Morgen zal het al 85 jaar geleden zijn dat Cyriel Buysse, de bekende schrijver uit Nevele, is overleden.

Cyriel Buysse, iedereen kent de naam, zoals iedereen Gezelle en Streuvels en Ernest Claes kent. Iedereen heeft ooit wel iets gelezen, hoewel dat vaak beperkt bleef tot een fragment als cursorische lectuur, of hooguit een verplichte schoollectuur. Hij behoort tot het Vlaamse gemeengoed, is een uithangbord van de Vlaamse cultuur. We kennen enkele titels, we kennen zijn bekendste foto’s, maar kennen we Cyriel Buysse ? Lezen we hem nog ? Is zijn boodschap nog relevant, zijn lectuur nog boeiend ?
Buysse werd geboren in 1859 te Nevele, debuteerde in 1885 en overleed zo’n vijftig literaire werken later, op 25 juli 1932 te Afsnee. Zeer lang veroordeelde de katholieke, behoudsgezinde pers de auteur vrijwel uitsluitend op grond van morele argumenten. De achtergrond van dit afwijzen is zeker de sociale en politieke betekenis van het werk van de schrijver. Zelfs in 1927 nog sprak « Boekengids », het Algemeen Nederlands en Bibliografisch tijdschrift, orgaan van het Algemeen Verbond der Katolieke Boekerijen, een banvloek uit over werk en persoon van Cyriel Buysse. In vrijzinnige en linkse kring daarentegen werd Buysse juichend ingehaald.
Antiklerikaal, pornograaf, “type van den perverser decadent, den cynieken antiklerikalist, den vuilschrijver die aast op passies; wie respekt heeft voor zichzelf en rein wil blijven, rake nooit een boek aan van dezen auteur,” schreef Boekengids in mei 1927. U weze dus gewaarschuwd.

“EEN GEZELSCHAP ZWIJNEN”
Hoewel, er is één en ander veranderd. Rond 1965 was Buysses werk vrijwel uitsluitend te vinden in antiquarische exemplaren. Pas dan begint men hem weer uit te geven, hem die toch de « Driejaarlijkse Prijs voor Vlaamse Letterkunde voor het tijdvak 1915 – 1917 » had gekregen, die lid was gekozen van de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde (1930) en die door de koning in de adelstand was verheven ! « Het Ezelken », « Het volle leven », « Tantes », « Het recht van de sterkste » zien weer het licht. En de doorbraak komt warempel uit katholieke hoek : DAP Reinaert publiceert een vierdelige omnibus.
Ook de theatermakers herontdekken « Het recht van de sterkste », « Het gezin Van Paemel » (al is dat bij het amateurtoneel nooit “weg” geweest) en vooral « Driekoningenavond ». Nog tijdens het leven van Buysse was men er echter reeds van overtuigd dat deze toneelversie van de « De Biezenstekker » niet zo krachtig was als de oorspronkelijke novelle. Met meer dan gewone belangstelling keken we dan ook uit naar de herwerking die Dirk Celis (met een zeer interessante cast) vertrekkende vanuit de tekst van de novelle zelf voor de Gentse Arcaschouwburq had op touw gezet. De première die (wellicht niet toevallig) op 1 mei 1982 zou plaatsgehad hebben is er echter nooit gekomen wegens onderlinge twisten. Toch putten we even uit de perstekst die Celis indertijd verspreidde :
« Toen Cyriel Buysse een corrigerende realistische kijk probeerde te geven op de Vlaamse werkelijkheid, werd hij overal uitgekreten. “In deze stemming geeft hij ons zijn Vlaamsche typen, naar zijn zoogezegd realisme, versch uit de pen en we krijgen een dierkundigsoort nagenoeg enig in West-Europa, zoiets tussen apen en menschen. ’t Werk van Buysse, den anti-klerikaal, doet mij denken aan een gezelschap zwijnen waar de satansgeesten zijn in gevaren.” (Jaarboek Davidsfonds, 1911, Jules Persyn)
» Tot op heden schrijft de « Nederlandse Encyclopedie de Grote Winklerprins » over hem : van het plattelandsvolk heeft hij met een merkwaardig episch talent een waarachtig scherp, maar « eenzijdig » beeld geschetst.
Het is zeer merkwaardig dat men het woord eenzijdig hanteert wanneer afbreuk wordt gedaan aan het idyllische en dus eenzijdige imago waarmee elke heimatschrijver het belangrijkste van de Vlaamse realiteit heeft verdoezeld.
»
EEN “KAPITALISTISCH” LIEFDESAVONTUURTJE
Hoedanook, de belangstelling voor Buysse was weer gewekt en enkele jaren geleden verzorgden de Buysse-specialisten Antoon van Elslander en Anne-Marie Musschoot voor Manteau-Elsevier dan ook een zevendelige dundruk-editie van het verzameld werk.
Maar vermits dergelijk prestigieus projeCt zelden de massa bereikt, koppelt uitgeverij Manteau hieraan de heruitgave van aparte Buysse-romans. « Tantes » verscheen, en nu een minder bekend werk misschien (en zeer ten onrechte) : « Zoals het was… ».
Met dit opzet wordt blijkbaar aan een vraag beantwoord, Cyriel Buysse blijkt bij de lezer aan een revival toe. Steeds meer grijpt men naar het verhalend boek, naar de herkenbaarheid, naar de roman met de vrij eenvoudige vertelstructuur. En wanneer dat samenvalt met de zucht naar nostalgie zit je als auteur goed. Buysse mag het niet meer beleven, anderen zullen de vruchten plukken.
« Zoals het was… » is stilistisch vrij ruw, Buysse hanteert een ongepolijste structuur en taal; dat maakt hem meteen voor de moderne lezer toegankelijker dan veel van zijn tijdgenoten die met hun verfijnder en bombastischer taal nu hopeloos verouderd lijken en onleesbaar. Een ironisch boek, soms bitter. Met vitalisme, nonconformisme en vrijheidsdrang in het vaandel.
Buysse vertelt over een fabriekje eind 19de eeuw, zijn fabriekje want het boek is zeer autobiografisch. Een gedetailleerde beschrijving van de werkzaamheden en de werkomstandigheden begeleidt het liefdesverhaal van Triphon De Beule, zoon van de fabriekseigenaar (Triphon was het troetelnaampje dat de tantes Loveling voor hun neefje Cyriel gebruikten).
Centraal echter staat de problematiek van het socialisme dat moeizaam zijn weg vindt naar het platteland. De arbeiders op de olieslagerij en graanmaalderij komen druppelsgewijs in contact met de nieuwe ideeën, met de stakingen in de steden (winter 1885- 1886) en de « rode lente » van 1886. Via de krant, daarna via meetings (Anseele) worden zij tot solidariteit opgeroepen. En ook zij nemen het roer in handen, te weinig gemotiveerd echter, met te weinig ruggesteun : hun initiatief zal slechts een schijnresultaat kennen maar toch de voorbode zijn van de grote veranderingen.
De evolutie van de talrijke personages, kleurrijk en gevoelvol geschilderd, is minder psychologisch uitgewerkt dan wel sociologisch gefundeerd. Buysse toont aan de hand van de ontwikkeling van zijn figuren het ontwakend bewustzijn van de arbeidersklasse. Triphon, Buysse zelf dus, is het enige personage dat uitgewerkt wordt in zijn innerlijke groei die parallel loopt met de sociale en politieke evolutie. Na een vrij typisch « kapitalistisch » liefdesavontuurtje met één der werkneemsters, die in verwachting raakt, zal hij schoorvoetend en met omwegen, de zijde van het proletariaat kiezen.
Meteen heeft Cyriel Buysse hier een generatieconflict opgezet dat geprojecteerd wordt tegen een achtergrond van klassestrijd en symbool is van de grotere sociale roerselen. Vader De Beule vertegenwoordigt het kapitalisme, de statische wereld, de strakke hiërarchie. Triphon staat voor het dynamische (symbolisch tenminste want hijzelf is eerder gevolg dan oorzaak van de gebeurtenissen), voor de soepele verhoudingen en de interactie. Meer dan de arbeiders wordt de figuur van Triphon de ware revolutionaire kracht omdat hij vanuit scherpgestelde idealen ageert.
Een meesterlijk verteller, een sociaal en politiek-historisch interessant verhaal, voldoende reden om « Zoals het was… » ter hand te nemen. En dat mag van heel wat boeken van Cyriel Buysse gezegd.
CYRIEL BUYSSE GENOOTSCHAP
Het Cyriel Buysse Genootschap is zoniet het geestes- dan toch het troetelkind van Anne Marie Musschoot, professor emeritus Nederlandse Literatuur aan de Gentse Universiteit. Daar is ze in de voetsporen getreden van Antonin Van Elslander, zodat deze Buysse-belangstelling niet geheel uit de lucht is komen vallen. Anderzijds heeft zij toch ook wel veel belangstelling voor de hedendaagse literatuur en de inbedding in de brede maatschappelijke context. De ideale figuur dus om ons uit te leggen waarom zo’n Genootschap nu zo nodig hoeft…
A.M.Musschoot: Op dit ogenblik mag de belangstelling voor Buysse wel groot lijken (ze is b.v. groter dan voor Stijn Streuvels om maar iets te zeggen), maar dat is dan het gevolg van een heel recente revival. “Recent” moet je in dat geval zien in literair-historisch perspectief, want ik spreek nu over de jaren zeventig. Vóór die tijd werd Buysse zo goed als verwaarloosd. De katholieken b.v. móchten hem gewoonweg niet lezen: in de bibliotheken mocht hij niet aangekocht worden, een paar boeken waren helemààl verboden…
Slechts één voorbeeld uit de velen: de bijdrage over Buysse in “Beknopte Literatuurgeschiedenis II” van M.Lieven, uitgeverij Plantijn, bedraagt in de tweede druk uit 1968 precies vijf lijnen. En in die vijf lijnen slaagt men er dan nog in de volgende kenmerken samen te brengen: antiklerikaal, franskiljon, ruw, brutaal, cynisch, instinctief. De conclusie luidt: hij “blijft de werkelijkheid verwringen en zijn karakters zijn eerder typen. Hij is bovendien een slecht stilist.” (*)
Het is dus pas in de jaren zeventig dat er op dat vlak een soort van doorbraak is gekomen, vandaar dat er een hele inhaalbeweging nodig is. Die revival heeft ongetwijfeld ook te maken met het feit dat hij van de auteurs van zijn generatie in Vlaanderen de meest leesbare is. De reden hiervoor is dat hij een realist is, ook in zijn stijl, wat b.v. bij Streuvels niet het geval is. Daarmee wil ik niet afdingen op de waarde van Streuvels, integendeel, maar Buysse heeft niet die “écriture artiste” en daarmee bedoel ik dan die louter stilistische ornamenteringen die nu in de weg staan voor de moderne lezer. Lees een paar kleine novelletjes van Streuvels van rond 1900 en je zal meteen zien dat de taal in de weg staat, dat je uitleg nodig hebt, dat hij woorden gebruikt die niet meer gekend zijn. Buysse heeft dat niet en hij wordt dan ook graag gelezen. Dat Streuvels destijds beter werd ontvangen dan Buysse, heeft volgens mij dan ook veel meer te maken met extra-literaire omstandigheden.
– Maar die “inhaalbeweging” wordt dus nu gemaakt via een Genootschap. Maar wat houdt dat precies in?
A.M.Musschoot
: Het Cyriel Buysse Genootschap is gesticht na de herdenkingstentoonstelling in 1982. Buysse is gestorven in 1932 en vijftig jaar later is er dan, nog op verzoek van zijn zoon, een grote herdenkingstentoonstelling gekomen in Antwerpen en in Gent. Van daaruit is nadien bij barones Buysse, de schoondochter dus (Mathilde Nerincx, 1908-2000, RDS), de behoefte ontstaan om daar iets blijvends van te maken, om dat niet zo maar opnieuw in het niets te laten verdwijnen. Vandaar de oprichting van dit Genootschap dat zich wil bezighouden met het verder bekend maken van het werk van Buysse en het verbreden en verdiepen van de studie van zijn oeuvre. Er is immers nog heel wat werk op de plank, als je nagaat dat hij zijn Verzameld Werk maar heeft gekregen tussen 1974 en 1982!
– Waarvoor u trouwens heeft gezorgd…
A.M.Musschoot
: Samen met mijn voorganger, Prof.Van Elslander, ja.
– Hoe functioneert dat Genootschap dan?
A.M.Musschoot
: Er zijn een kleine driehonderd leden. Aanvankelijk kwamen die niet samen tot ik enkele jaren geleden een eerste colloquium heb georganiseerd, wat eigenlijk bedoeld was als een soort van ledenvergadering, maar aangezien het een wetenschappelijk colloquium was, zijn niet alle leden daarop afgekomen, omdat ze niet allemààl uit die hoek komen. Op die manier bereiken we dus maar een beperkt aantal leden, vandaar dat we sindsdien ook andere initiatieven organiseren, zoals literaire wandelingen en zelfs culinaire bijeenkomsten, die dan wel altijd van ver of van nabij met Buysse te maken hebben.
– Elk jaar is er ook een jaarboek…
A.M.Musschoot
: Tot grote tevredenheid van de leden inderdaad. Maar het is wél een wetenschappelijk werk, wat alweer misschien een beperking is in vergelijking met soortgelijke Genootschappen of Stichtingen, zoals men ze in Nederland noemt. Ons jaarboek is geïnspireerd door de Achterberg Stichting, waarvan echter eerder een jaarboekje verschijnt. Maar de andere Genootschappen in Vlaanderen, waarvan de grootste die van Felix Timmermans en Ernest Claes zijn, die hebben véél meer leden dan wij. Ik probeer daaraan iets te doen natuurlijk, maar Buysse is een ander soort schrijver dan Timmermans en Claes, we zullen dus hoe dan ook een ander publiek hebben.
– Dat “ander soort schrijver” zijn, geldt dan op de eerste plaats zijn sociaal engagement, waardoor hij o.m. in socialistische middens “aantikte”, maar toch zet ik die uitdrukking tussen aanhalingstekens, want hij was tevens een uitgesproken liberaal!
A.M.Musschoot
: Laten we ervan uitgaan dat je hem niet onder één hoedje kon vatten. Je kan zijn opvattingen niet identificeren met een bepaalde partij of zelfs niet met een bepaalde ideologie. Hij is voor de socialisten heel interessant geweest, maar dat was ook voor de liberalen het geval. En dat wou hij ook zo. Zelf verklaarde hij immers dat hij niet ging stemmen bij de verkiezingen. Hij komt uiteraard wel uit een liberale familie: zijn broer Arthur is zelfs liberaal volksvertegenwoordiger geweest. De socialisten hebben echter veel voor het werk van Buysse gedaan en zijn sympathie ging dan ook naar hen uit (hij had zelfs vrienden die links van de BWP stonden, zoals Frans Masereel en de Franse auteur Léon Bazalgette, o.m. correspondent van “L’Humanité”, RDS). Maar daarnaast had hij b.v. ook veel sympathie voor de Daensistische beweging. Hij was van oordeel dat zij op het platteland de functie hadden van wat de socialisten deden in de stad, namelijk ingaan tegen de sociale onrechtvaardigheid. Want dààr ging het om bij Buysse: een meevoelen met de verdrukte mens, met de mens die wordt verdrukt door de mens. Je moet dat niet politiek verklaren, je moet dat menselijk verklaren. En daarom ook dat hij een belangrijk schrijver was én is.
– In de tijd dat Buysse actief was als schrijver, was ook de taal een middel tot onderdrukking. Hoe was zijn houding dààrtegenover?
A.M.Musschoot
: Dat is een belangrijke vraag omdat ze een hele discussie heeft doen ontstaan. Hij is daarin immers niet steeds rechtlijnig geweest. Om te beginnen was hij van huis uit Franstalig, maar ook Nederlandstalig: beide talen werden gesproken. Zijn opvoeding geschiedde oorspronkelijk in het Vlaams maar later werd hij naar “de stad” (Gent) gestuurd om zijn Frans, dat hij al heel goed kende, nog wat bij te spijkeren. Hij heeft trouwens geprobeerd om in het Frans door te dringen. Zo heeft hij een aantal novellen in het Frans geschreven. Ook zijn “Biezenstekker” heeft hij vertaald en zelfs getracht om het in Parijs te laten opvoeren via Maurice Maeterlinck die hij zeer goed kende. Dat is hem niet gelukt. De klacht van Buysse dat hij hem zou verhinderd hebben carrière te maken in Frankrijk, was echter ongegrond, want hij deed wél zijn best om publiciteit te maken voor Buysse. Het is echter wél waar dat hij hem afraadde om in het Frans te schrijven. Niet echter uit vrees voor concurrentie, zoals Buysse veronderstelt, maar omdat het Frans van Buysse abominabel was, al was Buysse lid van een franskiljonse lobby, de “Association flamande pour la vulgarisation de la langue française”, waarvan ook de Gentse bisschop Stillemans en… Edward Anseele lid waren.
(Op die manier kreeg Buysse trouwens informatie uit de eerste hand voor de roman die hij later, in 1900, over Anseele zou schrijven, onder de titel ’n Leeuw van Vlaanderen. Overigens was dit boek eigenlijk nogal kritisch t.o.v. de socialistische leiders. Het werd dan ook pas in 1911 – in het kader van een Buysse-viering – in afleveringen gepubliceerd in Vooruit. Het toeval, of misschien zelfs de Wet van Murphy, wou dat precies op 1 mei de passage verscheen, die aan de oorsprong zou liggen van de term biefstukkensocialisme. Op een partijvergadering van 10 mei kan men in de verslagen dan ook terugvinden dat sommige bestuursleden zich hieraan hadden geërgerd, RDS.)
A.M.Musschoot: Daarbij moeten we ook rekening houden met het feit dat Buysse op een bepaald moment trouwt met een Nederlandse, waarna hij voor het grootste deel van het jaar in Den Haag gaat wonen. Hij wordt dus tot op zekere hoogte een “Nederlands” auteur. Tot in de jaren twintig zijn al zijn uitgevers trouwens Nederlanders. Wat verder een zeer belangrijke rol heeft gespeeld is een incident in 1897, dus in de periode dat hij in het Frans probeerde te schrijven, toen hij n.a.v. een persoonlijke kwestie de flaminganten heeft aangevallen.
– Kunt u dat niet iets meer specifiëren?
A.M.Musschoot
: Nee. Dat ontaardt te gemakkelijk in roddel, waaraan ik me niet wil begeven (**). Maar het is in ieder geval zo dat hij de flaminganten heeft aangevallen, waarbij hij het vooral gemunt had op een aantal van hen die hem in zijn persoonlijke leven hadden getroffen. Dat artikel in “De Amsterdammer” is hem erg kwalijk genomen en hij heeft daar achteraf ook veel spijt over gehad. In een paar open brieven heeft hij er zich zelfs van gedistantieerd. Uit later werk zoals zijn toneelstuk “Jan Bron” en zijn novelle “Uleken” blijkt dat hij integendeel erg veel sympathie had voor de flaminganten. Wat sterk tot die ommekeer heeft bijgedragen is dat het bewuste artikel in de strijd rond de gelijkheidswet werd misbruikt door Bara in de senaat, zodat het op die manier grotere gevolgen had dan Buysse bedoelde.
– Bovendien ontwikkelt Buysse tijdens de Eerste Wereldoorlog als reactie op het activisme opnieuw een Belgicistische reflex…
A.M.Musschoot
: Dat is zijn liberale achtergrond natuurlijk.
– Maar het activisme is toch helemaal niet te vergelijken met de collaboratie tijdens de Tweede Wereldoorlog! Hoe is het mogelijk dat een man als Buysse de sociale dimensie daarvan niet heeft gezien?
A.M.Musschoot
: Omdat hij heel sterk anti-Duits was. En zijn hevige anti-Duitse houding maakte hem tot een “echte Belg” in liberale zin. Hij heeft zich trouwens verzet tegen het feit dat men een aantal van zijn boeken in het Duits heeft vertaald.
– Eigenlijk waren het zelfs eerder “bewerkingen”, heb ik begrepen, want ze werden aangepast zodat ze beter thuishoorden binnen de “Heimatliteratur”…
A.M.Musschoot
: Zo is het. En hij was daar doodongelukkig om.
– Buysse was ook een naturalist, dat was Gefundenes Fressen voor wie hem wilde verbieden…
A.M.Musschoot
: Het naturalisme bij Cyriel Buysse moet niet overschat worden: het is maar een klein gedeelte van een uitgebreid oeuvre, dat bijwijlen ook hyperromantisch is, in de traditie van zijn tantes Loveling. De naturalistische episode zou zich volgens sommige kenners uitstrekken van 1890 (de publicatie van “De Biezenstekker” in het avantgarde-tijdschrift “De Nieuwe Gids”) tot 1900. In dat geval zou “Het Gezin van Paemel” (1903) dus echter niet naturalistisch zijn! Maar zelfs als men ervan uitgaat dat men het voornamelijk over het prozawerk van Buysse heeft, dan nog kan misschien beter de datum 1905 (publicatie van “Het leven van Rozeken van Dale”) naar voren worden geschoven. Anderzijds moet worden toegegeven dat ook in Buysses romantische werk maatschappijkritiek zit. Bij hem gaat het immers zoals gezegd altijd over het kwaad dat de ene mens de andere aandoet. Bij Streuvels b.v. is het thema eerder hoe klein de mens wel is in de kosmos, in de natuur.
– Als ik dit alles op een rijtje zet, dan kom ik tot de conclusie dat de Buysse-studie niet mag worden beschouwd als een vorm van “literaire archeologie”?
A.M.Musschoot
: Zeker niet! Met Buysse wordt een lijn ingezet die men kan doortrekken tot op de dag van vandaag. Die gaat via Gerard Walschap en Louis Paul Boon over Walter van den Broeck en Monica Van Paemel naar Guido Van Heulendonk…
14 tantes van cyriel buysseVolgens Marc Reynebeau (Knack) refereren de drie tantes van Katrien Deschryver in “Het Goddelijke Monster” van Tom Lanoye aan “Tantes” van Cyriel Buysse. Trouwens, toen in een vorige aflevering van de Mededelingen Yvan de Maesschalck op overeenkomsten wees tussen Buysses “Biezenstekker” en “Vrijdag” van Hugo Claus, dan vertelde hij weliswaar niet nieuws, maar als hij “De geruchten” met “’t Bolleken” gaat vergelijken, blijf je toch wel met rode oortjes lezen…
Over de bemiddelende rol die Buysse heeft gespeeld om andere Vlaamse auteurs in Nederlandse tijdschriften te laten publiceren vertelt biograaf Joris van Parys de volgende leuke anekdote. Hoofdredacteur Frans Coenen heeft niet altijd oren naar Buysses suggesties omdat hij liever werk van vrouwen uit zijn onmiddellijke omgeving publiceert. Hij doet dit zo opvallend dat Jan Greshoff spreekt van zijn “haremvrouwen”, terwijl Menno ter Braak uitbraakt: “Wat een degradatie, om van een Forum op een blad vol wijven terecht te komen!” En let wel, hij heeft het dus niet over Menzo, Ché of Cover, hé!
Dat soort bladen zouden we zeker in de Fenomenale Feminatheek van Boontje aantreffen. In verband met deze schrijver kunnen we tot slot de bekende anekdote aanhalen die Hugo Van den Berghe o.m. tegen Pascal Verbeken vertelde in De Standaard der Letteren van 27/2/97: “Toen ik in Aalst voor een socialistische kring Het gezin van Paemel regisseerde, kwam op een avond Boon langs. Hij bood zich aan om het rolletje van de facteur te spelen die aan het eind de brief uit Amerika brengt. Hij zei toen: ik heb zo veel bewondering voor Buysse, eigenlijk zou ik een boek over hem moeten schrijven; maar door mee te spelen bewijs ik hem veel meer eer.”
In 2014, bij de presentatie van de 30ste aflevering van de Mededelingen van het Cyriel Buysse Genootschap en in het boek zelf, werd al duidelijk gemaakt dat de publicatie verder in een andere vorm zou verschijnen. De bedoeling was een jaarboek uit te geven met een bredere blik op de context waarin Buysse leefde en werkte. Het is echter gebleken dat voor een dergelijke jaarlijkse publicatie over de literatuur van het interbellum onvoldoende belangstelling bestond. Daarom heeft het bestuur besloten om contact op te nemen met een uitgever die zich zou willen engageren om jaarlijks een boek met één of meer titels van Buysse op de markt te brengen. Zij hebben Rudy Vanschoonbeek (uitgeverij Vrijdag) bereid gevonden deze publicatie, met de financiële steun van het Cyriel Buysse Genootschap, op zich te nemen en we hebben om te beginnen een afspraak voor de eerstkomende vijf jaar. Het eerstvolgende boek zal in 2016 verschijnen. Omdat er geen publicatie komt in 2015 hoopt men ook het tweede boek nog in 2016 te laten verschijnen. De Mededelingen verschijnen dus niet meer en er wordt ook geen lidgeld opgevraagd, maar iedereen die deel uitmaakt van het huidige ledenbestand zal een reductiebon ontvangen van de uitgever waarmee hij of zij zich de geplande nieuwe Buysse-druk in de boekhandel kan aanschaffen tegen verminderde prijs.

Ronny De Schepper

(*) Ook Vic De Donder citeert in zijn boek “Kom eens naar mijn kamer, een halve eeuw collegeleven in Vlaanderen” (Elsevier, 1986) Cyriel Buysse als voornaamste auteur die door de katholieke scholen werd “doodgezwegen” (p.120).
(**) Eigenaardig dat ik daarover niet heb doorgevraagd, want twintig jaar eerder heeft prof.Musschoot in haar lessen over Buysse daar wél meer over verteld. Dit zijn de nota’s die ik daarover toen heb genomen: in 1897 schrijft Buysse in “De Amsterdammer” een polemisch artikel over het flamingantisme, waardoor het tot een breuk komt met zijn Vlaams lezerspubliek en dan vooral met de redactie van het tijdschrift “Van nu en straks”. Wellicht heeft hij het artikel geschreven n.a.v. een verslag van een lezing van Jan van Rijswijck, de burgemeester van Antwerpen, over de Nederlandse taal. Daarbij moet men wel weten dat Jan Van Rijswijck bevriend was met Max Rooses, met wiens dochter Rosa Buysse graag een relatie had gehad, maar vader Rooses verzette zich daartegen, vooral na insinuaties van Paul Frédérique (Rooses zal trouwens op een prachtige ironische wijze reageren op het artikel). In het artikel verwijt Buysse de flaminganten dat ze onder elkaar Frans spreken, enerzijds omdat er geen beschaafde omgangstaal is en anderzijds uit arrivisme. Als datzelfde jaar in de senaat de gelijkheidswet wordt besproken (bedoeld wordt: de gelijkheid van taal, meer concreet dat de wetten voortaan ook in het Nederlands zouden worden uitgevaardigd), zijn de liberalen daartegen en hun woordvoerder Bara haalt op dat moment het artikel van Buysse aan ter staving van hun argumenten. Jules Bara (1835-1900) was weliswaar een Franstalige Brusselaar, maar het artikel was na amper een paar dagen al vertaald door een Gentse advocaat. In het liberale blad “Etoile belge” verklaart Buysse zich nogmaals solidair, waarop August Vermeylen in “Van nu en straks” reageert met het artikel “Onze taal voor de senaat en voor Buysse”. In eerste instantie wordt de gelijkheidswet afgeschoten, maar een jaar later zal ze toch goedgekeurd worden. Voor Buysse zelf zal het nog tot 1903 duren vooraleer hij in het tijdschrift “Groot-Nederland” terugkrabbelt, maar van dan af is het hek dan ook van de dam en keert hij zijn kar 180°. In een interview afgenomen door de Gazette van Detroit op 16 september 1931 (enige maanden voor zijn dood) toont hij zich zelfs een visionair: “Wij gaan naar het Federalisme! (…) Vlaanderen krijgt ongetwijfeld zelfbestuur. Wallonië eveneens. De twee Staten in een Federale Staat België.” (Mededelingen XXVI, p.186) Als Groot-Nederlander in woord (het tijdschrift) en in daad (hij woonde afwisselend in Vlaanderen en in Nederland) betreurt hij wel dat dit samengaan in de praktijk nooit zal worden verwezenlijkt: “Het is een onmogelijk uit te voeren droom. Het meent de verbrokkeling, de vernietiging van België als ’n Staat, iets wat de mogendheden, vooral Engeland, niet zouden dulden. In Holland verlangt men niet naar die aanhechting. Een der redenen, om er maar eene te noemen, is de overwegende meerderheid der protestanten in Holland. Neemt men Vlaanderen daarbij dan verandert die meerderheid in eene minderheid en worden de katholieken baas. Ook het Hollandsch vorstenhuis is Protestantsch. Er zijn nog andere redenen, maar deze eene zoude moeten voldoende zijn. En Vlaanderen heeft er alles bij te winnen, die droom te vergeten.” (idem, p.187)

Referenties
Cyriel Buysse, Zoals het was… Manteau, Antwerpen, 1983, 221 blz., 395 fr.
Johan & Jan de Belie-Segers, Omzien naar Cyriel Buysse: het ontwakend bewustzijn van de arbeidersklasse, De Rode Vaan nr.18 van 1984
Ronny De Schepper, “Meevoelen met de verdrukte mens, daar ging het om bij Buysse”, De Rode Vaan nr.15 van 12 april 1991
Ronny De Schepper, Jaarboek Buysse Genootschap, Het Laatste Nieuws, 19 april 1994
Ronny De Schepper, In de voetsporen van schrijver Cyriel Buysse, Het Laatste Nieuws, 16 september 1994
Ronny De Schepper, Het land van Cyriel Buysse, Het Laatste Nieuws 6 april 1995

IMG

Een gedachte over “Cyriel Buysse (1859-1932)

  1. Cyriel Buysse is een verdienstelijke schrijver die zeker niet minder begaafd was dan de grootste Franse naturalistische auteurs. Evenals Gerard Walschap werd hij zo goed als “doodgezwegen” in geloofsgebonden (overwegend: “katholieke”) scholen in Vlaanderen. Dat is vermoedelijk één van de redenen dat veel literatuurminnenden deze auteurs pas jaren na hun studies “ontdekken”. Het is echter ook een feit dat vele jongeren zijn boeken niet kunnen waarderen; vermoedelijk omdat de behandelde problematiek onlosmakelijk verweven en gekoppeld is aan achterhaalde, verouderde, “ouderwetse” levenssituaties van een reeds lang voorbij verleden.

    Like

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s