Dertig jaar geleden ging ik Patricia Kuypers interviewen: “Dansen is op de eerste plaats een manier van communiceren”…

Naar aanleiding van het incident op de Grote Markt van Brussel paste ik ook mijn inleiding van mijn cultuurartikel die week aan (want, laten we wel wezen, het was al lang zo gepland, dus het had er in feite niets mee te maken).
Om te bewijzen hoe wij 11 juli en de Vlaamse gedachte interpreteren, gingen we speciaal voor deze gelegenheid een jonge Belgische choreografe opzoeken, geboren uit een Vlaamse moeder, een Brusselse vader (een verfranste Vlaming om precies te zijn) en opgegroeid in Charleroi. Patricia Kuypers (27) spreekt weliswaar behoorlijk Nederlands, maar om voldoende nuances te kunnen leggen in de diepgravende vragen die wij haar voorlegden, verzocht zij ons om het interview toch maar in het Frans te laten plaatshebben. Grootmoedig stonden wij haar dit uiteraard toe, want — zoals Wannes van de Velde het reeds zei in ons 1 meinummer — het gaat er niet om in welke taal iets gezegd wordt, maar wat er gezegd wordt.
« Ik wilde een expressievorm die aansloot bij mijn manier van leven. »
Hoe vindt u deze inleiding? Goed gepolitiseerd, nietwaar? Alleen, er is geen fluit van waar. Dat wij Patricia Kuypers gingen opzoeken, heeft geen enkel verband met 11 juli, maar des te meer met 13 juli, de dag dat in het Brusselse Zuidpaleis een aantal stages van hedendaagse dans beginnen, waarvan zij de motor is (zie verder). En dan nog is 13 juli enkel maar de aanleiding. De ware reden waarom wij Patricia zijn gaan opzoeken, is dat wij van plan zijn in de rv een aantal mensen aan het woord te laten uit artistieke richtingen die zelden in deze kolommen aan bod komen, omdat zij zich nu eenmaal niet tot de « grote massa » richten. Het is immers opvallend hoe gepassioneerd deze mensen vaak zijn. En dat willen we nu juist achterhalen. Wat bezielt deze mensen ? Wat drijft hen ? (*) What makes them tick?
Op een broeiend hete namiddag geeft Patricia ons rendez-vous op haar Brusselse werkflatje waarvan het balkonnetje overigens uitziet op een Vlaamse kleuterschool. « Als dat schooltje er niet was, kon je hier rustig liggen zonnen, » hoor ik de grapjas in mij zeggen. « Not a chance », zucht Patricia, « ik worstel me net door een brief aan het ministerie om een subsidie te bekomen. » Cultureel België anno 1987…
Patricia Kuypers: Als klein kind reeds droomde ik ervan ooit balletdanseres te worden. Mijn ouders hebben zich daar echter tegen verzet en zo komt het dat ik eigenlijk psychologie heb gestudeerd. Tijdens mijn studies aan de universiteit ben ik echter met mensen in contact gekomen die mij hedendaagse dans hebben bijgebracht, want klassieke dans sprak mij niet aan. Ik wilde een expressievorm die aansloot bij mijn generatie, bij mijn manier van leven. Erg veel moet je je daar trouwens niet van voorstellen. Dat waren lessen in « creatief dansen ». Daarmee bedoelde men eigenlijk: men kan dansen van zodra men zich in beweging zet en door te geloven in wat je doet kan je de kwaliteit van je dansen verbeteren. Over techniek werd dus heel weinig gesproken. Om werkelijk iets op te steken ben ik dan ook daarna naar Londen en Parijs getrokken.
— Hier in België bestaat nochtans Mudra…
P.K.:
Ja, maar dat was voor mij niet geschikt. Dat is immers een school voor perfectionering die dansers opleidt vanaf hun zestiende jaar en nadat ze reeds een klassieke opleiding hebben gehad. Het is trouwens vooral in die richting, wat men dan de « moderne klassieke » richting zou kunnen noemen, laten we zeggen de stijl van de jaren vijftig, dat men zich kan bekwamen, naast een beetje theater en ritme. Mudra is zo’n zeventien jaar geleden gesticht door Béjart in de periode dat hij grootse regies opzette, met niet enkel dans, maar ook theater. En daarom wou hij een school stichten die niet louter dansers zou opleiden, maar wel mensen die tegelijk ook in het theater werkzaam zouden kunnen zijn, zouden kunnen zingen, enz. Dat was echter het oorspronkelijke opzet. Uiteindelijk is de school, net zoals Béjarts regies, geëvolueerd naar een vrij klassieke instelling.
— Hoe dan ook, u bent een van de ondertekenaars van de open brief naar aanleiding van het vertrek van Maurice Béjart, die vorige week in ons blad is verschenen. Wil u daaraan nog iets toevoegen ?
P.K.:
Met een aantal mensen zijn we samengekomen om op die manier te reageren, omdat het vertrekt van Béjart niet uitsluitend een politieke zaak is, maar ook een artistieke. Persoonlijk denk ik trouwens dat dit laatste voorop stond bij Béjarts beslissing. Hij had wellicht vooral behoefte om iets nieuws te gaan doen. En, het dient gezegd, 27 jaar geleden, voor Béjart naar België kwam, was het hier inderdaad de grote leegte. Daar staat echter tegenover dat de toewijzing van het ballet van de Munt aan Béjart een verrijking is geweest voor de twee partijen, maar dat men tegelijkertijd alles wat niet in dat kader paste heeft laten vallen. En dat hebben we vooral willen voorkomen, dat zich nu precies hetzelfde zal voordoen. Dat men een nieuwe korengraaf zal benoemen, waar alle belangstelling zal naar uitgaan, terwijl tal van andere mensen die op andere terreinen verdienstelijk werk leveren in de kou zullen blijven staan.
« De bewegingen bij het voetbal vind ik mooi en interessant »
– Die psychologie-studie, is dat achteraf bekeken tijdverspilling geweest?
P.K.:
Helemaal niet. De twee terreinen liggen immers dicht bij elkaar. Dat ik voor psychologie heb geopteerd, bewijst trouwens dat ik geïnteresseerd ben in de manier waarop mensen functioneren. Wat ik daar heb geleerd, komt me nu niet onmiddellijk van pas, omdat ik niet therapeutisch te werk ga, maar het heeft toch mijn manier van werken beïnvloed. Die cursus « contactdans », die ik deze zomer geef is daar een goed voorbeeld van. Méér dan spektakel is dansen immers een manier van communiceren. Contactdans is dan ook improviseren samen met een partner. Vertrekkende van een aantal basiselementen zoals de zwaartekracht, de tastzin, het vallen, enz. leer ik de cursisten dialogeren uitsluitend met bewegingen, met hun lichaam. En dat heeft wel iets therapeutisch, ja, omdat men voor een improvisatie zichzelf helemaal kwetsbaar, « naakt » moet opstellen.
— U heeft het nu over geestelijke « naaktheid », maar u zult het met me eens zijn dat de erotiek op zich ook een belangrijke rol speelt bij de dans, en vooral dan nog in zijn huidige vorm.
P.K.:
Het is inderdaad juist dat van zodra de paden van de klassieke dans worden verlaten en dus ook de conventionele gebaren die liefde e.d. moeten uitdrukken, er eigenlijk geen grens meer is. Alles wordt mogelijk. De erotiek wordt directer beleefd.
— Uw eerste choreografie « Elles s’en foot » (een onvertaalbare woordspeling op « voetballen » en « er zijn voeten aan vegen ») heeft heel wat ophef gemaakt, maar als ik me niet vergis stond dat wel in verband met het tijdstip waarop ze werd gecreëerd, namelijk de euforie rond de prestaties van de Belgische voetbalploeg op de Mundial
P.K.:
Dat is best mogelijk, maar ik heb daar zeker niet bewust op ingespeeld. Integendeel, de voorbereiding heeft me heel wat tijd gekost, twee jaar om precies te zijn. Maar wat ik me wél herinner, dat is dat tijdens de repetities het Heizeldrama heeft plaatsgevonden en dat heeft wel zijn invloed gehad op de productie.
— Bij « Elles s’en foot » dansen Lutgart Behiels en u op een geluidsachtergrond die o.m. bestaat uit een voetbalreportage van Luc Varenne. Dat is, op z’n zachtst gezegd, ongewoon…
P.K.:
Ja, maar dat komt omdat het eigenlijk een choreografie was, gebaseerd op herinneringen, gevoelens, indrukken die voetbal kan oproepen en dan nog vooral bij buitenstaanders zoals Lutgart en ik, die helemaal niet in voetbal als zodanig geïnteresseerd zijn.
— Maar als dat zo is, vanwaar is dan die idee gekomen ?
P.K.:
Er is een dubbele reden. Enerzijds roept dat fenomeen voetbal bij mij allerlei vragen op. Waarom kan een in de grond zo onbelangrijk spel zoveel mensen boeien b.v. en waartoe kan dat allemaal leiden, denken we maar aan de Heizel. Het is kortom een zeer belangrijk sociaal, economisch en financieel fenomeen, gebaseerd op twee keer niks eigenlijk, als je het eens goed analyseert. De tweede reden is dat het voor mij mijn eerste choreografie was en dat ik een eigen weg wilde zoeken buiten al het bestaande. Men moet natuurlijk vertrekken van bestaande bewegingen, maar ik heb die dan uit het voetbal gehaald omdat die noch in de klassieke dans, noch in de moderne voorkomen, maar die ik esthetisch gezien wel mooi en interessant vind.
— Bent u dan wel gelukkig met al de publiciteit rond deze productie ? Die is toch immers voor een groot gedeelte gebaseerd op het feit dat het onderwerp het voetbal was ?
P.K.:
Dat is waar. Het heeft heel wat communicatiestoornissen teweeggebracht. In Frankrijk b.v. kwamen er mensen op af die een soort van voetbalmatch wilden zien. Nu, dat was het niet natuurlijk. Maar anderzijds waren er ook toeschouwers die « ballet » wilden zien in de strikte zin van het woord en die kwamen natuurlijk ook van een kale reis thuis.
« Het postmodernisme is voor mij een streng afgebakende periode »
— Noch klassiek, noch modern, zegt u. Zou men dan de modeterm « postmodernistisch » mogen gebruiken?
P.K.:
Ik zou dat alvast niet doen. Voor mij is het postmodernisme, althans in de dans, een streng afgebakende periode, namelijk de jaren zestig, zeventig in de USA, met natuurlijk Merce Cunningham op kop. Vergelijkbare figuren in andere disciplines waren Jackson Pollock, de man van de action painting, en musicus John Cage. Het nieuwe van Cunningham was dat hij op de scène niet langer een verhaal wou vertellen, noch gevoelens wou uitdrukken en evenmin een filosofie zoals Béjart dat b.v. doet, maar dat hij de dans als een expressievorm op zich zag. Bewegen betekent lijnen trekken in de ruimte, energie vrijmaken, ritme, enz. Tesamen vormt dat een abstract bewegend schilderij. Abstract wat het onderwerp betreft dan, want door de aanwezigheid van de dansers is het natuurlijk tegelijk ook altijd concreet. Na hem kwamen dan Steve Paxton, Trisha Brown en anderen die de dans eigenlijk tot het nulpunt hebben herleid, d.w.z. dat ze ervan uitgingen dat eender welke beweging « dans » kon zijn.
— Als ik er uw persinformatie op nasla, dan kom ik die naam van Cunningham om de haverklap tegen en toch beweert u niet tot het postmodernisme te behoren…
P.K.:
Nee, want ik kom daarna.
— Het post-postmodernisme dus?
P.K. (lachend):
Voilà! Of de « postdanse » zoals iemand anders heeft geschreven, de dans als er geen dans meer is.
— Toch zijn er nog veel overeenkomsten met die periode, want ook u werkte b.v. samen met een action painter in « Danses pour une exposition » …
P.K.:
Ja, maar dat zou ik toch eerder als een performance dan als een choreografie omschrijven. Er was daarbij ook nog een componist die muziek maakte om op die manier een spanningsveld te creëren tussen onze drie disciplines. Maar buiten één keer in Antwerpen hebben we dat alleen maar in privékring gedaan. Eigenlijk waren het slechts schetsen, uitprobeersels.
— Dan was uw volgende echte choreografie « Action/Passion » ?
P.K.:
Ja en hier was het onderwerp de verschillende « materies » die het lichaam kan doorkruisen. In het klassieke ballet is dat enkel de ruimte, maar ik wilde bewijzen dat het lichaam ook « water » kon worden of « wind » of « lucht » of « aarde ».
— In de recensies die ik heb gelezen is daar niks van terug te vinden. Men spreekt daarin vooral over de overwinning van de zwaartekracht als thema. De critici schrijven er dus zo maar wat op los ?
P.K.:
Nee, maar ze zien enkel het meest evidente. Dat overwinnen van de zwaartekracht was wel degelijk een onderdeel van het element « lucht ».
— Is er eigenlijk wel een degelijke balletkritiek in België?
P.K.:
Dat is de grote vraag natuurlijk. In « Knack » is er Katia Verstockt, maar meestal wordt aan balletkritiek gedaan door de theaterrecensent of door de medewerker plastische kunsten en die benaderen dat dan telkens natuurlijk vanuit hun specifieke invalshoek. Terwijl de dans toch een eigen benadering heeft, ook al zijn er uiteraard wel overeenkomsten met extreme vormen van theater en ook wel met de plastische kunst, zoals ikzelf daarnet heb aangegeven. Maar het is alleszins beter dan niets natuurlijk.
— U maakt het er zelf toch ook niet makkelijker op. Dankzij het succes van Rosas (Anne Teresa de Keersmaeker) zou ik daar b.v. een referentiepunt kunnen hebben, maar dan zegt u daar niks mee te maken te hebben ?
P.K.:
Ja kijk, eigenlijk wijkt Anne Teresa toch minder af van wat men algemeen onder dansen verstaat dan op het eerste gezicht misschien lijkt. Zo werkt zij b.v. in een decor dat weliswaar gestileerd is maar toch realistisch; zo zijn haar danseressen toch in een zekere zin « personages », b.v. meisjes in een pensionaat of zo; en vooral, zij werkt met muziek die men toch min of meer als klassiek mag bestempelen, Bartok b.v. maar ook Steve Reich. Ikzelf daarentegen beeld zeker geen personage uit. Ik werk verder wel met een componiste, namelijk Anne Vandegorne, maar dat is iemand die erg originele, elektro-akoestische muziek maakt, gebaseerd op reële geluiden die ze hermixt (wat men ook wel eens een « soundscape » noemt, R.D.S.).
« Mijn generatie wil ervaringen uitwisselen over de taalgrens heen. »
— Sinds 1985 bent u ook artistiek directeur van « Contredanse » een vzw die tweetalig is. In eender welk ander land zou dit de normaalste zaak van de wereld zijn, maar hier in België creëert dat problemen, b.v. op het vlak van de subsidiëring.
P.K.:
Ja, aangezien er haast geen nationale instellingen meer zijn, moet je dus kleur bekennen. Wij worden dan ook uitsluitend gesubsidieerd door het Franstalige ministerie van cultuur. Toch vinden wij het belangrijk om ook in het Nederlands te verschijnen. Niet alleen omdat de taal bij dansen uiteraard van ondergeschikt belang is, maar ook omdat mijn generatie niet meer denkt in termen van Nederlands- of Franstalig. Ook buiten de dans, denken we b.v. maar aan het theater, is er grote nood om ervaringen uit te wisselen, samenwerkingsverbanden te creëren, enz. over de taalgrens heen. Neen, sedert vier, vijf jaar is de belangstelling van weerszijden echt toegenomen.
— Maar toch bent u hier directeur maar dan met het statuut van tewerkgestelde werkloze…
P.K.:
Ja, dat is een ander paar mouwen natuurlijk. Van de kant van het publiek is er zeker geen probleem, de zalen zitten goed vol, maar er is geen « markt ». Wij kunnen bijna uitsluitend in culturele centra terecht, terwijl er zeker nog tal van mensen daarbuiten kunnen worden bereikt. Maar organisatoren kunnen moeilijk warm gemaakt worden voor initiatie.
— Ligt er hier ook geen taak weggelegd voor het onderwijs?
P.K. :
Vast en zeker, maar dáár zit precies de grote moeilijkheid : van zowat alle kunstvormen kan men hier in België de evolutie volgen, maar niet van de dans. Er zijn mensen uit de jaren zeventig in de Verenigde Staten wier werk hier nu nog altijd niet bekend is. Hoe zou je dan willen dat de mensen zouden snappen wat er gaande is? Ze hebben gewoon geen referentiepunten. En dat is uiterst moeilijk natuurlijk, want je kan de geschiedenis niet herschrijven, wij kunnen m.a.w. niet de tussenstappen tonen die ons tot ons huidige werk hebben gebracht. Het minste wat men dus zou moeten doen is videovoorstellingen geven van wat is voorafgegaan.
Zomercreaties in het Brusselse Zuidpaleis
In januari 1985 stichtte Patricia Kuypers de vzw Contredanse, een organisatie die een structuur wil uitbouwen voor hedendaagse dans in België en door middel van een permanent vormings- en informatiecentrum de creatie in ons land wil stimuleren. Het zomerseizoen in Brussel — waar Mallemunt voortrekker is geweest van een beweging die het stadsbestuur eerst heeft trachten af te remmen en, toen dat niet lukte, nu probeert te recupereren door zelf gelijkaardige initiatieven op het getouw te zetten, met als gevolg dat het centrum van Brussel nu een heel klein beetje de sfeer van de Gentse Feesten begint uit te ademen — lijkt Contredanse dan ook uitstekend geschikt om zijn workshop en producties aan een groter publiek voor te stellen.
Als ontmoetingsruimte blijven zij hun huidige standplaats trouw, namelijk het Zuidpaleis, vlakbij onze redactielokalen. Van 13 tot 25 juli 1987 worden er daar dan ook diverse stages georganiseerd. De Engelsman Tony Thatcher zal er de Cunningham-techniek aanleren; de Chileense percussionist Daniël Smith en de Duitse danseres Suzanne Reitz zullen er lessen in ritme en beweging geven; de Amerikaanse Diane Broman concentreert zich op stem en polyfonie, terwijl van bij ons Félicette Chazerand improvisatie en video en Patricia Kuypers zelf contactdans zullen doceren.
Er wordt gewerkt op verschillende niveau’s, wat dus wil zeggen dat zowel beginnelingen als meer gevorderden aan hun trekken kunnen komen. De deelnemers aan de stage werken aan creaties, waarmee het publiek kan kennismaken tijdens een opendeurdag op zaterdag 25 juli. Anderzijds werken de diverse choreografen tijdens deze periode zelf ook aan nieuwe performances die op zaterdag 29 augustus om 21 uur aan het publiek zullen worden voorgesteld, maar dan wel in de Ancienne Belgique i.p.v. in het vertrouwde Zuidpaleis. Wie met deze informatie nog niet genoeg heeft, kan zich rechtstreeks tot Contredanse wenden (Emile de Bécolaan 54, 1050 Brussel, 02/640.63.12), waar men zich uiteraard ook kan inschrijven voor de stages.

Referentie
Ronny De Schepper, Patricia Kuypers: “Dansen is op de eerste plaats een manier van communiceren”, De Rode Vaan nr.28 van 1987

(*) Eat your heart out, Paul Jambers. Alleen… Ik meen me te herinneren dat het bij dit ene artikel gebleven is.51 patricia kuypers

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s