Het is vannacht midzomernacht. In Gent is er dan b.v. een “Midzomernachtrun” gepland. Maar ze zouden beter bij het ochtendgloren gaan lopen. Blootsvoets. Zoals dauwtrappers doen. Op die manier zou men zowel het kwade bezweren als de vruchtbaarheid bevorderen, zoals we ook uit het Middelnederlandse lied “Het viel eens hemelsdouwe” kunnen leren…

“Het viel eens hemelsdouwe” begint als een meilied, in de vorm van een monoloog van de minnaar. Meiliederen zijn vruchtbaarheidsliederen en vandaar vol bedekte erotiek. Men doet dit door over geslachtsorganen te spreken alsof het muziekinstrumenten zijn b.v. (de fluit en de viool, cfr. “Adam en Eva” van Kareltje Waeri, o.m. in een versie van Wannes van de Velde) of dieren (“O robin, gentle robin” uit de CD “Now is the merry month of may”). Een ander goed voorbeeld (o.a. met “minnebode”) is te horen in “Mistero buffo”.
Eerste strofe; vers 5: zij houdt mijn hart in haar bezit. “Hemelsdouwe” is natuurlijk de morgendauw. In de Middeleeuwen werd hieraan een magische kracht toegeschreven, vooral in de Sint-Jansnacht of Midzomernacht (24 juni), zoals ook blijkt uit Shakespeares “Midsummernight’s dream”. Dan stond men vroeg op en spreidde men doeken over het gras om de dauw op te vangen. Het vocht bewaarde men als geneesmiddel tegen huidaandoeningen en oogkwalen. Men kon er ook de boze geesten mee afweren. Dat deed men dan vooral bij middel van het “dauwtrappen”: rond Sinksen en Hemelvaartsdag trok men zeer vroeg uit de steden naar het land om de lente in te halen.
Voor de rest wordt hier duidelijk de stereotiepe taal van de liefde gesproken. De liefde wordt immers beschouwd als een ziekte, eigenlijk een verwonding, toegebracht door Cupido’s pijlen. Slechts indien wederliefde als troost wordt gegeven is genezing mogelijk (“zozeer doorwont”; “troost ontfangen”; “gansch ghesont”).
Tweede strofe: “virtuyt” (schoonheid en kracht); “cruyt” (gras); “gheenen” (daarginds).
Derde strofe: “trouwe” (trouwbelofte); “ontfaet” (ontvang); “ghedaen” (gemaakt).
“Ik wil de mey(tak) gaen houwen” (planten): de meitak of meiboom was een drievoudig symbool. Van de liefde: de minnaar plantte voor dag en dauw (!) de meiboom voor het huis zijn geliefde om zijn trouw te bewijzen en “en passant” de boze geesten af te weren. Van de vruchtbaarheid: in de lente brachten jonge mannen meibomen naar het dorp om de groeikracht van de natuur over te brengen op de menselijke gemeenschap. Van de verloving: wanneer het meisje de meiboom aanvaardde, betekende dat dat ze volgend jaar met haar minnaar zou huwen.
Vierde strofe: “beraden” (besluit genomen); vers 6 (al gauw, korte tijd). Een verhalend gedeelte met tragische afloop.
Vanaf de vijfde strofe wordt het een wachterslied, een apart lyrisch genre, nauw verwant aan de aubade, waarin de hoofdrol wordt gespeeld door de stadswachter. Die kende door zijn functie (waarschuwen voor vijanden of voor brand) ook vele geheimpjes, die hij echter voor zich hield. Het is dus een sympathieke figuur, vandaar dat hij de geliefden vriendelijk waarschuwt. Toch is het hier episch-lyrisch door de dialoog met de minnaar.
Zesde strofe: vers 8 (vertel het aan niemand voort).
Zevende strofe: “immer” (toch eens); “edel ruyter fijn” (voortreffelijke ridder); “rasch” (vlug).

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s