Op 27 juni 1847 opent de eerste Vlaamse schouwburg in België zijn deuren: de Gentse Minardschouwburg aan de Walpoortstraat in de Waalse Krook. De schouwburg werd gebouwd door de Belgische architect Louis Minard, als reactie op de Franstalige schouwburg en opera in Gent. Tot 1898 deed de Minardschouwburg dan ook dienst als Nederlandse Schouwburg van Gent. Vanaf 1898 werd deze functie echter overgenomen door de Koninklijke Nederlandse Schouwburg aan het Sint-Baafsplein.

De schouwburg kwam tot stand dankzij de inspanningen van het amateurgezelschap “Broedermin en Taelyver” (later bekend onder de meer populaire naam De Melomanen). Zij waren gesticht in 1840 onder impuls van Karel Ondereet (1804-1868) en huurden als zaal die van de herberg “De Parnassusberg” in de Oude Houtlei, waar sedert het einde van de 18de eeuw de Rederijkerskamer “De Fonteine” reeds voorstellingen gaf. “De Fonteine” was vooral een gezelschap van de flamingantische elite, terwijl “Broedermin” zich meer op de middenstanders en de arbeiders richtte. Daarom bracht men vaak kluchten of parodies op opera’s, maar via de creatie van stukken van leden zoals “De Gallomanie of de Verfranschte Belg” van Karel Ondereet of “Keizer Karel en de Berchemse Boer” van Hippoliet van Peene werd het Vlaamse toneel toch ook weer leven ingeblazen. Deze laatste was ook diegene die architect Minard ervan kon overtuigen in eigen beheer een schouwburg te bouwen, die naast de Broedermin ook nog door een ander amateurgezelschap, De Fonteine, werd bespeeld. Het was echter de Broedermin die de Minard mocht openen met “Brigitta of de twee vondelingen”, een stuk (uiteraard) van Hippoliet van Peene met muziek van (uiteraard) Karel Miry en in de hoofdrol (uiteraard) Virginie Miry. Virginie was immers gehuwd met de geneesheer Hippoliet van Peene, die als violist deel uitmaakte van het “huisorkest” van de familie Miry. (De bekendste telg is ongetwijfeld haar neef Karel, de componist van “De Vlaamse Leeuw”.) Virginie was een grote fan van de Franse actrice Pauline Déjazet, die vaak met een of ander Frans gezelschap in de opera was te zien (zoals het nog tot een heel eind in de twintigste eeuw de gewoonte zou zijn) en introduceerde zo de “natuurlijke” Franse speelstijl in Vlaanderen (ze werd vaak “de Vlaamse Déjazet” genoemd).
In 1869 blaast Karel Ondereet ook de slabakkende Ledebergse vereniging “Minnaers der dicht- en toneelkunde” nieuw leven in dankzij een “Vriendenkring”.
Op 1 oktober 1871 ging in de Minard het “Nederlandsch Tooneel van Gent” van start met een ouverture van Karel Miry, gevolgd door het volksdrama “De orgeldraaier en zijn pleegdochter” en door het blijspel “Een welopgevoede bediende of de mislukte proeven”. Hiervoor dienden de drie amateurgezelschappen buitengewerkt. Enkele “sterren” van de amateurgroepen werden wel overgenomen (o.a. Virginie Miry), naast acteurs uit Antwerpen en Nederland. Aangezien het woord subsidie nog moest worden uitgevonden, speelde men vooral komische kaskrakers, af en toe afgewisseld met een tranerig volks melodrama. Opmerkelijk was dat de spelers op het einde van het seizoen konden worden weggestemd door de abonnees. Dat gebeurde echter zelden. Virginie Miry, alhoewel nog altijd zeer geliefd, ging na een jaar reeds uit eigen beweging weg omdat ze zich bij dit professionele gezelschap niet thuis voelde en stopte meteen ook met spelen, aangezien datzelfde jaar ook de Broedermin werd ontbonden. (De naam werd later weer opgenomen door de Melomanen.)

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.