Op de avond van 17 juli 1717 vond de pas gekroonde koning George I van Engeland het een leuk idee om de kroningsfeesten af te sluiten met een boottochtje op de Theems. Wij zouden in zo’n geval onze transistorradio meenemen, maar George nam een heel orkest mee (in een boot die naast de zijne bleef varen) en liet de Duitse componist Georg Friedrich Händel, die hij uit Hannover had meegebracht, de muziek componeren. De “Water music” werd zo’n hit (nog dezelfde avond wilde de koning ze drie keer horen) dat Händels subsidie meteen verdubbeld werd.

Maar eigenlijk werd Händel niet door de koning betaald maar door Baron Kilmanseck. Dit was des te edelmoediger als men weet dat de barones de minnares was van de koning…
Nadat in 1717, het jaar dat Händel zijn Brockes-Passion schreef, de loge was gesticht in Londen (waarbij werd vergaderd in “music houses”, een soort van deftige herbergen, waar muzikanten speelden), wordt Händel in 1719 artistiek directeur van de Royal Academy of Music, waar hij opera’s laat uitvoeren met de wereldvedetten van toen: de castraat Senesino (b.v. Bertarido in, nee niet “Rode Sonja” maar “Rodelinda”), de sopraan Faustina e.a. Als hij later ook nog directeur wordt van het Royal Theatre en van Covent Garden, is het duidelijk dat hij alle touwtjes in handen heeft. In 1726 laat hij zich dan ook tot Engelsman naturaliseren. Hij schrijft dat jaar ook The Coronation Anthems voor de kroning van koning George II, aangezien hij toen reeds “music maker to the royal family” was. Rond die tijd gaat hij zich (mede na een paar financiële opera-débacles) ook meer op het nieuwe middenstandspubliek richten dat afkerig stond tegenover de Italiaanse opera. Van dan af schrijft hij dan ook zijn beroemde oratoria op Engelse teksten. Ook al omdat vanaf 1730 geen bijbelse onderwerpen meer mogen worden uitgebeeld in het Engelse theater. Daarom dat Händel zijn opera “Esther” tot een oratorium “omwerkt”.
In 1741 komt Händel ten val na de zinloze concurrentie met het Theater van de Adel. Van dan af zal hij op vocaal gebied enkel nog oratoria schrijven (“Messiah”, “Samson”). Er wordt beweerd dat hij ook een Johannespassie schreef, al is daarover geen zekerheid te verkrijgen. Florian Heyerick (die ze als eerste opnam): “Dat doet natuurlijk niet echt ter zake, de muziek zelf moet het maar zeggen. Maar toch denk ik dat het Händel is. Omdat hij er, behalve in zijn melodieën, zo vaak naast zit. Typisch Händel. Fantastische melodieën bedenken, maar verder nogal nonchalant en veel minder inventief.” (DS Magazine, 11/4/97)
In Londen woonde hij in Brook Street 25. Dit gaf in 1995 aanleiding tot een fikse ruzie met de fans van… Jimi Hendrix! Die woonde immers in Brook Street 23, waar zich daarna een verzekeringsmaatschappij vestigde. De Händel House Trust wilde dat jaar echter die woning overkopen om ze dan samen met het nr.25 tot een Händel-museum in te richten, terwijl de Jimi Hendrix-fans er uiteraard een Hendrix-museum willen van maken.
In de 18de eeuw komt Engeland tot industriële en koloniale expansie. Er is een intens muzikaal leven maar de eigen Engelse componisten komen daar niet bij aan bod, wel Duitsers of Italianen. Onder de Engelse componisten moeten Benjamin Cooke en Jonathan Battishill toch vermeld worden. Het meest populaire genre is het oratorio.
Evenmin als in de 18de eeuw levert Engelens in de 19de eeuw grote componisten wiens werk een stempel drukt op de algemene geschiedenis. Het is gemakkelijk te beweren dat Engeland niet muzikaal zou zijn, maar dat is natuurlijk niet waar. Het volstaat te verwijzen naar de bijdrage die dit land leverde tijdens de Middeleeuwen en de renaissance of zelfs in de barokperiode met Purcell. Waarom zou dan met deze traditie gebroken zijn?
De reden hiervoor kan niet alleen liggen bij de revolutie van Cromwell onder wiens regering immers de kerkorgels werden verwoest als zijnde paaps en de manuscripten en bundels met kerkmuziek werden vernietigd om diezelfde reden. Thuis bleef men muziek beoefenen en tal van uitgaven voor kleine ensembles of voor solo-instrumenten verschenen. Het probleem van de beperkte muziekproduktie dient dus ergens anders gezocht te worden. Sneller dan elders in Europa worden in Engeland kapitalistische exploitatiemethoden ingevoerd in het muziekleven. De muziekuitgevers zouden ten langen leste een remmende functie uitoefenen op het muzikaal gebeuren (zoals trouwens ook heden nog …).
Om grotere afzet te vinden voor hun uitgaven zullen de uitgeverijen het oprichten en het in stand houden van koorverenigingen bevorderen. Concerten worden geregeld door beroepsmensen, die dit gewoon als industrie beschouwen, de moderne impressario wordt hier geboren.
De Engelse volksmuziek die zeer rijk is, bleef voortbestaan. Reeds in de 19de eeuw begonnen enkelen met het verzamelen van de volksliederen en lieten deze harmoniseren door bekende componisten. Naast deze bundels heeft ook het volkse lied veel succes. De heersende ideologie is er een van vrije handel. Alleen winst wordt nagestreefd. Dat maakt dat de uitgevers en manages in principe niet tegen nieuwe muziek zijn, mits deze geen deficit brengt. Het natuurlijk gevolg is dat men de Engelse componisten weinig of geen kans geeft en ontmoedigt.
De meeste populaire componist is Henry Bishop. Zijn stijl bantwoordt volledig aan de esthetiek van de Engelse burgerij: diverterend en goedkoop.
Men moet toch erkennen dat er ook componisten waren die hun vak beheersten, zoals bijvoorbeeld Samuel Wesley of John Goss. Charles Parry en Charles Stanford vielen ten prooi aan de Victoriaanse wansmaak.

Ronny De Schepper

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s