Nadat hij haar zus Aloysia niet had kunnen krijgen, trouwde Wolfgang Amadeus Mozart 235 jaar geleden met Constanze Weber. Op de huwelijksdag zelf had vader Leopold nog altijd zijn toestemming niet gegeven, dat deed hij maar post factum en met veel tegenzin een dag later.

Dat had ook te maken met het feit dat vader Mozart in juli bij zijn zoon de Haffnersymfonie had gecommandeerd om daarmee het opnemen in de adelstand van Siegmund Haffner te vieren en dat Wolfgang deze nog steeds niet had opgeleverd. De familie Haffner woonde in Salzburg, maar Woolfie zat op dat moment reeds in Wenen, waar hij naartoe was “gevlucht” nadat hij nog liever ontslag nàm bij de aartsbisschop van Salzburg dan door hem ontslagen te worden, omdat hij het niet nam als een gewone bediende te worden behandeld die voor Zijne Excellentie een liedeken moest spelen als Zijne Doorluchtige Hoogheid er toevallig zin in had.
Wolfgang schrijft deze 35ste symfonie, de zogenaamde “Haffnersymfonie” (KV.385), met tegenzin. Niet omdat hij zijn jeugdvriend in de steek wilde laten, maar omdat hij volop aan het werken was aan een bewerking van zijn “Entführung aus dem Serail” voor houtblazers. Dat was immers een “hit” aan het worden en snoodaards lagen op de loer om met zo’n bewerking succes te gaan oogsten. Mozart wou hen tegelijk voor zijn en bovendien een beter product afleveren.
Op de koop toe was hij die maand volop aan het verhuizen n.a.v. zijn huwelijk. “Ik zal doen wat ik kan, het is met de beste bedoelingen,” schreef Wolfgang aan zijn vader, “maar ik weiger nu eenmaal minderwaardig materiaal af te leveren”. Het is geweten dat Leopold minder scrupules had.
Uiteindelijk kwam zelfs in stukken en brokken de symfonie niet op tijd klaar, zij het dat, àls ze af was (op 24 augustus), Leopold wel zo eerlijk was van zijn zoon te feliciteren met het resultaat. Anderzijds is hij nog altijd zo boos dat hij “vergeet” het manuscript terug te sturen tot in februari van het volgende jaar. Wolfgang heeft er hem in niet minder dan vijf brieven moeten om vragen. Toen hij ze uiteindelijk kreeg, was hij ze reeds compleet vergeten en was hij zelf verbaasd over de kwaliteiten ervan.
Voor de uiteindelijke versie verwijderde hij wel de mars en één van de twee menuetten, omdat die louter voor de feestelijkheden bedoeld waren. Anderzijds voegde hij er fluiten en klarinetten aan toe. Tussen haakjes, als we zijn brieven mogen geloven was Woolfie nog maagd toen hij trouwde: Constanzes zus Aloysia had hij dus blijkbaar “gerespecteerd” en hij was (nog?) niet naar prostituées gegaan omdat hij bang was voor een geslachtsziekte.
In Wenen schrijft hij op 28 december 1782 zijn klavierconcerto nr.11 in F, KV.413. Vanaf dan speelde hij op een pianoforte van Anton Walter. Daarvoor weet men het niet precies. Het kan een klavecimbel geweest zijn, maar ook een instrument van Stein. Uit de brieven van Mozart worden we niet veel wijzer, want daaruit blijkt vooral dat hij op het gebied van instrumentenbouw zeker geen genie was. Vaak vertelt hij gewoon klinkklare onzin. Jaja, ’t zal sommigen misschien tegenvallen maar ook Mozart was maar een mens. Interessanter is dat in een bepaald thema reeds “Si vol’ baliare, signor contino” uit “Le nozze di Figaro” doorklinkt.
Daarna volgt zijn 12de klavierconcerto (in A, KV.414), waarvan hij zegt: “Alleen voor fijnproevers, al moeten ook leken er iets aan hebben, zonder dat ze precies weten wàt”. De trage beweging van het klavierconcerto is opgedragen aan de nagedachtenis van de pas overleden Johann Christian Bach.
Bij de jaarwisseling schrijft hij ook zijn Grosse Messe in c (KV.427). Dat gebeurde zonder verplichting, vanuit een oprecht religieus gevoelen, waarschijnlijk naar aanleiding van de ziekte en de genezing van Constanze, toen nog zijn verloofde, Mozart was daar dus ernstig mee bezig, zij het dan op zijn typische vrijmetselaarsmanier.
Om een of andere reden is de Missa in C (ook wel Grosse Messe genoemd, KV.427) onafgewerkt gebleven. Het Credo geraakt niet verder dan “Et incarnatus est” en een Agnus Dei is er nooit gekomen. Toch is het werk wellicht uitgevoerd in de Benedictijnerabdij van Sankt Peter Stift op 26 oktober 1783 (met Constanze als sopraan en dorpsmuzikanten als aanvulling), maar of en zo ja, wélk Credo en Agnus Dei werd gebruikt, is niet geweten.
Er zijn wel mensen die zich geroepen hebben gevoeld om deze mis te gaan “vervolledigen”, maar Sigiswald Kuijken gebruikt een eigen bewerking omdat hij de bestaande ofwel te sober, ofwel te opgesierd vindt. Toch is hij niet van plan zijn eigen bewerking uit te geven. “Dat ligt niet in mijn aard. Dat laat ik liever aan de musicologen over, dan doen ze ook eens iets nuttigs.”
Kyrie en Gloria werden door Mozart zelf in 1785 bewerkt tot de cantate “Davide penitente” (KV.469) in opdracht van de Wiener Tonkünstler Sozietät, die de opbrengst zou aanwenden in een soort van pensioenfonds voor musici, waarvan Mozart lid wilde worden.
Op 22 januari 1783 volgt, nog steeds in Wenen, het klavierconcerto nr.13 in C, KV.415. Daarna volgt “Mia speranza adorata” (KV.416) voor Aloysia Weber (nu Lange) in januari 1783. De tekst heeft Mozart ontleend aan de opera “Zemira” van Pasquale Anfossi.
“No, no, che non sei capace” (KV 419) was een aria die fungeerde als ingevoegd nummer in de opera “Il curioso indiscreto” van Pasquale Anfossi. Mozart componeerde de aria speciaal voor Aloysia Lange. Hij bracht echter een schandaal teweeg in de operamiddens van het Weense hof: de Italiaanse factie was misnoegd over wat haar een grove belediging leek. “Mozart wil de opera van Anfossi verbeteren,” zei men. Op aandringen van Mozart werd een notitie gedrukt waarin hij verklaarde dat het niet in zijn bedoeling lag om de professionele etiquette te schenden.
Met de Haffner-symfonie opende Mozart een concert op 23 maart dat door de keizer werd bijgewoond en dat een geweldige triomf was voor Mozart. Hij speelde zelf pianoforte in de concerti KV.415 en 175 en voor improvisaties op Paisiello (“I filosofi immaginarii”, KV.398) en Gluck (“La rencontre imprévue”, KV.455). Daarnaast waren er ook nog concertaria’s (door Aloyia) als “Misera, dove son” (KV.369) en “Mia speranza adorata” (KV.416) en aria’s uit “Idomeneo” en “Lucio Silla”.
Wolfgang beloofde zijn vader ondertussen dat hij naar Salzburg zou komen om zijn bruid voor te stellen, maar hij deed het niet uit schrik te worden gearresteerd. Pas toen zijn vader hem op dat vlak kon geruststellen reisde hij in juli 1783 naar zijn geboortestad, waar hij tot oktober verbleef. Op de terugweg passeert hij nog eens langs het klooster van Lambach, waar hij orgel speelt en de abt (Amand Schickmayr) ontzettend blij is van hem nog eens te zien.
Daarna begaf hij zich naar Linz om een operavoorstelling bij te wonen. Daar werd hij opgemerkt door de jonge graaf van Thun, die hem bijna “dwong” om zijn intrek te nemen in zijn kasteel. Om die gastvrijheid te beantwoorden voelde Mozart zich verplicht een concert te geven, maar aangezien hij geen symfonieën bij had, schreef hij maar een nieuwe, zijn 36ste symfonie (KV.425), uiteraard bekend als “de Linzer”. De geest van Joseph Haydn is aanwezig in de trage inleiding, iets wat diens kenmerk was maar voor Mozart is dit eerder uitzonderlijk, terwijl in het andante Mozart een nieuwigheid invoert, namelijk pauken en trompetten. Het is vooral Beethoven die op deze nieuwigheid zal inspelen.
Ondanks deze vernieuwingen speelden de muzikanten (wellicht die van de genoemde opera) de symfonie op zicht en daarnaast bracht Wolfgang ook nog een symfonie van Michael Haydn, waarvoor hij een langzame inleiding had geschreven en waardoor die lange tijd aan hem is toegeschreven als zijn 37ste symfonie (KV.444 of 425a). Zoals gewoonlijk werd het programma verder uitgebreid met een paar klavierconcerti en wat concertaria’s, zo b.v. “Misero! o sogno… Aura, che intorno spiri” (KV.431 of 425b). Op 1 april speelt hij zelf de symfonie nog eens in het Burgtheater, terwijl zijn vader ze op 15 mei in Salzburg uitvoert. Net als de even populaire Haffnersymfonie zat ook deze symfonie in het “exclusieve” pakket voor prins Fürstenberg!
In 1784 verpacht Graaf Nostiz het Praagse National-Theater aan de impressario Pasquale Bondini, die een grote voorkeur had voor Italiaanse opera (uiteraard), maar ook voor Mozart.
Mozart schrijft op 9 februari 1784 in Wenen het klavierconcerto nr.14 in Es, KV.449, gevolgd op 15 maart door het klavierconcerto nr.15 in Bes, KV.450. Vanaf hier schrijft hij voor een grotere bezetting. Op 22 maart schrijft hij het klavierconcerto nr.16 in D, KV.451, op 12 april 1784 het klavierconcerto nr.17 in G, KV.453, en op 30 september 1784 het klavierconcerto nr.18 in B, KV.456, dat zou geschreven zijn voor een blinde pianiste, die toen als een grote virtuoos bekend stond. Op 11 december 1784 volgt dan het klavierconcerto nr.19 in F, KV.459. Tussendoor schrijft hij de klaviersonate KV.457, waarvan het adagio (na zowat 2’30”) duidelijk aan de oorsprong heeft gelegen van het beroemde adagio uit de Sonate Pathétique van Beethoven.
Op 15 januari 1785 vindt ten huize Mozart de uitvoering van drie strijkkwartetten plaats (KV.387, 421 en 428). Als op 11 februari vader Leopold op bezoek komt, worden ’s anderendaags nog eens drie strijkkwartetten uitgevoerd (KV.458, 464 en 465). Het is dan dat Joseph Haydn tegen Leopold zegt dat hij Wolfgang de grootste levende componist vindt. Diezelfde dag nog speelt Woolfie in het Casino zijn klavierconcert nr.20 (KV.466). De inkt van de kopieën voor de muzikanten was nog nat, laat staan dat er eerst werd gerepeteerd! Toch is dit een typisch “Sturm und Drang”-concerto, waarin de muzikanten geconfronteerd werden met allerlei nieuwigheden. Beethoven, de “revolutionair”, nam het op zijn repertoire en schreef er een paar eigen cadenzen bij. Ook Brahms en Wolfgangs zoon Franz Xaver schreven cadenzen, want Mozart zelf heeft de zijne nooit op papier gezet.
9 maart 1785: concerto voor klavier nr.21 in C, KV.467, dat vooral bekendheid zou krijgen als filmmuziek voor “Elvira Madigan” en dat dan ook de inspiratie werd voor een aantal popsongs, zoals “Song sung blue” van Neil Diamond.
In november 1785 schrijft Mozart de “Maurerische Trauermusik” voor twee overleden logebroeders, Hertog von Mecklenburg-Strelitz en Graaf Esterhazy von Galantha.
16 december: concerto voor klavier nr.22 in Es, KV.482. Musicologen beweren wel eens dat de pianoconcerten van Mozart eigenlijk nog het best te vergelijken zijn met zijn opera’s, waarbij de menselijke stem uiteraard vervangen wordt door het klavier. En inderdaad, in zijn latere concerten kunnen we vaak echo’s horen die ons aan bepaalde operapassages herinneren. Zo b.v. de twee paartjes in de tuin in “Cosi fan tutte” in dit 22ste concerto.
Op 2 maart 1786 voltooit hij zijn 23ste klavierconcerto (in A, KV.488), waarin we de aria van Barbarina uit “Le nozze di Figaro” herkennen, terwijl de gravin “verborgen” zit in het 24ste (in c, KV.491), dat hij op 24 maart voltooide. Tussenin wordt in besloten kring ten huize van vorst Karl Auersperg “Idomeneo” hernomen en hiervoor schrijft Mozart de aria “Non temer, amato bene” (KV.490).
Dat 23ste concerto verscheen in 1997 op de CD “Mozart l’Egyptien” van Hughes de Courson (ex-lid van de folkgroep Malicorne) in een versie voor oud (een Arabische luit, bespeeld door Henri Agnel) en piano (Marib Angelov) en orkest. De idee om Mozart “op z’n Turks” te laten uitvoeren (nadat de Courson met “Lambarena” reeds een verbinding tussen Bach en Afrikaanse muziek had gemaakt), komt natuurlijk voort uit Mozarts liefde voor de janitsarenmuziek, maar ook uit het feit dat de vrijmetselarij veel symbolen aan het oude Egypte heeft ontleend.
Volgens bepaalde bronnen zou de opvoering van de rebelse “Nozze di Figaro” (KV.492) het begin van het einde van Mozarts roem en fortuin hebben ingeluid. Het is soms moeilijk om in de vervelende Graaf Almaviva de min of meer sympathieke rokkenjager uit “De barbier van Sevilla” te zien (wat dus voorafgaat aan het verhaal van de Nozze, maar pas later werd gecomponeerd door Rossini), maar er is een theorie die zegt dat Rosina in hem eigenlijk de arme student Lindoro zag, voor wie hij zich uitgeeft en dat in potentie dus alle problemen met de adellijke graaf reeds aanwezig waren.
In het Mozart-jaar 1991 heb ik de opera in niet minder dan vier verschillende versies gezien. Eender welke andere opera zou ik reeds goed beu zijn, maar deze opera is te goed om ooit beu te worden. En de verhalen van Beaumarchais trouwens ook niet. Deze Franse auteur, die daarnaast ook nog geheim agent, politicus, wapenhandelaar en speculant was, vertaalde de opstandige gevoelens die aan de grondslag van de Franse revolutie lagen naar het theater toe en voor Mozart maakte Lorenzo da Ponte daar een libretto van.
De ontmoeting met Lorenzo da Ponte (1749-1838) was het beste wat Mozart kon overkomen. Deze fijnzinnige schrijver paste helemaal bij de componist. Ook op privévlak. In 1779 was da Ponte immers verbannen uit Venetië wegens libertijns gedrag. Als priester nota bene. Na de dood van Mozart zou da Ponte overigens in Amerika diens faam uitdragen.
In Wenen was da Ponte echter hofdichter en zo kreeg hij het gedaan dat de opera er sowieso kwam, want vooraf had Jozef II reeds zijn afkeer uitgesproken voor het plan dat Mozart had opgevat om van dit “revolutionaire” toneelstuk een opera te maken. Da Ponte streek de plooien dus glad, maar toch ook weer niet te glad. Sommige van de aria’s zijn inderdaad zo rebels dat het eigenlijk niet te verwonderen is dat Mozart de wind van voren kreeg.
Geen aandacht besteden aan de theatrale eisen van het werk zou trouwens ook niet naar de zin geweest zijn van Mozart zelf, die volgens de Zweedse dirigent Arnold Östman ook ‘regisseur’ was (in zijn muziek dan wel te verstaan) en een aanhanger van de Franse acteerstijl, die zeer levendig en zoveel mogelijk realistisch was.
Daarvan kreeg ik zowaar een voorbeeld in de versie van de Opéra Royal de Wallonie. Hier was er meer theatraliteit, al begon het al meteen slecht. Na het eerste duet diende de vertoning reeds te worden onderbroken omdat het doek weigerde verder open te gaan. Aangezien een “vondst” van regisseur Pierre Fléta erin bestond dat er voor elk bedrijf een reusachtige klok de tijd aangaf, noteerde ik reeds: “Het begon nog maar en we wisten al hoe laat het was.” Gelukkig heb ik dit later moeten inslikken. (Deze klok was misschien een referentie aan de première van die andere Figaro-opera, “Il barbiere di Siviglia” van Rossini, waarbij er voor het eerst een reusachtige klok boven het toneel hing, een duidelijk teken aan de wand dat de burgerlijke tijd was aangebroken.)
Maar de zangers waren goed en zij hebben op de duur de voorstelling niet enkel gered, maar in een ontroerend laatste bedrijf (herinner u de ontroering van Salieri, zoals die door Murray Abraham gestalte wordt gegeven in “Amadeus”) zelfs nog tot een climax opgevoerd. Als je dat echter zo bekijkt, moet je op de eerste plaats toch toegeven welke prachtige muziek die goeie ouwe Woolfie voor deze rollen heeft weggelegd.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s