Morgen viert de Limburgse cineast Dominique Deruddere zijn zestigste verjaardag.

Sinds kort woont hij weer in ons land, nadat hij in 2007 voor een tweede maal zijn geluk had gezocht in de VS.
Deruddere: “Ik zou oorspronkelijk maar voor één jaar gaan, om Comeback te gaan draaien. Mijn vrouw Lorette en mijn twee zonen, Vic en Louis, gingen mee. Maar ik heb die film nooit voltooid. Vlak na onze aankomst in augustus 2007 gingen de scenaristen in staking en ook de acteurs dreigden er, uit solidariteit, mee. Die situatie duurde zes maanden. In 2008 volgde de bankencrisis, waardoor allerlei projecten op de lange baan werden geschoven of gewoonweg afgevoerd. Het is nog altijd crisis in Hollywood. Privé-investeerders komen niet over de brug, ze vinden het risico van een film te groot en stoppen hun geld in veiliger projecten.”
– Waarom ben je toch gebleven?
Deruddere:
“Omdat het ons beviel. Voor onze twee zonen is Los Angeles hun thuis. Vic (20) is geïnteresseerd in beelden en volgt een filmopleiding. Louis (17) studeert piano en klassieke muziek aan de Hamilton Music Academy. Misschien wordt die later wel filmcomponist. Ze zijn samen met mij en Lorette op de set geweest van Flying Home. Vic als clapper-loader, mijn vrouw Lorette als costumière, een beroep dat ze in LA trouwens niet mag uitoefenen omdat ze geen werkvergunning heeft (het interview had plaats t.g.v. enkele opnames in Vlaanderen, RDS). Het was in de Westhoek een echte family experience. Ik denk dat we in Hollywood blijven, niet omdat ik hier zozeer een carrière nastreef, maar omdat we er graag zijn.”
– Hoe red je het financieel?
Deruddere:
Iedereen beroemd heeft destijds goed opgebracht en daarnaast heb ik geluk gehad met het vastgoed dat ik verkocht heb tegen veel hogere prijzen dan wat we er vroeger voor betaalden. In LA heb ik ook wel wat jobs gehad. Ik ben onder meer verbonden geweest aan The Heartbreak Kid, een film met Ben Stiller die ik zou gaan regisseren en waarvoor ik ook aan het scenario heb gewerkt. Ik ben er na een paar jaar uiteindelijk uitgestapt wegens artistieke meningsverschillen. De Farrelly-brothers hebben de klus uiteindelijk geklaard. Ik besef dat ik nogal eigenzinnig ben, een yes-man kun je me niet noemen.”
Jaren geleden heb ikzelf ook Dominique Deruddere geïnterviewd in een café in de Brusselse Dansaertstraat n.a.v. de release van “Suite 16”, wat wel geen prettige herinnering voor hem zal zijn, aangezien dit zowat zijn grootste flop zou worden. Gelukkig had het gesprek plaats vóór de release en was Dominique nog volop enthousiast. (Bovendien zou het succes van “Iedereen beroemd” in 2001 deze minder geslaagde film vlug doen vergeten.) Eens kijken wat we zoveel jaar nadien nog kunnen onthouden uit dat interview…
Dominique Deruddere (°15 juni 1957, Turnhout) groeide op in Leopoldsburg (in dezelfde school als Marcel Vanthilt en Ingrid Berghmans) en debuteerde na een reeks opmerkelijke kortfilms (“Oranje licht”, “Bedankt ma”, “Killing joke” en “Wodka orange”) in 1986 met “Crazy love”, een triptiek “heel losjes” (*) gebaseerd op het werk van Charles Bukowski, in een bewerking van Marc Didden en Deruddere zelf. Eigenlijk was “Foggy night” (zijnde de verfilming van het kortverhaal “The copulating mermaid of Venice”, over twee necrofielen) ook als kortfilm gedraaid, maar toen Erwin Provoost hem vroeg om er een langspeelfilm van te maken, gaf hij er de voorkeur aan twee andere kortfilms op basis van een verhaal van Bukowski eraan toe te voegen die eigenlijk verduidelijken hoe die twee mensen ertoe komen zoiets te doen (necrofilie dus).
Het antwoord is dat iedereen op zoek is naar liefde, maar dat die zo moeilijk te vinden is. Vandaar dat Deruddere oorspronkelijk de voorkeur gaf aan de titel “A cry for love”. In Amerika werd de film uitgebracht als “Love is a dog from hell” (naar een dichtbundel van Bukowski en dus ook de titel die door hem werd verkozen) en Madonna was zo vriendelijk om met haar toenmalige echtgenoot Sean Penn de première op te luisteren.
In het eerste verhaal (gesitueerd in 1955) wordt de 12-jarige Harry (Geert Hunaerts) in de geneugten van de masturbatie ingewijd door een oudere “slechte kameraad” Stan, gespeeld door Michaël Pas (**) – als hij ouder is, wordt de rol vertolkt door Gene Bervoets. Harry is heel romantisch en projecteert de liefdesfilm die hij ziet b.v. op zijn moeder (Karen Van Parijs) en zijn veelal dronken vader. Die vader wordt overigens gespeeld door Josse De Pauw, die in deel twee en drie Harry zal spelen, alsof Deruddere wil aantonen dat we onze afstamming met ons meedragen.
Het tweede fragment wordt gesitueerd in 1962. “Love hurts” van The Everly Brothers is een hit en reken maar dat het wààr is! Zeker als je vol puisten staat zoals Harry. Men mag dan nog zeggen, zoals Clouseau later zou doen dat werkelijke schoonheid “vanbinnen” zit, maar maak dat “The Elephant Man” maar eens wijs! Harry Voss is een gevoelige, poëtische jongen, maar niemand wil dieper graven dan zijn uiterlijk. Hij zoekt dan maar een toevlucht in de drank. Sommigen vonden dat de maquillage zich een beetje té veel had uitgeleefd op Josse De Pauw, maar ikzelf kwam op die leeftijd toch ook dicht in de nabijheid! (zie foto)
In het derde fragment zitten we in 1976. De puisten zijn weg, maar Harry heeft nog steeds geen succes bij de vrouwen. Tot hij met de gastarbeider Bill (Amid Chakir) een vrouwenlijk gaat stelen, dat de droomprinses uit zijn jeugd blijkt te zijn (Florence Belliard). Met dat lijk (en zijn illusies) onder de arm stapt hij de zee in…
In mijn ogen eindigt de film optimistisch,” zegt Deruddere, “Harry heeft zijn liefde gevonden, op welke bizarre manier ook.” De muziek voor deze film is van Raymond van het Groenewoud, het camerawerk van Willy Stassen en de montage van Ludo Troch.
Door de weerklank van “Crazy love” kon “Wait until spring Bandini” in 1989 worden opgezet als een coproductie van 200 miljoen toenmalige Belgische frank met niemand minder dan Francis Ford Coppola. Dominique Deruddere kon zijn “Wait until spring, Bandini” dus zowaar in Hollywood gaan verfilmen. Hij was daarmee echter zeker niet de eerste Belg. In 1981 had Jean-Claude Tramont er reeds de komedie “All night long” met Gene Hackman en Barbra Streisand gedraaid. In 1973 had hij ook het scenario geschreven voor “Ash Wednesday” met Elizabeth Taylor, Henry Fonda en Helmut Berger. Tussendoor draaide hij in 1977 “Le point de mire” met Annie Girardot en Jacques Dutronc. Hij stierf in Los Angeles eind 1996. Hij was toen 66 jaar.
En dan was er nog een roadmovie met flink wat geweld (zij het dan in de “onderhuidse” betekenis: m.a.w. een dreigende atmosfeer, niet zozeer het uitsmeren van ketchup), namelijk “Delusion” van Carl Colpaert. Deze Vlaming die in Hollywood filmschool heeft gelopen, heeft weliswaar de techniek onder de knie, maar toch mist zijn film stijl en vooral snelheid en een boeiend plot. Dit laatste is eigenlijk onvergeeflijk als je van de Hollywood-school komt.
Maar terug naar Deruddere. Deze film met een eigen scenario naar de roman van John Fante (een overleden auteur waarvoor Bukowski een grote bewondering koesterde) en met (volgens Dominique tevéél) muziek van Angelo Badalamenti en Paolo Conte, gaat eigenlijk alweer over een jongen van twaalf die zijn ouders probeert bij elkaar te houden. In de rolverdeling vinden we prestigieuze namen terug zoals Ornella Muti, Joe Mantegna, Faye Dunaway en Michael Bacall. De verwachtingen voor zijn volgende film, “Suite 16”, waren dus hoog gespannen!
De film werd gelanceerd als “sex, drugs & rock’n’roll”…
Deruddere: “Ja, maar dan bedoel ik met rock’n’roll meer een mentaliteit, een levensvisie. Voor mijn generatie was van rock’n’roll houden gelijk aan zich niet houden aan de regels. Niet alleen binnen de muziek, maar ook binnen de maatschappij in het algemeen. Rockliefhebbers wilden heilige huisjes neerhalen en grensverleggend zijn. In Suite 16 zitten wel een paar rocknummers, maar ik heb er zeker geen flitsende videoclip van gemaakt! Tenslotte gaat het toch maar om twee mannen (en een paar mensen die ze zo nu en dan uitnodigen) die opgesloten zitten in een suite. Dat is dus een huis clos, een claustrofobisch gegeven. Dat is registreren, analyseren en gevoelens uiteenrafelen. Tot op het bot gaan. En dat kan je niet met flitsende cinema.”
Op het moment van het interview was (enkele weken voor de release!) nog steeds niet beslist wie de “echte” filmmuziek zou schrijven. Uiteindelijk werd het Walter Hus en het Quatuor Danel zorgde voor de uitvoering.
“Suite 16” is een erotische thriller (op dat moment vreselijk in de mode sedert het succes van “Fatal attraction”) gebaseerd op een origineel Engels scenario van Lise Mayer, die voor haar filmdebuut – ze schreef wel reeds voor televisie, o.a. voor “The young ones” – dit idee bedacht en er Charles Higson, een punkmuzikant, wiens roman “King of the ants” ze wel lustte, bijhaalde.
Het gaat dus over Chris, een jonge Nederlandse gigolo, die aan de azurenkust actief is (Antonie Kamerling). Na de moord (?) op een van zijn cliëntes slaat hij op de vlucht en komt terecht in een afgelegen hotelsuite bij de eigenaar van de hotelketen, een oudere, impotente, gehandicapte man, Glover (Pete Postlethwaite), die hem tot in het waanzinnige zal manipuleren. Zo stond het alvast in de persmap…
Deruddere: “Tot in het waanzinnige vind ik geen juiste uitdrukking. Maar Chris komt niet onbeschadigd uit die huis clos. Hij is een beetje door de hel moeten gaan, zou ik zeggen.”
Dit resulteert in een soort van wederzijdse gijzeling, waarbij Chris door Glover min of meer verplicht wordt van allerlei geneugten des levens te proeven, waarvan hijzelf door zijn toestand niet meer kan genieten.
Deruddere: “Chris laat zich grensverleggend manipuleren. Met zijn goedkeuring worden zijn limieten steeds verlegd. Maar uiteindelijk zal hij net een tikkeltje te ver gaan.”
Deze formulering, met daarbij in aanmerking genomen dat het nogal een erotische film is, dan moet ik aan SM (sadomasochisme) denken…
Deruddere: “Klopt. Er komt SM in. Maar de mensen mogen ook niet denken dat het een scala wordt van elke denkbare perversiteit. Het is op de eerste plaats een psychologische film, die gaat over het manipuleren van gevoelens en dat begint meestal met de seksualiteit, omdat dàt het gemakkelijkste is. Maar toch is het maar een onderdeel van ons emotioneel leven. Een mindfuck, dàt is het eigenlijk.”
Je hebt zelf nochtans ooit gezegd: sommige acteurs dachten dat ze in een pornofilm waren terechtgekomen.
Deruddere: “Ja, toen ze het scenario hadden gelezen. Ze hadden niet genoeg tussen de regels gelezen. Dat was met Crazy love destijds ook zo. Je denkt toch niet dat ik een lijk ga neuken, zeker? was een vaak gehoorde reactie. Maar daarover ging het helemaal niet en het is pas als de film af was, dat ze inzagen dat het eigenlijk een poëtische film over liefde was. Al bleven er ook wel hevige tegenstanders. En dat is precies wat ik bij deze film ook verwacht.”
De film zit inderdaad vol geweld. Geen spectaculaire knokpartijen op de rand van een ravijn, maar onderhuids geweld, wat erger is, want minder “operette”-achtig. Nochtans, vroeger had Deruddere schrik van geweld: dat hij nu zijn eerste kortfilm (“Oranje licht”) verloochent omdat het meisje de “groene” jongen (Dominique zelf natuurlijk) verkiest boven de leider van een nozembende, is dat dan typerend voor die ommekeer?
Deruddere: “Helemaal niet! Ik was toen amper 16, dat was een amateurfilmpje op super 8. Toen ik mijn eerste professionele kortfilm draaide, Vodka orange, ging die al meteen over euthanasie. Een vader ligt op sterven en mag geen alcohol meer drinken. Daarom spuit zijn zoon sinaasappels in met vodka. Als men daarachter komt, mag hij zijn vader niet meer bezoeken, maar op een nacht breekt hij met een hoertje binnen en houden ze daar een regelrechte orgie. Tegen de ochtend is de vader gestorven, maar dàt heeft hij dan toch nog gehad. Dat is al meteen wat anders, hé!”
Voor het eerst werk je nu met een scenario dat je werd aangeboden, want zelf zat je met je hoofd al bij “Dipenda”, de film over de onafhankelijkheidsstrijd in Kongo die je al zo lang wil maken. Je werkt nu dus voor het eerst “in opdracht”.
Deruddere: “Ja, en dat bevalt me wel. Je moet weten, zonder overdrijven krijg ik toch voldoende aanbiedingen zodat ik kan kiezen wat ik wil maken. Dipenda blijft mijn troetelkind, maar op dit scenario was ik toch ook op slag verliefd. Dipenda verdween vrij snel naar de achtergrond.” (En dat zal voorlopig ook zo blijven, zelfs tot op de dag van vandaag!)
Het scenario werd hem aangeboden door producer Paul Breuls, die ook reeds “Het sacrament”, “Eline Vere” en “Anchoress” (eveneens met Post¬lethwaite) produceerde. Voor deze laatste film veranderde hij de naam “Silent Sunset Productions” wel in “Corsan Productions”. Het was de bedoeling dat Breuls ook “Dipenda” zou produceren.
“Dipenda” was oorspronkelijk gebaseerd op de eerste twee “Gangreen”-boeken van Jef Geeraerts, maar Deruddere was op de duur te ver van het oorspronkelijke werk afgeweken. Hij wilde oorspronkelijk in Ruanda en Burundi draaien, waar op dat moment juist die verschrikkelijke volkerenmoord aan de gang was.
Deruddere: “Veronderstel dat we daar gestaan hadden, dan waren we nu wel al terug thuis, dat kan ik je verzekeren! Afrika is jammer genoeg een moeilijk continent aan het worden. Op de eerste plaats jammer voor de mensen ginder natuurlijk. Men is daar vooral bezig met te proberen te overleven. Het zal dus erg moeilijk worden om daar te draaien. Maar dat is niet de enige reden. Het is immers ook een typisch Belgisch project en ‘dus’ verloopt de financiering nogal moeilijk. Ik denk dat ik nog vlugger La Nonna zal draaien, een Italiaanse komedie over een grootmoeder, wier familie (o.a. Joe Mantegna) ten onder gaat aan haar vraatzucht.” Maar ook dat project zal uiteindelijk niet van de grond komen.
Voor “Suite 16” kreeg Deruddere slechts 16,2 miljoen subsidie van de filmcommissie op een totaal budget van 120 miljoen! Verder krijgt hij ook nog financiële steun uit Nederland en uit het European Script Fund. Hoe vermijd je dan Europudding?
Deruddere: “De film werd op locatie opgenomen aan de Côte d’Azur (en in de studio’s La Victorine van Nice, waar o.m. “La nuit américaine” werd gedraaid). Oorspronkelijk was Brighton bedoeld, maar dan kon ik de regisseur niet zijn, dan moest men een Engelsman nemen. Dat is perfect plausibel. Het zit daar in Nice vol met Engelsen, Belgen, Nederlanders, Duitsers… Luister, Last tango in Paris was ook een Amerikaanse film met een Italiaanse regisseur en met hoofdrolspelers van diverse nationaliteiten. Maar aangezien het zich in Parijs afspeelde, was dat volstrekt mogelijk. En zo zie ik het ook bij Suite 16. Ik zou de term Europudding reserveren voor films die omwille van de lieve centen een blonde Zweed in een Italiaans bergdorp catapulteren. Dat zijn producenten die het zich gemakkelijk maken door hun winst reeds te nemen op het budget en niet meer te zorgen voor een goede film.”
De titel zou dus “normaal” in het Frans moeten worden gelezen, maar het is toch ook een woordspeling op “sweet sixteen” of niet?
Deruddere: “Jaja, de woordspeling blijft zeker geldig, in die zin dat Glover nostalgie heeft naar zijn jeugd, meer bepaald naar de puurheid van de jeugd, naar het moment dat de liefde nog echt is, dat je nog naief bent, het moment net voor je volwassen wordt met andere woorden.”
Voor Glover en voor mezelf ligt dat wel op zestien, maar nu ligt dat ongetwijfeld een beetje jonger.
Deruddere: “Twaalf zeker? (lacht) Nee, in de film wordt er letterlijk gezegd: she was sixteen and sixteen in those days really meant sixteen.”
Het is dus niet omwille van het meisje, een rol waarvoor oorspronkelijk Marie Gillain (“Mon père, ce héros”) werd vernoemd.
Deruddere: “Nee, want er wordt in de film gezegd dat ze 19 is. Maar het is wel waar dat Marie werd aangezocht voor de rol van het jonge arrogante verkoopstertje Helen, maar ze kreeg toen een aanbieding van Bertrand Tavernier en daar kan ik haar geen ongelijk in geven want het was een grotere rol en Tavernier is een groot regisseur natuurlijk. Het is dan uiteindelijk Géraldine Pailhas geworden (uit “IP5” met Yves Montand) en ik ben heel tevreden. Ook voor de rol van Glover werd oorspronkelijk Richard Harris vernoemd, omdat Pete Postlethwaite nog niet bekend genoeg was. Maar na zijn oscarnominatie voor de vaderrol in In the name of the father kwam dat wel goed. Antonie Kamerling (vooral bekend uit de soap “Goede tijden, slechte tijden”) werd als Chris uitgekozen uit een ruime casting, waaraan ik nog kleinere rollen heb overgehouden zoals die van Bart Slegers en Tom Janssen. Viviane De Muynck van haar kant, die ken ik al lang. Ik ga niet vaak naar theater maar ik ga wel genoeg goede stukken bekijken om te weten waar de goede acteurs zitten. En Viviane was perfect voor de rol van de 45-jarige vrouw die door Chris wordt verleid om de centen. Omdat zo’n vrouw van middelbare leeftijd nog denkt dat ze zo’n jonge gast nog écht kan krijgen. Ze had nog die illusie. En dan komt de klap des te erger aan. Met een oude tante van 65 jaar zou het een karikatuur geworden zijn.”
De production designer is Niek Kortekaas en voor de kostuums zorgt natuurlijk Loret Meus. Het camerawerk is van Jean François Robin (van “37°2 le matin”, “Roselyne et les lions” en “IP5”, alle drie van Jean-Jacques Beineix, maar hij was ook al de cameraman bij “Bandini”) en de montage van Kant Pan (oscarnominatie voor “The crying game”).
Dominique Deruddere kreeg omwille van “Bandini” veel aanbiedingen, maar ook de regie voor “Daens” heeft hij afgewezen omdat hij “geen film wilde draaien over een pastoor“. Als overtuigd unitarist kon hij zich veel beter terugvinden in het succes van “C’est arrivé près de chez vous”. Deruddere hield zich ondertussen dan maar bezig met het draaien van clips, o.a. voor Vaya Con Dios (“What’s a woman” en “Night owls”), en van reclamespots. In beide gevallen vraag ik me altijd af: waarom eisen regisseurs hiervoor hun rechten niet op?
Deruddere: “Omdat het niet màg gewoon. Publiciteit wordt gemaakt om een product te verkopen, niet om de ijdelheid van een regisseur te strelen. Maar je mag gerust weten welke spots ik gedraaid heb, hoor, ik ben daar niet beschaamd over. Even denken: Kenwood, Tuborg, Danone, Aardgas, Jobwijzer, De Morgen en Humo. Er zullen er nog wel zijn, maar ik kan ze me niet allemaal herinneren. Oh ja, dat voor Franse kazen met in de hoofdrol Hugo Claus!”
Ik kan ze me ook niet allemaal herinneren want ik gebruik het reclameblok om te gaan plassen.
Deruddere: “Zoals iedereen. Het is dus ook niet belangrijk. Op zo’n moment ben je gewoon een uitvoerder. Een uitvoerder van de wensen van de klant. De klant wil dit en hij zal dat dan ook krijgen. Daarbij tracht ik soms wel wat raad te geven, maar uiteindelijk blijft de eindverantwoordelijkheid bij hem liggen.”
Maar het is wel belangrijk om de films te kunnen maken die je echt wil. Desnoods kan je dan zelfs op je eigen gage gaan beknibbelen om een bepaald project toch te laten doorgaan.
Deruddere: “Dat zou kunnen, ja, maar zelf weiger ik dat. Ik laat me tamelijk goed betalen omdat ik professioneel wil zijn. Anders dan zit je in de categorie van mensen die poëziebundeltjes of singeltjes in eigen beheer uitbrengen. Dat mag best van mij, maar ikzelf wens dat niet. En ik kan dankzij die reclamespots, waar ik dan wél afstand kan van nemen, toch nog steeds voor elke speelfilm in de spiegel kijken.”
Kort daarvoor had ik een gesprek gehad met Michaël Pas en ik wil hem graag confronteren met een uitspraak van deze acteur: “Dominique heeft diezelfde relaxheid van Robbe. Hij bereidt zich heel goed voor en heeft een heel specifieke manier van werken, terwijl het bij Robbe nogal met de losse pols gebeurt. Bij Dominique Deruddere hebben wij echt gerepeteerd alsof het een toneelstuk betrof en dat verwachtte ik ook bij De Hert.”
Deruddere: “Wat Michaël zegt, klopt wel voor Crazy love, ook al omdat ik weinig tijd had om te filmen en ik dus heel precies moest weten wat ik ging doen. Maar dat was niet zo bij Suite 16. Elke film is anders, heeft zijn eigen ritme en dus ook zijn eigen aanpak: deze is zowat op de set zelf tot stand gekomen, omdat ook mijn grenzen dienden te worden afgetast. En zoiets kan je niet repeteren, dat moet je vers houden. Het scenario was uiteindelijk niet meer dan een handleiding.”
Je hebt zelfs het einde veranderd zonder medeweten van de scenaristen. Dat is vrij verregaand.
Deruddere: “Dat was ook de afspraak. Als ze daarmee niet akkoord gingen, dan moesten ze maar iemand anders nemen of het zelf doen. Maar voor hen was het o.k.”
Inclusief het einde? Ik begrijp dat je daarover niet te veel kwijt kan, maar dat is toch essentieel. Als er in een film iemand vermoord wordt b.v. dan is het uiteindelijk toch de regisseur die bepaalt of dat een negatief dan wel een positief gegeven is?
Deruddere: “Dat is waar. Met een laatste shot kan je nog een heel scenario veranderen. En dat is wat ik min of meer ook gedaan heb, maar meer kan ik daar echt niet over vertellen.”
Zijn voorbeelden zijn Martin Scorsese, Carol Reed en (natuurlijk) Francis Ford Coppola. Kortom, hij is een echte filmregisseur zelfs als hij in de Ancienne Belgique “They shoot horses don’t they?” voor de KVS regisseerde als “Paarden schieten ze toch ook dood” (***). “Dat was Broadway entertainment,” zegt hij, “maar de zalen zaten we steeds afgeladen vol en dat heeft gedurende ettelijke weken gedraaid.”
Gespééld verbeter ik, maar de Freudiaanse verspreking is toch leuk meegenomen.
In 2004 draaide Dominique Deruddere een komedie in Frankrijk. “Pour le plaisir” gaat over een garagist (François Berléand) die door zijn psychiater (Samuel Le Bihan) wordt aangeraden zich voor te doen als een moordenaar om de interesse van zijn vrouw (Nadia Farès) te herwinnen. En net op dat moment wordt er in de nabijheid van zijn garage écht een moord gepleegd natuurlijk…
Deze film werd een jaar later gevolgd door een Duitse productie, “Die Bluthochzeit”, die terecht een tragikomedie wordt genoemd, want het komische aspect beperkt zich tot Nand Buyl in één van zijn laatste rollen. Zoals de titel al aangeeft, gaat het over een huwelijksfeest dat uitdraait op een ware slachtpartij (indachtig dat het toch ook een beetje lichtvoetig moest zijn, wordt uiteindelijk enkel een hond gedood, maar ook bij de mensen vallen er slachtoffers en er wordt flink wat afgeschoten en zelfs twee handgranaten gegooid). Naast Nand Buyl verlenen ook nog van Vlaamse kant Hilde Van Mieghem en Dirk Roofthooft hun medewerking. Deze laatste is zelfs het slachtoffer van een scenario dat teveel “loose ends” heeft: hij wordt op zijn kamer in het hotel achtergelaten, terwijl zich buiten de ontknoping afspeelt. Men kan natuurlijk aanvoeren: dat heeft uiteindelijk niets vandoen met de kern van de geschiedenis, maar dat is het ‘m juist. Waarom dit verhaal over een burgermannetje dat eens een amoureuze zijsprong maakt een call-girl er sowieso bij betrekken? Akkoord, het is zijn auto die in de vlammen opgaat, maar in het kader van het verhaal had dat net zo goed die van de restaurateur kunnen zijn.
Op Valentijnsdag 2007 ging “Firmin”, een film naar het typetje van Chris (“kein em dju geslegen”) Van den Durpel, in première. Helaas, het was geen succes. Niet bij de critici, maar dat was reeds op voorhand voorspelbaar, maar ook niet aan de kassa en dat was met een figuur als Firmin Crets toch een grote verrassing. De reden was dat er te veel “ernstige” onderwerpen in deze film werden gesluisd, vooral dan het racisme natuurlijk, maar zelfs het boksen werd té realistisch benaderd, zeker als men dan weet dat de sleutel tot het succes van Firmin zijn poulain zit in het feit dat hij bokst met het nummer “Geen wonder dat ik ween” van Paul Severs in zijn hoofd (voor de rest van de – nogal onopvallende – filmmuziek werd geschreven door Raymond van het Groenewoud). Ook een liefdesgeschiedenis met de “unlikely” Firmin als seksobject was redelijk ver gezocht. Diametraal daar tegenover stond dan een computeranimatie met een hamster, die ondanks het feit dat het een meisje was eveneens Mohammed heette (zij het naar Mohammed Ali). Dat was een leuke vondst, maar – wellicht door gebrek aan geld – was ze niet adequaat uitgewerkt.
Zes jaar na “Firmin” kreeg Deruddere opnieuw groen licht van het Vlaams Audiovisueel Fonds om nog eens een film te draaien. Hij kreeg de Engelse titel “Flying home” mee, aangezien het over een Amerikaanse onderhandelaar gaat die naar Vlaanderen wordt gestuurd om een duivenmelker te overtuigen zijn beste prijsduif aan een rijke sjeik te verkopen. Merkwaardig genoeg heeft Deruddere (die het scenario zelf heeft geschreven) de idee nog overgehouden aan zijn verblijf in Los Angeles, waar de duivensport (o.m. dankzij Mike Tyson) erg aan populariteit wint. Sindsdien heb ik daar echter nooit meer iets van gehoord en ik vroeg me al af of het project wel van de grond is gekomen, om een toepasselijke woordspeling te gebruiken, maar gelukkig was er mijn vriend Raymond De Condé van Het Belang van Limburg – al heb ikzelf het interview gelezen in zusterkrant “De Gazet van Antwerpen” (****) – om deze twijfels weg te nemen…
Het resultaat was echter… Wel, laten we eens zien wat de Internet Movie Database erover te vertellen heeft: “First I must say something very rude – Isabelle Pauwels (Charlotte De Bruyne) is not much to look at and I didn’t believe for a minute that Colin (Jamie Dornan) would have been remotely interested in her. Here we have a NYC high finance hunk suddenly falling head over heals for a simple country girl in Belgium. Sadly for me, I watched this movie after watching the recent ‘hit’ of Mr Jamie Dornan – 50 shades of Grey. It was like a bad deja-vu. From the movie cover, to the poor play of Mr Dornan, which could only be described as flat and torturous for our brains – almost as in a Red Room of Pain. His lack of actor’s ability to transform into character – as he looks completely emotionally frozen throughout the entire movie (both of them), were probably the reason why the producers of 50 shades chose him as his lead actor – he just couldn’t get any stiffer than that! (Iemand anders schrijft: “The director’s own admission came about through a lot of beer drinking, which may have been how Jamie got the job in the first place.”) Thanks to the rest of the crew for having the patience to somehow the awkward play by the end of these dreadful 92 minutes. Feeling sad for the bad advertising of Belgium through this movie.”
Ik heb daar weinig aan toe te voegen behalve dan dat het mij op zich niet zou kunnen schelen dat Deruddere hiermee “Belgium” onrecht aandoet, maar het gaat hier natuurlijk niet over “Belgium” maar over “Flanders”. En bij Deruddere is dat nog altijd het Flandre Profonde van vijftig jaar geleden… Alleen spreekt iedereen hier – van een duivenmelker over een pastoor tot en met zijn meid – wel verbazend goed Engels. (Aangezien de Vlaamse acteurs voor de IMDb allemaal nobele onbekenden zijn, voeg ik eraan toe dat Jan Decleir de duivenmelker is, Josse De Pauw de pastoor en Viviane De Muynck zijn meid.)

Referentie
Ronny De Schepper, Steps sprak met Dominique Deruddere, Steps magazine augustus 1994

(*) Myriam Verschaeren, De film verbetert het boek, Standaard der Letteren 11/2/1999.
(**) Bijna werd de rol gespeeld door de latere N-VA-minister Ben Weyts. Hij zat bij de laatste vier van de casting, maar uiteindelijk ging de rol dus toch naar Michaël Pas. (Het Nieuwsblad, 26/9/2016)
(***) Geert Van Der Speeten, Rondjes draaien in de Ancienne Belgique, Gazet van Antwerpen, 25 oktober 1990
(****) Raymond De Condé, “Een yes-man ben ik niet… Eigenzinnig, dat wel”, Gazet van Antwerpen, 17 november 2012.

Een gedachte over “Dominique Deruddere wordt zestig…

  1. Dominique D. lijdt ons inziens aan een redelijk gehalte ‘hoogmoed’.
    Dus veel meer dan ”worsten braden” in de US zat er helaas niet in… Dan maar naar Genk, voor een schabouwelijk filmpje over een opening van een pleintje… Maar ook dit zal hij Orson Wellesiaanse kwaliteiten toedichten, toch?

    Like

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s