155 jaar geleden legde de Franse schrijver Gustave Flaubert de laatste hand aan zijn beroemde roman, “Salammbô” (schilderij van Adrien Henri Tanoux uit 1921). Het boek was het product van één van zijn vele verre reizen. Dus vooraleer te vertellen wat ik van het boek vond, laat ik eerst Johan de Belie aan het woord met een verhaal over de reizen van Flaubert…

« Niets is zo gezond als reizen », schreef Gustave Flaubert in een brief aan Louis Bouilhet. Hij had aan zijn reis naar Egypte, Palestina, Syrië en Libanon, een enorme sjanker overgehouden. Zijn vriend Maxime Du Camp, die deze reis maakte als officiële missie (exotische fotografie), en voor Flaubert iets dergelijks wist te versieren, was toen aan zijn derde syfilis toe; diens Corsicaanse bediende Sassetti had een druiper. Maar wie zich in dit perspectief derwaarts wil spoeden, is wel honderd jaar te laat geboren; in 1849 en 1850 was Egypte inderdaad een seksparadijs, nu kan men daarvoor best andere kanten uit.
De halten, die het reisgezelschap van Flaubert maakte, waren kloosters, caravanserai’s en bordelen. Maar het reizen zelf, enerzijds bijzonder gediend door persoonlijke gidsen en bedienden, was anderzijds zeer oncomfortabel omdat toerisme een nog vrijwel onbekend begrip was en hygiëne, voeding, vervoer, niet westers waren aangepast. Het zeer persoonlijke contact met de bevolking en de cultuur is nu vervangen door de touroperator. Zoals het nu ook niet meer gebruikelijk is de hoteleigenaar bij eventuele klachten eens flink af te rossen zoals dat op maandag 2 september 1850 te Damascus gebeurde…
Maar laat ik u niet in de war brengen, het reisverslag van Flaubert, dat postuum gepubliceerd werd (1910, terwijl de auteur overleed in 1880), en nu in vertaling verscheen, is geen beschrijving van het oosterse minnekozen, net zomin als de reis zelf een alibi was voor gratis bordeelbezoek zoals men toentertijd aan Flaubert wist te verwijten. De auteur die op dat moment nog geen auteur was (hij had op 27-jarige leeftijd nog niets gepubliceerd) verzaakte vaak uit weemoed aan de verlokkingen des vlezes, die « vooral een eindeloze droefheid in me achterlaten. Het is afgelopen, ik zie haar (Ruchiouk) nooit meer weer, en beetje bij beetje zal de herinnering aan haar lichaam verbleken ».
DE VOETAFDRUK
Origineel begint Flaubert zijn verhaal als een klassiek reisverslag onder de titel « Aan boord van de Nijlboot », enkele eerder vervelende bladzijden waarin de schrijver als persoon te sterk op de voorgrond blijft. Maar daarna beperkt deze « Voyage en Orient » zich tot een reisdagboek, waarin afstandelijk beschreven wordt en waarin de emoties vooral uit de beschrijving zelf moeten blijken. Flaubert is hier een meester van de suggestie, van het sfeerbeeld waartegen hij de mens (ook zichzelf via deze omweg; wat inleider tot deze vertaling, Paul Claes, tot de titel « Madame Bovary in de Oriënt » verleidt, wetend dat Flaubert ooit zei « Madame Bovary, c’est moi ») projecteert.
Soms weet hij ook lyrisch te zijn. Op 23 juni schrijft hij te Saoel: « We stonden op een zandhoop, achter ons verhief zich een rij palmen in het licht van de ondergaande zon, voor ons zagen we de Arabische bergketen, op het tweede plan de Nijl en het land onder een goudgeel kleed van pas gemaaide graanhalmen en bevolkt door bedrijvige fellahin en ossen; tegen de muren van de huizen, schoven tarwe. Mooi rond verscheen de maan tussen twee palmen; dat alles voerde je terug naar het oude Egypte, het gouden Egypte van de boer. Allengs daalde het duister over het land ». En met die laatste woorden overstijgt Flaubert duidelijk het beschrijvende, hij interpreteert. En dat maakt dit boek zo fascinerend.
Hij heeft aandacht voor de architectuur (tempels, piramiden), kunst (schilderingen, muziek), algemene cultuur, sociaal gedrag, de natuur, planten en dieren, godsdienst. Zonder ooit te theoretiseren, steeds zeer concreet blijvend in een beschrijvend, van dag tot dag, verhaal.
De grote ontroering bij al wat te zien is in deze landen (met klemtoon op Egypte en op Jeruzalem) komt niet uit grootste natuurtaferelen of cultuurfenomenen. Flaubert laat zich b.v. telkens weer ontroeren door de her en der rond tempels in de steen uitgehouwen voetafdrukken: « dat is toch té mooi als getuigenis, niet méér dan een voetafdruk ». Zo blijft de mens op elke bladzijde aanwezig als schepper (en als vernietiger, de negatieve schepping). De auteur hecht evenveel waarde aan piramiden of het graf van Christus, als aan « stilte, zon, een gevoel van verlaten straten en vochtigheid in de schaduw, zonlicht op de terrassen, huishoudspullen hier en daar in een hoek; een kat op een muur, de staart omhoog opgericht ».
POST COITUM
De jonge Flaubert, de piepjonge auteur, wist toen reeds zeer scherp de beperking van de taal aan te voelen, de armoede van het woord in relatie tot wat hij ziet en ervaart. Voor een sterrenhemel gebruikt hij het beeld van een diamanten halssnoer waaraan hier en daar een steen ontbreekt: « Ellende van het woord! Sterren te moeten vergelijken met diamanten ». Dominant doorheen het verslag is de fascinering van de kleuren, des te pijnlijker is de onmacht tot weergeven in taal : « Zo kun je een blauwe berg hebben, met een zwarte ernaast, zonder dat het eigenlijk om blauw gaat, en evenmin om zwart ».
Bijzonder sterk weet Flaubert zijn emoties te relativeren. Het ontzag, de eerbied voor cultuur en mensen blijft; de eigen visie en ervaring wordt dikwijls als toeristisch ontmaskerd. Hij beschrijft de Memnonkolossen en zijn eigen genoegen daarbij oog in oog te staan met iets dat zoveel mensen reeds bezighield, om te concluderen « ieder deed er zijn zegje over en vervolgde zijn weg ». Of hij verzet zich bijna kwajongensachtig tegen opgedrongen, conformistische waarden : wanneer hij Jeruzalem binnenrijdt laat hij (weliswaar onwillekeurig) precies onder de Jaffapoort, een wind! Of hij haalt bij nacht halsbrekende toeren uit om de piramide van Cheops te bestijgen (wat toen nog mocht), om van daaruit de zonsopgang te zien, maakt een woestijntocht, daalt af in schachten en besluit zeer relativerend « de piramiden moet je bij zonsondergang zien ».
Niet enkel de Egypte- of lsraëlreiziger kan aan dit boek een gids hebben, die trouwens gezien de afstand in tijd wel voor grote verrassingen zou kunnen zorgen, maar Flaubert geeft bijna terloops algemeen geldende emoties voor de reiziger ver van huis mee. Zo o.m. het telkens weer afscheid nemen: « Droefheid om stenen die je achterlaat! Waarom ? » Of : “Om vier uur namen we afscheid van vader Elias: dat was één van de bitterste momenten uit mijn leven, ik voelde mijn hart ineenkrimpen ». En even zelfs filosofeert hij echt : « De droefheid om mijn vertrek zegt me hoe blij ik had moeten zijn bij mijn aankomst. »
En wat te denken over de verveling en de treurnis die zelfs op de meest fascinerende plaatsen de reiziger kan overvallen. « Een bedenking: de Egyptische tempels hangen me grondig de keel uit. Zal het me ook hier vergaan zoals in Bretagne met de kerken (cfr. «Par les champs et les grèves» over zijn tocht door Bretagne in 1847, J.d.B.), in de Pyreneeën met de watervallen ? Die eeuwige dwang toch! Doen wat je moet doen; naargelang van de omstandigheden (hoe weinig je dat op dit ogenblik ook zint), je gedragen zoals een jongeman, zoals een reiziger, zoals een kunstenaar, zoals een zoon, zoals een burger, enz. zich behoort te gedragen! ».
Soms is reizen een wegdromen, soms is het een ontnuchterend op de realiteit stoten: « Een oud huis, in de schaduw ervan rusten we even uit, twee hoopjes poep precies op het mooiste plekje ». Met Flaubert als gids worden zelfs twee hoopjes poep een aanleiding tot reflectie, een poëtisch gegeven.
SALAMMBÔ
In 1858 brengt Flaubert een bezoek aan Carthago. Naar aanleiding van dat bezoek begint hij zich in archeologie te verdiepen om zijn volgende boek “Salammbô” te kunnen schrijven. Hoewel hij onafgebroken doorwerkt, is het boek pas in 1862 af.
Gedurende weken heb ik mij door het werk geploegd in een onverkorte, originele editie. Ik heb altijd gedacht dat mijn Frans niet slecht was, om niet te zeggen heel goed (ik ben er nog altijd fier op dat ik op de middelbare school een franskiljon heb geklopt voor dit vak, wat in zijn geval dus zijn moedertaal was; mijn ouders hadden trouwens liever gezien dat ik romaanse zou hebben gestudeerd in plaats van germaanse, maar ik gruwde van de romanisten die met ons germanisten de Blandijnberg deelden en onder elkaar Frans spraken), maar hier kreeg ik toch mijn twijfels. Alhoewel, het korte fragment dat ik hieronder citeer is niet alleen een illustratie van het erotisch aspect van het boek, maar ook van hoe moeilijk het Frans van mijnheer Flaubert wel is!
Maar het hoge woord is er meteen uit: ik geef toe dat ik dit werk vooral om erotische redenen heb gelezen. Let op: dat wil niet zeggen dat ik verzot ben op wat men over het algemeen “erotische literatuur” noemt, al heb ik die in mijn jeugd (toen ik er nog iets uit kon leren) wel voldoende verslonden moet ik zeggen. Nee, ik lees juist graag zogenaamd “erotische werken” uit een periode dat men het meeste nog ongezegd moest laten. Dàt laat immers juist veel meer aan de verbeelding over! En jawel, op dat vlak werd ik door Flaubert wel op mijn wenken bediend. Een ietsje te veel zelfs, als ik eerlijk moet zijn, want negentig procent van het boek gaat over veldslagen, iets wat me nu juist helemaal niét interesseert. Ik beken dan ook dat ik deze passages zeer diagonaal heb gelezen, als je begrijpt wat ik bedoel…
Het verhaal gaat over een Noord-Afrikaanse prinses (in dit geval de dochter van Hamilcar uit Carthago) die een bijna goddelijke schoonheid wordt toegedicht: “Des chevilles aux hanches, elle était prise dans un réseau de mailles étroites imitant les écailles d’un poisson et qui luisaient comme de la nacre; une zone toute bleue serrant sa taille laissait voir ses deux seins, par deux échancrures en forme de croissant; des pendeloques d’escarboucles en cachaient les pointes. Elle avait une coiffure faite avec des plumes de paon étoilée de pierreries; un large manteau, blanc comme de la neige, retombait derrière elle, – et les coudes au corps, les genoux serrés, avec des cercles de diamants au haut des bras, elle restait toute droite, dans une attitude hiératique.” (p.433)
Flaubert is in deze passage uitzonderlijk expliciet wat het erotische aspect betreft (misschien omdat het om een pure beschrijving gaat, daarin zwelgt hij ook in andere omstandigheden), want in de “Samson et Dalilah”-achtige sleutelscène wordt meer gesuggereerd dan effectief gezegd (p.275-286). Dat is ook in “L’Atlantide” van Pierre Benoit het geval. De zwoele, bijna verstikkende atmosfeer heeft Benoit ongetwijfeld aan Flaubert ontleend.
Maar de voornaamste overeenkomst is dat Salammbô de dood van haar geliefde Mâtho, als leider van de opstandige huurlingen, nastreeft, maar dat zij precies in het bereiken van haar doel, ook zelf het zwaarste lot ondergaat. Net zoals Antinea juist door haar onsterfelijkheid eeuwig wordt gekweld door het lot dat ze haar Griekse minnaar heeft aangedaan in het boek van Pierre Benoit. Ook Flaubert zelf heeft zijn succes trouwens nog eens willen overdoen met “Hérodias” in 1877.

Referenties
Johan de Belie, Niets is zo gezond als reizen, De Rode Vaan, 25 juni 1987
Gustave Flaubert, Reis door de Oriënt, Kritak, Leuven, 1987(reeks Passages), 247 blz.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s