Morgen zal het precies 150 jaar geleden zijn dat de Italiaanse auteur Luigi Pirandello werd geboren in de buurt van Agrigento.

Zijn vader bezat een zwavelmijn en Luigi was voorbestemd die over te nemen. Hij interesseerde zich echter meer voor de literatuur en begon in 1887 te studeren aan de Faculteit der Letteren van de universiteit van Rome. Hij verliet Sicilië dus al op redelijk jonge leeftijd. In 1889 zette hij zijn studie op aanraden van een professor voort in Bonn, waar hij in 1891 afstudeerde en zijn eerste gedichten publiceerde. Hij kreeg er ook een baan, maar keerde door heimwee in 1892 terug naar Rome, waar hij zich mede dankzij Luigi Capuana verder aan de literatuur wijdde. In 1894 trouwde hij met Maria Antonietta Portulano. Het echtpaar, dat drie kinderen kreeg, bleef in Rome wonen. In 1897 werd Pirandello docent literatuurgeschiedenis te Rome, en zou dit tot 1922 blijven.
Een significant jaar in het leven van Pirandello is 1903. Zijn vrouw wordt zenuwziek en zal steeds verder aftakelen (zij verweet hem incestueuze betrekkingen te hebben met hun dochter Lietta). Datzelfde jaar gaat zijn vader failliet, waardoor Pirandello tot zijn afschuw moet gaan werken als docent om rond te kunnen komen. Hij ziet dit als verloren tijd. Om verder aan geld te komen intensiveerde hij zijn activiteiten als schrijver en medewerker van diverse kranten en tijdschriften. Zo verschijnt in deze tijd zijn beroemde roman “Il fu Mattia Pascal”. Naast romans gaat Pirandello zich meer en meer toeleggen op het schrijven van novellen en theaterstukken. Opvallend is dat hij zijn theaterstukken in veel gevallen baseert op eerder geschreven novellen, zo is hij een ‘plagiator van zichzelf’.
Rond 1920 begint Pirandello groot succes te hebben met toneelstukken als ‘Sei personaggi in cerca d’autore’. Dit stuk is de beste illustratie van het feit dat het centrale thema, zo niet het hoofdthema, van Pirandello’s werk, de identiteitscrisis van zijn personages is. Zij zijn op zoek naar wíe ze zijn en vaak blijken zij daarbij meerdere persoonlijkheden te hebben, uit meerdere ‘ikken’ te bestaan. De ene “ik” overstijgt eigenlijk de werkelijkheid, aangezien deze nog potentieel heeft om te realiseren. De andere “ik” (afgeleid uit de realiteit) is slechts de optelsom van de reeds gerealiseerde mogelijkheden.
Dit leidt vaak tot negatieve resultaten: de personages verliezen zich en raken terecht in een leefsituatie van onoplosbare tegenstellingen die levensgeluk en sereniteit tegenwerken. Zoals Pirandello zelf in een brief beschrijft, bestaat hij uit een ‘grote ik’ die sociaal is, en een gesloten ‘kleine ik’. Beide identiteiten staan op gespannen voet met elkaar, en de eerste ‘ik’ is een masker om zich achter te kunnen verbergen. Eenieder zit gevangen in zijn pogingen een werkelijkheid voor zichzelf en anderen te scheppen. Het van een masker voorzien van de waarheid is een zeer belangrijk thema. Zo maakt Pirandello een onderscheid tussen ‘vita’ (het leven – de gebeurtenissen) en ‘forma’, de manier waarop de gebeurtenissen zich manifesteren. Zijn en schijn komen bijna nooit overeen. In het stuk “Zes personages op zoek naar een auteur” uit zich dit o.m. in het feit dat er twee personages in voorkomen, die moeten sterven. De ene kan het niet omdat het volgens de richtlijnen van de regisseur moet gebeuren en de andere kan het ook niet, gewoon omdat hij wordt achterhaald door de realiteit en écht sterft. In het Gentse Arcatheater werd dit stuk gespeeld in een regie van Pol Dehert en een decor van Mark Cnops. Met Francine De Canne (de moeder), Dries Wieme (de vader), Carmen Jonckheere (de stiefdochter), Bert Van Tichelen (de zoon), Netty Vangheel (actrice), Herman Gilis (regisseur), Katrien Latoir (actrice), Mark Steemans (acteur), Mark Verstraete (acteur), Jozef Dewever (toneelmeester), Roger Dellaert (souffleur), Johan Van Compernolle (belichter). Ik heb het gezien op 21/04/1984.
In 1922 schreef hij “Enrico IV”, dat in 1926 door Amleto Palermi werd verfilmd met Conrad Veidt in de hoofdrol. Hendrik IV (1050-1106) was de Rooms-Duitse koning vanaf 1056 en keizer vanaf 1084. De investituurstrijd tegen paus Gregorius VII verzwakt zijn greep op de Duitse vorsten, waardoor hij in 1105 door zijn zoon gevangen wordt genomen en tot troonsafstand gedwongen. Een jaar later zou hij al overlijden.
Voor het stuk is vooral die investituurstrijd van belang. Dit was de strijd tussen paus en keizer voornamelijk over de aanstelling der bisschoppen, omdat deze samen met de abten het keizerlijke gezag schraagden, meer bepaald aangezien zij door hun celibaat geen erfelijk opvolgingsrecht in de feodale lenen konden opleveren. Deze strijd kent zijn hoogtepunt in Canossa 1077. Gregorius VII had Hendrik IV in de ban geslagen, waardoor deze het keizerschap wel kon vergeten. Daarom toog hij naar Canossa, waar Gregorius bescherming had gezocht bij markiezin Matilde van Toscane, en vernederde zich daar door gedurende drie dagen in de sneeuw “op blote voeten en met een grove pij” de herroeping van de maatregel te vragen. Uiteindelijk gaf de paus, zij het eerder nillens dan willens, toe.
Het einde van de investituurstrijd situeert zich enkele jaren na de dood van Hendrik IV, namelijk in 1122 met het Concordaat van Worms. Hoewel de keizer hierbij niet àlle gezag over het aanstellen van de bisschoppen verloor, was de Rijkskerk toch vernietigd, waardoor het keizerlijke gezag verviel.
In het stuk van Pirandello nu leeft ergens een waan-Hendrik IV. Het betreft iemand die twintig jaar vóór het tijdstip van het stuk in een mondain milieu leefde, maar dan toch al psychische afwijkingen zou hebben vertoond. Hij en een zekere Tito Belcredi dingen allebei naar de hand van Matilde Spina. Belcredi organiseert daarom een historische stoet, waarbij de hoofdpersoon Hendrik IV zal uitbeelden. Hij maakt hiervan een grondige studie. Om hem te vernederen laat Belcredi Matilde Hendriks aartsvijandin, Matilde van Toscane, uitbeelden.Tijdens de optocht steigert het paard van “Hendrik” en de man valt op zijn achterhoofd, waardoor hij denkt dat hij werkelijk Hendrik IV is. In het stuk insinueert men dat Belcredi wel eens opzettelijk het paard zou hebben kunnen doen steigeren.
Op medisch advies plaatst de familie de man in een waandecor geplaatst waar hij met zijn “hofhouding” verblijft. Dit zijn drie dienaren, ingehuurd door zijn neef di Nolli, die gekostumeerd zijn als geheime raadslieden. Bezoekers moeten historische personages voorstellen. (Dit lijkt allemaal ver gezocht, maar het staat buiten twijfel dat Pirandello, gezien de toestand van zijn vrouw, zich toch wel goed had gedocumenteerd over geesteszieken.)
Het stuk opent met de drie dienaren die Berthold, een nieuweling, in de toestand inwijden (zeer handig als expositie). Een bijgeroepen psychiater (om te onderzoeken hoe men de hoofdpersoon uit zijn waan kan doen ontwaken) wil Hendrik IV ontmoeten in de gedaante van de abt van Cluny. Zijn vroegere aanbeden wil hem ook weerzien en beeldt Adelheid uit, de moeder van de vrouw van Hendrik IV, Bertha van Susa. Deze laatste wordt door verschillende prostituées uitgebeeld, wat Hendrik doet zeggen: “Al menige vrouw, die hier kwam, heeft mij verzekerd, dat zij ’t was… dat zij de vrouw was, die ik, al wist ik, dat ik haar bezat, toch soms heb gezocht… mijn vrouw… ik schaam mij niet het te zeggen… Maar zij allen, als ze zeiden, dat ze Bertha waren, Bertha van Susa, begonnen, ik weet niet waarom, te lachen! … Begrijpt u? … in bed… ik zonder dit kleed… en zij ook… ja, zonder kleren… een man en een vrouw… zo is de natuur! … Dan denkt men niet meer aan wat men is.” (p.83).
Ook de gemene Belcredi doet een poging Hendrik te ontmoeten, in de gedaante van een abt, maar deze valt hem aan als zou hij Petrus Damiani zijn, die hem verhinderde te scheiden van Bertha…
In het tweede bedrijf openbaart Hendrik zijn komedie aan zijn “raadslieden”. Reeds acht jaar is hij weer gezond, maar onder zijn masker blijft de tijd stilstaan, terwijl hij voor de anderen vooruitgaat (cfr. zijn opzichtige schmink en later zijn “recht” op Frida die als twee druppels water op de jonge Matilde gelijkt).
In het derde bedrijf komen twee schilderijen van twintig jaar geleden (van Hendrik en de markiezin) “tot leven” in de gedaanten van Frida en di Nolli. Dit maakt Hendrik weer bijna gek en in een hallucinante scène slaat dit over op Frida, die aan het gillen slaat. De anderen, op de hoogte gebracht door de dienaars, komen op. Ze nemen hem deze “misplaatste grap” kwalijk en drijven hem tot het uiterste. En het uiterste, dat is dan dat hij Belcredi vermoordt, waardoor de anderen denken dat hij opnieuw gek is geworden (als hij zijn dienaren beveelt hen te grijpen, gehoorzamen zij hem), maar Belcredi’s laatste woorden zijn: “Nee! Je bent niet gek! Hij is niet gek!”
Volgens Johan de Belie “offert de realiteit van nu zich aan de magie van vóór achthonderd jaar” en hij rangschikt het stuk daarom onder het magisch-realisme.
Hoewel Luigi Pirandello vooral bekend is als vertegenwoordiger van het modernisme, blijkt uit de verhalen die hij in 1922 bundelde in “Novelle per un anno” hoezeer hij toch ook geworteld is in het verisme, de Italiaanse versie van het naturalisme. De sociale toestanden en de invloed daarvan op de karakters en gebeurtenissen komen sterk naar voren. Maar daarnaast zijn de verhalen soms zo bizar en is er zoveel toeval in het spel dat de modernist toch ook steeds weer herkenbaar is. Hij wordt dan ook een “moderne traditionalist” genoemd. Het moderne slaat dan vooral op de probleemstelling, de techniek en de (poëtische) stijl, het traditionele op zijn oerconservatieve levensbeschouwing. “Novelle per un Anno” is een reeks die door de schrijver was opgezet met de bedoeling een verhaal te schrijven voor iedere dag van het jaar. Aan 365 verhalen is hij echter niet toegekomen, het zijn er “slechts” 246.
In 1923 volgde “Vestire gli ignudi” (“De naakten kleden”) dat ik in maart 1992 zag zoals het werd gespeeld door de Brusselse KVS in een regie van Senne Rouffaer. Ik vond het een nogal vervelend praatstuk, waarvan de kern (een meisje dat zelfmoord wilde plegen en als reden opgaf dat het omwille van een verstoten liefde was, maar die gered wordt en dus bijna verplicht is om opnieuw zelfmoord te plegen omdat ze zelfs in de dood nog “naakt” is) niet lang kon boeien. Het enige leuke waren de typische Pirandelliaanse spelletjes met het medium schrijven als zodanig, met zijn alterego ontspannen vertolkt werd door Daan Hugaert. Of misschien is dat alterego dan toch 28 jaar oudere Luigi Capuana, die inderdààd huwde met een meisje dat zelfmoord wilde plegen (Adelaide Bernardini), om daarna haar levensverhaal te boek te stellen (“Dal taccuino di Ada”, “Uit het dagboek van Ada”). Op die manier kan Ludovico op een bepaald moment inderdaad terecht zeggen: “Nee, dat boek was van Luigi Pirandello, een schrijver die ik zelfs niet kan uitstaan.”
In 1925 breekt hij internationaal door en reist de wereld door met een eigen toneelgezelschap, het Teatro d’Arte, dat gefinancierd wordt door de fascistische partij van Benito Mussolini, waarvan de schrijver zelf in 1924 lid was geworden. Aan het eind van zijn leven houdt Pirandello zich ook met de cinema bezig, een medium waarin hij nieuwe mogelijkheden ziet. In 1934 ontvangt hij de Nobelprijs voor de Literatuur. Hij sterft in Rome op 10 december 1936.

Ronny De Schepper
(met dank aan Wikipedia)

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s