Op 35-jarige leeftijd pakt Steven Spielberg uit met “E.T.” (1982). Een reusachtig succes dat bij de oscaruitreiking echter alweer slechts matig wordt gehonoreerd: twee oscars voor “visual effects” en twee voor het geluid, waaronder één voor de soundtrack van John Williams.

E.T. ALS CHRISTUSFIGUUR
En toch had Spielberg het beste van zichzelf gegeven: iemand die op zulk een korte tijd zoveel succes gekend heeft, begint er beter de sleutels van te kennen en weet hoe hij de massa dient te bespelen. Eén van die sleutels in het werk van Spielberg is het contrast en dit tot het paradoxale toe. Hier schuilt deze tegenstelling vooral in het gelaat van E.T., gelaat dat er enerzijds uitziet als dit van een overjaarse grijsaard maar dat anderzijds getooid is met onschuldige baby-ogen. Maar ook in zijn bijna afstootwekkende lelijkheid en zijn gevoeligheid, tenvolle uitgebuit door Spielberg, die de kijker in de aanvang van de prent als het ware in het rubber van E.T. stopt en diens angsten (wanneer hij alleen blijft op de onherbergzame aarde) letterlijk op die toeschouwer overbrengt, zodanig dat zelfs Robbe De Hert moet toegeven dat hij heeft zitten bleiten bij “E.T.”: “Allé komaan zeg en dat voor een plastieken pop!”
Hij had er nog kunnen aan toevoegen dat film zó levend kan worden dat de kleine Drew Barrymore ook wanneer er niét gedraaid werd nog met de E.T.-pop, die ergens in een hoek was gezet, ging praten, zodat Steven Spielberg vlug een technicus aanporde om even E.T. te spelen, als de dwergactrice Tamara De Treaux (1959-1990) die normaal in de pop kroop niet aanwezig was (de stem van het ruimtewezen zou dan weer afkomstig zijn van Debra Winger).
Dit paradoxale contrast vindt men ook in het feit dat dit van zo ver uit de ruimte gekomen ventje op de hoogte is van de meest gesofisticeerde technieken en tegelijkertijd zo onhandig, zo kwetsbaar is dat men het direct in bescherming wil nemen.
En om de kijkers te vertederen kent Spielberg eveneens zijn stiel: E.T. die zich wegstopt temidden van de gewone poppen in de kinderkamer, E.T. die de ijskast leegmaakt en overdadig bier drinkt, E.T. die leert telefoneren, E.T. die via het televisiescherm kennis maakt met de liefde.
En als klap om de vuurpijl is er de ziekte van Elliott en van E.T. ingevolge de telepathie die er tussen beiden ontstaan is en die hen alle twee aan de rand van dood brengt. Maar die ook omgekeerd werkt en weer tot leven wekt, dit tot groot genoegen van alle kijkers die een dramatisch einde van deze film niet zouden geslikt hebben, vooral niet in Amerika, het land van het “happy end” voor de “happy few”.
Het meest uitgekiende contrast dat Spielberg aanwendt, bestaat echter in de tegenstelling tussen het fantastische van zijn verhaal en het gewone van het kader waaraan het zich afspeelt. Het gezin van Elliott is het gezin van zovele Amerikaanse families met een alleenstaande moeder (vader is op stap met een andere – jongere – meid), met een dominerende grote broer en met een praatgraag klein zusje. Men kan de film dan ook “lezen” als de behoefte van Elliott aan een vaderfiguur. Vandaar dat het einde toch geen traditioneel “happy end” is, want nu staat Elliott er opnieuw alleen voor. Al heeft E.T. hem wel een aantal waarden meegegeven, die als het ware toevallig ook die zijn die de verrezen Christus aan zijn verbouwereerde leerlingen heeft meegegeven.
“E.T.” is een prent die zogezegd de “be good”-boodschap wil uitdragen (*). In deze wrede wereld op aarde met volwassenen die kinderen misbruiken, de natuur vernielen, oorlogen uitvechten, enz. komt het sympathieke buitenaardse wezentje voor een moment van bezinning, van vertedering, van hoop zorgen. En het vertrekt weer, een brede regenboogstraal achter zich latend.
Is inderdaad de huidige kapitalistische maatschappij in Amerika (en elders) verre van voorbeeldig voor miljoenen mensen, is zij getekend door werkloosheid en honger, door misdaad en bedrog, door dood en vernieling, om nog niet van oorlogsdreiging te spreken, dan is het wel wat gemakkelijk om een rubberen ventje voor enkele uren als moralist te doen optreden om het dan weer af te stappen. Op Amerikaanse kinderzielen kan het echter een moment van impact hebben. Des te beter dan. (**)
E.T. ALS VADERFIGUUR
Maar daarnaast is E.T. dus ook duidelijk een verwijzing naar de afwezige vaderfiguur. Spielberg zelf heeft bijna zijn hele leven een wrok gekoesterd tegen zijn vader die zijn moeder op heel jonge leeftijd in de steek heeft gelaten. Pas in 1999 zou hij zich met hem verzoenen. En het bindmiddel was inderdaad E.T.
Filmpionier Georges Méliès hield niet van Chaplin of Keaton en evenmin van de films van Pagnol of Abel Gance, daarvoor ging hij liever naar het theater, zei hij. Zijn voorkeur ging naar actie, b.v. westerns. Volgens zijn kleindochter zou hij allicht een grote aanhanger zijn van Spielberg. Die beantwoordt misschien het meest aan Méliès’ definitie van film: “Amuser les enfants, étonner les parents et surprendre tout le monde”.
Merkwaardig genoeg zegt Patricia Hitchcock min of meer hetzelfde over haar vader. Op de vraag van Kurt Vandemaele in Humo van 14/10/1997 wie als opvolger van haar vader kan worden bestempeld, antwoordt ze: “Ik zal je zeggen wie het meest op mijn vader lijkt, al spreek ik dan niet zozeer over filmgenres: Steven Spielberg. Omdat hij films maakt voor het publiek, niet voor zichzelf. Ik vind het spijtig dat mijn vader nooit E.T. heeft kunnen zien. Hij zou er dol op zijn geweest.”
Nadat hij voor “Poltergeist” iemand anders als regisseur opgeeft (Tobe Hooper), draait hij “Indiana Jones and the temple of doom”, met de schitterende Busby Berkeley-achtige openingsscène. Ook hiervoor krijgt hij echter zoals gewoonlijk alleen maar een technische oscar, namelijk die voor “visual effects”.
Men kan zeggen van Steven Spielberg wat men wil, maar niet dat hij platgetreden paden bewandelt. Nu hij immers na “E.T.” (en ook wel de “Indiana Jones”-films) bekend stond als “een tweede Walt Disney” (en een bétere, durf ik beweren) verfilmt hij “The color purple” naar de roman van Alice Walker. Een zeer volwassen werk, waarin Celie (Whoopie Goldberg) wordt verkracht door haar vader en uitgehuwelijkt aan een man die haar slaat (Danny Glover als Albert Johnson), maar wanneer deze met de zangeres Shug (Margaret Avery) aanpapt, vat deze ook (en méér) affectie op voor Celie, waardoor ze er eindelijk in slaagt zichzelf te ontplooien. De film kreeg elf oscarnominaties maar alweer niet voor de regie. Bovendien werd geen enkele nominatie in een oscar omgezet en was de vernedering voor Spielberg dus compleet.
Daarna kwam “Empire of the sun” naar het boek van H.G.Ballard in een bewerking van Tom Stoppard. Alhoewel hier ook een kind de hoofdrol speelt, is het toch alweer een soort van “anti-E.T.” want “Empire” is helemaal geen zoetsappige film, maar heel erg bitter met een ambetant kereltje in de hoofdrol, dat je maar helemaal op het einde (namelijk bij de dood van zijn Japans “speelkameraadje”) leert appreciëren.
DE CATEGORIE “TROOSTPRIJZEN”
In 1989 was er dan “Indiana Jones and the last crusade”, waarna – nog in hetzelfde jaar – “Always” eigenlijk eveneens de Tweede Wereldoorlog behandelt, maar nu gaat Steven Spielberg onbeschroomd de sentimentele toer op, helemaal op z’n Amerikaans, zoals Spielberg dat bij momenten wel kan.
Omwille van de modernisering werden de oorlogsomstandigheden vervangen door bosbranden, want “Always” was oorspronkelijk gebaseerd op “A guy named Joe”, een film uit 1943 met Irene Dunne, Spencer Tracy en Van Johnson: een oorlogspiloot wordt tijdens een luchtgevecht neergehaald en keert na zijn dood als engelbewaarder terug om zijn liefje te troosten. Zijn tweede opdracht bestaat erin een jonge piloot geestelijk te begeleiden. Geen wonder dat dit thema van de “eeuwige liefde” die alle rampspoed overleeft succes had midden in de Tweede Wereldoorlog!
De film van Steven Spielberg was relatief gezien zeker niet zo’n groot succes als het “origineel”. Of waren de mensen anno 1990 misschien gewoon minder romantisch geworden?
Als Spielberg, zoals bij “Always”, zelf nog de touwtjes in handen heeft, valt het overigens nog wel mee met die sentimentaliteit (ook door de vertolkingen van Holly Hunter, John Goodman en Audrey Hepburn), maar als hij iemand anders de vrije hand geeft, zoals scenarist Gary David Goldberg, die zelf ook “Dad” mag regisseren, dan loopt het wel fout. Ook al portretteert ook hier Jack Lemmon goed de oude vader die wegens kanker nog slechts enkele maanden te leven heeft. Zijn zoon is echter Ted Danson en dan weet je het wel, zeker?
Spielberg zelf ontfermt zich over “Hook”, de zoveelste Peter Pan-bewerking, maar in de bewerking van Spielberg (en de vertolking van Robin Williams) wordt dit psychologisch toch wel heel goed “geduid”, toch viel de film bij de Oscars alweer in de kategorie “troostprijzen”. Je weet wel, beste make-up, beste “special effects”, mooiste kostumes enzovoort. Kortom, een boel onzin om aan geflopte superproducties toch nog een beetje glans te geven.
DE ZOMER VAN DE GROENE DINOSAURUS
In de zomer van 1974 werden we reeds volop warm gemaakt voor een film die inderdaad “De zomer van de witte haai” heette, maar die pas in de winter werd uitgebracht. Hier in België neemt men, in tegenstelling tot de Verenigde Staten, immers niet het risico dat de trek naar de zon geheide kaskrakers toch voor halflege zalen zou doen lopen. Daarom stond ook in 1993 de zomer in het teken van een film die pas op 20 oktober in de zalen was te zien: “Jurassic Park”, een film niet over haaien, maar over dinosaurussen. De maker van beide films? Uiteraard Steven Spielberg, de ongeëvenaarde meester van de actiefilm.
Ten tijde van “Jaws”, zoals de originele titel luidde, was Steven Spielberg echter slechts gekend in het kleine kringetje van cinefielen. Die konden deze talentrijke knaap, die tot dan toe vooral voor de Amerikaanse televisie had gewerkt situeren binnen de generatie George Lucas, Martin Scorsese en Francis Ford Coppola. Het grote publiek zou hem echter pas met deze haaienfilm leren kennen. De drie Indiana Jones-films en, vooral, “E.T.” zouden immers pas later volgen.
Sedert deze vier enorme kaskrakers was de ster van Spielberg echter wat beginnen tanen. Zijn meer “volwassen” films “The color purple” en “Empire of the sun” waren ondanks prachtige fotografie geen geweldige successen, maar vooral zijn vorige “come-back” met “Hook” was een mislukking. Spielberg moest en zou dus keihard terugslaan. En dat deed hij ook. Zowel in de Verenigde Staten als bij ons liepen de zalen vol voor “Jurassic Park” waarin hij zowaar dinosaurussen tot leven wekt. Enfin, niet zozeer hij, maar wel Michael Lantieri, die ook al uitstekend werk had verricht in “Death becomes her”, “Dracula” en de “Back to the future”-films.
Het scenario is gebaseerd op een boek van Michael Crichton, maar de filmliefhebber leeft natuurlijk niet van trukages alleen, daarom is het jammer dat de aanwezigheid van Jeff Goldblum, Laura Dern, Sam Neill en Richard Attenborough geen borg staat voor spetterend acteertalent. Dat mag de pret echter niet drukken: de dino’s acteren des te beter. Alhoewel een deel van de intrige iets met voortplanting te maken heeft, zien we de lieve diertjes echter niet copuleren op het scherm (dàt zou nochtans nog eens iets geweest zijn!), want Spielberg neemt zijn bijnaam van “Disney of the nineties” toch wel erg letterlijk (cfr. ook de vrij nutteloze inbreng van twee kinderen; hij heeft trouwens zelf al zes kinderen: één bij Amy Irving en vijf bij Kate Capshaw!).
Grapje natuurlijk, net zoals de pornomannetjes die een film wilden draaien met als titel “Jurassex Park”. Dat mocht echter niet van mijnheer Spielberg (evenmin als de collega’s van het Vlaamse filmblad “Teek” die onder die titel twee copulerende dino’s op hun titelblad brachten) omdat hij beweerde het eigendomsrecht te hebben op de benaming “Jurassic”. Wat een geërgerde lezer van “La Libre Belgique” (Philippe Moins) terecht deed opmerken: “Laat vlug uw copyright vastleggen op de woorden ‘pleistoceen’ en ‘postnucleair’ nu ze nog vrij zijn!”
“Jurassic” is inderdaad gewoon een wetenschappelijke benaming en Spielberg heeft het gerecht dus toch wel erg ver gekregen dat die term nu zijn “alleenrecht” wordt (***). En zeggen dat zijn vriend George Lucas zeven jaar geleden langs juridische weg niet kon verhinderen dat ene mijnheer Reagan de titel van zijn film “Star wars” pikte om er de financiering van een “ruimteschild” mee rond te krijgen!
SPIELBERGS LIST
1994 was een topjaar voor de film, financieel gezien dan. In de V.S. werd dankzij “Forrest Gump” en “The Lion King” het record van 1989 gebroken (1,3 miljard tickets tegenover 1,26 miljard). De beide films komen al onmiddellijk op de nrs.4 en 5 aller tijden wat verkochte tickets betreft (de top drie was op dat moment: “E.T.”, “Jurassic Park” en “Star Wars”).
In het hoogseizoen van 1995 waren haast alle belangrijke nieuwe films “sequels” zoals “Batman forever”, “Ace Ventura 2” of “Die hard 3”! Richard Donner, de maker van “Lethal Weapon 3”, is tegen sequels en vindt dat zijn film er alvast geen is. Het is een film die op zichzelf kan staan, zegt hij, maar waaraan mensen die de twee andere films hebben gezien gewoon iets meer zullen aan hebben. Maar dat zeggen ze allemaal natuurlijk. Voor mijn part gaat dat argument alleen maar op voor de Indiana Jones- en Star Wars-films, die overigens ook niet op elkaar volgen, zoals het een echte sequel past, want “The temple of doom” gaat qua tijdsperiode vooraf aan “The raiders of the lost arc”.
In ons land was “Schindler’s list” van Steven Spielberg de meest bekeken film, gevolgd door “Forrest Gump”, “Max” en “The Flintstones” (omdat Steven Spielberg nog wat ongebruikte dinosaurussen had liggen na “Jurassic Park”, produceerde hij een speelfilmversie van de tekenfilmserie). Opmerkelijk is wel dat een bioscoopticket in de V.S. toen goedkoper was dan in België (130 fr tegenover 220 fr).
En deze keer had Spielberg goed gegokt: het gros van de oscar-onderscheidingen ging naar hemzelf. Hij had gevoeld dat de tijden rijp waren voor films zoals “In the name of the father”, “Philadelphia” of “Schindler’s list”, die sterk maatschappelijk betrokken zijn én toch een groot succes kennen. Verkiezingsuitslagen zoals die in Italië (Berlusconi) mochten dan niet echt geruststellend zijn, het was toch al eens iets anders dan in de tijd dat het de Rambo’s en de Rocky’s waren die de grote publiekstrekkers waren.
“Schindler’s list” kon uiteindelijk op zeven oscars rekenen, waaronder die voor beste film en (eindelijk!) beste regie, waardoor “The Piano” (toch ook zes nominaties) eigenlijk een beetje een verliezer werd, ondanks het feit dat de zwijgende Winona Ryder en de elfjarige Nieuwzeelandse Anna Paquin, er beiden met de oscar als beste actrice vandoor gingen (resp. voor de hoofdrol en de belangrijkste bijrol) en Jane Campion zelf ook nog een oscar kreeg voor het beste originele script. “Schindler’s list” had enkele weken daarvoor “The Piano” ook al gedwarsboomd bij de uitreiking van de Golden Globes.
Bovendien viel ook “Jurassic Park” nog zeer terecht in de prijzen wat de techniek betreft (klank, klankmontage en visuele effecten). Whoopi Goldberg, die als eerste vrouw de oscars uitreikte (“De studiobazen zijn nu wellicht even nerveus als toen het Heidi Fliess-schandaal uitbarstte”), omschreef de film als “het verhaal over een pretpark waar alles fout gaat”. De werktitel was oorspronkelijk “Euro-Disney”, zei ze en ze voegde eraan toe dat dit tenminste een immobiliën-fiasco was dat nu eens niet aan Hillary (Clinton) kon worden toegeschreven…
Maar het is natuurlijk “Schindler’s list” die de ondertussen reeds 46-jarige Steven Spielberg uiteindelijk de bekroning opleverde, waarop hij al jaren recht had. (Voor “E.T.”, “Raiders of the lost ark” en “Close encounters of a third kind” bleef het uiteindelijk gewoon bij een nominatie.)
“Schindler’s list” is een zwart-wit film van 30 miljoen dollar die op lokatie in Krakau werd opgenomen. De Poolse decorateur Allan Starski (die ook voor “Daens” van Stijn Coninx heeft gewerkt) kreeg er samen met Ewa Braun (!) trouwens een oscar voor. Andere oscars waren er voor cameraman Janusz Kaminski, monteur Michael Kahn en componist John Williams (diens vierde reeds).
Het ook al met een Globe en Oscar bekroonde scenario van Steven Zaillian is gebaseerd op het boek “De ark van Schindler” van Thomas Keneally en vertelt het authentieke verhaal van de Duitse industrieel Oskar (!) Schindler die tijdens de Tweede Wereldoorlog het leven redde van 1.300 joden. Maar dan wel door ze gratis te werk te stellen. Spielberg, die hiermee zijn joodse afkomst wilde beklemtonen, heeft bijgevolg geen “heiligenleven” willen draaien, maar een kritische doorlichting van de man en zijn motieven. M.a.w. de man is niet echt “politically correct”. Hij verrijkt zich o.m. door zwarthandel en heeft wapperende handjes als het vrouwen aangaat. De rollen worden vertolkt door Liam Neeson, Ben Kingsley, Ralph Fiennes en Caroline Goodall.
EEN VERGETEN EPISODE
Daarna draaide Spielberg een vervolg op “Jurassic Park”, “The lost world”, uiteraard eveneens gebaseerd op een boek van Michael Crichton (maar geïnspireerd door het oorspronkelijke werk van Arthur Conan Doyle), en gedraaid in Nieuw-Zeeland. Maar daarna was het weer ernst met “Amistad”, een reconstructie van een slavenopstand en muiterij uit 1839, een vergeten episode uit de historiek van de slavernij, die nochtans een belangrijke schakel zal blijken in de gebeurtenissen die een twintigtal jaar later tot de onvermijdelijke Amerikaanse Burgeroorlog (1861‑1865) zouden leiden. De afschaffing van de slavernij vormde weliswaar niet de directe aanleiding tot de mislukte poging van de zuidelijke staten (Confederacy) om zich af te scheiden, zoals vaak wordt verondersteld, die afscheiding heeft immers ook nog andere oorzaken. Maar het Noorden dreigde wel met de afschaffing van de slavernij als het Zuiden zich niet opnieuw bij de Verenigde Staten zou voegen. Aangezien zij het been stijf hielden, hield ook president Lincoln (helemaal geen voorstander van rassengelijkheid, verre van!) woord.
De feiten. Op weg naar Havana maken opstandige slaven zich meester van de Spaanse schoener die ‑ potsierlijk ‑ de naam “La Amistad” (De Vriendschap) draagt en Afrikaanse slaven naar de VS wil brengen. De zwarten maken iedereen af, op twee Spaanse bemanningsleden na die hen onder dwang naar hun thuisland in Afrika moeten navigeren. Met een list worden ze echter noordwaarts naar de Amerikaanse wateren geloodst. Voor de kust van Connecticut worden ze door de Amerikaanse zeemacht onderschept, in New England gevangengezet en voor de rechter gesleept. Daar begint een ingewikkeld juridisch en politiek touwtrekken dat bijna tot een constitutionele crisis leidt.
De abolitionisten, voorvechters van de afschaffing van de slavernij, trekken zich het lot van de gevangenen aan en huren een advocaat in, gespecialiseerd in onroerend goed, om de van moord beschuldigde Afrikanen te verdedigen. De vraag die het gerechtshof bezighoudt: werden de betichten geboren als slaven ‑ op een plantage in West‑Indië ‑ of werden ze integendeel geboren als vrije mannen in Afrika?
Onder druk van de Spaanse koningin (toen nog een klein meisje, in de film vertolkt door Ana Paquin uit “The Piano”), die de slaven als haar privé‑bezit beschouwt, werpt ook de opportunistische president Martin Van Buren zich in de strijd. Hij is vooral bekommerd om zijn herverkiezing en wil dus zeker de zuidelijke staten niet voor het hoofd stoten.
Uiteindelijk wordt de zaak voor het Hooggerechtshof gebracht waar rebellenleider Cinque verdedigd wordt door een gewezen president, John Quincy Adams. De nasleep van de muiterij evolueert tot een gigantische juridische strijd rond de centrale en explosieve vraag: kan slavernij aanvaard worden in een natie gegrondvest op het beginsel dat alle mensen gelijk geschapen zijn?
EEN PIJNLIJKE CONFRONTATIE
Pogingen om van deze complexe historische kwestie een film te maken, verliepen niet rimpelloos. Debbie Allen, de gewezen actrice‑choreografe die uiteindelijk met haar project naar Spielberg ging, deed er twintig jaar over om haar film over de Amistad‑muiterij geproduceerd te krijgen. Maar ook andere filmmakers worstelden tevergeefs om een aanverwant “Amistad”‑project van de grond te krijgen, onder meer muziekproducer Quincy Jones; de Canadese regisseur Jean‑Jacques Annaud; Dustin Hoffman samen met bevriend cineast Barry Levinson; en last but not least Alex Haley, de auteur van “Roots”, de anno 1977 erg schokkende tv‑serie over de Amerikaanse slavernij.
Wie “Amistad” ziet, begrijpt zeker waarom een verfilming niet van een leien dakje liep. Het gaat niet alleen om het feit dat Amerikanen een pijnlijke confrontatie met zichzelf het liefst willen vermijden. Dit stuk geschiedenis op het doek borstelen, stelde ook allerlei dramatische problemen.
De maker van “Jurassic Park” begint zijn slavernijfilm even brutaal als spookachtig tijdens een stormachtige nacht op zee. De bloedige opstand van de Afrikanen wordt gedurfd gestileerd tot een furieus montagescherzo. We zijn nauwelijks zeker van de slachting die we denken te zien, maar onze aandacht is meteen getrokken. Na deze sterk cinematografische ouverture krijgen we hoofdzakelijk een laborieus courtroom drama, een film die nu eens al te schoolmeesterachtig is, dan weer aardig een loopje met de geschiedenis neemt die vooral veel verbale schermutselingen oplevert, af en toe doorbroken door indringende beeldenreeksen. Het is allemaal erg nobel, lang niet altijd opwindend en meeslepend.
Een van de problemen heeft met de taal te maken. Want de “Amistad”‑slaven worden ook door hun Sierra Leone dialect afgesneden van de rest van de actie. Hun charismatische leider, de vijfentwintigjarige rijstboer Cinque, krijgt wel een eigen identiteit, de rest van de slaven krijgt nauwelijks een gezicht of een stem.
In een stuk in de New Yorker vroeg de schrijver van historische romans Gore Vidal (hij werkte een tijdlang aan het scenario voor de versie van Annaud) zich ook al af hoe Spielberg het taalprobleem zou oplossen. De wonderboy uit Hollywood heeft het volgens sommigen niet klaargespeeld. Het mag dan nog allemaal erg realistisch zijn, het duurt verdomd lang vooraleer de blanken beseffen dat de zwarten hen gewoon niet begrijpen. De pogingen van advocaat Roger Baldwin om met de slaven te communiceren, lijken eindeloos.
EEN IDENTIFICATIEPROBLEEM
Het grootste probleem is er echter een van identificatie ‑ een cruciaal gegeven bij een grote publieksfilm, waarvan het toch de bedoeling is dat we ons emotioneel betrokken voelen bij het onderwerp. Bondig samengevat: “Amistad” beschikt jammer genoeg over geen Oskar Schindler. Spielberg schuift hier geen centraal personage naar voren die ons door het vrij labyrintische, historische steekspel kan loodsen.
We springen van de ene persoon naar de andere, zonder dat er ook maar iemand echt wordt uitgediept, iets wat zeker niet wordt goedgemaakt door de ongelijke vertolkingen. De slaven staan versteld als ze hun advocaat te zien krijgen, en als we de irritant nonchalante vertolking zien van omhooggevallen matinee‑idool Matthew McConaughey, begrijpen we hun reactie maar al te best.
Als naar gewoonte is Morgan Freeman een rots van integriteit, maar veel vangt Spielberg niet aan met zijn personage van woordvoerder van de abolitionisten. Zoals zovele figuren in “Amistad” is hij vooral een historisch klankbord voor het ene of andere standpunt in het conflict; hij heeft zelfs een blanke wederhelft in de persoon van Stellan Skarsgard (uit “Breaking the Waves”).
Dat is niet anders voor Anthony Hopkins als John Quincy Adams. Spielberg portretteert de gewezen president als een wijze oude knorpot die toegewijd zijn kamerplanten verzorgt, en Hopkins doet er nog een aardig schepje bovenop.
In een van die rare dramatische sprongen in een film die soms lijkt stil te vallen, verdwijnt Hopkins plotseling uit het verhaal om dan weer op te dagen voor het tweede proces. De scène waarin Adams de zwarte zaak bij het Hooggerechtshof bepleit, is het retorisch hoogtepunt van de film: de onvolmaaktheid van de “Declaration of Independence” staat ter discussie. De geschiedenisles ligt er vingerdik op. “We have come to understand that who we are is who we were”, zegt Adams, terwijl we op de achtergrond een buste zien van zijn vader John Adams, ook een president.
Hopkins, met de vochtige oogopslag van de eerbiedige grijsaard die zopas het Licht heeft gezien, heeft er een vette kluif aan, maar Spielberg zelf heeft kennelijk geen vertrouwen in de kracht van de scène: de impact van dit oratorisch hoogstandje wordt gestaag ondermijnd door de gesmoorde trompetmuziek van John Williams, een nadrukkelijk patriottisch accentje dat we hier rustig konden missen.
Alhoewel hij relatief weinig tijd op het doek te zien is, domineert gewezen fotomodel Djimon Hounsou de film. Tussen al die gelauwerde sterren maakt deze quasi‑debutant nog het meest indruk. Niet alleen straalt hij grote kracht en waardigheid uit tijdens de vernederende calvarie van Cinque, hij overheerst ook met zijn visuele présence de actie, zelfs al blijkt ook zijn personage zwakjes uitgewerkt.
En in de langzame toenadering en groeiende zielsverwantschap tussen Cinque en Adams ‑ tegenpolen die elkaar op zeker ogenblik gaan raken ‑ vindt de wat naieve maar oprechte verzoenende boodschap die de film uitdraagt zijn mooiste expressie.
Cinque is de figuur om wie alles draait, al lijkt de film dat zelf meermaals te vergeten. Vandaar ook het verwijt dat Spielberg te slikken kreeg: hij bestond het een film te maken over de slavernij waarin uiteindelijk het Amerikaanse rechtssysteem als grote held tevoorschijn komt.
ALS BALLAST OVERBOORD
In interviews beweert Spielberg zelf dat “Amistad” minder een film is over slavernij dan over de Afrikanen die hopeloos wegzinken in het moeras van het Amerikaanse rechtssysteem. Wat meteen ook de zwakte aangeeft van een film die pas echt tot leven komt in de centrale flashbacks.
Daarin voelen we eindelijk wat het moet betekend hebben om tot slaaf gemaakt te worden. Spielberg toont die ervaring vanuit het standpunt van de slachtoffers ‑ en niet vanuit de blanken met een zuiver geweten.
We vangen een glimp op van Cinque in zijn vreedzaam dorp; terwijl vrouw en kind nietsvermoedend van hem wegwandelen, wordt hij ‑ door een vijandige zwarte stam ‑ in een val gelokt en ontvoerd om als koopwaar naar de andere kant van de wereld gestuurd te worden.
Dit wordt gevolgd door de meest schokkende taferelen van “Amistad”, waar Spielberg niet langer verlamd is door de verplichte didactiek van het rechtbankdrama, maar nog eens laat zien waar hij werkelijk toe in staat is wanneer hij zijn puur visueel kunstenaarschap de vrije hand laat.
In een genadeloze montage krijgen we een forse samenvatting van de jacht op de slaven; hun opsluiting in een slavenfort aan de kust van Sierra Leone waar ze als vee worden verhandeld; de Atlantische overtocht aan boord van een illegaal Portugees slavenschip; de onthutsende verschrikkingen in het ruim.
De beelden waarin ze, vastgemaakt aan lange kettingen, als ballast overboord worden gegooid omdat er te weinig voedsel is, zijn voor “Amistad” wat de scènes in Auschwitz waren in “Schindler’s List”. Echo’s die wel zeer duidelijk maken dat Spielberg hiermee de zwarte holocaust heeft verbeeld ‑ iets wat hem door veel historici niet in dank werd afgenomen. Zodra de prent in de bioscoop kwam, waren heuse experten en alwetende columnisten er als de kippen bij om Spielberg allerlei historische onjuistheden aan te wrijven. De kern van de film is immers zoals gezegd de onuitgesproken band tussen Cinque en John Quincy Adams, terwijl de twee mannen elkaar in de werkelijkheid nooit hebben ontmoet. Voor mijn part mocht Spielberg zich echter wel meer dergelijke dichterlijke vrijheden gepermitteerd hebben…
De ironie is dat ook de film zelf even het voorwerp uitmaakte van een dispuut. Barbara Chase‑Riboud, een zwarte schrijfster van historische romans, beschuldigde de filmers in onomwonden termen van plagiaat. De scenaristen van “Amistad” (officieel David Franzoni, maar ook Steven Zaillian) zouden al te veel elementen ontleend hebben aan “Echo of Lions”, haar niet langer voorradig boek uit 1989 over de Amistad‑revolte. Haar toenmalige prominente uitgever bij Doubleday, Jacqueline Kennedy Onassis, had haar manuscript zelfs met een warme aanbeveling naar Amblin Entertainment gestuurd, de productiemaatschappij van Spielberg (****).
De filmmakers en de schrijfster stonden met getrokken messen tegenover elkaar. Het doorslaggevend argument van Spielberg was dat de geschiedenis toch van iedereen is (maar de wetenschap niet klaarblijkelijk, denk aan het copyright op “Jurassic”).
DE POT VERWIJT DE KETEL
Voor “DreamWorks”, de nieuwe studio van Spielberg, Jeffrey Katzenberg en David Geffen kwam de hele hetze bijzonder ongelegen: “Amistad” moest als eerste prestigefilm van het jonge bedrijf (na de valse start met “The Peacemaker”) ook het visitekaartje worden van deze nieuwe major player in Hollywood. De Amerikaanse pers stortte zich gretig op het schandaal waar zoveel machtige figuren uit Tinseltown bij betrokken waren. “Steven Stealberg?” blokletterde “Time”.
Journalisten van Entertainment Weekly probeerden de ingewikkelde ontstaansgeschiedenis van de film ‑ en wie daarbij precies van wie zou hebben gejat ‑ te doorgronden. Geen makkie, want ze kwamen tot de slotsom dat de aanklaagster misschien op haar beurt al leentjebuur had gespeeld. Waarschijnlijk daarom heeft de schrijfster inmiddels haar aanklacht ingetrokken.
De storm rond de origine van “Amistad” was nog niet geluwd, of er stak al een ander plagiaatschandaal de kop op. Deze keer ging het om de Spielberg productie “Twister” (regie: Jan De Bont), waarin de helden jacht maken op tornado’s die Oklahoma teisteren. Het scenario werd geschreven door succesauteur Michael Crichton die zich uitsluitend zou hebben gebaseerd op een documentaire van het Amerikaanse tv‑station PBS. Maar een obscure documentaire filmer uit Saint Louis beweerde dat het script van deze superproductie afgeschreven is van zijn project “Catch the Wind” dat hij schreef in 1990 en tevergeefs probeerde te slijten aan Amblin, en later aan Warner en Universal (die laatste twee studio’s produceerden gezamenlijk “Twister”). Inmiddels is Spielberg ook in het “Twister”‑dossier al volledig witgewassen (*****).
“Amistad” werd gevolgd door “Saving Private Ryan”, waarin een soldaat op hoger bevel dient te worden gerepatrieerd omdat zijn drie broers reeds waren omgekomen (één van hen op het strand van Omaha Beach zelf, bij de ontscheping in Normandië, waarmee de film begint). Het script van Robert Rodat is gebaseerd op een waar gebeurd feit, wordt gezegd, maar als de Nederlander Armand Blau gelijk heeft, dan klopt dat toch niet helemaal. Hij heeft immers een boek geschreven over de dood van de drie broers Tester, waardoor de vierde, Carroll Tester, van militaire dienst werd vrijgesteld. Maar hij diende dus niet van het slagveld te worden teruggehaald.
Waaraan in de film wél wordt gerefereerd is aan de dood van de vijf broers Sullivan (ook uit Iowa, net als Ryan) die in 1942 alle vijf waren omgekomen bij de ontscheping in Guadalcanal. Niet alleen dienen ze als voorbeeld voor generaal Marshall (die van het latere plan, jawel) om het bij de Ryans niet zo ver te laten komen, het is bovendien ook de reden waarom de Ryans in vier verschillende compagnies waren onderverdeeld (namelijk om de kans op een gezamenlijke afslachting te verkleinen). In de versie die ik heb gezien (op Canal+) “vergeet” de vertaler dit voorval met de Sullivans zelfs te vertalen, maar Hollywood is toch iets minder “vergeetachtig” geweest. Ook hùn verhaal is immers verfilmd in “The Fighting Sullivans”, nog gedraaid in 1944 en dus helemaal heroïsch van opzet, totaal het tegenovergestelde van wat Spielberg beoogt.
EARN IT
Veel is ook te doen om de slotwoorden van Tom Hanks als captain Miller, het hoofd van de “rescuing party”, tot Matt Damon als private (soldaat) Ryan: “Earn it.” Sommige commentatoren blijken zelfs helemaal niet te begrijpen wat hiermee bedoeld wordt. Nochtans is dàt vrij duidelijk: een beetje daarvóór in de film heeft Hanks reeds de hoop uitgesproken dat Ryan later een of andere ophefmakende wetenschappelijke ontdekking zou doen die de hele mensheid ten goede zou komen. Op die manier zou immers het absurde van de situatie (acht man die hun leven op het spel zetten om één persoon te redden) worden opgeheven.
En daarom is de larmoyante slotscène toch van belang. De oud geworden Ryan kan immers aan het graf van Miller tegenover zijn vrouw (overigens vertolkt door Kathleen Byron, de Britse ster uit “Black Narcissus”, “al wist Spielberg dat wellicht niet eens,” aldus de dame in The Observer van 13/9/1998) enkel vaststellen dat hij “als een goed mens” heeft geleefd. Maar is dat wel voldoende? Dat is een vraag die we ons allemaal moeten stellen.
WAT IN DE LADE BLEEF LIGGEN
Een aantal plannen uit het begin van de jaren negentig waren ondertussen nog altijd niet uitgewerkt. Met “Deep Impact” zou Spielberg eigenlijk een soort van remake van “When worlds collide” (naar “Hammer of God” van Arthur C.Clarke) produceren. Hierin wordt ook nog eens bewezen dat SF wel duidelijk een relevante functie voor het heden kan hebben. Het verhaal van Clarke speelt zich immers af in de 21ste eeuw en daarin verkondigt de paus dat zijn voorgangers zich i.v.m. hun standpunt over contraceptiva evenzeer hebben vergist als hùn voorgangers i.v.m. Galilei. Benieuwd of Spielberg deze passage zal behouden, als de film er überhaupt ooit komt.
Steven Spielberg zou ook de succes-musical van Andrew Lloyd Webber “Cats” verfilmen met de technieken die voor “Jurassic Park” werden op punt gesteld. Hij hoopt ze te kunnen aanwenden om echte katten te laten “acteren”.
En tenslotte zou Spielberg ook meedoen aan de huidige “rage” om Europese (vooral Franse) films te “veramerikaniseren”. Met “Cross my heart” zou hij immers een remake brengen van “Fracture de myocarde”, een film van Jacques Fansten uit 1990 waarin kinderen de dood van de moeder van één van hen voor de buitenwereld verborgen houden. Een even ontroerende als grappige “rites of passage”-film die Spielberg uitstekend moet liggen, zou men kunnen denken, maar dan zijn er toch een aantal problemen: de meeste van die Franse jongeren zijn ongelovig, ze springen ook nogal vrij om met seksualiteit en… er is geen happy end! En na “Philadelphia” kan Spielberg zich wel gelukkig prijzen dat er in dit verhaal ook een “politiek correcte” homo voorkomt…
In plaats van dat alles kwam er echter “A.I., Artificial Intelligence” (2001) al is er mij niet veel van bijgebleven. Idem in 2002 voor “Minority Report” en “Catch me if you can”. Nochtans vinden we in deze laatste film namen terug als die van Leonardo DiCaprio, Tom Hanks, Christopher Walken, Martin Sheen en Nathalie Baye. Het verhaal speelt zich af in de jaren zestig en gaat over Frank Abagnale jr., een van de meest gezocht misdadigers aller tijden. Volgens Humo zit de rol van de jonge, charismatische zwendelaar Abagnale voor DiCaprio als gegoten en slaat ook Steven Spielberg een luchtiger toon aan dan we van hem gewoon zijn. Vooral de muziek van de onvermijdelijke John Williams klinkt niet zo pompeus als gewoonlijk, maar swingend à la Henry Mancini.
Doorgaans hou ik dus echter wel van Spielberg, ik ben zelfs een paar decennia een regelrechte fan geweest, maar “The Terminal” uit 2004 viel mij toch zwaar tegen. Ik heb er geen bezwaar tegen dat het reëel gebeurde feit van een immigrant die niet verder dan de luchthaven geraakte en daar dus jarenlang diende te verblijven een beetje “opgeleukt” wordt (anders zou het al vlug een larmoyante historie worden), maar de humor in deze film was toch wel heel erg ongeïnspireerd. Het enige leuke wat ik er uiteindelijk aan overhoud, is dat ik nu weet dat de pompeuze klanken waarmee de rubriek “Europa vraagt” in “Man bijt hond” wordt geopend eigenlijk het “volkslied” van Krakhozia is. En dus van de hand van John Williams.
ANTI E.T.-FILM
In 2005 volgt “War of the Worlds” door iedereen als “anti-E.T.”-film gebrandmerkt. Het is immers “obvious”: tegenover de vriendelijke extraterrestrial staat er nu de meedogenloze vernietiging door de Marsbewoners die miljoenen jaren reeds voorzien hadden dat onze planeet een uitwijkmogelijkheid zou zijn als hun eigen planeet onleefbaar was geworden. Buiten het feit dat Spielberg de referentie naar Mars achterwege laat en de plaats van het gebeuren verlegt van Groot-Brittannië naar de Verenigde Staten, blijft hij toch tamelijk getrouw het boek van H.G.Wells volgen, tenminste als mijn geheugen mij niet in de steek laat, want het is al een paar decennia geleden dat ik dit boek heb gelezen.
Daarnaast vind ik persoonlijk “War of the Worlds” ook nog een “anti-E.T.”-film op een ander vlak. Waar in “E.T.” de vaderfiguur van het ontwrichte gezin afwezig is en E.T. als dusdanig een beetje orde op zaken stelt, daar draait het in “War of the Worlds” volledig om “mislukte” vader Ray Ferrier, rol gespeeld door Tom Cruise. Humo stelt op z’n eigen lapidaire wijze: “De indrukwekkende apocalyptische taferelen zijn geloofwaardiger dan Tom Cruise als dokwerker” en ik moet toegeven dat ik ook nog weinig sympathie kan opbrengen voor de kleine opdonder van de Scientology-sekte, maar los daarvan wil ik me nu even concentreren op die vaderfiguur als zodanig. Wat is dat trouwens toch met Spielberg en die vader-obsessie. Alhoewel hij in “The Simpsons” ergens wordt opgevoerd als de Mexicaanse regisseur “Steven Spielbergo” heb ik soms de indruk dat hij zowaar model heeft gestaan voor de joodse anti-clown Krusty met zijn vadercomplex!
Enfin, in “War of the Worlds” slaagt Cruise er dus in zijn gezin door een reeks cataclysmen te sleuren, waarbij hij op het einde zelfs zijn puberende zoon Robbie (Justin Chatwin, die wel een kop groter is dan hem) weervindt op een even ongeloofwaardige wijze als hij uit het verhaal was verdwenen (hij wou samen met het leger de invasie gaan bevechten!). Hoeft het nog gezegd dat ze elkaar huilend in de armen sluiten? Meer zelfs, hij vindt Robbie terug bij zijn ex-vrouw Rachel (Dakota Fanning) aan wie hij hun dochter Mary Ann (Miranda Otto) veilig kan overhandigen en als bij wonder is er geen sprake meer van de nieuwe echtgenoot (David Allen Basche). Die werd zeker door de marsmannetjes ontvoerd “to be probed in the arse”, zoals dat bij The Simpsons altijd het geval is!
PLAT ANTICOMMUNISME
De meningen waren dan ook verdeeld, maar lang werd er niet bij stilgestaan want de film werd tamelijk vlug in de schaduw gesteld door “Munich”, een film die vertrekt van het verhaal dat ook door Marcel Rosca op deze blog wordt verteld, maar dan vérder gaat. Na de aanslag op de elf Israëlische atleten tijdens de Olympische Spelen in München, geeft premier Golda Meir de Mossad (de Israëlische geheime dienst) immers de opdracht de Palestijnse daders op te sporen en om te brengen. Alhoewel Spielberg zelf een jood is, slaagt hij er toch in dit gegeven zonder vooroordelen te verfilmen (wat hem natuurlijk door beide partijen werd kwalijk genomen). Uiteraard veroordeelt Spielberg wel de terreurdaad op zich, maar hij laat ook zien dat geweld steeds nieuw geweld uitlokt. En dat is een duidelijke aanklacht tegen de “oog om oog, tand om tand”-politiek van de Israëlische regering.
Spielberg heeft ook altijd al een Kuifje-verhaal willen verfilmen, maar de erven van Hergé lagen lange tijd dwars (lees: ze probeerden meer geld uit de brand te slepen dan Spielberg bereid was te betalen) en zo heeft Spielberg zich eerst afgereageerd in “The kingdom of the crystal skull”, de vierde film in de Indiana Jones-reeks, die in 2008 uit kwam en die toch wel heel opmerkelijke Kuifje-trekjes vertoont. Dat is dan vooral in de persoon van Shia LaBeouf, die de zoon speelt van Indiana Jones, omdat Sean Connery weigerde om nog eens als vader op te draven en men er per se de vader-zoon-relatie in wou.
Dat het zo lang heeft geduurd vooraleer deze film tot stand kwam, is vooral te wijten aan het feit dat ook hoofdvertolker Harrison Ford zichzelf (terecht) te oud vond om nog in het pak van Indiana Jones te kruipen. De oplossing was simpel als pompwater: ook de intrige werd naar twintig jaar later verplaatst. We zitten dan in 1957 en er zijn geen nazi’s meer om tegen te vechten (althans dat denkt een lichtgelovige jood als Spielberg). Dus wie zijn nu de nieuwe vijanden van Indiana Jones? De communisten natuurlijk! Ik had het kunnen denken. Alhoewel Spielberg zich wel zal verdedigen met aan te voeren dat er ook knipogen inzitten naar de periode van het McCarthisme, toch is dit ongeveer het platste anticommunisme dat ik ooit heb gezien (******).
Bijgevolg kan ik er alvast mee akkoord gaan dat hij in februari 2009 de “Golden Raspberrie” kreeg in de categorie “slechtste sequel”. Er zitten immers zelfs fouten in die een beginneling niet zou mogen maken. Zo begint de film met Elvis Presley’s “Hound dog” (om meteen de tijdsperiode te situeren), waarbij tieners de eerste wagen van een militair convooi (later zal blijken dat het vermomde Russen zijn) aansporen om met hen te racen. De chauffeur gaat daarop in, maar wanneer hij rechtsaf moet slaan (terwijl de tieners rechtdoor moeten) blijkt heel dat convooi nog achter hem te hangen. Dus ook die vrachtwagens en zo waren dus in staat een sportwagen te volgen!
In 2011 kwam de Kuifje-film er dan toch (“The secret of the unicorn”) maar dan wel als animatiefilm, dus alhoewel het briljant was gedaan, was de film nogal afstandelijk wat emoties betreft, toch naar Spielberg-normen. Daarom reageerde hij nog hetzelfde jaar met een regelrechte smartlap, het genre dat hij het best beheerst: in “War horse” volgen we de avonturen van een paard (Joey) en zijn jonge africhter (Albert). Als het paard wordt opgeëist voor de Eerste Wereldoorlog en het o.a. in Geluveld en Menen moet gaan “vechten”, is Albert nog te jong om als vrijwilliger dienst te nemen, maar op het einde van de oorlog (en van de film) wordt hij op een welhaast miraculeuze manier met zijn lieveling herenigd op een wijze die geen enkele zakdoek droog houdt. Toch mogen we ons niet door onze tranen laten verblinden om te zien dat Spielberg hier af en toe toch wel ontzettend in de fout gaat. Zo spreken ook de Fransen en de Duitsers Engels in de film, zij het dan “natuurlijk” met een accent. Gruwelijk om te aanhoren. Een gebruik dat men na de Tweede Wereldoorlog nog door de vingers kon zien in Hollywood-producties, maar dat ondertussen toch totààl achterhaald is! Zelfs “In Vlaamse velden” was op dat vlak veel beter…
TERRA NOVA? TERRA COGNITA!
Meanwhile I’m still a sucker for dinosaurs of course. En daarom liet ik eind 2011 “Red Sonja” verder ronddwalen in haar virtuele realiteit om op een reclamezender “Terra nova” te gaan bekijken. Na een veel te lange inleiding à la “Brazil” van Terry Gilliams bleek zowaar een time gate een rol te spelen zodat mijn belangstelling nog werd aangescherpt. Maar helaas op beide vlakken werd ik serieus teleurgesteld. Het parallelle universum werd uiterst clichématig benaderd en de dino’s waren in het donker amper te zien (dan moet men er ook niet zoveel moeite voor doen uiteraard en kunnen heel wat kosten worden uitgespaard). Wat we vooral te zien kregen was nogmaals het bewijs dat Steven Spielberg nu helemaal de Walt Disney van de 21ste eeuw is geworden, inclusief de tranerige sentimentaliteit, de Hollywoodiaanse hypocrisie en de rigoureuze zwart-wit-psychologie, die geen enkele ruimte laat voor verrassende wendingen of een gelaagd plot. Kortom, ’t is meer voor Ketnet dan voor een volwassen zender. Ga ik nog verder kijken? Ik weet het niet. “Red Sonja” is nu ook weer niet dàt (tenzij voor de Sien Eggers-fans waar ik zeker niet toe behoor). Als komedie zou ik het kunnen samenvatten als: wat “Kiekens” te veel heeft, heeft “Red Sonja” te weinig. Maar hiermee zijn we wel erg ver van Steven Spielberg afgedwaald. Tenzij misschien dan de vaststelling dat ook hij weinig bakt van komedies…

Referentie
Ronny De Schepper, De zomer van de witte dinosaurus, Steps magazine juni 1993

(*) E.T. zegt dit heel expliciet op het einde, maar de manier waarop het zinnetje (eigenlijk een misverstand) tot stand komt is veel grappiger: hij kijkt namelijk naar de televisie (Sesame Street) en daarin moet een kindje de letter “B” leren. Wanneer ze het juist heeft, zegt men: “Good!” Een dronken E.T. voegt die twee dan gewoon samen tot “be good”. Eigenlijk is het te vergelijken met het rock’n’rollnummer van Chuck Berry dat over ene Johnny B.Goode gaat (waarmee hij zichzelf overigens bedoelde), maar waarvan iedereen denkt dat het betekent: “Johnny, be good!”
(**) De tekst over “E.T.” was oorspronkelijk niet van mij, al heb ik er wel zóveel aan veranderd, dat hij ook niet meer van de vroegere auteur is. Wie dat dan wel was, weet ik helaas niet meer, maar als ik een gok mag wagen dan zou ik de naam Lukas De Vos laten vallen.
(***) Akkoord dat een documentaire serie zoals “The Jurassic Coast” op de BBC (over de Britse kust) met die titel een pak naïeve kijkers hoopt binnen te rijven, maar “grammaticaal” of “wetenschappelijk” is het volkomen juist: die kustlijn is tot stand gekomen in “the Jurassic period”.
(****) “Amblin’” is een televisiefilm die Spielberg in 1968 regisseerde.
(*****) Ook de tekst over “Amistad” is niet van mij, maar van wie dan wel: “I haven’t got a clue”! (Patrick Duynslaeger?) Ik zou toch wat voorzichtiger moeten omspringen met die dingen.
(******) Alhoewel het met die communisten nog wel meevalt. Als Indiana Jones met zijn vroeger liefje (de moeder van zijn zoon dus) zit te kissebissen, komt één van hen ertussen met de uitroep “for love of God”…

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s