Pieter Wispelwey in de jury van de Elisabethwedstrijd…

De grootste verrassing in de jury van de eerste Elisabethwedstrijd voor cello vind ik de aanwezigheid van de Nederlandse cellist Pieter Wispelwey. Dat een aanhanger van de historische uitvoeringspraktijk deel uitmaakt van de jury is op zich al speciaal (al is ook Roel Dieltiens jurylid), maar Pieter heeft zelfs binnen die doelgroep nog “iets speciaals”, vind ik. Daarom vroeg ik me af of hij soms “sold out” zoals men dan in Amerika zegt. Maar toen ik hem op televisie in zijn T-shirtje zag zitten, wist ik dat het nog altijd dezelfde sympathieke kerel was, zoals ik hem destijds heb gekend. Een beetje grijzer natuurlijk, maar ja, wie niet?

Zelf heb ik Pieter Wispelwey vaak aan het werk gezien en gehoord, maar het merkwaardigste concert was die keer toen hij in het kader van het Festival van Vlaanderen één van de Bach-suites kwam spelen in een kerk in Brugge. Wie dacht dat we hiermee in de buurt van de esoterische interpretatie van Rostropovitsj zouden komen, die zal wel gauw tot andere inzichten komen als-ie weet dat Pieter een kwartier voor de aanvang nog pinten stond te hijsen in het café ernaast…
Pieter Wispelwey werd geboren op 25/9/1962 in Haarlem. Op vier jaar begon hij met piano en toen hij acht was, kreeg hij zijn eerste cello-lessen van mevr.Dickie Boeke, maar op dat moment is hij veel meer geïnteresseerd in zang, meer bepaald verzamelt hij alle platen van Dietrich Fischer-Dieskau. Op de vraag of hij uit een muzikale familie komt, antwoordt hij in “Muziekkabinet” met een onthutsende vanzelfsprekendheid: “Niet echt, er werd voor de lol wel eens strijkkwartet gespeeld, maar dat was het dan.” Op 14-jarige leeftijd hoort hij Anner Bylsma de Bach-suites vertolken en daar is hij zo van onder de indruk dat hij op het Sweelinck Conservatorium bij Anner Bylsma wil gaan studeren.
Het vierde jaar liep het echter spaak tussen beiden en Bylsma vond dat hij maar eens moest opstappen. Jazeker, dacht Wispelwey, maar niet zonder mijn diploma. Hij deed vervroegd examen en slààgde. En dat ondanks een meningsverschil met de jury over de prelude van de derde suite van Bach. Wispelwey vond dat het “presto” dat er stond, wel iets weg mocht hebben van een TGV, aangezien Bach toen nog maar een dertiger was, die in een driftbui zelfs bijna iemand had neergestoken. Ook Pieter zelf is geen doetje: op het gymnasium kon hij zich b.v. verdedigen tegen het “nerd”-imago door goed te zijn in… sport.
Het zal wellicht ook in die tijd geweest zijn dat hij ook vaak jazz speelde. Op versterkte cello! Zo o.m. “God bless the child” met big band. Ook nu nog voelt hij zich “als een rockmusicus” als hij Vivaldi speelt: “Recht voor zijn raap, fris van de lever, heel expressief, heel persoonlijk. Maar mét een flinke dosis esthetiek en stijlgevoel,” voegt hij er onmiddellijk aan toe, want: “Met de gemiddelde rockmuziek heb ik dan weer helemaal niets. Puberale verveling vind ik dat. En veel te hard.”
Hij weigert dan ook aan “crossover” te doen, ook al probeerde Philips hem daartoe te “chanteren”: als hij met Elvis Costello of Björk zou samenwerken, dan mocht hij Dvorak opnemen. Hij hield voet bij stuk en bracht zijn eerste Dvorak-CD dan ook uit bij Channel Classics (onlangs heeft hij een nieuwe versie opgenomen, maar ik weet niet voor welke platenfirma, ik hou van “mijn” versie en ik ga mij dus ook geen nieuwe aanschaffen). Daarin kan ik hem nog wel volgen, maar niet in zijn liefde voor Wagner en (Richard) Strauss, die toch ook niets met de cello te maken hebben.
Op kosten van de Rotary Foundation ging Pieter na zijn aanvaring met Bylsma dan maar verder studeren in Rochester bij Paul Katz van het Cleveland Quartet. Ikzelf heb van dit Quartet mét inderdaad Katz op cello het fameuze strijkkwintet D.956 van Franz Schubert, helaas met Yo-Yo Ma als supplementaire solist. Ik heb ook een versie van Pieter Wispelwey van dit werk, hij doet het dan weer met het Orpheus Quartet (die zelf Laurentiu Sbarcea als cellist hebben).
Later volgt Pieter nog vervolmakingscursussen bij Colin Carr en William Pleeth. Zelf bezit hij twee cello’s, een modern instrument en een historische (zij het toch lichtjes verbouwde) piccolo-cello. De barokcello waarop hij de Bachsuites speelt, heeft hij slechts in bruikleen, omdat hij onbetaalbaar is. Brahms en Mendelssohn heeft hij op CD ook met deze cello gespeeld, maar bij concerten gebruikt hij meestal zijn modern instrument, omdat de barokcello te snel ontstemt.
In 1998 werd hij (o.m. dankzij mijn stem) tot “Jonge Musicus van het Jaar” verkozen door de Belgische Muziekpers. Toen hij in Brussel op twee avonden de complete Bach-suites voor cello solo bracht, was de zaal van het conservatorium tweemaal uitverkocht (*). In Vooruit bracht hij kort daarop drie dergelijke suites maar dan van Benjamin Britten. Nu is Britten weliswaar Bach niet, maar deze suites behoren volgens kenners toch tot het mooiste wat ooit voor dit instrument werd geschreven. Britten schreef deze suites tussen 1964 en 1971 voor Mstislav Rostropovitsj, over wiens Bach-suites Wispelwey verklaarde: “Dit is min of meer het niveau dat ik haal op de eerste repetitie.”
Branie heeft deze jonge Nederlander dus wel! Misschien dààrom dat niet hij maar “de vreemdeling” Rostropovitsj de Haydn-concerti mocht spelen op de verjaardag van koningin Beatrix. Die opmerking heeft wellicht ook te maken met zijn bloedhekel aan pathetiek: “Ik kan niet tegen brallen. Ik hou van extreem enthousiasme, maar niet van getormenteerd zelfmedelijden. Je moet niet zielig gaan zitten doen, of huilerig gaan spelen. Geveinsde passie vind ik het ergste wat er is. Diepgang heeft niets te maken met uiterlijke tragiek of zelfmedelijden. Dan wordt het hysterisch.”
Ondanks zijn (gewild) denigrerende uitspraken over collega’s, is Pietertje toch wel benieuwd naar hun uitvoeringen. In tegenstelling tot Sigiswald Kuijken b.v. haalt hij wél CD’s van anderen in huis, als hij er zelf één gaat maken: “Ja! Vlak voor ik een soloconcerto ga opnemen, stap ik wel eens een winkel binnen en koop er een stuk of tien opnamen van. Soms maak ik er zelfs een gedetailleerde studie van. De lust van het vergelijken, dat is toch een rijkdom. Je leert ook ontzettend veel van kritisch naar jezelf luisteren. Dat vind ik bijna het allerbelangrijkste als ik les geef: leren luisteren, je eigen spel analyseren en dat dan kunnen formuleren. Een goede kok moet ook zijn eigen gerechten proeven en precies weten wat er nog bij moet, of wat een volgende keer minder moet. Maar ik leer ook veel van anderen. Soms sta ik in bewondering, maar vaak ben ik ook verbaasd.” (De Standaard Magazine 17/4/1998)
“Alleen Van Immerseel heb ik dat al eens zo expliciet horen toegeven,” voegt interviewer Jo Paumen eraan toe. “Maar net als Van Immerseel weet Wispelwey met een opvallende eigen visie voor de dag te komen. Voor hij anderen beluistert, heeft hij zijn eigen interpretatie altijd al zorgvuldig opgebouwd.” Maar toch bewondert hij “de soberheid van Piatigorsky, de open geest van Yo-Yo Ma, de perfecte techniek, intelligentie en toewijding van Heinrich Schiff en de experimenteerdrang van Ernst Reijsiger.”
Nog altijd in De Standaard Magazine van 17/4/1998 verklaart hij dat het bijna altijd tijdens concerten is dat hij iets uitprobeert en nieuwe uitvalshoeken ontdekt: “Bij het oefenen probeer ik de techniek zo bij te vijlen dat ik die tijdens het concert kan vergeten. Dat ik me dan volledig op het creatieve kan concentreren. Je kunt dan luisteren naar jezelf, je probeert eens iets, en dan gebeurt het dat je iets doet dat de moeite waard is. Of niet. En dat onthou je. Je moet jezelf min of meer dirigeren. En een goeie dirigent, die geeft niet alles aan, maar grijpt zo nu en dan in: geef die noot wat meer glans, geef daar wat meer pijn, straal daar een beetje… Zo wil ik spelen. (…) Voor mij heeft muziek zijn grootste magische werking in een goed gelukt concert. Een goede akoestiek, een sympathiek publiek, een mooie locatie versterken de magie van de muziek zelf. Ik ben niet religieus, maar een kerkdienst heb ik altijd wel een aparte rite gevonden. Het is echter tenminste even bijzonder wat er gebeurt in een concertzaal, waar tweeduizend mensen stil zitten te luisteren naar iets wat ze niet helemaal begrijpen, maar wel mooi vinden. En waar ze allemaal hun individuele gedachten, associaties en emoties bij hebben. Ze zitten daar niet zozeer in aanbidding van de musicus – in ’s hemelsnaam – en ook niet van dàt muziekstuk alleen, of van de componist, maar van muziek in het algemeen. Dat zoiets bestaat, dat blijf ik zo mysterieus vinden. Je wil als uitvoerder ook deel worden van dat publiek. Het is een belevenis zonder hiërarchie.”
Wispelwey woont in Amsterdam samen met zijn Engelse vriendin, hoboïste Alex Bellamy. Zijn nieuwste project is de muziek van Astor Piazzolla. Diens weduwe vindt namelijk dat Gidon Kremer en Yo-Yo Ma daarmee maar rare toeren uithalen en dat Wispel dat beter zou doen…

Ronny De Schepper

(*) Ter gelegenheid van die concerten gaf Wispelwey ook een masterclass in het Brusselse conservatorium. Daar moest ik uiteraard bij zijn! En het opmerkelijkste wat er gebeurde, was het volgende: één van de studenten haalde zo’n bijzondere klank uit zijn instrument dat Wispelwey in bewondering stond. “Wie heeft die cello gebouwd?” wilde hij weten. “Mijn vader,” antwoordde de student, waarmee alle discussies over historische instrumenten in de vuilbak konden worden gekieperd! (Daarmee bedoel ik dan: wat de klank betreft, uiteraard niet wat de invloed van het instrument op de manier van uitvoeren aangaat!)
Pieter Wispelwey

Een gedachte over “Pieter Wispelwey in de jury van de Elisabethwedstrijd…

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s