Op 27 juni 1847 opent de eerste Vlaamse schouwburg in België zijn deuren: de Gentse Minardschouwburg aan de Walpoortstraat in de Waalse Krook. De schouwburg werd gebouwd door de Belgische architect Louis Minard, als reactie op de Franstalige schouwburg en opera in Gent. Tot 1898 deed de Minardschouwburg dan ook dienst als Nederlandse Schouwburg van Gent. Vanaf 1898 werd deze functie echter overgenomen door de Koninklijke Nederlandse Schouwburg aan het Sint-Baafsplein.

De schouwburg kwam tot stand dankzij de inspanningen van het amateurgezelschap “Broedermin en Taelyver” (later bekend onder de meer populaire naam De Melomanen). Zij waren gesticht in 1840 onder impuls van Karel Ondereet (1804-1868) en huurden als zaal die van de herberg “De Parnassusberg” in de Oude Houtlei, waar sedert het einde van de 18de eeuw de Rederijkerskamer “De Fonteine” reeds voorstellingen gaf. “De Fonteine” was vooral een gezelschap van de flamingantische elite, terwijl “Broedermin” zich meer op de middenstanders en de arbeiders richtte. Daarom bracht men vaak kluchten of parodies op opera’s, maar via de creatie van stukken van leden zoals “De Gallomanie of de Verfranschte Belg” van Karel Ondereet of “Keizer Karel en de Berchemse Boer” van Hippoliet van Peene werd het Vlaamse toneel toch ook weer leven ingeblazen. Deze laatste was ook diegene die architect Minard ervan kon overtuigen in eigen beheer een schouwburg te bouwen, die naast de Broedermin ook nog door een ander amateurgezelschap, De Fonteine, werd bespeeld. Het was echter de Broedermin die de Minard mocht openen met “Brigitta of de twee vondelingen”, een stuk (uiteraard) van Hippoliet van Peene met muziek van (uiteraard) Karel Miry en in de hoofdrol (uiteraard) Virginie Miry. Virginie was immers gehuwd met de geneesheer Hippoliet van Peene, die als violist deel uitmaakte van het “huisorkest” van de familie Miry. (De bekendste telg is ongetwijfeld haar neef Karel, de componist van “De Vlaamse Leeuw”.) Virginie was een grote fan van de Franse actrice Pauline Déjazet, die vaak met een of ander Frans gezelschap in de opera was te zien (zoals het nog tot een heel eind in de twintigste eeuw de gewoonte zou zijn) en introduceerde zo de “natuurlijke” Franse speelstijl in Vlaanderen (ze werd vaak “de Vlaamse Déjazet” genoemd).
In 1869 blaast Karel Ondereet ook de slabakkende Ledebergse vereniging “Minnaers der dicht- en toneelkunde” nieuw leven in dankzij een “Vriendenkring”.
Op 1 oktober 1871 ging in de Minard het “Nederlandsch Tooneel van Gent” van start met een ouverture van Karel Miry, gevolgd door het volksdrama “De orgeldraaier en zijn pleegdochter” en door het blijspel “Een welopgevoede bediende of de mislukte proeven”. Hiervoor dienden de drie amateurgezelschappen buitengewerkt. Enkele “sterren” van de amateurgroepen werden wel overgenomen (o.a. Virginie Miry), naast acteurs uit Antwerpen en Nederland. Aangezien het woord subsidie nog moest worden uitgevonden, speelde men vooral komische kaskrakers, af en toe afgewisseld met een tranerig volks melodrama. Opmerkelijk was dat de spelers op het einde van het seizoen konden worden weggestemd door de abonnees. Dat gebeurde echter zelden. Virginie Miry, alhoewel nog altijd zeer geliefd, ging na een jaar reeds uit eigen beweging weg omdat ze zich bij dit professionele gezelschap niet thuis voelde en stopte meteen ook met spelen, aangezien datzelfde jaar ook de Broedermin werd ontbonden. (De naam werd later weer opgenomen door de Melomanen.)
MULTATULI HEEFT VEEL GELEDEN
Het Multatulitheater is een Gents amateurgezelschap dat ontstond in 1874, in de schoot van de socialistische arbeidersbeweging. Aanvankelijk was het een groepje jonge arbeiders (“de jonge socialisten”) die geëngageerde liederen en gedichten zongen en declameerden in verscheidene Gentse café’s. Twee jaar later werd een toneelafdeling opgericht.
De naam “Multatuli” werd voorgesteld door een lid van het gezelschap, nadat hij een voordracht van Edouard Douwes Dekker (beter bekend onder het pseudoniem “Multatuli”) had bijgewoond in het Van Combrugghe-genootschap. Hij stelde de naam “Multatuli”(-kring) voor omdat de betekenis, “Ik heb veel geleden”, een uitdrukking was van solidariteit met enkele werkmakkers, in de gevangenis opgesloten wegens een protestactie tijdens het bezoek van koning Leopold II.
Vanaf 1884 ontstond een vaste regelmaat: ieder seizoen werden toneelstukken aangekondigd en opgevoerd. Het gezelschap bleef gedurende 125 jaar bijna onafgebroken actief (de langste onderbreking was toe te schrijven aan de Tweede Wereldoorlog).
De rol, die dit amateurgezelschap te vervullen had, was dikwijls een punt van discussie: soms ondersteunden de activiteiten de sociale en politieke strijd van de socialistische beweging, soms was toneelspel een nuttige vrijetijdsbesteding of een gezond vermaak voor arbeiders. Dikwijls ging men ook op zoek naar vernieuwing en vele malen bracht het Multatulitheater stukken van auteurs, wier werk niet werd opgevoerd in het officiële circuit. Het bekendste voorbeeld hiervan is ongetwijfeld de creatie van “Het Gezin van Paemel” van Cyriel Buysse in 1903 (op bovenstaande foto: het vertrek van Eduard – acteur mij onbekend – naar Amerika; van zijn moeder, gespeeld door Tercile Coppitters, krijgt hij een “kruiske”, van zijn vader, Isidoor Benoot, slechts verbittering), maar andere opmerkelijke opvoeringen zijn “Moeder Courage” van Bertolt Brecht, “Het huis van Bernarda Alba” van Garcia-Lorca en, eerder vanuit vormtechnisch standpunt, “Menuet” naar de roman van Louis Paul Boon en “Le Bal” naar de film van Ettore Scola.
Tijdsomstandigheden waren hiervoor bepalend. De tijd waarin het gezelschap een leemte opvulde binnen het theaterlandschap (vóór de groei van het professionele theater) of toen het nog een geïntegreerd deel was van de socialistische beweging ligt reeds vele jaren achter ons. Zoals zovele malen in het verleden lijkt ook nu een heroriëntering wenselijk: het is immers niet eenvoudig voor een amateurgezelschap om te overleven in een grote stad waar heel wat culturele activiteiten geprogrammeerd worden.
EEN TONEELVERENIGING VOOR HEEREN
In 1877 werd in de Brugse Poort “een toneelvereniging voor heeren” gesticht om de talrijke textielarbeiders uit de buurt zowel de broodnodige ontspanning, als enige culturele bagage te bieden. Volgens bepaalde bronnen zou het heldenverhaal “Gewijde van Dampierre” de eerste productie van Hoger Streven geweest zijn. Zoals het toen de gewoonte was, stonden alleen mannelijke acteurs op het podium. Die traditie zou bij Hoger Streven stand houden tot 1966. Bij de spelers uit de tijd van toen vinden we ook de namen van Bellenmannen Julien Pauwels en Willy Vande Putte, terwijl professionele acteurs als Daan Hugaert en Erik Van Herreweghe ook ooit deel uitmaakten van Hoger Streven. In 1878 werd in de Ledebergse katholieke “Werkmanskring” een nieuw toneelgezelschap gesticht, dat de benaming “Onder ons” meekreeg. Al snel kregen ze daar opnieuw ruzie en een groep die zich “De Onvermoeibaren” noemde, scheurde zich af en koos het Bourgondisch Kruis, een herberg op de Brusselsesteenweg, als nieuw lokaal. De inspiratie bleef echter katholiek.
Pieter Jan Fauconnier (1817-1888) zou tot zijn dood zakelijk directeur van het NTG zijn, maar Frans van Doeselaer, de vroegere directeur van het Nationaal Toneel te Antwerpen, was slechts twee jaar artistiek directeur en keerde dan terug naar Antwerpen. Hij wordt vervangen door eerste plansacteur Louis Daenens. Deze kreeg na één seizoen kritiek dat hij het peil naar beneden haalde en ook hij keerde terug naar Antwerpen. Vanaf dan kreeg Fauconnier van het stadsbestuur ook de artistieke verantwoordelijkheid.
In 1885 engageert Pieter Jan Fauconnier de 24-jarige amateurspeler Ernest Van Havermaete, die echter een jaar later al naar de Vlaemsche Schouwburg in Brussel zou verhuizen, omdat hij daar meer karakterrollen kan vertolken.
In 1886 besloot het Gentse stadsbestuur een stuk grond te kopen voor de oprichting van een Nederlands toneel. De discussies zouden ongeveer een kwarteeuw duren. Verschillende opties werden telkens verworpen. Tenslotte werd geopteerd voor de huidige ligging langs de pas vrijgekomen ruimte tussen de Sint-Baafskathedraal en het Belfort.
In 1889 keert Van Havermaete weer naar het NTG (dat nu werd geleid door Frans van Doeselaer), want daar programmeert men b.v. nogal wat stukken van Gerard Hauptmann. In 1893 werd van Doeselaer vervangen door Lodewijk Van den Kieboom, die op zijn beurt twee jaar later de plaats moest ruimen voor Henri Gevaert.
In 1898 was het toneel- en zangspel “Eene vrouw uit Mahrapoera” van Aimé Bogaerts de eerste voorstelling in Gent, die gespeeld werd bij elektrisch licht.
Het NTG verhuisde in 1899 naar de Koninklijke Nederlandse Schouwburg op het Sint-Baafsplein, een ontwerp van E.De Vigne in neo-renaissancestijl. Op dat moment werd het gezelschap reeds sedert twee jaar geleid door Honoré Wannijn (1847-1905), afkomstig uit “De Fonteine”. Vandaar wellicht dat deze wenste dat het NTG ook “zangspelen” zou brengen (wat hem onder meer op een vurige tussenkomst van vader Anseele in de gemeenteraad kwam te staan) en daarom werden acht zangsolisten en dertig koorleden aangetrokken, onder de leiding van de componist Oscar Roels (1864-1938). Deze opent de schouwburg dan ook met een eigen compositie, “De Witte Kaproenen”, op tekst van Lodewijk Lievevrouw-Coopman. Deze had de tekst geschreven als antwoord op een prijsvraag die een werk vroeg “waarin de gevoelens van het Vlaamsche ras zich veropenbaren in al het edele en al de vaderlandsliefde die hetzelve kenmerken”. Niet te verwonderen dat Staf Bruggen het tijdens het seizoen 1942-43 hernam…
In 1891 lieten “De Onvermoeibaren” dan toch het hoofd wat hangen, zodat er alweer een afsplitsing uit voortkwam: “De ware Vlamingen”.
Op 10 oktober 1905 wordt “De Vlasgaard” gecreëerd van Jef van der Meulen op tekst van René Declercq en Alfons Sevens. Op dat moment is Arthur Hendrikx reeds directeur van het NTG.
In 1908 viert Ernest Van Havermaete zijn 25-jarig toneeljubileum met “Kean” van Alexandre Dumas (wiens “La dame aux camélias” hij voor de scène had bewerkt, net zoals hij ook bewerkingen heeft gemaakt van “Hamlet” en “Othello”), uiteraard nog steeds in het NTG.
Op 12 maart 1911 wordt op initiatief van Lodewijk Lievevrouw-Coopman de Maatschappij tot Aanmoediging van de Toneelspeelkunst gesticht met het doel een toneelschool voor acteurs en regisseurs op te richten met volledig leerplan. Op 1 oktober 1911 wordt deze school reeds geopend in door de stad ter beschikking gestelde lokalen in de Guinardstraat. Dr.Jan Oscar De Gruyter (1885-1929) wordt directeur. Als hij in 1914 onder de wapens wordt geroepen, wordt hij opgevolgd door Luc Van de Putte, die in name directeur bleef tot het bittere einde in 1959, maar vanaf 1944 was het eigenlijk Rodolf De Buck die de dagelijkse leiding op zich nam.
In 1914 speelt men in het NTG “Vrije wolken” van Jaroslav Kvapil, waarmee men drie weken door Tsjechoslovakije toert. Bij het begin van de Eerste Wereldoorlog vlucht directeur Arthur Hendrickx echter naar veiliger oorden. Op 18 april 1915 wordt de KNS heropend onder de naam “De Verenigde Artisten van de Nederlandsche Schouwburg” onder de leiding van Arie vanden Heuvel en met Ernest Van Havermaete als eerste toneelmeester. De bedoeling was vooral werk te verschaffen aan de acteurs, maar in het begin werd er ook artistiek goed gepresteerd. Daarna begonnen echter de moeilijkheden en op de duur gaf vanden Heuvel zijn ontslag. In 1918 stelde het activistische stadsbestuur Hector Van Seymortier als directeur aan, maar na de wapenstilstand werd Van Seymortier afgezet en de schouwburg gesloten. Met de belangrijkste acteurs en actrices zette Van Havermaete een nieuw gezelschap op dat zaal Apollo aan het Oudburg bespeelde. Het stadsbestuur verzette zich hier echter tegen omdat ook Van Havermaete als collaborateur werd beschouwd. Deze was hiervan zo onder de indruk dat hij in 1920 zelfmoord pleegde. Nochtans had hij het nog mogen meemaken dat in 1919 het Syndikaat van Vlaamse Kunstenaars werd opgericht, een rechtstreeks gevolg van zijn syndicale inzet. Een der eerste verwezenlijkingen ervan was een vergoeding voor de voorseizoenrepetities en uitbreiding van het seizoen tot acht maand. De periode dat er niet gespeeld werd, was er ook geen betaling zodat de artiesten op een andere wijze aan hun dagelijkse brood moesten komen b.v. als huisschilder, behanger, straatveger of in het beste geval als bediende.
Na de oorlog werd het KNS-gezelschap hervormd en verdween het operagezelschap dat er deel van uitmaakte. Een deel van de artiesten vormde een nieuw gezelschap, onder leiding van Fritz Horta met als artistieke directie Hendrik Caspeele en Evarist De Bouvre en als standplaats de Minardschouwburg.
In 1927 is er in de Gentse Sint-Pietersnieuwstraat het kleine gezelschap van het Nieuw Circus dat zo maar eventjes negen voorstellingen per week speelde, beurtelings een week gesproken toneel en een week operette. Er was geen tijd voor repetities, zodat de operettes zelfs zonder orkest werden ingestudeerd. Dat kwam er maar bij op de avond van de première.
In 1933 verlaat Gaston Vandermeulen de KNS om samen met o.m. Corry Lievens (de latere directrice van het Antwerpse Jeugdtheater) in het circus van Gent operettes te spelen. Toen deze onderneming op de fles ging, stichtte hij o.m. samen met Arie van den Heuvel Het Nederlands Toneel van Gent, een soort van reizend gezelschap, dat in en buiten Gent optrad. Maar ook deze onderneming was geen lang leven beschoren en zo kwam Gaston Vandermeulen bij het NIR terecht.
Op 21 augustus 1941 werden in Ledeberg “De Ghesellen van Sint-Lieven” heropgericht, zoals er in de brief, gericht aan “de Algemeene Toneelcentrale” te Antwerpen, staat. Het is echter niet duidelijk op welk Ledebergs gezelschap uit het verleden men zich beroept.
In 1943 sticht Romain Deconinck in de leegstaande Minard zijn eigen revuegezelschap. Zijn voorganger Henri Van Daele (1877-1957) had de biezen moeten nemen omdat hij (nog vóór de inval) een stuk tegen Hitler had geprogrammeerd.
In 1946 wordt het Nationaal Toneel opgericht met als standplaats Antwerpen. Eigenlijk kwam het er dus op neer dat het Gentse gezelschap werd opgedoekt en dat de Antwerpse KNS in Gent kwam spelen. Men moet niet vragen wat voor een effect dit had op de Gentenaars! Wie afstudeerde aan de Gentse toneelschool ging dan ook eerder bij amateurtheaters aan de slag, waardoor dit een enorme bloei kende. In plaats van die versnippering richtten Dré Poppe en enkele anderen in 1950 “Toneelstudio 50” op: “Dré Poppe was de moordenaar van het liefhebberstoneel”, schampert Dré zelf in De Gentenaar van 7/6/1990 en hij maakt daar ook een allusie op als hij het in Rik Lanckrocks geschiedenis van Arca heeft over “dat de Gentse Multatulikring in september 1953 de eerste en rondopvoering bracht.” (*)
De 19-jarige Walter Eysselinck schreef een manifest (“ons hoofddoel is EXPERIMENTEREN”) en men speelde zowat overal: turnzalen, tentoonstellingsruimten, garages… Later namen ze de naam Arca over van het café in de Hoogpoort, waar ze in 1955 onderdak vonden in de kelder. De uitbater Arthur Job zou de naam gehaald hebben bij een garage (Ateliers Réparation Chassis Automobiles) of bij een handel in visgerief die overigens nog altijd bestaat.
Bij de allereerste voorstelling (de thriller “De strop” van Patrick Hamilton op 18 november) zijn o.a. Jacky Morel, Luce Premer en Jenny Tanghe van de partij. Eén van de eerstvolgende activiteiten is een voorstelling van Michel De Ghelderodes “Magie rouge” door het Nederlands Kamertoneel van Antwerpen. Tijdens de voorstelling zakt de estrade waarop de toeschouwers met stoelen hadden plaatsgenomen in. In de verwarring botst Dré Poppe tegen een brandblusapparaat waardoor alle acteurs onder het schuim komen te zitten.
Om duidelijk te maken dat het Arcatheater niet gericht was tegen de liefhebberskringen wordt als wekelijkse speeldag vrijdag gekozen (de amateurs speelden in die tijd elke zaterdag in de K.N.S.). Later komt daar ook nog de dinsdag bij. Een acteur verdient in die tijd zowat 41 fr. per voorstelling.
In 1957 wordt “Look back in anger” van John Osborne in een regie van Dom. de Gruyter reeds in Arca gecreëerd als “Wrok om gisteren”. De toegangsprijzen bedragen op dat moment: 35 fr. voor de “eerste rang”, 25 fr. voor de “tweede rang” (dat is die fameuze estrade) en 20 fr. voor studenten.
Op 17/02/1959 zijn in “Bareelwachters” (creatie van drie eenakters: “Legspel met de dood” van Jos Van Daele, “Het staat in de krant” van Roger Van der Velden en “De beestentrein” van Jan Christiaens) o.a. Wim Van Gansbeke en Josiane Rimbaut te zien en op 19/05/1959 ontwerpt Walter De Buck het decor voor “Het huwelijk van mijnheer Mississippi” (Friedrich Dürrenmatt).
“En attendant Godot” werd in een regie van André Poppe en een decor van Marcel Hoste, de stichter van het Hoste-Sabbattinitheater, opgevoerd door Walter Cornelis, Roger De Wilde, Marcel Hoste, Gaston Keppens en Chris Dhaenens op 27/10/1959. “Fin de partie” van Beckett werd opgevoerd in een regie en decor van Dré Poppe met Roger De Wilde, Walter Cornelis, Daniël De Cock en Jenny Tanghe op 25/10/1960. De betaling geschiedde volgens Dré Poppe “in commune. Er werd niet betaald de eerste jaren. We hanteerden een kruisjessysteem. Een hoofdrol kreeg b.v. drie kruisjes. Een regie vijf, een medewerker voor de techniek één kruisje. Op het einde van het jaar werd de pot van inkomsten gedeeld door het aantal kruisjes. Beroepsacteurs die als gast optraden werden wél betaald. Cyriel Van Gent die meedeed in De Eeuwige Echtgenoot van Dostojevski zei: Als ik meedoe aan vijf voorstellingen van dat stuk verlies ik twee Schippers naast Mathilde. Dat moet je me vergoeden.” (De Gentenaar 7/6/1990)
In die tijd acteert Hugo Van den Berghe bij liefhebberstoneel “Vrank en Vrij” in Wetteren: “In die groep werden vrouwenrollen toegelaten, dat was een unicum.” (HLN, 30/9/95) Eén van die stukken was “Dageraad”, geregisseerd door Rudi Van Vlaenderen, die hem dan ook in het beroepsleven lanceerde. “Dat was nodig want vanaf dat moment begint de neergang van het amateurtoneel, wat duidelijk een politieke beslissing was. Zo mochten amateurs niet meer optreden in de stadsschouwburg.”
VERTIKAAL
Toneelgroep Vertikaal is onstaan uit een Gents amateurgezelschap, dat in 1959 door regisseur/acteur/dramaturg Wilfred de Langhe werd opgericht. Aanvankelijk speelde het gezelschap in een parochiezaal, maar vanaf 1964 kon het beschikken over een omgebouwde bioscoop met een honderdtal zitplaatsen in de Theaterstraat in Gentbrugge (later bespeeld door Teater Krakeel). Opmerkelijk is dat er gezegd wordt dat deze bioscoop bijna uitsluitend “seksfilms” vertoonde. In 1964??? Nochtans was het wel degelijk zo dat de failliete zaal door de pastoor werd aangekocht, wellicht om te vermijden dat een nieuwe uitbater in dezelfde branche zou verder werken.
Nochtans werd Vertikaal een “kamertheater”, naar analogie met gelijksoortige kleinschalige initiatieven die elders in Vlaanderen hedendaags repertoire willen tonen, waarbij “progressief” vaak synoniem was met “bloot”. Mocht dit dan wel van mijnheer pastoor of legde Vertikaal zichzelf beperkingen op?
In 1963 stichten Frans Roggen en Walter Boni (1936-1996) in Aalst de semi-professionele groep “Kern 63” waarvan ook Chris Boni, de vrouw van Walter, deel uitmaakt. Tot dan toe was ze uitsluitend in het amateurtoneel en een operettegezelschap in het Aalsterse actief (haar broer Herman heeft trouwens een carrière in de opera uitgebouwd), maar van bij de oprichting van het NTG zal Dré Poppe haar naar het beroepsgezelschap halen.
Het NTG was van bij de oprichting ophefmakend. Tenslotte waren het de dolle jaren zestig, nietwaar. Zo werd onder de vleugels van Tone Brulin en Franz Marijnen gestart met een workshop voor jonge acteurs. De groep werkte in gebouwen van de Academie aan heel fysiek theater, in de geest van Grotowski. Zo kwam een merkwaardige voorstelling tot stand: de “Menninas”.
In 1964 was niemand minder dan Hugo Claus kandidaat voor de functie van directeur. Zijn kandidatuur wordt afgewezen omdat hij, in de officiële versie, teveel de nadruk legt op vernieuwing en experiment. Hierover opnieuw mijn goed ingelichte informant Frans Redant: “Wat Hugo hoog zat, was niet zozeer zijn afwijzing, maar de boerse manier waarop hij behandeld werd. Vòòr de ‘jury’ ging beraadslagen, werd hem gezegd enige tijd te wachten; men zou hem dezelfde avond nog nieuws laten. Hugo trok naar een van de vele cafeetjes op het Sint-Pietersplein en wachtte, en bleef wachten. Godot is op de afspraak nooit verschenen. Dit verhaal heb ik van hemzelf gehoord, lang, lang geleden.”
Vertikaal werd in 1964 omgedoopt tot Gents Voorstadteater-Volksteater Vertikaal en werd vanaf 1966 gesubsidieerd als “semi-professioneel” gezelschap. Heel wat medewerkers combineerden een “officiële” baan bij stadstheater NTG (of elders) met alternatief werk bij Vertikaal. Zo bijvoorbeeld de broers Versyp, Bob De Moor, Leah Thijs, Arne Sierens, Jean-Pierre De Decker…
In 1966 breidde het Arcatheater zijn speeldagen uit, nu sedert de oprichting van het NTG de strijd met het amateurtoneel toch gestreden was. Ook de prijzen werden verhoogd: 60 fr. voor eerste rang, 50 fr. tweede rang en 35 fr. voor studenten.
In 1967 werd het Nationaal Toneel ontbonden.
Herman Verschelden richt in 1967 met een paar studenten van het Gentse conservatorium het Theater Malpertuis op in zijn woonplaats Tielt. De benaming is afkomstig van de zaal waar hun eerste stuk (“Commissaris Fennedy” van van het Reve over rassendiscriminatie) werd opgevoerd, namelijk “Het Vossenhol”.
Vlaanderen telt op dat moment meer dan 800 toneelverenigingen (voor het merendeel uiteraard amateurs). Aangezien er slechts 5,5 miljoen inwoners zijn, zouden er naar verhouding 2.400 verenigingen in Nederland moeten bestaan en 8.000 in Frankrijk, om maar iets te zeggen. Dat is, zelfs bij benadering, nergens het geval.
Het Interfederaal Centrum Vlaams Amateurtoneel, beter gekend als het ICVA, wordt in 1967 opgericht door Emiel Geysen met als doel de kwaliteit van het amateurtheater te bevorderen.
Jo Decaluwe (Deinze, 25 mei 1942) heeft eigenlijk nooit ergens anders gewerkt dan in Arca. Terwijl hij nog studeerde aan het RITCS (Rijksinstituut voor Toneel en Cultuurspreidingstechnieken) te Brussel, spendeerde hij zijn vrije tijd op de zaterdagnamiddag en de zondagvoormiddag reeds in de toneelschool van Arca. “Een zeer interessante school die nooit veel ruchtbaarheid kreeg,” vertelt hij t.g.v. 40 jaar Arca aan Karel van Keymeulen van “De Gentenaar” (8 juni 1990). “Vrijwel alle regisseurs en medewerkers van Arca toen, Poppe, Eysselinck, Jenny Tanghe, Wilfried De Lange, Roger De Wilde, Jacques Vermeulen gaven er op vrije basis les. Met resultaat. Jo De Meyere, Nolle Versyp, Berten De Bels, Griet De Bock waren er leerling. Zo rolde ik erin, een natuurlijke intrede zeg maar.”
Het was toen 1967 en een “werkgroepverbond” (uiteraard!) had de leiding met daarbij Jaak Vermeulen, Berten De Bels, Jean-Pierre De Decker en Gilbert Deflo. Jan D’Haese was de persverantwoordelijke tot hij ruzie kreeg met Frans Roggen (directeur 1966-67) en ze beiden aan kant werden geschoven. Jaak Vermeulen wordt gemandateerd als directeur met de volmacht (van sommigen) om te onderhandelen met het NTG om Arca als een soort tweede plateau van het NTG te zien optreden. Anderen vinden dat dit neerkwam op het verkopen van Arca en uiteindelijk neemt Vermeulen ontslag. Veertig jaar later zal Jean-Pierre De Decker deze ambitie alsnog waarmaken.
Decaluwe maakte eerst nog de toneelopleiding aan het Gentse conservatorium af en kon in ’69 een contract tekenen als acteur bij het NTG, maar de directeur aldaar, Albert Hanssens, gaf hem zelf de raad om voor Arca te blijven werken, waar hij reeds twee regies had gedaan tegen 10.000fr “het stuk”.
Vanaf het seizoen 68-69 vormde Jo Decaluwe samen met Jean-Pierre De Decker het tweespan aan het hoofd van Arca en die idee van “duobaan” voor de artistieke leiding van Arca zal hem blijkbaar niet meer verlaten (denk aan Gillis-Dehert, Claes-Verbist of Verschaeve-Van Laere).
In het seizoen ’68-’69 debuteerde Frans Redant als dramaturg in het NTG. Het zal wel puur toeval zijn, maar rond die tijd begon het NTG zich ook op de musical te werpen. In 1970 startte men zelfs met een Gentse creatie: “Bie in – Bie in” van Paul Berkenman en Romain Deconinck. Volgens F.Vanhee in Knack bleek dit “een riskante onderneming” die “door het ijs zakte”.
Rond die tijd werd ook “Cassandra” van Walter Eysselinck opgevoerd in een regie van Paul Anrieu. Frans Redant gaf hierover enige toelichting in “De Rode Vaan” nr.41 van 1987: “Cassandra is, zoals je wel weet, de priesteres uit de Ilias die dingen ziet in de toekomst maar een beetje voor gek wordt versleten. Eysselinck had haar overgeplaatst naar een Parijs salon in 1938, ten tijde van het Verdrag van München. De moraal van het verhaal was duidelijk: je moet het oor te luisteren leggen bij die zotte idealisten. De voorstelling werd dan ook bedolven onder honderden dia’s en filmfragmenten van Hitler, van de studentenopstanden in Parijs en Berkeley en noem maar op. Komt daarbij dat de kleppers van de Gentse universiteit figureerden: Guido Totté, Sus Saey, Armand Sermon, Erkki Liukki, enz. Je merkt, dat is nog van voor de tijd van de splitsing in maoisten en trotskisten en wat weet ik allemaal. En voor die mannen was dat allemaal bloedige ernst natuurlijk, maar eigenlijk werden zij door de regisseur gewoon gebruikt om in te haken op een modeverschijnsel. Maar let op, meer op termijn en minder spectaculair heeft ’68 wel zijn vruchten afgeworpen in het theater, hé. Zelfs de latere beleidsgroep binnen het NTG is daar in feite nog een uitloper van.”
Op 14/10/1969 ging in Arca “Kosmika” van Jan Decorte in première: “Met deze productie voltrok zich meer en meer het keerpunt dat vorig seizoen was aangekondigd: een vrijer, sterk corporeel theater, een radikale breuk bovendien met allerhande burgerlijke opvattingen over erotiek en naakt in het theater. Hier werd een belangrijke stijl gelanceerd die men jarenlang zou volhouden. (…) Tegenover de onverbloemde, naakte openheid van deze montering kreeg de herrie, die destijds verwekt was rond het blote borstje in de NTG-opvoering van De horens van de haan door Fernand Crommelynck, het aanschijn van een bekrompen dorpsrel. Die reactie was trouwens onbegrijpelijk als men ze situeerde in het hedendaagse theatergebeuren en in de zo felle ommekeer van het ethische klimaat rond het einde van de jaren zestig. Een paar seizoenen later – ’71-’72 – werd aan het consequent doortrekken van die lijn door Theater Arena bij de opvoering van … en ook de bloemen werden geboeid door Fernando Arrabal een bruusk einde gesteld. De directie en de vertolkers werden vervolgd. Dit alles heeft Arca niet afgeschrikt. Men bleef op dat stuk zonder overdrijving doordrukken.” (Rik Lanckrock)
Ook buiten het “officiële” theater laat “mei ’68” zich gevoelen. Rebel Freek Neirynck reageert met “Ode (aan een opvoedeling)” tegen zijn verblijf in een verbeteringsgesticht. Op dat elan richt hij in 1970 de experimentele theatergroep “Toneellaboratorium 70” op.
In april 1970 volgt Boudewijn Vander Plaetse als directeur van Vertikaal Wilfried de Langhe op, die overleden is aan de gevolgen van een auto-ongeluk in februari.
In 1971 richt Freek Neirynck met “Toneelboetiek” een der eerste vormingstheaters van Vlaanderen op (later wordt dit “De Lont”) met o.a. Julien Pauwels, Geertrui Daem en Eric Van Herrreweghe.
Na Dré Poppe wordt Albert Hanssens, die recht uit het amateurtheater kwam, al was hij in het NTG reeds administratief directeur, nu ook directeur van het NTG.
Teater Exces is een reizend bewegingstheater dat in 1972 werd opgericht door auteur-choreograaf Patrick Vandewalle. Het gezelschap behoort tot de weinige niet-verbale theaters die kunnen terugblikken op een langdurig bestaan met een palmares aan verschillende producties met internationale uitstraling. Teater Exces biedt een ruime keuze aan visuele acts en creaties. Het gezelschap geniet grote bekendheid door zijn specifieke speelvorm met repetitieve minimale bewegingen waarbij de wereld van de mime en het bewegingstheater in elkaar vloeien. Daar Teater Exces vooral de bewegingstaal gebruikt, bestaan er geen verbale problemen en kunnen zij waar ook ter wereld optreden; een bewijs dat zij leveren in België, Nederland, Frankrijk, Luxemburg, Duitsland, Spanje, Zweden, Japan. Teater Exces biedt zowel visueel, abstracte en inhoudelijk verhalende producties als speels, poëtisch visueel straattheater waarbij de achteloze toeschouwer tot grote hilariteit van het publiek, plots aan het spektakel deelneemt.
Op 21 december 1972 zie ik “Fragmenten van Liefde”, een “improvisatorische situatieschepping” door Luk De Bruyne en Lieven Dobbelaere (en Frank Coppieters, maar dan niet als acteur) geïnspireerd op het werk van Hugo Raes (“De mensen verdrijven zelfs de honden”). Samen met Catherine Heremans heb ik ook een repetitie meegemaakt.
In 1973 wordt Walter Eysselinck directeur van het NTG (tot 1976) en voegt Freek Neirynck zich bij Theater Taptoe van Luc De Bruycker, dat op dat moment reeds vijf jaar bestaat en zich van de andere poppentheaters tracht te onderscheiden. Vanaf dat moment is Neirynck gewonnen voor het medium poppentheater. Hij probeert het uit te leggen: “Stel je speelt een stuk, b.v. Tijl Uilenspiegel, wel dan zal je die Tijl uniek maken. In de vertolking zal de toeschouwer te maken krijgen met dé Tijl Uilenspiegel, de essentie van Tijl. Terwijl wanneer een schitterend acteur X Tijl speelt, het publiek nog altijd zal zien: dat is X die Tijl speelt. Dat is een groot verschil met het theater.” In tegenstelling tot b.v. Stekelbees zal Taptoe dan ook altijd een poppentheater blijven (later: een figurentheater), ook al is er meestal een interactie met acteurs en moesten ze op die manier subsidies derven. Dat de “andere” poppentheaters echter geen subsidies krijgen, deert Freek niet: ze zijn het niet waard. Zij zijn trouwens ook de oorzaak dat Taptoe slechts met mondjesmaat wordt gesubsidieerd: ze bezorgen het poppentheater een slechte naam.
“Alice in Wonderland” was een eigenzinnige creatie van Luk De Bruyne. Van het oorspronkelijke verhaal werd alleen de (licht gewijzigde) titel behouden. Recensenten spreken van “psychodrama”: theater als therapie, en stippen de invloed van Artaud en van Oosterse ritussen aan. Als voorbereiding had Luk zich zeven maanden met zijn groep afgezonderd op een boerderij in Drente (later zou hij uitwijken naar de Provence), maar de groepsleden krijgen gewoon een “decorfunctie”: tamtam, fluit, danseres… (25/04/1974)
In het kader van het op til zijnde theaterdecreet denkt men er immers over na Arca te ontbinden, ook al omdat het vertrouwde keldertje in de Hoogpoort diende te worden verlaten (het stadsbestuur wilde daar aanvankelijk het nieuwe administratief centrum bouwen, maar uiteindelijk kwam er een Novotel en nu zit de Lazy River Jazzclub in die kelder).
Decaluwe stelt dan voor de werking onder een andere naam verder te zetten als het NET, Nationaal Eigentijds Teater, met Paul De Broe als voorzitter. Die was juist erg enthousiast over “Net voor de Laatste Avondpauze”, “Sursum Corda” en “Middelpracht en Eeuwse Praal”, dus dat tweespan heeft tot een jaar voor de ontbinding van Arca stand gehouden. Dré Poppe daarentegen heeft sindsdien geen voet meer in Arca gezet en zal wellicht met leedvermaak gezien hebben dat het door Griet De Bock zelf geregisseerde “Kunst op de Keien” zo een flop werd dat het omstreden genre een natuurlijke dood stierf. Alhoewel: “Dat soort cabaret inspireerde Arena. Jaak Van De Velde, Jacky Berwouts die in Arca werkten, namen dat idee over,” zegt Decaluwe en even verder: “Eva Bal creëerde hier ‘Vreemd Kind in Je Straat’, al die tendensen kwamen in Arca aan bod.”
Er is vaak kritiek geleverd op de werking van Arca, maar wat Decaluwe over de geschiedenis van de kamertheaters vertelt, is zeker juist: “Als je die hele kamertheaterbeweging met de Korre, Vertikaal, Fakkel, MMT, Antigone overschouwt, merk je dat Arca steeds fris uit de hoek is gekomen en zich niet vastpint op traditionele situaties. Hoe moeizaam komt Kortrijk, zelfs met een nieuwe directeur, uit het dal? Ik deed de eerste regie in Malpertuis. Herman Verschelden maakte bijna een kopie van de Arcawerking. Hij kroop ook in een keldertje. (…) ‘De Training van de kampioen voor de koers’ van de Franse auteur Michel Deutsch was de start van wat Jef De Roeck later de ‘nieuwe esthetiek’ noemde. Wij waren al twee jaar vóór Jan Decorte.”
Het theaterdecreet van 15 juni 1975 zorgt voor een revolutie, vooral op het vlak van professionalisering. Toch is het precies in dat jaar dat voor het eerst zich tekenen manifesteren dat er problemen op komst zijn. In het NTG b.v. duikt het gemiddelde bezoekersaantal voor het eerst onder de 400, daarom wordt voor het seizoen 1976-77 Jacques Van Schoor als directeur aangezocht en die stelt Anita Van den Berghe aan om wat te doen aan de teruglopende belangstelling. Met haar team van medewerkers (waarbij o.m. Jan Seurinck) slaagt ze er even in het gemiddelde op te drijven tot 300 per voorstelling, maar na een paar jaar zakt het opnieuw.
Seizoen 1977-78: Rudy Geldhof sticht “De Kelk” in Brugge. Marcel Hoste overlijdt.
Na een conflict met zakelijk leider Rudi Lekens dient Boudewijn Vander Plaetse in 1979 zijn ontslag in als directeur van Vertikaal. Oorspronkelijk bleef hij nog lid van de RVB, maar uiteindelijk kon hij niet meer akkoord gaan met de nieuwe lijn. De artistieke leiding werd ondertussen overgenomen eerst door Jan Mastré en in 1980 door Daan Hugaert.
In datzelfde jaar verhuisde Vertikaal naar het Van Crombrugghegenootschap op de Huidevetterskaai, waar Hugaert al snel (reeds in 1981 namelijk) de fakkel doorgaf aan Ronnie Commissaris.
“Theater: eredienst van de verveling?” zo vroeg toneelrecensent Johan de Belie zich af in De Rode Vaan, want, inderdaad, verveling was troef in 1982 en dan meestal nog een “rituele” verveling. We hebben het hier dus over de “nieuwe esthetiek”. In het zog van deze “vernieuwing” zagen een aantal jonge groepen het licht (bv. “De sluipende armoede”), maar het viel ons op dat het vooral soloproducties waren die hoge toppen scheerden: er was het jaarlijkse programma van Freek De Jonge, maar er was ook Tom Lanoye met “Jamboree”. Zelfs Becketts “Eindspel” in Arca kan wel wat goede wil een soloprestatie van Julien Schoenaerts worden genoemd. Bij de gevestigde schouwburgen liet het vooral het NTG zich weer opmerken. Toen de beleidsgroep werd opgeheven, werd het weliswaar opnieuw onrustig, een paar mensen vertrokken, Hugo van den Berghe volgde Walter Moeremans b.v. en ging een tijdje bij Arca werken (beiden zijn ondertussen teruggekeerd naar het NTG), anderen bleven maar drongen aan op veranderingen. Maar met “Breek ze”, “Charcuterie fine” van Tilly in een regie van Achiel van Malderen en met Mark Willems in de hoofdrol, en natuurlijk “Lysistrata” in het kader van Europalia en de monsterproductie “Belgische cirque belge“, was er in feite niet veel van de crisis te merken.
Nog in 1982 koopt het echtpaar Willem Verbanck en Solange Coppens, beiden ex-leerlingen van M.A.J.Hoste, het magazijn voor de sportartikelen van PVBA Logans in de Burgstraat, en maakt er het Burgcentrum van, met als eerste bedoeling het Sabbattinitheater een vast onderdak te verschaffen. Die Logans was eigenlijk de schoonzoon van de firma Loontjes, die het gebouw reeds sedert de negentiende eeuw in zijn bezit had. Deze firma was een groothandel in stoffen, waarbij vooral marktkramers zich kwamen bevoorraden. De bouwgeschiedenis gaat echter terug tot in de veertiende eeuw toen dit een klooster was, het zogenaamde Naaldekensconvent. De voorgevel dateert uit de achttiende eeuw.
In 1983 verenigen Arca, Arena, De Sluipende Armoede, Poëzien, Speeltheater, Stekelbees, Symptoom, Taptoe, Vertikaal en de Vieze Gasten zich in het Genot (Gentse en Oost-Vlaamse Theaters). De bedoeling is vooral een tegengewicht te vormen tegen het NTG dat bijna het volledige stedelijke budget voor theater opslorpt. Tevens was er vraag naar meer speel- en repetitieruimten. Ronnie Commissaris: “Er wordt verwacht dat we een gastronomische maaltijd aan ons cliënteel aanbieden en de ingrediënten die we daarvoor hebben, zijn precies één tomaat en een blad sla. Doe het daar maar eens mee.” (Knack, 12/10/1983)
Mensen als Jean-Pierre De Decker, Walter Moeremans en Hugo Vandenberghe verlaten het NTG. Deze laatste droomt samen met Hugo Claus, Jan Decleir en Pjeroo Roobjee luidop van een nieuw gezelschap, “Fabula”, dat de Gentse Minardschouwburg zou bespelen.
Vertikaal en het Cultureel Centrum van Berchem zijn ondertussen tot een overeenkomst gekomen, waarbij AKT-Vertikaal tot stand kwam eerst o.l.v. Ronnie Commissaris, later (vanaf het einde van het seizoen 84-85) Ivo van Hove, omdat Commissaris naar eigen zeggen “zichzelf op vrij korte termijn overbodig heeft gemaakt”.
Vanaf het seizoen 1986-87 liet Jo Decaluwe de toevoeging “Nieuw Eigentijds Theater” vallen. Terecht, als men weet dat in het voorbije seizoen o.m. “Het Hemelbed” op het programma stond!
“Nog een geluk dat de voorbije jaren Gilis en Dehert in Arca werkten!” merkt Martine De Gos op in “Teaterbulletin”, het theatertijdschrift dat ik in de nalatenschap van Walter Schelfhout heb geërfd.
“Maar die herhalen zich ook voortdurend,” antwoordt Hilde Matthijs geïrriteerd. “Ik werd gewoon zenuwachtig van ‘Nora’ en de tweede versie van ‘Zes personages op zoek naar een auteur’.”
Dirk De Corte (acteur bij de Goudblomme in Sint-Niklaas en regisseur bij het Gents Germanisten Toneel) valt haar bij: “Na een tijdje ken je dat systeem van regie wel. Het is een kwestie van concentrische cirkels. Gilis en Dehert nemen iets kleins, ze vergroten het uit en dan gaat het terug naar het origineel om te tonen hoe belachelijk het grote wel was. Na enkele voorstellingen zie je daar los doorheen. Om het cru te stellen, het is misschien goed dat Gilis en Dehert het land uit zijn, ook voor henzelf.”
Volgens Herman Van den Haute zijn Gilis en Dehert ook verantwoordelijk voor het feit dat Arca van een “Nieuw Eigentijds Theater” naar een repertoiretheater is geëvolueerd. Of zoals Roger Arteel stelt: “Als je het seizoen bij Arca en NTG overloopt, merk je dat Arca evengoed de stukken van NTG had kunnen spelen en omgekeerd.”
Ikzelf ben ook niet erg te spreken over de periode Dehert/Gilis in Arca en blijkbaar is dat ook het geval met Edward van Heer, want die merkt dit op in zijn gesprek met Jappe Claes in Knack, waarop Jappe hen verdedigt door te zeggen: “Dat wordt toch wel wat verkeerd ingeschat, omdat men altijd alleen maar een resultaat ziet. Ik besef wel dat dat het enige is wat de toeschouwer kan zien. Maar ik wil benadrukken dat ik mijn toneelopvattingen voor een groot deel dank aan Gilis en Dehert. Bij hen heb ik de laatste zeven jaren heel veel opgestoken. Vergeet niet dat Dehert/Gilis vijf jaar lang hebben kunnen experimenteren binnen Arca. En nu (3/9/1986) komen we stilaan in een fase dat er een synthese gemaakt kan worden.”
Bij de aanvang van het seizoen 1987-88 smelten AKT-Vertikaal en De Witte Kraai samen tot De Tijd (o.l.v. Lucas Vandervost). Het Burgcentrum speelt voor een eerste keer zijn vergunning kwijt omwille van de zoveelste klacht van de buur-numismatieker. “Wij wilden hem en zijn echtgenote nog een etentje betalen van 2.000 fr., telkens er een fuif was, maar ook dat weigerde hij,” zegt Solange Coppens. Het is natuurlijk lachwekkend dat uitgerekend een mimetheater voor geluidsoverlast zou zorgen, de oorzaak ligt dan ook vooral bij de flamencolessen die er plaats hebben. De buur had trouwens bij burgemeester Monsaert reeds zijn beklag gedaan over “de exotische en erotische dansen”.
In 1989 werd de Tinnen Pot (achtereenvolgens papierhandel Timmermans, sportcomplex met drie overdekte tennisvelden en het atelier van Frank Liefooghe) aangekocht als stockage- en repeteerruimte voor Arca.
Tijdens de Gentse Feesten 1990 neemt Romain Deconinck met “Dag Katrien” afscheid van de Minard.
Serge Elia opent Backstage op 24 november 1990 in de oude lokalen van de drukkerij Vooruit in de Sint-Pietersnieuwstraat.
Ondertussen verzuurt de relatie van Jef Demedts met de pers. Dit conflict kent een hoogtepunt in maart 1990 wanneer Demedts de journalisten de mantel uitveegt in het NTG-magazine. Hij doet dit onder de vorm van een rondetafelgesprek met Nicole Rowan en ene Geert de Smet, die heet “zo maar van straat weggeplukt te zijn” en twee recensenten die blijkbaar door de beugel konden: Fred Six en Roger Arteel. Naderhand verklaren betrokkenen dat “hun uitspraken uit de context werden gerukt”. Zo laat Jef Demedts b.v. in een kadertje optekenen: “Ons verplicht het decreet te werken met professionele acteurs. Waarom kunnen kranten werken met amateurische (sic) recensenten?”
Op dat moment was al bekend dat Jef Demedts in 1991 de plaats moest ruimen voor Hugo Van den Berghe, een gewezen lid van de beleidsgroep, die de voorkeur kreeg op een ander lid, namelijk Jean-Pierre De Decker. Later zou echter blijken dat dit een Pyrrhusoverwinning was geweest.
Een oude gewoonte werd opnieuw heropgenomen door de directeursfunctie te splitsen in een artistieke en een zakelijke kant. Naast Hugo van den Berghe (Wetteren, 1943) krijgen we bijgevolg Maurice Vercauteren als administratief directeur.
Hugo van den Berghe: “Het NTG richt zich ondubbelzinnig naar een jong publiek. Dit wil zeggen: een publiek dat zich jong voelt, dat openstaat voor de trilling van de tijd, voor vernieuwing, voor avontuur, voor vers talent, voor ongewone visies. Een publiek dat niet blind is voor wat gebeurt op deze planeet en daarom niet kan zonder de zuurstof van de allesrelativerende humor, ironie en zelfspot.”
In een interview met “Het Nieuwsblad” gaat hij zelfs nog een stap verder. Karel Van Keymeulen merkt hier op dat theater niet langer provoceert. En Van den Berghe beaamt: “In het beste geval val je niet in slaap. Dat durf ik zeggen, dat is de realiteit. Inderdaad, waar is de provocatie en de schok tussen wat op podium en in de zaal gebeurt, waar is de botsing van ideeën? Met een Lanoye, met een Kamagurka moet dat kunnen. Dat bedoel ik een beetje, als ik het over jong heb.”
Veel van de problemen hadden ook te maken met het feit dat het NTG wegens verbouwingswerken in de schouwburg (1987-1993) moest uitwijken naar een sporthal, het Tolhuis. Al heeft “huisregisseur” Dirk Tanghe daar wel mooie dingen gedaan. Tegelijk werd ook NT2-Minnemeers in gebruik genomen. Hier kreeg vooral jong en eigentijds werk een kans.
Maar toen de schouwburg werd heropend, waren alle problemen nog niet van de baan…
Voor het seizoen 1992-1993 verandert Stekelbees opnieuw van naam. Het wordt Victoria en er wordt nog nadrukkelijker naar het “volwassen” theater geknipoogd. Guy Cassiers ruimde de baan voor Dirk Pauwels, die zijn leiderschap van het Nieuwpoorttheater daarom weliswaar overliet aan Hildegard De Vuyst, maar tegelijk ervoor zorgde dat Victoria daar een vaste stek kreeg. (Pol Hoste werd ook aangetrokken als artistieke medewerker.)
Begin ’93 kreeg Arca van de RAT een negatief rapport. Misschien was het uit frustratie, maar nadat in het verleden Arca een ensemble trachtte te creëren, eerst onder Pol Dehert en Herman Gilis, daarna onder Jos Verbist en Jappe Claes en tenslotte onder Jos Verbist en Herman Gilis, heeft Jo Decaluwé volgens Walter Moeremans voor de samenstelling van het seizoen 1993-94 niet eens enige inspraak geduld. Kort daarvoor was trouwens ook Jos Verbist reeds met slaande deuren opgestapt om nota bene in het Théâtre de la Salamandre in Tourcoing te gaan werken.
In mei 1993 werd de theaterboot Jozef K. te water gelaten. Het huwelijksbootje van het Sabbattinitheater en het Burgcentrum kapseisde echter. Artistiek directrice Thea Deege weigerde om succesproducties als “The Picture” te hernemen, maar wilde integendeel steeds iets nieuws brengen. Daardoor kreeg men echter stelselmatig met een deficit te kampen dat door het echtpaar Verbanck-Coppens werd bijgepast. Tot nu dus, wat tot de breuk leidde. Volgens minister Weckx maakte het centrum wel kans op subsidiëring als het de multiculturele toer opging. Dus bleef de vzw bestaan onder leiding van Solange Coppens, die fulltime gratis werkte en slechts 15.000 fr. per maand in ruil kreeg voor de huur van zo’n enorm huis in het centrum van de stad! Daarnaast waren er nog vijf DAC’ers: één fulltime en vier halftimes. Willem Verbanck geeft les in de Rodelijvekens en in het avondonderwijs stedebouw en zorgt zo voor het eigenlijke inkomen. Eind 1994 verhuisde het Sabbattinitheater van de Burgstraat naar de Ketelvest. (SHG in De Gentenaar)
Het volgende seizoen hielp La Barraca mee aan de uitbouw van de Tinnenpot tot een volwaardig theater (o.a. met aflatertjes van het NTG dat net het Tolhuiscomplex had verlaten) en mocht dit dan ook openen met “De Obaldiades”, drie eenakters van René de Obaldia in een regie van Etienne De Ruyck.
Na een paar Antwerpse edities vond het Nederlands-Vlaamse Theaterfestival van 25 augustus tot en met 8 september 1995 voor het eerst in Gent plaats. Het is immers de bedoeling dat er vanaf dit jaar een beurtrol is weggelegd, wat het Vlaamse luik betreft, voor Gent, Brussel en Antwerpen. Met het oog daarop werd een vzw opgericht die voorlopig de Kunstencentra Vooruit, De Singel en het Kaaitheater groepeert, maar die ook openstaat voor andere theaters, “zelfs” voor de drie officiële schouwburgen van de respectievelijke steden. Eigenlijk zijn ook deze Kunstencentra reeds “officieel”, zodat er daarnaast natuurlijk een “alternatief” circuit van Kunstencentra ontstond, het zogenaamde NMBS-circuit (Nieuwpoorttheater, Monty, Beursschouwburg en Stuc).
Er was wel degelijk een bereidheid van het NTG was om mede te werken, maar de selectie van de tien gezelschappen die aan het festival mogen deelnemen is zo laat tot stand gekomen dat het NTG geen ruimte meer had om nog iets te programmeren. Daarom zijn de locaties in Gent beperkt tot Vooruit, Minard en Nieuwpoorttheater. Een nieuwigheid is wel dat het festival nu ook financiele steun krijgt van het stads- en provinciebestuur, iets wat in Antwerpen niet het geval was.
Voor het seizoen 1995-96 werden bij Arca twee vaste regisseurs aangetrokken: Bart Verschaeve van het Universitair Toneel en Hugo Van Laere van het Salon. Eind 1996 kwam Jo Decaluwe het Theater Ivonne Lex ter hulp dat door minister Martens niet meer betoelaagd werd, tenzij het een partner zou vinden. En zo geschiedde, zodat Katrien Hermans het werk van wijlen moeder Lex ongestoord kan verder zetten.
De ondergang van Hugo Van den Berghe als directeur van het NTG werd ingeluid toen hij Wim van Gansbeke aantrok als dramaturg. Nog datzelfde seizoen schaarde het NTG zich in het rijtje van Blauwe Maandag, KVS en tutti quanti door een voorstelling “om artistieke redenen” af te gelasten. Het betrof “Coriolanus” van Shakespeare door Ulrich Greiff. Volgens Hugo Van den Berghe, die de beslissing nam na de generale repetitie, was Greiff met zijn concept “een andere richting ingeslagen dan afgesproken” en stevende hij af op “een verkeerde vertelling en een oubollige voorstelling”. Dramaturg Wim Van Gansbeke had naar verluidt nog geprobeerd in te grijpen, maar Greiff vond praten met hem “puur tijdverlies”. De voorstellingen werden vervangen door een herneming van “Suiker”.
Nog een paar weken later was het alweer prijs: “De vrouwen” van Josse De Pauw, een coproductie met het Kaaitheater, werd afgevoerd omwille van “herhaalde crisismomenten tijdens het repetitieproces”. Ondanks deze afgelastingen haalde het NTG toch 18% eigen inkomsten, waarmee het boven het gemiddelde zat en boven de 12,5% die door het theaterdecreet werd geëist.
De invloed van Blauwe Maandag op het NTG nam het volgende seizoen nog meer concrete vormen aan. Johan Dehollander werd aangetrokken voor één van de faecaliëndrama’s van Werner Schwab, “Escalatie ordinair”, terwijl het seizoen reeds was geopend met “De Presidentes”, van dezelfde auteur. Op dat moment begonnen de eerste geruchten over een nakend ontslag van Hugo Van den Berghe te circuleren.
Begin januari 1996 verscheen er in “Het Volk” trouwens een artikel dat een aantal acteurs, w.o. Jef Demedts, Nolle Versyp en Roger Bolders, een ultimatum voor het ontslag van Wim Van Gansbeke zouden hebben gesteld. Uiteraard werden deze geruchten door Hugo Van den Berghe formeel ontkend, maar hij gaf wel toe dat de drie zware kritiek hadden geuit op Van Gansbeke.
Op 4 oktober 1996 werd dan bekend gemaakt dat het NTG met Blauwe Maandag zou fusioneren en dat Luc Perceval artistiek leider zou worden. Typisch was dat Hugo Van den Berghe het bericht op de radio moest horen. Een week later sprongen de besprekingen echter af, zodat hij toch nog zijn gram haalde. Van den Berghe verzette zich ook tegen de verplichting tot samenwerking die minister Luc Martens wilde opleggen. Hij zag het eerder in specialisatie: KNS voor komedies, KVS voor klassieke auteurs en NTG voor moderne, grensverleggende schrijvers.
Tegen het einde van het seizoen luidde het verdict van de Raad van Bestuur dat de contracten van directeur Hugo Van den Berghe en de tweede dramaturg Stef De Paepe niet zouden worden verlengd. Deze laatste werd zelfs op staande voet ontslagen. “Onze hoofdopdracht is theater te brengen in onze stadsschouwburg, niet de trendsetter te worden van het avant-gardetheater,” aldus de voorzitter Michel Van Ongevalle, voorzitter van de raad. Hij betwist dat het teruglopend aantal bezoekers een reden op zich is, maar hij vindt wel dat als een productie als “Eskalation” 3 miljoen extra kost, men dan wel wil zien hoe de respons daarop is bij het publiek. De terugloop is immers niet mis: de gemiddelde bezetting is dat jaar nog 230 zetels per voorstelling, terwijl het twee seizoenen geleden nog 375 was. Later (nl. in de GVA van 29/10/1998) zou de Provinciale Gedeputeerde voor Cultuur Jean-Pierre Van Der Meiren (CVP) verklaren: “Daar zaten ook mensen in die weigerden te spelen voor wat ze het klootjesvolk noemden. Ze waren niet beschaamd om met het geld van diezelfde mensen theater te maken en dat soms voor dertig betalende toeschouwers.”
Voor Danny Vandenbossche was dit argument echter niet doorslaggevend en hij nam ontslag uit de RVB. Uiteindelijk adviseerde de Raad van Advies vijf miljoen minder. Aangezien de stad en de provincie hùn subsidie afhankelijk maken van de gewestsubsidie, zou dat betekenen dat het NTG in totaal 16 miljoen zou verliezen.
Toen Jean-Pierre De Decker als nieuwe directeur werd aangeduid, kondigde hij meteen aan dat negen van de elf acteurs werden ontslagen. Die negen waren: Herman Coessens, Lieve Moorthamer, Jef Demedts, Roger Bolders, Chris Boni, Blanka Heirman, Els Magerman, Walter Moeremans en Nolle Versyp. Het kwam erop neer dat enkel Magda Cnudde en Eddy Vereycken mogen blijven. Voor zeven acteurs werd een brugpensioen-regeling uitgedokterd. Het is veelzeggend dat enkel Magerman en Coessens daarvoor nog te jong waren. Even veelzeggend is het feit dat het hier niet minder dan drie koppels betrof: Moeremans-Magerman; Coessens-Moorthamer en natuurlijk Blanka Heirman met Hugo Van den Berghe! De Decker kreeg hiervoor veel kritiek, maar eigenlijk ligt de fout bij Hugo Van den Berghe zelf, dat moest zelfs de eveneens ontslagen Wim Van Gansbeke toegeven (GVA, 26/12/96). Toen Van den Berghe immers dan toch eens tot ontslaan overging, was dat… voor de vier jongsten (Mark Willems, Eddy Spruyt, Peter Marichael en Karen De Visscher)! Zijn oude collega’s durfde hij namelijk niet ontslaan!
Onder het motto “theater voor een publiek, publiek voor een theater” stelde Jean-Pierre De Decker het NTG-seizoen 1997-98 voor, dat helemaal van zijn hand was, want hij wilde geen overgangsseizoen, “dat blijft immers soms langer dan een jaar duren”, waarna De Decker nogmaals zijn elfpuntenprogramma verduidelijkte, die de basis vormen van zijn “machtsovername”.
1.Een verjonging en een uitbreiding van het gezelschap. Contracten worden voortaan maximum voor twee jaar getekend. “Het zal niet meer zijn zoals voorheen,” aldus De Decker, “een grote mobiliteit blijft mogelijk.” Dit zou zeer wààr blijken. Bij het begin van het Publiekstheater zou De Decker maar drie acteurs meer overhouden: Daan Hugaert, Hilde Heijnen en Matthias Sercu.
2.De nieuwe dramaturgen worden Martine De Gos en Alain Pringels.
3.Er zou opnieuw een soort van beleidsgroep komen zoals in de jaren zeventig met daarin de vaste regisseurs Guy Van Sande en Eddy Vereycken, de dramaturgen, scenograaf Niek Kortekaas en theaterpedagoge Yvonne Peiren. En natuurlijk De Decker zelf. Hiervan zou niet veel in huis komen. Eerst Eddy Vereycken en nadien Niek Kortekaas en Guy Van Sande zouden (al dan niet met slaande deuren) al gauw verdwijnen.
4.De schouwburg op het Sint-Baafsplein moet weer vol lopen en krijgt daarom een “modern maar niet-elitair” programma. In NT2 daarentegen “is alles mogelijk”.
5.Op de eerste plaats wil De Decker daar de jongeren een kans geven. Daarom zal er samengewerkt worden met alle Vlaamse theaterscholen, onder de vorm van stages, maar ook coproducties.
6.In samenwerking met het Filmfestival van Vlaanderen zullen op maandagavond films vertoond worden die aansluiten bij de programmatie.
7.Er zal een grotere uitwisseling komen met de andere repertoiregezelschappen, zowel wat acteurs als producties betreft.
8.Er wordt gedacht aan een systeem om succesvolle producties op het repertoire te kunnen houden.
9.Er komen wekelijks open directievergaderingen om interne spanningen op te vangen.
10.Het contact met het publiek wordt vergroot door het openstellen van interne recepties, het afschaffen daarentegen van de “verplichte” receptie na een première, die zal worden vervangen door een “groots feest” met orkesten allerhande: “Theater moet een feest zijn.” Dat heeft hij, vooral met het jaarlijkse nieuwjaarsconcert, inderdaad waargemaakt.
11.Er wordt met vaste regisseurs gewerkt (Guy Van Sande, Niek Kortekaas, Eddy Vereycken en De Decker zelf), maar gasten zijn natuurlijk nog altijd mogelijk. Aangezien het hier dezelfde mensen betreft als die uit de “beleidsgroep”, was ook deze intentie maar van korte duur.
Al vlug gaf De Decker als zijn intentie te kennen dat hij alle Gentse theaters wilde verenigen in één groot “Publiekstheater” (denk aan zijn slogan: “Een theater voor een publiek, publiek voor een theater”) met jeugdtheater in de Kopergietery, klassiek repertoiretheater in het NTG, hedendaags repertoiretheater in de Minnemeers, experimenteel theater in Arca en “professioneel volkstheater” in de Minard,
Of dit laatste in het dialect of in het “verkavelingsvlaams” zou zijn, was niet echt duidelijk. Terwijl echte dialecten uitsterven, is dit onbestaande taaltje, waaraan Willy Courteaux zich zo kon ergeren, sedert de opkomst van VTM immers de voertaal geworden in het theater. Zelfs als ze worden verondersteld Algemeen Nederlands te spreken, doen acteurs geen moeite meer om de klanken die ze met hun afkomst hebben meegekregen te onderdrukken. Of het nu klinkers betreft (bij de Antwerpenaars) of medeklinkers (West-Vlamingen).
Hoe dan ook, aangezien het hedendaagse theater echter juist het schurft heeft aan een publieksvriendelijke aanpak, werden deze plannen openlijk gedwarsboomd. Johan De Hollander, Arne Sierens en Stef Ampe van het Nieuwpoorttheater probeerden Arca voor zijn neus weg te kapen, maar op dat vlak was De Decker hen toch te vlug af. Alleen Paul De Broe, voorzitter van de RvB, verdedigde dit drietal. Hij stapte dan ook op om te worden vervangen door Lieven De Caluwe. Diens broer Jo: “Eigenlijk werden alle onderhandelingen gevoerd met Stef Ampe. De twee anderen heb ik nooit gezien. Dat vond ik wel eigenaardig, maar kom.”DAS, zoals ze zich toen lieten noemen, wendde zich dan maar tot Eva Bal en Dirk Pauwels en vormde daarmee een alliantie om de “machtsgreep” van De Decker tegen te gaan. Ergens hadden ze natuurlijk wel gelijk. Zou De Decker ook nog zo’n grote voorstander van een supergroot Publiekstheater geweest zijn als hijzelf niet aan het hoofd ervan stond?
Bovendien waren er ook vóór hem reeds mensen geweest die binnen het NTG ideeën in die richting hadden geformuleerd. Zo herinner ik me een tussenkomst van de onderschatte persverantwoordelijke Jan Seurinck die theater vergeleek met wielrennen: “Acteurs willen per se uitblinken door op een fiets met één wiel te rijden. Topacteurs dan nog liefst met een wieletje dat zo klein mogelijk is, om te kunnen laten zien hoe goed dat zij daarop kunnen balanceren. Maar de mensen gaan niet naar een wielerwedstrijd kijken om daar renners op fietsen met één wiel te zien! Nee, zij willen een wedstrijd op het scherp van de snee, maar dan wel op herkenbare fietsen, eigenlijk slechts een geavanceerd model van diegene waarop ze zelf rijden… En dan is men verbaasd dat er niet meer naar theater wordt gegaan!”
Toch had De Decker nauwelijks redenen om te treuren. Na afloop van zijn tweede seizoen, maakte zijn nieuwe perschef Tom De Clercq bekend dat het toeschouwersaantal net niet de honderd duizend had bereikt: 99.339 om precies te zijn (73.118 in de KNS en 26.221 in het NT2). Alhoewel ik altijd wat sceptisch sta tegenover dergelijke cijfers (de uitnodigingen en de – vaak exuberante – kortingen worden daarin ook meegeteld), is dit hoe dan ook toch wel een indrukwekkend aantal. Bovendien bracht het NTG 350 manifestaties, terwijl ze decretair slechts verplicht zijn er 140 te brengen. De stijging is des te opmerkelijker als men weet dat de vorige directie hun werkjaar afsloot met 39.261 bezoekers. Dat aantal werd vorig jaar reeds opgetrokken tot 74.991 (bijna een verdubbeling dus) en daar kwam nu nog eens 32% bij.
Toch is het nog de vraag of we zo verheugd moeten zijn over deze cijfers. De manier waarop De Decker meende volk (en dan nog vooral de jeugd!) te moeten lokken was soms zeer dubieus.
De Raad van Advies was blijkbaar dezelfde mening toegedaan. Zij hadden niet zoveel waardering voor het “supermarktmodel” dat Jean-Pierre De Decker meende te moeten aanbieden, omdat dit te dicht aanleunde bij het commerciële circuit. Op 21 januari 2000 maakten zij bekend dat zij voor het Publiekstheater slechts 59 miljoen veil hadden. Dat is bijna 20 miljoen minder als wat NTG en Arca (resp.51 en 27 miljoen) tot dan toe toegeschoven kregen, laat staan dat de fusie (toch een beleidsoptie, zij het nog daterend van onder minister Martens) hen méér zou hebben opgebracht. Tel daar ook nog de put van 30 miljoen bij die De Decker met zijn “publieksvriendelijk” (lees: vrijkaarten) beleid had gegraven en het was duidelijk dat donkere wolken samen trokken boven het Sint-Baafsplein. RVB-voorzitter Van Ongevalle liet al verstaan dat het aantal voorstellingen misschien toch wat kon worden teruggeschroefd. De Decker beloofde zich in deze materie “soepel” op te stellen, maar als men onder de 200 voorstellingen zou moeten zakken, zou hij “zijn verantwoordelijkheid nemen”. Hij heeft dit echter nooit moeten doen, aangezien hij totaal onverwacht op 3 juni 2001 overleed ten gevolge van een hartaderbreuk.
De leiding kwam toen uitsluitend in handen van de nieuwe zakelijke leider, Dirk De Corte (39), een germanist die zijn liefde voor het theater (De WAANzin met name) tot nu toe had gekoppeld aan zijn werkzaamheden in de financiële sector. De vorige zakelijke directeur, Maurice Vercauteren, was immers, na dertien jaar dienst, wél opgestapt. Dat had echter slechts onrechtstreeks met het voorgaande te maken. Maurice Vercauteren had te kampen met gezondheidsproblemen en in dat kader achtte hij het recht trekken van een dergelijke moeilijke situatie onmogelijk.
Ook een artistiek verantwoordelijke voor het Arca-platform binnen het Publiekstheater werd reeds aangetrokken. Het betrof de nieuwkomer Domien Van der Meiren. Hij vormde een kernteam dat de artistieke opties van het Publiekstheater moet waarmaken samen met De Corte, de dramaturgen Alain Pringels en Martine De Gos en de self-appointed dauphin van Jean-Pierre De Decker, Mathias Sercu, de uitvinder van “de derde weg” in de toneelwereld.
Als men het conflict tussen de Antwerpse toneelscholen immers kan samenvatten als “wees wat je speelt” (Dora Van der Groen) tegenover “speel wat je speelt” (Jan Decleir), dan zorgt NTG-acteur Mathias Sercu op een heel eigen manier voor een “derde weg”, namelijk “speel wat je bent”. Mensen die zich daaraan ergeren zullen zijn beste prestatie wel die van Michiel in “Peter Pan” vinden, want dat is bij mijn weten de enige rol waarbij hij deze regel niet toepast. Anderzijds wordt hij extreem waargemaakt op het moment dat Sercu zijn alterego Staf Steegmans ten tonele voert. Maar verder, of het nu Macbeth zelf is of een personage van Tennessee Williams of uit “Buiten de zone”, Mathias Sercu speelt steeds zichzelf en hij doet dat met een ontwapenende charme.
Domien Van Der Meiren (°1974) van zijn kant studeerde geschiedenis aan de universiteit in Gent en volgde daarna de regie‑opleiding aan de Toneelacademie van Maastricht. Als stage‑opdracht leidde hij een workshop in het NTG, hij maakte met jonge mensen een eigenzinnige versie van Voorjaarsontwaken. Met zijn eerste regies en locatieprojecten in Oudenaarde met Stichting De Mol ‑ vooral Konig Liebe naar De koning sterft en Celibaat van Tom Lanoye naar Walschap ‑ liep hij in de kijker. Hij won met theatergroep De Queeste en de MOL de aanmoedigingsprijs in Theater aan Zee voor Het vermoeden. Hij regisseerde de Belgrado trilogie in opdracht van het Provinciaal Centrum voor Theater Dommelhof. Deze voorstelling werd zeer positief onthaald en toerde in 2000 in Vlaanderen en Nederland. Voor theater De Schaduw in een kapel in Ardooie maakte hij “De Uitvreter” van Jules Renard.
Een bericht in “De Morgen” van 30/7/97: “Na jaren zoeken lijken de Gentse amateursgezelschappen eindelijk een aparte schouwburg te krijgen. Volgens burgemeester Frank Beke, tevens schepen van Cultuur en schrijver van een licentiaatsverhandeling over het volkstheater, heeft de stad sinds enkele weken een oogje laten vallen op de voormalige Vrijheidsliefde, een zaal in de oude fabrieksgebouwen én in eigendom van Vynckier. De burgemeester hoopt de aankoop op de begroting van volgend jaar te kunnen schrijven, maar voorlopig staat nog niets zwart op wit. Het voordeel van de Vrijheidsliefde is dat er al een theaterpodium in aanwezig is, met café, opslagruimte en vergaderzalen, aldus Beke. Het pand bevindt zich op de hoek van de Gasmeterleer en is ook gemakkelijk met de auto bereikbaar.
Die bestaande structuren geven de Vynckier-zaal een voordeel op de Scala, het ASLK-gebouw aan de Dendermondsesteenweg. De Scala werd lang als locatie nummer één beschouwd, maar nu gaat de voorkeur uit naar de Vrijheidsliefde. Beke heeft naar eigen zeggen ‘goede hoop’ op korte termijn de knoop te kunnen doorhakken. Over het prijskaartje van de aankoop wou men op het kabinet nog niets kwijt, aangezien de onderhandelingen met Vynckier nog volop bezig zijn.’We willen de liefhebbersgezelschappen zeker geen tweeslachtige oplossing aanreiken’, aldus een woordvoerder van de burgemeester. Eerder werd door de Gentse gezelschappen al aangedrongen op een grote speelmogelijkheid voor liefhebbers in de Minardschouwburg, nu Blauwe Maandag Compagnie (BMCie) een fusie met KNS-Antwerpen aangaat. Het gezelschap van Luk Perceval zit, samen met het NTG en Kunstencentrum Vooruit, in een vzw die de Minard als platform beheert. Dat staat zo in een contract met de stad Gent en daar komt voorlopig geen verandering in, beklemtoont Beke. Ook Blauwe Maandag Cie heeft, bij monde van zakelijk leider Stefaan De Ruyck, al laten weten niet uit Gent of de Minard weg te willen. ‘Het is niet eenvoudig in de Minardschouwburg meer ruimte te creëren voor de liefhebbers,’ voegt de burgemeester er aan toe. ‘Bovendien bestaat er zoiets als een onderscheid tussen volkstheater en stukken in het dialect.’ “

En er is natuurlijk ook professioneel en amateuristisch ‘volkstheater’. Van professionele kant komt vooral Arne Sierens daarvoor in aanmerking, maar Jean-Pierre De Decker vindt dat zijn NTG dat ook aankan (wellicht bedoelt hij daarmee Guy Van Sande). De amateurs zijn met nog veel meer. 78 gezelschappen om precies te zijn. “Vijftig te veel,” aldus Claude Marissael, medewerker van “Keizer wa keizer”, de eerste samenwerking tussen de “top” van het amateurtheater in de Minard eind ’99 ter gelegenheid van de Keizer Karelherdenking.
Twee amateurtheaters die zich doelbewust tot de bewoners van de randstad richten, brachten begin november 1999 hun jaarlijkse productie: Forum 77 uit Sint-Amandsberg deed dit met “Just married”, terwijl Lethalia uit Ledeberg “Sorry kind, ik ben je vader” bracht. De problemen die het huwelijk en de buitenechtelijke avontuurtjes met zich meebrengen, waren dus nog steeds erg in trek bij het grote publiek. De gelijktijdige perikelen van ons koningshuis op dat vlak hadden dan ook helemaal niets met deze voorstellingen te maken…
Al was de extra publiciteit natuurlijk mooi meegenomen. Hoewel het stuk van Etienne Notteboom uit Adegem “Just married” heet, staan Jackie en Yolande eigenlijk nog op het punt van te trouwen, net zoals op dat moment Filip en Mathilde. In hoeverre “Sorry kind, ik ben je vader” van Antwerpenaar Frans Van De Velde gelijkenissen vertoont met de situatie in Laken, mag je zelf uitvogelen.
Lethalia-voorzitter en manusje-van-alles Jean-Pierre Moerman verzekert dat het stuk van het Echt Antwerps Theater naar Ledeberg werd “vertaald”. Daar draait het vooral om bij Lethalia: het Ledeberg-gevoel. Het gezelschap is ontstaan in 1973 als het “KWB-toneel Ledeberg”, zoals het werd gesticht door Leon Lammens en Gaston Dhont op het puin van de laatste Ledebergse rederijkerskamer “De Ghesellen van Sint-Lieven” en had in het verleden al dikwijls te kampen met zaalproblemen. Ook nu moeten ze hun spelersgroep noodgedwongen beperken tot vier mensen. “Het zaaltje is te klein voor meer personages,” legt Jean-Pierre uit.
Toch willen ze in Ledeberg blijven spelen om de trouwe fans tegemoet te komen. “Sommige gezelschappen spelen in Gent en leggen dan een bus in,” vertelt Jean-Pierre. “Wij zouden dat ook kunnen doen, maar zelfs dat is te veel gevraagd van ons stilaan erg verouderd publiek. Maar die mensen moeten toch ook aan hun trekken komen.”Diezelfde overtuiging vinden we ook terug bij Eric Bracke, die Forum 77 sinds de oprichting in 1977 leidt. “Wie ernstig theater wil zien, die kan in Gent terecht bij verscheidene professionele gezelschappen en zelfs Rederijkerskamers brengen semi-professioneel amateurtheater,” zegt hij. “Daarom kiezen wij doelbewust elk jaar voor een komedie.”
Tandarts Jan Verbeke is met deze “Just married” aan zijn regiedebuut toe. Het is een stuk met dertien personages en ook dat is een bewuste keuze. “Wij trachten iedereen een kans te geven,” legt Bracke uit. “Ook de minder getalenteerden. Die krijgen dan natuurlijk geen hoofdrol toegeschoven, maar ook zij moeten zich goed blijven voelen. Wij zijn één grote familie. Buiten de jaarlijkse toneelvoorstelling hebben we dan ook nog tal van andere activiteiten, waaronder veel toneelbezoek: naar het Mechels Miniatuur Theater, het NTG, de Korre…”
In december 1999 werd ook de Sint-Vincentkapel aan de Sint-Antoniuskaai “ontwijd”. En op die manier hebben de amateurtheaters er alweer een zaal bij. Met zelfs nog een orgel er bovenop. Helaas speelt het niet goed meer.
Begin 2000 werd dan het Echt Gents Theater opgericht, waarbij onder andere ook Yvonne Delcour, de weduwe van Romain Deconinck, die daarmee aan haar eerste stuk toe was sedert het overlijden van haar man. Zij heeft altijd geweigerd in de nieuwe Minard te spelen en ze zal dat ook nu niet doen, zelfs als leider Peter De Kemel dat zou willen. Anderzijds ziet De Kemel wel in dat de Minard niet langer uitsluitend door amateurs kan worden bespeeld. Zelfs indien de gezelschappen van Lajoie, Verbeke en hemzelf alle hens aan dek roepen dan komt men nog maar tot een vijftiental producties per jaar. Zelfs als die veel succes zouden hebben, dan is dat nog veel te weinig om de schouwburg een heel jaar draaiende te houden.
Aan Karel Van Keymeulen in De Gentenaar van 13/4/2000 verklaarde Frank Beke echter dat de gerenoveerde Scala (op dit moment een ASLK-kantoor) in de Dendermondse Steenweg als basis voor het volkstheater in aanmerking zou komen.
Op de voorstelling van de beleidsnota van Bert Anciaux, begin 2000 in het NTG, stemde Beke immers in met diens opvattingen over gedecentraliseerd cultuurbeleid. “De overheid moet voorwaarden scheppen,” stelde hij, “bijvoorbeeld op het vlak van het patrimonium” en hij verwees daarbij naar het nog te creëren Forum van Gerard Mortier, “maar het cultuurbeleid zelf moet door de cultuurmakers worden gevoerd. Anderzijds moet iedereen hieraan wel kunnen participeren.” En daarom hield hij een pleidooi voor initiatieven als het Wijkpaleis “dat de mensen gaat zoeken waar ze zitten, namelijk in de buurten”, voor jeugdcultuur en voor laagdrempeligheid. Bij dit laatste wees hij op de belangrijke rol van de bibliotheken, ook en niet in het minst bij de toegang tot het internet. “Zelf ben ik ook een computeranalfabeet en ik merk dus hoe erg dit is.
Verder hield hij naar eigen zeggen “warrig pleidooi”, waarbij hij wou zeggen dat de zogenaamde “nieuwe diversiteit” ook “desintegrerend” kon werken. Maar Bertje Anciaux zei dat hij hem begreep.
De andere sprekers waren radioman Marc Peirs (als moderator), Clara van den Broek, die vond dat de minder toegankelijke kunsten nog altijd te weinig geld kregen, en Jan Vermassen, die vooral publiciteit maakte voor zijn eigen project, namelijk Brugge 2002. Staf Lauwereysen, nu stadssecretaris van Turnhout en vroegere medewerker van De Warande, hield een saai betoog waaruit we echter wel onthouden dat hij Anciaux verweet “te veel uit te gaan van de bestaande dagindeling”. Ik ben niet honderd procent zeker dat hij daarmee hetzelfde bedoelde als wat ik daaronder zou verstaan, maar alleszins is het toch duidelijk dat aanvangsuren als 20 uur en zeker 19.30 uur totaal niet meer realistisch zijn. Volgens Lauwereysen speelt de vrijetijdsindustrie daar beter op in. Of zoals Nelly Geirnaert haar ex-man zou zeggen: “Ah ’t zal wel zijn, zeker!”
Op 30 juni 2000 ging het Burgcentrum dan definitief dicht. Of toch de vzw. Het echtpaar Verbanck-Coppens blijft wel eigenaar en blijft ter plaatse wonen, maar wil zich toch niet meer om de verhuur van de diverse zalen bekommeren. Dat brengt immers meer werk mee dan men zich zou voorstellen: er dient immers gecoördineerd tussen de verschillende disciplines opdat men elkaar niet zou storen. En als klap op de vuurpijl is er natuurlijk ook nog altijd de vriendelijke buur. Hij legt ook een zware hypotheek op de overname.
In het seizoen 2000‑2001, de aanloop voor het Publiekstheater Gent, deed Domien Van Der Meiren de regie van “Don Juan komt terug” van Odon von Horvath in Arca. Voor het NTG regisseerde hij Buchners “Leonce en Lena” in NTG2‑Minnemeers en in co‑productie met Stichting de MOL “Celibaat” in de Minardschouwburg.
“Het denken in categorieën is afgelopen” aldus Domien Van Der Meiren. “In deze tijd van nieuwe media en kruisbestuivingen, in de‑wereld‑is‑mijn‑dorp mentaliteit, is er geen plaats meer voor vakjestheater. In deze nieuwe constructie schuilt een nieuw theatraal ambacht. De 21ste eeuw wordt de eeuw van de veelheid. Aan ons om dit verwarrende kluwen als een rijkdom te aanzien. Vitaliteit, gezonde anarchie, verstilling en al dan niet georchestreerde verwarring zijn de sleutels van het theater waar ik naar verlang. De post‑postmoderniteit ligt reeds ver achter ons. Ik wil geen virtual‑reality maar voorstellingen die een verhaal vertellen over deze wereld, over het hic et nunc. Er is geen ontsnappen aan.”
Domien is overigens de zoon van Oost-Vlaams gedeputeerde voor cultuur Jean-Pierre Van der Meiren (CD&V), die daarmee de kans verspeelde om voorzitter te worden van de Raad van Bestuur. Er werd dan in de richting gekeken van Luc De Leersnyder, maar de gewezen VTM-directeur heeft reeds dezelfde functie bij het Gentse Filmfestival en dat zou kunnen betekenen dat die twee dergelijke mandaten wat veel vindt.
Met de dood van Jean-Pierre De Decker op 3 juni 2001 is voor mij alle belangstelling voor het ntgent (zoals wat ik vooral gekend heb als het NTG nu heet) verdwenen. Let op, ik wil daarmee Jean-Pierre niet heilig verklaren, want zelf had hij de benaming reeds gewijzigd in “Publiekstheater”, een ingreep waarmee ik het niet eens was (dan vind ik ntgent nog beter), ook al kon ik me wel enigszins weervinden in de filosofie die De Decker met die benaming wou meegeven. Maar dat was nu juist het probleem met Jean-Pierre De Decker: hij had enorm lange tenen (“veel ziel” zou Robbe De Hert poëtischer zeggen) en voor de minste kritiek ging hij in discussie. Zo herinner ik me een zware discussie in een volkscafé op het moment dat die fameuze foto voor de eerste affiche van het Publiekstheater werd genomen. Dus, nogmaals, ik wil Jean-Pierre De Decker hiermee niet op een voetstuk plaatsen, maar het is een feit dat het sindsdien mij allemaal niet meer interesseert.
Op het einde van het seizoen 2003-2004 veranderde het Publiekstheater dan alweer van naam. Het werd opnieuw Nederlands Toneel Gent, maar dan nu op zijn “internets” gespeld: ntgent. De nieuwe artistieke directeur werd de Nederlander Johan Simons van compagnie ZT Hollandia. Uit dit gezelschap bracht hij zijn vrouw Elsie De Brauw mee, evenals Aus Greidanus jr. en Betty Schuurman. Uit het Ro Theater haalde hij ook nog Steven Van Watermeulen. Het is twijfelachtig dat de Gentenaars hierop zaten te wachten. Daarom worden zij gepaaid met twee publiekstrekkers uit het Antwerpse Toneelhuis: Wim Opbrouck en Els Dottermans.
Wim Opbrouck zal Simons trouwens opvolgen als die in juni 2010 naar de Münchner Kammerspiele trekt. Hij zal een team vormen met Kurt Melens, die na het ontslag van Dirk De Corte in 2007 als zakelijk leider werd aangesteld. Opbrouck is wel van plan te blijven acteren. “Tegen 1 september van dit jaar moet er al een subsidiedossier liggen voor de periode 2010-2013,” aldus Luc Van den Bossche, de voorzitter van de raad van bestuur, in De Gentenaar van 24/1/2008. “Wim Opbrouck kan dat dossier al uitschrijven samen met Johan Simons en de dramaturgen. Op die manier kunnen we de continuïteit en de internationale uitstraling van het theater verzekeren.”

Referentie
Ronny DE SCHEPPER, Theater 2000, Het Laatste Nieuws 25 juli 1995

(*) Namelijk met “De Afwezige” van Claude Spaak.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s