Toen ik voor De Rode Vaan nog jeugd- en kinderboeken recenseerde, omdat – laten we eerlijk zijn – ik toen kleine kinderen had, die ik uit die boeken placht voor te lezen, was ik vooral een grote fan van de Nederlandse schrijver Guus Kuijer. Dat is op zich al merkwaardig, want ik heb ooit ook een artikel geschreven met als titel “Hollandse kinderauteurs daar kan je beter soep van koken” en dat meen ik nog altijd. Maar Guus Kuijer was dus niet enkel een uitzondering, ik verkoos hem ook boven onze eigen auteurs en zelfs boven auteurs in het buitenland. Toch vind ik niet zo heel veel terug op mijn blog dat naar Guus of beter nog naar zijn werk verwijst. Daarom ben ik wel “verplicht” om ter gelegenheid van zijn 75ste verjaardag (jongens, dit kàn niet waar zijn!) een debat over jeugdliteratuur op te diepen, waaraan hij heeft deelgenomen en dat ik destijds in extenso heb weergegeven in De Rode Vaan.

Op het einde van de jaren zeventig richtte de “Politieke Werkgroep Germaanse” (PoWeGe) van de Rijksuniversiteit van Gent een colloquium in over jeugdliteratuur. Nochtans was dit debat niet het enige dat in het kader van het colloquium plaats greep. Reeds vanaf ’s morgens hadden de meeste deelnemers referaten gehouden, die echter toen al uitgroeiden tot levendige discussies met het select publiek. Met select bedoelen we hier dat er geen massale belangstelling was (de afwezigheid van professoren was frappant), maar dat de aanwezigen allen sterk gemotiveerd waren. Er waren mensen bij die actief zijn in de opvang van jeugdige delinquenten, van gastarbeiderskinderen, mensen uit de jeugdbeweging, uit alle geledingen van het onderwijs en er was ook een actieve deelname van de aanwezige persmensen.
In zijn inleiding beklemtoonde een woordvoerder van PoWeGe dat men het colloquium zeker niet mocht situeren binnen de activiteiten in het kader van het “Jaar van het Kind”. De inrichters distantieerden zich immers van dit initiatief. Nadien had normaal Eric Hulsens aan de beurt moeten komen met een algemene probleemstelling maar door de mist was hij verhinderd. Dat was voor ons een gelukkig toeval, want nu zou Hulsens zijn tekst ’s avonds naar voren brengen als inleiding op het debat en zo zijn we in staat u die (zij het uiteraard ingekort) ook te geven.
Dan maar onmiddellijk het woord verleend aan Liva Willems (1933-2002), die over haar eigen ervaringen mocht spreken. Bij haar lag de nadruk op de eigenwaarde van het kind, waarbij ze op de gevaren van anti-autoritaire jeugdliteratuur wees. Zij werd opgevolgd door een goed bekende van haar, Gaston Van Camp, die een heel wat moeilijker opdracht had verkregen, namelijk het engagement in de jeugdliteratuur. Nochtans was Van Camp wel de geschikte man om hierover te handelen, daar hij tot 1974 niet-geëngageerde (en “dus” zeer goede verkochte) werken had geschreven (de Sven-reeks, sprookjes, …). Het was pas na een zeer diepgaand gesprek met Miep Diekmann dat hij boeken is beginnen schrijven als “Harry van de achterbuurt”.
De zeer interessante namiddag werd dan afgesloten met recensente Gerda De Visser (van Knack), die een zeer verrijkend gesprek had met de Nederlandse jeugdauteur Guus Kuijer (“Met de poppen gooien”, “Krassen in het tafelblad”, …). Kuijer zette zich vooral af tegen de “vertedering” die iedereen voelt voor kinderen. Ter illustratie gaf hij het voorbeeld van de nazisoldaat die een joods jongetje nog eens over het kaal geschoren hoofdje aaide vooraleer het in de gaskamer te sturen.

HET KIND NIET IN EEN RESERVAAT STOPPEN

’s Avonds werden alle sprekers dus nogmaals verenigd voor het slotdebat, waaraan – naast Eric Hulsens, die zoals gezegd nu wel was komen opdagen – ook nog een andere jeugdschrijver deelnam, namelijk Henri Van Daele. Als moderator fungeerde Inge (van PoWeGe).

Eric Hulsens: Er is me gevraagd een inleiding te houden over een aantal nogal uiteenlopende onderwerpen, die ik meteen zal opnoemen dan weet u wat er op u afkomt. Het eerste is het ontstaan van de jeugdlectuur, het tweede de kritiek, het derde het onderwijs, het vierde het engagement en dan tenslotte de verhouding tussen Noord en Zuid op het gebied van jeugdliteratuur. Ik wil heel in het kort over al deze onderwerpen een paar ideeën naar voren brengen in de hoop dat allerlei mensen zich daaraan zullen storen en daarna vragen zullen stellen aan de hier aanwezige panelleden.
Eerst en vooral dus het ontstaan van de jeugdlectuur. Jeugdlectuur is allerminst vanzelfsprekend. U hebt, evenmin als ik, wellicht nog nooit gehoord van de jeugdboeken van de oude Romeinen, de oude Grieken of de Oude Egyptenaren. Als je gaat kijken wat mensen als Erasmus in de zestiende eeuw over literatuur voor de jeugd schreven dan is dat voor onze begrippen bevreemdend. De bekende humanist, heeft een schoolboekje geschreven bedoeld voor de lagere schoolleeftijd waarin onderwerpen ter sprake komen zoals syfilis, echtscheiding, en dat soort dingen. We stellen dus vast dat de notie “kind” vroeger anders was dan nu. Waar komt die jeugdlectuur dan vandaan? Ze is in West-Europa ontstaan in de achttiende eeuw. En de fundering van het ontstaan vinden we bij pedagogen uit de periode bijvoorbeeld bij Jean-Jacques Rousseau. In “Emile ou de l’éducation” (1742) staan zinnen zoals deze: “De natuur wil dat de kinderen kinderen zijn voor ze mannen zijn” en “De kindsheid heeft manier van denken en voelen die haar eigen zijn”. Dit dus in tegenstelling met de eeuwenoude opvatting dat kinderen een soort van kleine volwassenen waren. Wat er achter zit, is echter ook wel dat in de historische periode waarin Rousseau leefde en schreef, de kloof tussen kinderen en volwassenen groter geworden is. Bij hem wordt de kindsheid dus een soort van reservaat. Je moet ze niet confronteren met allerlei volwassen zaken, dat kan het kind kwaad doen… Ik persoonlijk vind dit een heel dubieuze stelling, zeker als men er rekening mee houdt dat Rousseau zijn eigen kinderen (vijf in het totaal) allemaal te vondeling heeft gelegd!
Wat typeert nu de jeugdlectuur? Ten eerste natuurlijk het erkennen van de jeugd als aparte publieksgroep. Maar dat houdt gewoonlijk ook in “adaptatie”, dat betekent dat degene die de tekst schrijft zich de ontvanger van die tekst voor ogen houdt en zich daaraan aanpast. Deze adaptatie kan zich op verschillende manieren manifesteren. Formeel is de adaptatie in een kinderboek bijvoorbeeld te merken in het feit dat er veel wit op de bladzijde staat. Ook dat de tekst opgesplitst is in veel kleine stukjes, want het concentratievermogen en de leescapaciteit van de jonge lezer worden geacht niet zo groot te zijn. Literair technisch betekent het dat jeugdboeken vaak in de ik-persoon geschreven zijn, dat er veel dialogen in voorkomen en dat de hoofdpersoon heel dikwijls iemand is van de leeftijd waarvoor het boek bedoeld is. Op het gebied van de inhoud is die adaptatie ook te merken en wel in het weglaten van bepaalde onderwerpen.
Het pendant daarvan is natuurlijk dat er ook een voorkeur is voor bepaalde thema’s. Heel veel kinderboeken gaan bijvoorbeeld over vriendschap tussen kinderen. Tegenwoordig is er op dit gebied een kentering.
Tweede thema dat ik even wilde aanraken is de kritiek. Vroeger had de jeugdboekenkritiek drie heel duidelijke criteria: 1) is het boek esthetisch waardevol? 2) is het pedagogisch verantwoord? 3) is het aangepast aan de leeftijd van het kind?
Daarachter zitten natuurlijk nogal versteende denkbeelden over wat een kind is. Daarmee is voor het ogenblik niet te werken omdat al die noties zelf op de helling zijn komen te staan. En ik zou dus liever uitgaan van het volgende: 1) technisch gezien: hoe is een boek gemaakt en welk effect heeft dat op de lezer? (dialoog, vertelperspectief, spanning, …), 2) sociologisch: welke normen geeft het mee? welke rolpatronen? 3) psychologisch: welke invloed heeft het boek op het kind, maar dan niet gezien in het licht van dat er vaste waarden zouden zijn voor elke leeftijd.
Derde punt: het onderwijs. Het onderwijs deugt niet, zoals iedereen weet, en het literatuuronderwijs nog veel minder. Traditioneel is het zo dat hierin enkel de Schoone Letteren worden bestudeerd en dan nog meestal in een historische context. De opinie van de leerling is van weinig tel en zijn eigen lectuur komt niet aan bod. Ik vind dat nogal een akelige toestand en als ik minister van onderwijs word binnenkort dan wordt het dit: het vak Nederlands dient om de verbale communicatie te bestuderen. Daar moeten dus inkomen: kranten, triviale literatuur, stripverhalen en ook televisieprogramma’s.
Vierde punt: het engagement. Dat is een heel eenvoudige kwestie: engagement is een totaal overbodige term, ik zie daar het nut niet van in.
Het gemakkelijkste heb ik voor het laatste gehouden: de verhouding tussen Noord en Zuid. Dat is heel simpel: de Vlaamse jeugdliteratuur is achterlijk en de Nederlandse wordt schromelijk overschat.

Engagement

– Tot zover dus de inleiding van Eric Hulsens die toch een heleboel uitspraken bevatte, waarover discussie mogelijk is. Ik denk bijvoorbeeld aan zijn mening over engagement. Wenst iemand van het panel daarop in te haken?

Daniël Jansens: Ik denk dat dit een totaal overbodige discussie is. Geëngageerd of niet: het is weinig relevant. Gewoon recht voor de raap lekkere teksten schrijven, dat is het! Ander onderwerp.

Guus Kuijer: Onder engagement versta ik eigenlijk emotionele betrokkenheid bij het werk. Zo kan ik bijna enkel schrijven uit woede.

Henri Van Daele: En als het boek dan af is, ben je dan nog kwaad?

Guus Kuijer: Eigenlijk wel.

Henri Van Daele: Dan is het eigenlijk niet erg gelukt, niet?

Guus Kuijer: Toch wel. Kijk als je bijvoorbeeld gaat vrijen, dan wil je nadien toch ook nog steeds meer?

Liva Willems: Heel eventjes toch niet. Tijd voor een sigaret.

Guus Kuijer: En dat heet “klaarkomen”, niet? Dat is wel raar. Ik kom nooit klaar.

Gerda De Visser: Ik denk overigens dat het niet anders kan, dan uit woede schrijven. Er is toch geen hond, denk ik, die de maatschappij zoals ze is en functioneert goed vindt of leuk of mooi of noem maar op.

Henri Van Daele: Maar er zijn toch ook boeken geschreven vanuit heel andere gevoelens. Geluk, tevredenheid…

Guus Kuijer: Ik hou niet zo van die positieve juichkreten. Ik geloof er ook geen fluit van. Je kan trouwens ook vanuit woede buitengewoon vrolijke boeken schrijven.

PULP?

– Is het niet zo dat het grootste deel van de volwassenen afwijzend staat tegenover kinderliteratuur?

Guus Kuijer: Nou ja, maar je mag ook niet uit het oog verliezen dat 99% van de kinderliteratuur pulp is, dat het niet te lézen is, gewoon rot geschreven.

Gaston Van Camp: Ook ik heb jaren lang bijna in opdracht boekjes gemaakt, die als prijsboeken per kilo gekocht werden door de schooldirecteurs. Ik heb daar heel veel geld mee verdiend en mij daar jaren lang heel goed bij gevoeld, maar dan is mijn maatschappelijk bewustzijn wakker geworden en ben ik beginnen nadenken over mijn eigen leven, mijn relaties… En dat heeft een directe weerslag gehad op wat ik schreef. Op een welbepaalde dag heb ik zeer bewust die pulp vaarwel gezegd en dat heeft me zeer veel geld gekost. Vele, vele tienduizenden, het loopt in de honderdduizenden, heb ik op één minuutje tijd, van tafel geveegd, toen ik tegen mijn uitgever zei: “Sorry, kerel, ik doe het niet meer”. Nu schrijf ik voor een veel kleiner publiek en ik verdien 10% van wat ik vroeger verdiende, maar ik voel me 90% gelukkiger dan vroeger. Ik wil er wel aan toevoegen dat ik reeds een vaste betrekking heb in het onderwijs. Maar het is inderdaad zo dat als je een onooglijk dichtbundeltje met twaalf gedichten publiceert, dan word je in de Vereniging van Vlaamse Letterkundigen voor vol aangezien, maar als je 45 jeugdboeken schrijft, dan zegt men: “De heren van Zichem komen binnen”. Dat is authentiek wat ik nu vertel!

ONDERWIJS

– Is dat ook niet te wijten aan het onderwijs?

Daniël Jansens: Ja, dat heb ik ook nooit kunnen verklaren, waarom bijvoorbeeld mijn buurmeisje als ze voor de school een boekje moet lezen – van Vandeloo of Ruyslinck natuurlijk – waarom ze dan steeds het dunste neemt?

Gerda De Visser: Ach, op de scholen leert men gewoon boeken haten. De manier waarop ze uitgepluisd worden, daar word je misselijk van.

– Het wordt misschien wat te technisch maar volgens mij is het ook te wijten aan het feit dat wanneer een kind dat begint te lezen het partiële defecten heeft, dus allerlei stoornissen die hem of haar het lezen bemoeilijken, dan wordt het hem zodanig moeilijk gemaakt dat ze daarna werkelijk een afkeer krijgen van de leesact.

Guus Kuijer: Volgens mij zijn sommige kinderen inderdaad meer visueel of meer auditief ingesteld en toch wordt dat lezen veel meer benadrukt dan het begeleiden tot het bekijken van films of het beluisteren van muziek of zo. En nochtans kan men ook op die manier prima communiceren.

– Is het in het kader van het “ontlasten” van het lezen ook niet belangrijker dat kinderen een boek meer als een object leren benaderen, zoals ook Eric reeds heeft aangestipt. Dat kinderen op het moment dat ze nog niet kunnen lezen, vertrouwd worden gemaakt met boeken. Ermee spelen als het ware. Daarmee samenhangend zou ik trouwens willen opmerken dat kinderen die niet graag lezen tóch stripverhalen lezen, of liever bekijken. Want een stripverhaal is meer “object” dan een leesboek. Vandaar misschien de verkeerde opvatting dat stripverhalen het lezen van “echte” boeken zouden tegenwerken, omdat kinderen die niet lezen, toch in strips bladeren.

Guus Kuijer: Het is wel een feit dat ondanks alle miserie kinderen aanzienlijk meer lezen dan wij. In Nederland zijn sinds kort de bibliotheken gratis toegankelijk voor kinderen, wel die worden werkelijk bestormd, die kunnen het niet meer aan! Er is een leergierigheid bij kinderen waar je steil van achterover slaat. Daarmee zijn wij niet te vergelijken.

KRITIEK – RESPONS

– Ik ga daar volledig mee akkoord, maar ik heb wel vastgesteld dat die belangstelling voor het lezen afneemt naarmate ze ouder worden. En daar zit het literatuuronderwijs voor iets tussen, vrees ik.

Gaston Van Camp: Ik trek mij niks aan van wat mijn kinderen of de kinderen uit mijn klas over mijn boeken vinden. Het is mijn boek en ik bepaal wat erin komt. Dat is dus totaal in tegenspraak met mensen die beweren dat de kinderen het moeten goed vinden. En ook mijn uitgever houdt zijn poten eraf!

– Ik zou aan Gaston Van Camp toch eens de vraag willen stellen hoe hij het vindt dat de kinderen toch eerder de voorkeur geven aan zijn pulp-boeken zoals hij ze heeft genoemd dan aan zijn latere werken?

Gaston Van Camp: Ik begrijp je vraag niet. Ik heb twintig jaar onderwijservaring en ik heb vastgesteld dat kinderen die zogenaamde probleemboeken even graag zoniet liever lezen dan de andere. Maar ik spreek dan wel over de helft die léést.

– Maar ik spreek over de andere helft die niet leest.

Gaston Van Camp: Ja, die zijn voor mij dan verloren. Sorry, daar schrijf ik niet voor. Deze namiddag is die vraag ook gesteld: waarom geen boek schrijven voor arbeiderskinderen? Dat kan ik niet. Ik heb zelf te weinig bindingen en contacten met dat arbeidersmilieu.

– Maar die kinderen zijn toch ook de volwassenen van later?

Gaston Van Camp: Ja maar ik ben beperkt, hé, dat moet dan maar iemand anders doen.

Guus Kuijer: Ik vind dat de vraagsteller volkomen gelijk heeft. Een schrijver zou, als het even kan, toch zo moeten schrijven dat kinderen uit alle milieus het zouden moeten kunnen lezen. Maar zelfs dan bereik je nog niet iedereen en dàt is verdrietig. Ik denk dus dat men als dat zou kunnen, klassenloos zou moeten schrijven, maar ik denk ook dat het een illusie is.

– En wat doe je met vijftien-, zestienjarigen en nog ouder die in een anti-leesklimaat zijn opgegroeid? Die te oud zijn om kinderboeken te lezen en onbekwaam om volwassen literatuur tot zich te nemen?

Guus Kuijer: Dat is inderdaad een zeer belangrijke vraag, waarover zich nog niet veel mensen bekommerd hebben. En ik vind nochtans dat dààr inderdaad wat te doen valt. Ikzelf zou het heel graag proberen. Dat vind ik juist zo leuk, zo’n uitdaging.

Liva Willems: Ik héb het geprobeerd in boeken voor jonge mensen van die leeftijd maar in een taal van achtjarigen. Want het is de taal die de grootste hinderpaal vormt.

NOORD-ZUID

– Eric heeft de punten aangeduid waarover we het zouden hebben. We hebben die inderdaad ongeveer allemaal aangeraakt behalve dan het laatste: de verhouding Noord-Zuid. Heeft het onderscheid in de jeugdliteratuur iets te maken met het calvinistische Noorden tegenover het katholieke Zuiden?

Guus Kuijer: Vast wel. In Vlaanderen is er bijvoorbeeld nooit een behoorlijke revolutie geweest en ik denk dat het daar wel iets mee te maken heeft. Dat Amsterdam bijvoorbeeld zo een heel lange traditie als een vrije stad heeft opgebouwd dat werkt zeer zeker ook door in de opvoeding. Vandaar de vele ietwat opstandige kinderboeken die in Nederland verschijnen.

Gerda De Visser: Ook een verschil met Nederland is dat de hele wetgeving hier zo verschrikkelijk is beïnvloed door de godsdienst en dat de mensen het gevaar daarvan niet inzien. Dat ze zelfs hun kinderen naar katholieke scholen sturen, ook al hebben ze helemaal niets met de kerk te maken!

Eric Hulsens: Ik vind toch dat de Nederlandse jeugdliteratuur overschat wordt. Daarmee bedoel ik dat men in Vlaanderen veel te vlug denkt dat het grootste deel progressief zou zijn. En dan voert men bijvoorbeeld Jan Terlouw in. De Vlaamse jeugdliteratuur daarentegen is achterlijk omdat de meeste schrijvers zich niet documenteren. Ze zijn er gewoon niet mee bezig. Ze volgen niet wat er in het buiteland gebeurt, ze studeren niet op hun vak, ze werken niet op hun boeken, ze kakken boeken enfin.

Inderdaad, één van de moeilijkste literaire disciplines is en blijft immers het schrijven van een goed kinderboek. Vooral sinds dit genre (terecht natuurlijk) ook door de progressieve microbe is gebeten. Wat is dan immers de gemakkelijkheidsoplossing, die inderdaad vaak in Nederland wordt gehanteerd? Men vervangt de oude clichés (moeder aan de vaat, kinderen zijn gehoorzaam, jongens zijn dapper, kinderen hebben geen geslachtsorganen) door nieuwe (vader aan de vaat, kinderen zijn opstandig, meisjes zijn dapper, kinderen spelen met hun geslachtsorganen) en men denkt: klaar is Kees. Maar Kees doolt.

Een gedachte over “Guus Kuijer wordt 75…

  1. Ook wat zijn essayistisch werk (voor ‘volwassenen’) betreft, is Kuijer geweldig en – wat mij betreft – buiten categorie. Vooral ‘Hoe een klein rotgodje God vermoordde’ vind ik erg sterk, maar ook ‘Het doden van een mens’, ‘Draaikonten & haatblaffers’ en ‘Hoe word ik gelukkig?’ zijn erg de moeite. En recent las ik nog een erg leuk iets ouder boekje van hem (weliswaar eerder pamflettair dan essayistisch): ‘Het geminachte kind’, dat minstens ‘onconventioneel’ is te noemen…

    Like

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s