De Pillecyn blijkt zijn belangstelling voor de traditie van de grote vertellers. De Duitse traditie, de Russische traditie, de Scandinavische traditie. Hij behoort daar zelf toe. Alleen maakt het chauvinisme van Noord Nederland dat deze verhalende literatuur uit Vlaanderen wordt afgedeeld bij de traditie van de streekromans.

De Groot-Nederlandse gedachte zorgde er een tijdje voor dat dit in mindere mate gebeurde. En verder betekenden de uitgaven van de Wereldbibliotheek een merkwaardige verbinding tussen Hollandse calvinisten en Vlaamse vrijzinnigen. Ze vormden een literaire ontmoetingsplaats voor mijn communistische ouders en hun liberale kennissen. Iets als de bibliotheek van het Willemsfonds in Lokeren.

Een twintigtal jaar later behoorde ideologische bemiddeling en confrontatie door literair werk teweeggebracht tot het verleden. Tegelijk was belangstelling voor de literaire avant-garde niet langer iets waar kranten en weekbladen naar op zoek waren. In de Nederlandse Volkskrant vond Jan Blokker dat literatuurkritiek niet in een krant thuishoorde. Hij had het meer voor schrijvers en roddels, de Haagse Post en Vrij Nederland achterna. Dat heette ‘personal interest’. Hij was zijn tijd vooruit.

De ontdekking van het cultuurmanagement stond er aan te komen, de meer dan gewettigde zelfingenomenheid van yups, het ontstaan van bloeiende literaire bedrijfjes die investeerden in mainstream. Produceren voor de markt. De concurrentie uitschakelen. Snieren in de media. Het NWT waar niemand nog kon aan twijfelen. Meningsverschillen onder uitsluitend gelijkgezinden. Het einde van de geschiedenis, het einde van de tegencultuur. De literatuur ondergebracht in een administratie die zich vrijwel uitsluitend bekommert om haar eigen instandhouding. Cultuurbeleid? Letterenbeleid? Inhoudelijke discussies vernietigd door hypercorrecte regelgeving. Democratie die uitsluit wat ze mogelijk maakt.

Elfde dag

Waarom lazen mijn ouders en hun kennissen een katholiek schrijver als De Pillecyn? Het waren toch communisten? Het waren toch liberalen?

Het lijkt een terrein dat nog lang niet in kaart is gebracht. Om te beginnen blijft Vlaamse literatuur nog steeds een betwistbare afgrenzing binnen de cultuurgeschiedenis van de Lage Landen. Laat staan dat men zich al te ver op het persoonlijke vlak zou wagen in plaats van algemeenheden te formuleren en het Noord-Nederlandse discours te herhalen. Ik heb hier alleen een paar meetstokken uitgezet.

Ik zou ook kunnen antwoorden: omdat De Pillecyn niet alleen sprak in de tijdsgeest waarin mijn stalinistische ouders en hun liberale kennissen leefden – Boon deed dat al veel minder, ook al behoorde hij veel meer dan De Pillecyn tot hun generatie – maar ook omdat hij hen in zijn verhalen herinnerde aan het gedachtegoed van het Christendom (met een hoofdletter) waar ze mee waren opgevoed, waar ze hun morele en ethische waarden aan ontleenden, waar ze zich hadden van afgekeerd en een intense negatieve verbinding mee onderhielden, al was het maar ter gelegenheid van de gemeenteraadsverkiezingen. Waren ze niet gedoopt? Voor de kerk getrouwd? Hadden ze mij niet laten dopen? Niets belette hen dat zij zich atheïst noemden, Pius XII verafschuwden, nieuwe christenen tegen betaling voor hun zielheil lieten bidden of zich met een kerkdienst lieten begraven. Altijd opnieuw: ontkenning en bevestiging samen.

– We gaan daar toch niet moeilijk over doen? Neem nog een stuk taart.

Of lazen ze De Pillecyn omdat ze zijn verbondenheid met zijn geboortestreek deelden, omdat ze daar aan gehecht waren als iets dat hen zo sterk had gevormd dat ze het niet durfden verlaten uit angst ook zichzelf te verliezen? Waren zij zichzelf al niet op zo veel andere punten kwijtgeraakt?

De Pillecyn beschreef het landschap. Zij fotografeerden het. Zijn er ooit betere fototoestellen geweest dan Duitse? Ze verkenden de dorpen langs de Durme met hun eerste auto. Hebben er ooit sterkere auto’s bestaan dan Duitse?

Ze zijn er ook altijd blijven wonen, zijn altijd het dialect blijven spreken dat net zo goed bij hen hoorde als de handelingen van het dagelijkse doen.

Men zou kunnen zeggen: ze hadden zich toch afgekeerd van nazisme en Vlaams nationalisme. Werd ik niet met de communistische jeugdbeweging naar Praag gestuurd?

Men zou ook kunnen zeggen: ze waardeerden de Duitse filosofie, de Duitse literatuur, de Duitse naturistencultus, de Duitse hondendressuur, de Duitse discipline, het organisatorische talent om een briljante oorlogsmachine draaiende te houden, de Keltische symboliek, het gemeenschappelijke Germaanse verleden dat in hun taal weerklonk. Werd ik in het kader van de Vlaamse Volksbeweging niet naar studiedagen van de Lodewijk de Raet-stichting gestuurd? Meneer Van Haegendoren bekeek mij maar raar.

Filip De Pillecyn? Geachte Emmanuel Wagemans, het lijkt me geen gemakkelijke opgave.

De Pillecyn werd niet zomaar gelezen. Hij werd besproken. Men gaf zijn boeken aan elkaar te lezen. Men reed ’s zondags met de auto tot in zijn landschappen, ging er wandelen, las elkaar een passage voor op het punt waar men meende land en tekst te zien samenvallen, liep als het ware door het boek, poseerde voor een foto.

Het idee dat de organisatie van de literaire middelen in zijn teksten de weerspiegeling vormde van een ideologie die zij niet deelden, was afwezig. Zo goed als nooit kwam zijn politieke houding ter sprake. Was het omdat collaboratie en repressie niet tot een conclusie konden leiden, maar hoogstens de verzwegen meningsverschillen nodeloos te berde zouden brengen?

Of was het omdat men van oordeel was dat de positie van De Pillecyn slechts kon worden gekaderd door de geschiedschrijving van diegenen – Geyl bijvoorbeeld – voor wie de eenheid ‘België’ een nauwelijks werkbare constructie was? Of omdat men zonder verdere overwegingen – die van Pirenne bijvoorbeeld – het geografische gebied – geboorteplaats en datum – beschouwde als enig mogelijk organisch vertrekpunt voor zijn eigen leven, voor wie men dacht te zijn, voor de manier waarop men De Pillecyn las, Gülbranssen las en Jean Giono….

Geachte Emmanuel Waegemans, ik heb eigenlijk alleen maar vragen. Maar aan wie? Dat lijkt me vandaag nog de moeilijkste vraag.

Pol Hoste
@ Filip De Pillecyn Studies IV (2008)

(*) Met alle sympathie voor Anton Stevens, de documentaire “In de voetsporen van Filip De Pillecyn” (20/6/1991) is een beetje te ‘expliciet’. Daarmee bedoel ik: iemand leest voor uit het werk van De Pillecyn en tegelijk zie je dat ook geacteerd, b.v. hij nam haar in zijn armen, zij sloot de deur enz., kortom “I’m looking over a four-leaf clover”…
(**) In Gent was zijn stamcafé uiteraard… de Roeland.
(***) Men zou kunnen zeggen: allemaal echte Dietse schrijvers, ware het niet dat de bezetter zelf in 1941 dit woord, “Diets” dus, had verboden. Nochtans was het voor de rest opvallend hoe weinig de censuur zich verder in Vlaanderen met de literatuur bemoeide, cfr. het debuut van Louis Paul Boon dat ondanks een vlammende recensie van Jeanne De Bruyne ongemoeid werd gelaten.

Referenties
Joos Florquin, Ten huize van Filip De Pillecijn, Leuven, 1962.
Thérèse Jamar en Hugo Van der Cruyssen, Gedachten van Filip De Pillecijn, Antwerpen, Standaard Uitgeverij, 1987.
Bert Ranke, Filip De Pillecijn, Antwerpen, 1941.
Boris Rousseeuw, “Wij oordelen niet over zijn daden”, Gazet van Antwerpen, 23 mei 2009.
Daniël Vanacker, De prins van de Vlaamse roman, Het Nieuwsblad, 22 oktober 1987.
B.V.Van Vlierden, De romankunst van Filip De Pillecijn, Antwerpen, 1961.
Anton van Wilderode, Filip De Pillecijn, 1973.

2 gedachtes over “Filip De Pillecyn (1891-1962)

  1. Beste meneer De Schepper,

    Met dank voor uw initiatief om dit artikel onder de aandacht te brengen. Reeds geruime tijd probeer ik het werk van De Pillecijn te begrijpen. Door toedoen van het leven bezit ik in mijn “Nachtlibrije” zowat de hoofdmoot van wat uit zijn pen is gevloeid. (Incl. zijn monografieën over katholieke priesters). Voortdurend vroeg ik me af: wat lees ik hier eigenlijk ? Waarbij ik mij steeds bewust ben dat ik iets lees geschreven in een bepaalde tijdsomgeving en dus als dusdanig moet worden ontcijferd.
    Die verbazing, begrijp ik nu is evenzeer te wijten aan het Vlaamse stilzwijgen waarop Pol Hoste alludeert. Zo eindelijk een stem (die van Hoste) die wat richting geeft. Wat een verademing !

    ps

    Ik wil niet vervelend doen met loftuitingen, maar ik vind uw site (die ik pas onlangs ondekt heb oa via de site van mijn vriend Jan Mariën a common reader) fabuleus. Ik herhaal fabuleus !
    Proficiat !

    Vriendelijke groeten

    Like

  2. Beste Pol,
    Wat ik hier lees is toch niet helemaal juist:
    “Zijn vader, Juul Vandenabeele, huisarts te Overmere, was na de oorlog veroordeeld geworden wegens collaboratie en werd net als Filip de Pillecyn opgesloten in het Kamp van Lokeren. Dat kwam ik pas later te weten.”
    Kleine, niet onbelangrijke correctie: mijn grootvader Juul is nooit veroordeeld voor collaboratie.
    Hij is in september 1944 zoals tienduizenden anderen opgepakt als verdachte en opgesloten in het Hechteniskamp Lokeren, waar hij bijna een half jaar ‘verbleven’ heeft.
    Hij is nooit veroordeeld geweest, want in feite kon men hem niets ten laste leggen.
    Dat is wel een belangrijke nuance!
    Groetjes,
    Peter Vandenabeele

    Like

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s