Sedert het einde van de jaren tachtig wordt onder druk van Gerard Mortier en José Van Dam ook een Elisabethwedstrijd voor zang georganiseerd. Hier worden de zangers begeleid door het Muntorkest (en later ook door een barokorkest). De eerste winnares was de Poolse Aga Winska, waarvan men nu nog amper iets hoort. Boze tongen fluisteren dat Mortier haar zo’n zwaar programma heeft opgelegd dat ze er onderdoor is gegaan.
De tweede editie gaf dan ook reeds aanleiding om even na te denken over de formule. Want de gustibus mag dan nog non disputandum zijn, over één ding waren alle critici het eens: het peil lag zo laag dat men met moeite twaalf finalisten kon aanduiden. De halve finale had men dus helemààl kunnen overslaan. Over de winnaar kan echter geen twijfel bestaan: de 26-jarige Franse bariton Thierry Felix stak met kop en schouders boven zijn concurrenten uit. Maar om dit te weten, hadden we eigenlijk geen wedstrijd nodig. Nog voor de uitslag bekend werd, had ook Felix trouwens al gezegd dat hij er nooit meer zou aan beginnen.

Bij de 83 inschrijvingen waren er 18 Belgen. Daarvan bleven er nog 12 over als de wedstrijd echt van start ging en vijf bereikten de halve finales. Daarbij vielen, naast Catherine Vandevelde en Piet Vansichen, vooral Amaryllis Grégoire en Isabelle Kabatù op.
Zoals per definitie élke wedstrijd zou ook deze zich naar de jongeren moeten richten. Maar wat zien we? De meeste deelnemers zitten tegen de leeftijdsgrens aan en zijn reeds ouder dan dertig. Ook al omdat de repertoire-eisen die worden gesteld eigenlijk te hoog liggen. Men wil uitdrukkelijk, net als in de wedstrijden voor piano of viool, de reputatie waarmaken de moeilijkste wedstrijd ter wereld te zijn. Maar zou men zich niet beter specialiseren in opera of oratorium of lied i.p.v. deze drie zeer uiteenlopende genres op één hoopje te gooien? Voor de pianowedstrijd moeten de deelnemers toch ook niet op een vleugel, op een klavecimbel en op een orgel spelen? Hoe wil men in zo’n omstandigheden een echt jong talent ontdekken? Op de leeftijd van de meeste deelnemers zouden ze eigenlijk al gevierde zangers moeten zijn!
Anderzijds zijn er gewoonweg weinig zangers die deze drie disciplines aankunnen. Het is reeds vaker gezegd, maar daarom niet minder waar: Luciano Pavarotti zou nooit door de schiftingen geraken omdat hij geen liederen of oratorium kan zingen. Een Emma Kirkby van haar kant zie ik dan weer geen romantische opera zingen, enzovoort! Vandaar dat men in de beroemde wedstrijd van ’s Hertogenbosch twee van de drie disciplines mag kiezen. Dat dit in Brussel niet zo is, wordt toegeschreven aan José Van Dam, die de drie genres wél aankon (ondertussen zou hij wel wat bijgedraaid zijn in die zin dat de kandidaten wel nog àlle genres moeten aankunnen, maar niet in dezelfde mate – en zij kunnen uiteraard zelf bepalen waaraan zij de voorkeur geven).
Een ander gevolg is dat je je op die manier tot zangers gaat richten die wel van alles een beetje kunnen, maar in niets echt uitblinken. Mijnheer en mevrouw Doorsnee dus. Dat was vooral te merken aan het schrijnend gebrek aan persoonlijkheid. In de wandelgangen had ik zelfs moeite om sommige deelnemers te herkennen, omdat ze off-stage gereduceerd werden tot de kleurloze figuren die ze eigenlijk waren.
Dat uitte zich b.v. vooral bij de tekstinterpretatie. De verstaanbaarheid was meestal nihil. De Oost-Europeanen zongen steeds hun moedertaal, zelfs als het Engels, Frans of Duits betrof. Ook hier stel je overigens weer merkwaardige zaken vast. Zo mocht Sonja Borowski-Tudor die in de opera-aria reeds blijk had gegeven van een slechte dictie (volgens haar zingt Dalilah: “Mon kuur s’ouvre à ta wa”) in de liedsessie een volledig programma in haar moedertaal afwerken!
Met het plichtwerk “Accent” (*) hadden er normaal geen problemen mogen zijn, want het was een vocalise (m.a.w. uitsluitend bestaande uit klinkers), maar toch waren die er wel, want je werd verondersteld een verhaaltje zelf “in te vullen” en de meesten hadden daarvoor gewoonweg onvoldoende fantasie.
Zo’n opgelegd stuk is in een zangwedstrijd ook weer voor discussie vatbaar natuurlijk. Het bestond in zes tessituren, maar het was geen toeval dat alle baritons (op Felix na die het stuk aanpakte als een bas) moeilijkheden hadden met deze partituur. Het incident met de Griekse deelnemer (die een noot niet haalde) was dan ook eigenlijk, op grond van diens zwakke prestatie, voorspelbaar.
Over het Muntorkest is natuurlijk ook weer vanalles gezegd. Deze keer zal er wel geen kop van een intendant rollen (**), maar je mag toch stellen dat het eigenlijk een onmenselijke opdracht is. Akkoord, het is een schande dat de eerste finale met vertraging diende te beginnen omdat men niet alle partituren tijdig had gevonden of dat Catherine Vandevelde een andere aria moest zingen, dan die welke ze had opgegeven omdat het orkest niet over de partituur beschikte. Maar wat wil je? De 24 halve finalisten moeten een enorm repertorium voorleggen en dat wordt er dan op één week tijd doorgejaagd. Met als gevolg dat de meesten slechts een kwartier hadden om te repeteren. Terwijl Wendy Hoffman dan weer een klein uur kreeg toegewezen. Geen wonder dat je dan derde kan worden, hoorde ik hier en daar al fluisteren…
In de gegeven omstandigheden kun je dus niet anders dan de muzikanten feliciteren. En ook de dirigenten, al was de Fransman Marc Soustrot (naar verluidt getipt door José Van Dam) misschien iets “kandidaat-vriendelijker” dan Patrick Peire. Deze laatste, een specialist in de authentieke uitvoeringspraktijk, werd door Bernard Foccroulle aangetrokken om in de halve finales met een beperkt orkest de oratorium-aria’s van Bach en Händel te begeleiden. Daarbij hield hij er volgens bepaalde commentatoren een te snel tempo op na. Het samenspel met het orkest liet zeker wel eens te wensen over, maar het dient gezegd dat de meeste kandidaten erg zwak waren op dit onderdeel.
Ook bij de vroegere opera- en belcantowedstrijd van de BRT was er een unieke wedstrijdvorm. Ongeveer een dozijn landen sturen hun twee beste jonge krachten die in aangepaste kostuums aria’s en duetten uit bekende opera’s vertolkten.
Het orkest zat, zoals bij een echte opera, in de orkestbak (en niet àchter de zangers zoals bij een concert), zodat we ons meteen konden vergewissen van de specifieke operakwaliteiten van de deelnemers: dramatische expressie, draagkracht van de stem, scenische présence.
Daarnaast blijft natuurlijk “juist” en “mooi” zingen een primaire vereiste, maar we mogen rustig veronderstellen dat op dit niveau alle deelnemers (tenzij ze last hebben van de zenuwen die in hun keel gieren) aan die eis voldoen.
Door al die facetten verschilde de BRT-wedstrijd in essentie van de Elisabethwedstrijd voor zangvoordracht en ook van de enige andere belcanto-wedstrijd georganiseerd door een televisiestation, namelijk “The Cardiff’s Singer of the World” van de BBC-Wales. Daar vindt men bij de jury zangers zoals Joan Sutherland, Ileana Cotrubas en Tom Krause naast impressario’s of platenproducers als Matthew Epstein (Columbia). De voorzitter is Anthony Freud van de Welsh Opera.

Ronny De Schepper

(*) Wie had dit nu ook alweer geschreven?
(**) Toespeling op het Van Immerseel-incident dat Fred Brouwers z’n kop kostte. (Hij gaf wel zélf zijn ontslag natuurlijk.)

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.