Het is vandaag twintig jaar geleden dat de Afrikaanse musicus en politicus Fela Anikulapo Kuti is overleden. Het is bij mijn weten de enige muzikant die men onder “wereldmuziek” kan onderbrengen van wie ik een concert hebt bijgewoond (en dan bedoel ik, zoals in zijn geval, in Vorst-Nationaal en niet op een of ander zomerfestival, waar deze muziek zo populair is dat men ze haast niet kan ontlopen). Dat was dertig jaar geleden en de enige pluim die ik dus op mijn hoed kan steken, is dat ik al vroeg aanvoelde vanwaar de wind voortaan ging waaien. Maar ik hield er niet van, nee. En nog altijd niet moet ik zeggen. Daarom dat het bij dat ene concert is gebleven.

Het is opvallend hoe multicultureel de artistieke programmatie is geworden. Het einde van de twintigste eeuw zal ongetwijfeld de geschiedenis ingaan als het scharnierpunt, waarbij het westen eindelijk zijn superioriteitsgevoel heeft afgelegd en gestopt is met het eraan vastzittende artistieke imperialisme. Het probleem is alleen: hoe kunnen wij echt en vals onderscheiden? Zijn de uitvoerders die naar hier worden gehaald de ware vertegenwoordigers van het genre dat ze brengen? We kunnen daarvoor alleen maar op het woord van de organisatoren betrouwen…
MAMA AFRIKA
Stilaan weten we dat de mens uit Afrika stamt, dus het is ook niet echt te verwonderen dat het eerste muziekinstrument dat men heeft kunnen terugvinden daar dient te worden gesitueerd. Het is een primitieve harp met één snaar en een kalebas als klankkast (de beringbau).
Een voorbeeld daarvan is het slagwerkersspektakel “Different” van het Ensemble Anumadutchi. De acht klassiek geschoolde slagwerkers van het Ensemble Anumadutchi verbleven in augustus ’99 drie weken in Mozambique om lessen te volgen bij meester timbilaspeler Venancio M’bande. Ook speelden zij voor 5000 mensen tijdens het grootste Timbilafestival ‘Msao’. De ervaringen van deze reis vormden de inspiratiebron voor het concert “Different”.
De geheel eigen stijl die Anumadutchi ontwikkelde door het combineren van westerse en Afrikaanse ritmes, melodieën en technieken is ook in dit concert herkenbaar. Slagwerkinstrumenten als djembe, tabala en timbila worden afgewisseld of gecombineerd met een drumstel, triangels, een verzameling oude bierblikken, bekkens en een cactus.
Maar ook voor de muziek in Europa is Afrika sneller van belang geweest dan we vermoeden: een anoniem schilderij “Het schuttersfeest” uit 1494 toont twee narren die dansen op de muziek van een zwarte muzikant en een dame. Het betreft hier wellicht een “moreska” (morendans), die aan de basis ligt van de Engelse “morris dances” en via een andere weg ook aan andere trance-dansen zoals de tarantella.
De voornaamste doorbraak kwam er echter in de twintigste eeuw. Blues, jazz, rock, soul, disco, reggae… zowat àlle stijlrichtingen in wat men pleegt te noemen “de populaire muziek” gaan terug op Afrikaanse oerritmen.
In België is het Sfinksfestival trendsetter geweest op het vlak van de wereldmuziek. Organisator Paul Schyvens legt uit hoe dat kwam: “Oorspronkelijk was Sfinks gewoon een folkfestival in de traditionele zin van het woord, maar door mijn reizen in het buitenland ben ik in contact gekomen met andere culturen, met name vooral de Afrikaanse, en heb ik die muziek dan ook op ons festival gebracht nog lang voor er sprake was van een echte rage. Misschien hebben wij er wel toe bijgedragen dat het een echte rage wérd, maar het is zeker niet zo dat wij op dat treintje gesprongen zijn toen het al aan het rijden was. Wel is het waar dat we ons nu niet langer beperken tot puur ethnische groepen, wij brengen m.a.w. ook Afrikaanse rockgroepen. Zij ondergaan daar nu eenmaal heel sterk de invloed van de westerse maatschappij en eigenlijk is het juist interessant na te gaan hoe zij die elementen uit de rockmuziek verweven met hun eigen cultuur. In tegenstelling tot wat men hier misschien denkt, is er wel degelijk een grote platenindustrie in Afrika zelf. Het is zeker geen luxeartikel en zelfs buiten de steden danst men op de tonen van juke-boxen of disc-jockeys.”
Toch horen we zelden iets uit Afrika zelf. Binnen die “populaire muziek” dan, want we hebben het hier niet over de etnische muziek op BRT3. Een paar Zuidafrikaanse bannelingen, met Myriam Makeba natuurlijk op kop, maar verder…
Toch moet het zeer boeiend zijn kennis te maken met de Afrikaanse “vedetten”, die hun eigen muziek pas via Angelsaksische bewerkingen hebben leren kennen en daarna weer naar hun “roots” terugkeerden en er een eigen interpretatie aan gaven. Dat kan nu. Op 18 maart 1981 kwam de “grootste”, Fela Anikulapo Kuti, met zijn “Africa 70” naar Vorst-Nationaal.
Het Festival van Vlaanderen heeft reeds langer aandacht voor de wereldmuziek. Dat blijkt b.v. ieder jaar op de Happening in Gent en dat was op 14 september 1996. Toch wekt het nog verbazing als het FVV zijn medewerking blijkt te verlenen aan de verspreiding van een CD van Vredeseilanden, “Gira Amahoro”, vol met Rwandese muziek. Omdat het vooral traditionele muziek betreft uit de verzameling van het Koninklijk Museum voor Midden-Afrika en er slechts een paar popnummers zijn opgenomen (de zangers Jean-Baptiste Byumvuhore en de poëtische Philémon Niyomugabo en de groep Freedrum Speech), zou deze CD in principe slechts een harde kern van muziekliefhebbers aanspreken, zij die afstemmen op de programma’s van Herman Vuylsteke op Radio 3 met andere woorden. Maar door het feit dat het hier muziek uit Rwanda betreft, een land dat de laatste tijd op een gruwelijke manier in het nieuws is gekomen, krijgt de muziek een extra dimensie, waardoor ze in een bredere kring verdient te worden beluisterd. Niet toevallig betekent de titel immers “Vrede voor jou”, want de muziek wil uitdrukking zijn van een verlangen naar een vrediger bestaan. Zeer ontroerend zijn daarom ook de bijdragen van Cyprien Rugamba en Emmanuel Sekimonyo, slachtoffers van de genocide. De opbrengst gaat bovendien naar een goed doel: studiebeurzen en de vorming van vrouwenkaders. Men kan de CD bestellen door 740 fr. te storten op rekening 880-3175981-54 van Vredeseilanden met vermelding CD002.
EEN MOHAMMED ALI UIT NIGERIA
Alhoewel wat de kwantiteit betreft het Zaïre is, waar het meeste artiesten werkzaam zijn, dan is de vaandeldrager van de Afro-beat toch afkomstig uit Nigeria en meer bepaald uit Lagos, een stad van zes miljoen inwoners die niet weten te kiezen tussen het uitzicht van Calcutta en dat van Manhattan. Daar werd in 1938 Fela Ramsome Kuti geboren. Van vaderszijde was de familie Kuti heel vooraanstaand en rijk. Er was een traditie van Anglikaanse geestelijken in de familie en de kleine Fela werd dan ook in die zin opgevoed. Zijn grootvader (zelf een geestelijke) bracht hem reeds vroeg in contact met (kerk-)muziek en leerde hem piano spelen.
Fela’s moeder echter was een revolutionaire feministe, die met deze gang van zaken helemaal niet opgezet was. Als voorzitster van de “Woman International Democratic Federation” bracht zij haar zoon de liefde voor de eigen Afrikaanse cultuur bij en de passie voor vrijheid en gelijkheid.
Op die manier werden niet alleen de religieuze plannen verijdeld die men met Fela voorhad, maar ook het compromis (geneeskunde gaan studeren in Londen) bleek mis te lopen, wanneer Fela eenmaal daar aangekomen in 1958, zich inschrijft in het “Trinity College of Music”. Daar komt hij onder de bekoring van de jazz-musici Charlie Parker en Miles Davis en net als zijn idolen legt hij zich dan ook toe op de saxofoon en de trompet. Hij speelt bij verscheidene Britse jazz-groepjes en richt net voor zijn terugkeer in 1963 zelfs een eigen groep op: de Koola Lobitos.
Het is echter voor de vijfentwintigjarige Fela een koud stortbad wanneer hij ziet dat zijn muziek in zijn geboorteland helemaal niet aanslaat. De grote plaatselijke vedette daar is ene Jim Lawson en voorlopig kan daar niemand tegenop.
Fela heeft met de Amerikaanse bokser Mohammed Ali echter niet alleen megalomanie en een betekenisvolle naamverandering gemeen (Ramsome betekent “zoon van een slaaf” en Anikulapo “jager beschermd door amuletten”), ook het manipuleren van de media. Zo neemt hij op een dag een journalist mee naar huis van die Lawson en scheldt de “superster” de huid vol. Daar zat natuurlijk kopij in en althans de naam van Fela geraakte op die manier bekend. De oorlog in Biafra (1967) deed de rest: Lawson vertrok naar het oosten, Fela had het terrein voor zich alleen.
SOUL EN BLACK PANTHER
Ondertussen was de muzikale interesse van Fela enigszins verschoven. In plaats van de gesofisticeerde jazz wendde hij zich naar de opzwepende soul en met name James Brown werd zijn groot voorbeeld, ook wat het bühnewerk betreft (met dat verschil dat Brown dertig mantels aan heeft en Fela slechts een minuscuul slipje).
Wanneer Fela in 1969 dan ook de kans krijgt om een tournee te maken door de Verenigde Staten aarzelt hij geen ogenblik. Het wordt een reusachtige flop maar Fela vindt zijn compensatie bij een vrouwelijk lid van de Blank Panther-beweging die hem naast enige geneugten des levens ook nog wat meer politiek bewustzijn bijbrengt.
Fela keert terug, een ander man. Hij ontbindt de Koola Lobitos en richt de groep “Nigeria 70” op, waarmee hij meteen een hit scoort, heel bewust “Viva Africa” geheten (daarna zal hij de groep trouwens omdopen tot “Africa 70”, waaruit ook beter zijn panafrikaanse visie blijkt). De groep, die zeer uitgebreid is, woont in het huis van Fela, dat hij “Kalakuta Republic” doopt, een spottende benaming voor de Nigeriaanse gevangenissen. Het huis krijgt dan ook een subversieve reputatie met als gevolg dat de politie en Cream-drummer Ginger Baker er geregelde gasten zijn, de eersten echter niet op uitnodiging.
Fela’s levenwijze lijkt nu weer erg op die van Bob Marley, de Jamaïcaanse reggae-artiest: via de muziek een politieke boodschap propageren die een amalgaam is van gefundeerde maatschappijkritiek en zweverige theorieën. In beide gevallen is een overdadig gebruik van shit constante.
In 1975 is Fela echter uitgegroeid tot de belangrijkste artiest van het hele Afrikaanse continent, zodanig dat de overheid niet meer tegen hem durft optreden. Dit moedigt hem aan in zijn voorzet tegen de militaire dictatuur van Obasanjo en hij richt hiervoor een jongerenbeweging op: de Young African Pioneers.
VERBANNEN
In 1977 gaat hij echter te ver. De Nigeriaanse regering heeft dan de organisatie van het prestigieuze Panafrikaanse Cultureel Festival (FESTAC) op zich genomen en als clou van de historie weigert Fela zijn medewerking. Erger nog, de deelnemers (zwarten uit alle werelddelen, bekende Amerikaanse vedetten dus inbegrepen) erkennen het talent van Kuti en maken zich na elk contractueel optreden vlug uit de voeten om uren te gaan jammen in de “Kalakuta Republic”.
Gevolg: het festival is nog maar pas achter de rug of de politie valt massaal de “Republic” binnen. Vrouwen worden verkracht, mannen voor dood achtergelaten, het huis in brand gestoken. Fela’s moeder is één van de slachtoffers. Fela zelf herstelt moeizaam in een hospitaal, vliegt daarna achter de tralies om tenslotte te worden verbannen naar Ghana.
Hier neemt hij niet enkel zijn scherpste aanklacht tegen het bewind van Obasanjo op (“Authority Stealing”) maar ook “Zombie” dat door de studenten van Ghana als hun plaatselijk “We shall overcome” wordt geadopteerd.
Uiteraard had Fela ook nu weer de boter gegeten en de regering van Ghana was er als de kippen bij om hem uit het land te zetten. Een aanleiding werd gevonden in Fela’s burgerlijke staat: hij is gehuwd met zijn zevenentwintig go-go-girls.
Ondertussen hebben in Nigeria de militairen de macht overgedragen aan de burgerregering, zodat Fela iets meer vrijheid van handelen heeft. Zo heeft hij nu een eigen platenfirma en ook een eigen partij (Movement of the People) waarmee hij in 1983 aan de verkiezingen hoopt deel te nemen. Zelfs zijn meest fervente tegenstanders verwachten dat hij in staat is twintig procent van de stemmen in de wacht te slepen.
Niet te verwonderen dus dat men hem af en toe nog wel eens wil “pesten”. Zo was hij te gast op het jongste feest van “L’Unità”, het blad van de Italiaans KP. Bij zijn aankomst op de luchthaven vond men echter niet minder dan 45 kilo hasj in zijn koffers. Een dergelijke hoeveelheid wees natuurlijk onmiddellijk in de richting van opgezet spel en inderdaad, nogal vlug werd achterhaald dat een vrouw in dienst van de Nigeriaanse regering het goedje in de bagage had gedropt.
AFRO-BEAT: DE MUZIEK VAN TACHTIG?
Uit wat vooraf gaat (onder meer uit het optreden voor “L’Unità”) zou men ten onrechte kunnen afleiden dat Fela Anikulapo Kuti een communist is, of een marxist. Niets is minder waar want Kuti verwerpt deze doctrines net zo goed als het christendom of het kapitalisme omdat ze van Europese oorsprong zijn.
Kuti: “Als een Amerikaanse zwarte in Lagos arriveert weet hij niet wat hij ziet. Hij ziet christenen, moslims, leninisten, kapitalisten, maar heel weinig Afrikanen. Gedurende eeuwen hebben ze onze mensen en onze rijkdommen gestolen. Gisteren het hout, vandaag de olie en gedurende eeuwen hebben ze ons in ruil hun kamelot verkocht. En steeds worden hiervoor Afrikaanse stromannen gevonden. Gisteren nog waren het stromannen in dienst van de kolonisatoren, vandaag dansen ze als poppen aan een touwtje … De slaverij en het kolonialisme hebben onze manier van denken verwoest, we moeten onze Afrikaanse persoonlijkheid gaan herontdekken … Ze hebben onze dromen gestolen, maar we staan nog steeds met onze beide voeten op Afrikaanse grond”.
De Afro-beat is een mogelijkheid om het tij te doen keren. Om import te vervangen door export. Reeds nu klinkt bij groepen die het gezicht van de jaren tachtig bepalen dit geluid door: Talking Heads. Bowwowwow, Adam and the Ants … Beter nog zou het zijn indien de Afrikanen zelf de toon aangaven.
“De Afrikaanse muziek”, schrijft Jean-Jacques Dufayet in ‘Le Monde de la Musique’, “is een beetje zoals het monster van Loch Ness: dat is nu al tien jaar dat men het een schitterende internationale toekomst voorspelt en nog kennen we het niet precies, wat gaat er dan mis?”
Hij stelt de vraag aan de nummer twee van Afrika, Manu Dibango uit Kameroen, die net zoals Fela Kuti zo’n twintig jaar geleden Charlies Parker en de saxofoon in Europa kwam ontdekken. Alleen, hij deed het in België.
Manu Dibango: “Waarom? Omdat de platenfirma’s in Afrika geen poot aan de grond krijgen wegens de piraterij. Hoop en al verkopen ze honderd singles, juist genoeg om de piraten – gaande van amateurs tot industriëlen – te bevoorraden. da’s alles”.
Dufayet: “Maar dat verklaart nog niet waarom zij niet zouden proberen de Afrikaanse muziek naar Europa of de Verenigde Staten te exporteren?”
Dibango: “Daar is het misschien een psychologische kwestie. De platenfirma’s weten immers wel welk onthaal een Afrikaanse plaat op westerse radiostations te wachten staat. En zelfs al is dit niet altijd het geval dan nog volstaat de idee alleen reeds om ze te weerhouden van investeringen. Komt daarbij nog, laten we elkaar niet voor het lapje houden, dat vele Afrikaanse muzikanten er zelf hebben toe bijgedragen dat men van hen niet meer wil weten. Zo ken ik er die niet minder dan drie contracten voor zogezegd exclusieve optredens hebben getekend. Je kan je voorstellen welke ogen de inrichters van zo’n exclusief optreden opzetten, als ze zagen dat er in hun omgeving nog twee andere waren …”
Ondanks het feit dat hij in 1985 tot vijf jaar gevangenis werd veroordeeld omwille van zijn beschuldigingen van corruptie aan het adres van het gerecht en het bewind (waarvan hij er “slechts” anderhalf heeft uitgezeten, maar niet getreurd, bij tijd en wijle draaide hij nog wel eens voor een paar weken achter de tralies, meestal op beschuldiging van deviezen- en/of drugssmokkel), heeft Fela Kuti Anikulapo in totaal toch zowat veertig elpees opgenomen waarvan er slechts enkele verkrijgbaar zijn in België. Zo bijvoorbeeld “Fela Ransome Kuti, vol. 1 en 2”. (Pathé C 15015983/4) en een live-elpee met Ginger Baker.
Ondertussen is Kuti op 2 augustus 1997 aan aids overleden (waarbij hij niet minder dan 27 weduwen naliet) en heeft zijn oudste zoon Femi (°1963) de muzikale en politieke fakkel overgenomen. Oorspronkelijk liep dit echter niet van een leien dakje. De zoon verzette zich tegen de vader en de vader verloochende zijn zoon. Tot in 1991. Toen woonde Fela een optreden van Femi bij en begon zowaar te dansen: de twee hadden elkaar gevonden.

Referentie
Ronny De Schepper, “Ze hebben onze dromen gestolen”, De Rode Vaan nr. 10 van 1981

(*) Alhoewel. In de Elisabethwedstrijd kunnen we telkenmale nog eens vaststellen hoezeer de oosterse violisten zich onze muziekcultuur hebben eigen gemaakt, wat omgekeerd zeker nog niet het geval is, terwijl ook op het vlak van de popmuziek de Amerikanen toonaangevend blijven natuurlijk.

Een gedachte over “Fela Anikulapo Kuti (1938-1997)

  1. – Heel mooi artikel..

    Op18 maart 1981 in Vorst Nationaal was ik erbij. De aankondigings-affiche met een van Fela’s 27 Go-Go-Girls erop afgebeeld, van graficus ‘Marc Borgers’ hand, heb ik nog steeds.. – Marc Borgers heeft een website waar je deze affiche in zijn portfolio terug kan vinden –

    Cheers en keep up the good work,

    Edward

    Liked by 1 persoon

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s