Het is vandaag ook 110 jaar geleden dat de Brusselse striptekenaar Georges Remi, beter bekend als Hergé (R van Remi en G van Georges), werd geboren. Zijn bekendste creatie is uiteraard Tintin, in de Nederlandse versie Kuifje.

Hergé begon bij de reactionair-katholieke Brusselse krant “Le XXème siècle” waar zestien maanden lang de avonturen verschenen van een knaap, die als een reporter van “Le Petit Vingtième” (tevens de naam van de jeugdbijlage) werd voorgesteld. Hergé was hiervan de hoofdredacteur als protégé van Eerwaarde Heer Norbert Wallez, zelf een beschermeling van kardinaal Mercier.
De eerste strip die verscheen (naar een scenario van een sportredacteur) was verschrikkelijk slecht, maar Wallez herinnerde zich de spotprent op August Borms die Hergé op 30 december 1928 had getekend. In “La Noël du petit enfant sage” laat een hondje dat verdacht veel lijkt op de latere Bobbie (1) een skatologisch “kerstgeschenk” achter op een schoteltje dat een jongetje met een kuif voor de kerstman had klaargezet. Bij het zien van het “geschenk” roept de jongen uit: Borms! Want ondanks het feit dat hij zelf voor een ultrarechts blad werkte, was men er toch ook zodanig anti-Vlaams dat dergelijke onderbroekenhumor mocht passeren. (2)
Wallez herinnerde zich dus deze strip en hij maande Hergé aan een stripverhaal te creëren met deze twee personages in de hoofdrol. En die strip moest zich afspelen in de Sovjetunie, want “je mag de kinderen amuseren, maar je moet ze ook opvoeden: instruire et s’amuser!” En zo gebeurde het dat op 10 januari 1929 de eerste aflevering van Tintin verscheen.
Scoutsleider Hergé had in het boek “Het verkennen voor jongens” van Baden-Powell gelezen dat mensen met een kuif van het naïeve soort waren (de primaire typologie van Lombroso maakte toen nog opgang) en daarom tekende hij zijn hoofdfiguur met dergelijke haartooi. In de Nederlandse vertaling zou dit er uiteraard toe leiden dat de figuur de naam “Kuifje” zou meekrijgen. (3)
Huib van Opstal in De Morgen van 15/10/1994: “Hergé is de absolute koploper van de Belgische strip, die zelf decennia lang toonaangevend was in Europa. Hij was de eerste in België om de ballonstrip toe te passen, de formule waarbij je de figuren ‘ziet’ spreken. Hij liet dat procédé dan ook samenvallen met het overschakelen van de stomme naar de sprekende film. Ballonstrips zijn de sprekenede film binnen het stripmétier.”
In zijn eerste avonturen is Tintin nog een echte “reporter”. Hij was immers gebaseerd op de sterreporter van “Le XXème siècle”, Robert Leurquin die een verhouding had met schilderes Rachel Baes, die tegelijk ook de minnares was van Joris Van Severen, de stichter van het Verdinaso. (4)
Kuifje “schrijft” met andere woorden oorspronkelijk inderdaad een reportage. Maar dat belet niet dat hij de deontologie van de journalistiek niet zo nauw neemt. Hij neemt niet enkel waar, maar gaat zich ook daadwerkelijk met de feiten bemoeien. En hoe! In dat eerste avontuur slaagt hij erin de trein op te blazen, waarin zijn belager zich bevindt. Dat er daarbij tevens 218 onschuldige slachtoffers vallen, kan hem niet deren. Het zijn immers Sovjetburgers en die zijn voor Tintin slechts tweede garnituur. Dit album getuigt immers van zo’n primitief anticommunisme dat zelfs de laatste brokstukken van de Muur al lang moesten verkast zijn, vooraleer er een heruitgave kon komen (in 1999).
Dit anticommunisme had Hergé geërfd van zijn beschermheer. Deze man, die een gesigneerde foto van Mussolini boven zijn bed had gehangen, had hem het boek “Moscou sans voiles” van de Belgische consul Joseph Douillet gegeven, waarin deze vooral de huiver voor de goddeloze bolsjevieken wilde oproepen.
Maar het dient gezegd: het had effect. De oplage van “Le XXème Siècle” verzesvoudigde iedere woensdag. Zodanig zelfs dat de krant er meteen een soort van “happening” aan vastkoppelde, waarbij de reporter in de hoedanigheid van ene Lucien Pepermans ook effectief door zijn lezertjes kon worden opgewacht in het Brusselse Noordstation.
Later werd die stunt nog eens overgedaan (n.a.v. “Kuifje in de Kongo” en in 1935 met “Les aventures de Tintin dans l’Extrême-Orient”, naderhand beter bekend als “De Blauwe Lotus”) en toen werd aan het wonderknaapje gestalte gegeven door Henry Den Doncker. Hergé zou achteraf graag aanhalen dat ze allebei het leven verloren in de Tweede Wereldoorlog: de eerste aan het Oostfront, de tweede in het verzet…
Ondertussen was Wallez in 1933 aan de deur gezet. De kerkelijke leiding vond zijn fascistische sympathieën toch wat te verregaand. Even neemt ook Hergé wat gas terug. De dictator uit “De scepter van Ottokar” (1939) heet dan ook “Müsstler”, een samentrekking van Mussolini en Hitler, en de Anschluss van Oostenrijk door nazi-Duitsland wordt erin veroordeeld.
In 1940 wordt de katholieke activist en jeugdvriend van Hergé Raymond De Becker door de Duitsers benoemd als hoofdredacteur van het door hen gecontroleerde dagblad “Le Soir”. Vanaf 17 oktober schakelt Hergé dan ook gezwind over naar dit blad, al zeggen zijn verdedigers dat het feit dat hij Kuifje in de nazistische “Le Soir” liet verschijnen, meer te maken had met zijn ambitie die hij niet door de bezetter wou laten intomen dan met ideologie. (5)
Het eerste album dat op die manier verschijnt is “De Krab met de Gulden Scharen” en hierin doet de vloekende, tierende en drankminnende kapitein Haddock zijn intrede, al zou het nog tot 1976 duren vooraleer we ook ’s mans voornaam leren kennen: Archibald. Dit personage was oorspronkelijk gebaseerd op Edgar P.Jacobs, de tekenaar van Blake & Mortimer, die vooral in zijn periode als operazanger bij de Munt een geducht drinkebroer en womanizer was. Toen Jacobs in 1942 Hergé ontmoette tijdens de theatervoorstelling “Kuifje in India”, wist hij niet eens dat dit de schepper van Kuifje was (6).
Op 26 september 1940 verschijnen de avonturen van Kuifje voor het eerst in het Nederlands (“Vlaamsch” is een beter woord, het is pas in de ingekleurde versie dat “Algemeen Nederlands” wordt gesproken) en alweer in een collaborerende krant, namelijk “Het Laatste Nieuws”. Daarin wordt de reporter nog Tintin genoemd (de titel is trouwens “Tintin in Kongo”), al heet de hond wel al Bobbie. Tintin wordt Kuifje op 1 september 1943 eveneens in Het Laatste Nieuws, als men begint met de strip “De geheimzinnige ster”. Het was redactiesecretaris Belloy die de naam Kuifje heeft gesuggereerd.
In 1941 verschijnen de eerste stroken van “Kuifje en de geheimzinnige ster” waarin een ondubbelzinnige antisemitische uitval was verwerkt, die later bij de publicatie van het album wijselijk werd weggelaten (als de aarde door een komeet wordt bedreigd, juichen twee haakneuzen dat ze dan hun schuld ook niet meer zullen moeten betalen). Tevens vraagt de Duitse bezetter aan Hergé om de uitvallen tegen de Japanse bondgenoot in “De blauwe lotus” aan te passen. Zo wordt de slogan “Boycot Japanse producten!” vervangen door “Weg met het imperialisme”, maar wel op dergelijke manier dat men de oorspronkelijke slogan eigenlijk toch nog kan lezen.
Dat Hergé zich voor “Les aventures de Tintin dans l’Extrême-Orient” liet bijstaan door ene Tchang Tchong-jen (7) is genoegzaam bekend, maar hij werd ook geadviseerd door een monnik van het klooster van Sint-Andries bij Brugge. Dom Celestin Lou was als Lou Tseng Tsiang nog eerste minister en minister van buitenlandse zaken geweest in China. Na de dood van zijn Belgische vrouw (en ook wel omdat hij politiek uitgerangeerd was) trok hij zich terug in het klooster.
Nog een verhaal dat verschijnt in de oorlogsperiode is “Het Geheim van de Eenhoorn”. Hier maken we kennis met het kasteel van Molensloot dat gebaseerd is op een bestaand kasteel aan de Loire: dat van Cheverny, niet ver van Blois (evenwel zonder de zijvleugels).
Alhoewel bijvoorbeeld de werknemers van de drukkerij van “Le Soir” voor collaboratie worden veroordeeld blijft Hergé zelf zo goed als buiten schot. Hij heeft welgeteld één nachtje in een cel doorgebracht en alhoewel dit peanuts was in vergelijking met wat vele andere mensen (al dan niet terecht) moesten ondergaan, toch was dit voor Hergé een traumatische ervaring. Hij dacht er zelfs over na naar Argentinië te emigreren.
Toch wordt hij dus vrij snel buiten vervolging gesteld. En dat komt vooral omdat hij de bescherming genoot van de katholieke minister van Binnenlandse Zaken, Charles du Bus de Warnaffe.
En ook de economische heropleving na de Tweede Wereldoorlog legt hem geen windeieren. Een jonge verzetsman, Raymond Leblanc, wil snel een stripblad opstarten, vooraleer de markt zou worden overspoeld door goedkope Amerikaanse tekenverhalen. En daarom deed hij beroep op een oude rot in het vak die geen inlooptijd nodig had. Vanaf 1946 verscheen dus het nieuwe weekblad “Tintin”/”Kuifje” met Hergé zelf als artistiek directeur.
En waar vóór 1940 de gemiddelde verkoop an een album nog zes duizend exemplaren bedroeg, haalde die na W.O.II gemakkelijk tachtig duizend exemplaren! Een schriftelijk verzoek aan Walt Disney om één of meerdere Kuifjesalbum tot een tekenfilm om te toveren wordt evenwel afgewezen.
Op 17 februari 1952 veroorzaakt Hergé, die van snelle wagens houdt, een ongeval, waaruit hijzelf ongeschonden uitkomt, maar zijn vrouw zal voor de rest van haar leven verminkt blijven. Een en ander heeft een negatieve invloed op hun huwelijksleven en als vier jaar later de 28 jaar jongere Fanny Vlaemynck (8) solliciteert als inkleurster bij de Studio Hergé ontstaat er dan ook al vlug een romance. Vanaf 1960 zullen ze samenwonen, ook al zal hij pas officieel in 1977 scheiden van zijn eerste vrouw.
Als uitgeverij Methuen in 1969 vraagt om de Engelse vertaling van “Het Zwarte Goud” wat “aan te passen” omdat de politieke context achterhaald is (lees: de Engelsen er niet goed uit te voorschijn komen; het verhaal speelt zich immers af aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog in wat toen nog het Britse mandaatgebied Palestina was), dan maakt Hergé van deze aangepaste versie meteen ook de standaardversie voor eender welke taal. Vanaf nu speelt het verhaal zich af in het fictieve Arabische land Khemed en de betekenisloze krullen die voor Arabisch stonden worden vervangen door authentieke Arabische teksten.
In de oorspronkelijke versie (verschenen in september 1939 in “Le petit Vingtième”) wordt een niet nader genoemde oorlogszuchtige natie gehekeld en Hergé stopt dan ook met de publicatie als de Duitsers België binnenvallen (toevallig – of niet? – op het moment dat de Duitse booswicht Müller Kuifje wil neerschieten). Hij begint dan te werken voor de collaborerende “Soir” met een compleet nieuw verhaal, “De krab met de gulden scharen”. Hier verschijnen tot september 1944 ook de vier volgende verhalen van Kuifje, vooraleer Hergé in september 1948 “Het Zwarte Goud” heropvist voor zijn eigen tijdschrift “Kuifje”. Om technische redenen dienen er een aantal wijzigingen te worden aangebracht en Hergé profiteert van de gelegenheid om dan al inhoudelijk in te grijpen. Zo worden Jansen en Janssens in 1939 naar het Midden-Oosten gestuurd voor een drugszaak, in 1950 wordt dat een spionagezaak en in de uiteindelijke “gekuiste” versie wordt dat zelf niet eens meer gepreciseerd! 44 Auguste_PiccardBovendien had Hergé ondertussen niet alleen kapitein Haddock (zie hoger) maar ook professor Zonnebloem gecreëerd en die zouden nu ook een plaats moeten krijgen in het verhaal. Zonnebloem was gebaseerd op de Zwitserse geleerde Auguste Piccard, zoals de foto duidelijk laat zien.
“In materieel opzicht verging het hem (Kuifje dus, RDS), net als zijn schepper, zichtbaar almaar beter. Hij ging in een kasteel wonen en hoefde, in tegenstelling tot tevoren, niet eens meer voor te wenden dat hij zijn dagelijks brood in het zweet zijns aanschijns moest verdienen. Toch werd hij er niet gelukkiger op. In zijn laatste vier avonturen, vanaf 1960, sloot Kuifje zich steeds meer op. Voor die tijd voelde hij zich thuis in de hele wereld en aanzag hij alle mensen als zijn vrienden, voor wie hij wilde lijden en eventueel zelfs sterven om hen te kunnen verlossen. Maar daarna kromp zijn universum ineen, tot het kasteel Molensloot en de bewoners ervan. Zijn door idealisme gedreven dadendrang vervluchtigde.
In Kuifje in Tibet ging het om niet meer dan een strikt persoonlijke kwestie. Het album was een ode aan vriendschap en trouw, waarvan de maatschappelijke dimensie beperkt bleef tot een vage, moralistische voorbeeldfunctie. In De juwelen van Bianca Castafiore beperkte de actie zich tot het oplossen van een paar misverstanden rond het kasteel. In 1968 – desgewenst kunnen we dit jaartal niet toevallig vinden – volgde Vlucht 714, waarvan de kern letterlijk out of this world is, aangezien het verhaal zich afpeelt aan het eind van de wereld, op een eiland in de Stille Zuidzee, en de plot wordt beheerst door buitenaardse wezens. In het verhaal is nauwelijks nog sprake van enig moreel conflict, want de goeden en de kwaden hebben vooral hun mediocriteit gemeen.”
(Marc Reynebeau, Het nut van het verleden, Tielt, Lannoo, 2006, p.271)
In 1976 ruilt in “Kuifje en de Picaro’s” de stripheld zijn ouderwetse “drollenvanger” eindelijk in voor een jeansbroek, maar het opduiken van allerlei helden uit vorige verhalen wijst er misschien wel op dat Hergé vermoedde dat dit wel eens zijn laatste stripverhaal zou kunnen worden. Wat het inderdaad was.
Hij voelt zich inderdaad vaak erg vermoeid en in 1979 stelt men osteomyelofibrose bij hem vast. Dat betekent dat zijn ruggenmerg geen nieuwe witte bloedlichaampjes meer aanmaakt. Hiervoor krijgt hij vaak bloedtransfusies in een tijd dat men van het bestaan van aids nog niets afwist. Vermoedelijk is hij dan ook hieraan gestorven. Dat zou dan al de tweede keer zijn dat de medische wetenschap hem parten speelde. Het feit dat hij kinderloos bleef, zou namelijk ook al teruggaan op een stralingsbehandeling tegen eczeem.
Korte tijd nadat Georges Remi op 3 maart 1983 overleed, publiceerde het Franse stripblad (A suivre) als extra-nummer een “hommage van de stripwereld van Hergé”, waaraan de fine fleur van het Belgisch-Franse stripwezen en tal van prominente vrienden, medewerkers en bewonderaars van de betreurde kunstenaar meewerkten.
“Wordt Vervolgd”, de Nederlandstalige uitgave van (A suivre) heeft daarna in een zeer verzorgde, gekartonneerde uitgave een vertaling uitgebracht van het oorspronkelijke huldenummer, zodat ook de Hergé-bewonderaars die de taal van Voltaire niet zo goed machtig zijn, van deze hommage konden kennis nemen.
In deze vertaling (alle hulde aan René Van De Weijer!) valt het natuurlijk extra op, dat deze Hergé Special een zo goed als exclusief francofone bedoening is geworden, wat gezien de omstandigheden waarin (A suivre) moest verschijnen geen verwijt is, maar een vaststelling. Overigens werd een verdienstelijke poging gedaan om een stuk over “het huldebetoon van de pers” aan te passen in die zin dat ook de reacties van Vlaamse en Nederlandse bladen werden opgenomen.
Opvallend bij de tekenaars is dat zij met alle bewondering die zij Hergé en zijn geesteskind Kuifje verschuldigd zijn, toch op een goedmoedige wijze afstand namen van de idealistische “braafheid” die zowat het waarmerk was van de Brusselse meester. Puur artistiek beschouwd overstijgen een aantal bijdragen nauwelijks het niveau van het curiosum, hetgeen ongetwijfeld ook op rekening moet worden geschreven van de snelheid waarmee gewerkt moest worden.
Zoals overigens ook in vele “gewone” stripverhalen is hier ook het scenario meestal het zwakke punt, wat onder andere tot gevolg heeft dat het niet tot een osmose komt tussen de wereld van de tekenaar in kwestie en deze van Hergé. Een uitzondering hierop vormt Sokal, die zijn melancholische zuipschuit van een eend Canardo laat optrekken met kapitein Haddock.
Daarnaast is er ook nog een uitstekende Comes met een geheel woordloos verhaal, Jean C. Denis, die een horde mummies à la Raskar Kapak een trein laat terroriseren en Joos Swarte, die in een sublieme plank de handel rond Hergé-antiquiteiten op de korrel neemt. Opmerkelijk is ook de short-story van Bob De Moor, die kameraadschappelijk de draak steekt met het boy-scoutisme van zijn gewezen vriend en patron.
Bij leven en welzijn van Hergé was de Antwerpenaar Bob De Moor (1925-1992) zijn voornaamste medewerker. Van zodra Hergé op 3 maart 1983 overlijdt, moest hij echter het veld ruimen van de Franstalige erfgename. Hij mocht zelfs het Kuifje-verhaal waaraan Hergé aan het werken was (“Kuifje en de alfa-stralen”) niet afwerken (dat werd dan als een onafgewerkt collector’s item uitgegeven), alhoewel hij enige tijd later met de postume afwerking van het laatste verhaal van Edgar P.Jacobs (het tweede deel van “Drie formules van Professor Sato”) zou bewijzen dat hij dat uitstekend kon. (9)
Vépy en Ceppi tenslotte leveren een heus avonturenverhaal in mini-formaat af, dat eveneens de hysterie rond Hergé-relicten als onderwerp heeft.
De biografie van Hergé die bezorgd wordt door Benoit Peeters, wordt aangevuld met toelichtende interviews en beschouwingen van diverse auteurs die elk een aspect van leven en/of werk van Hergé belichten. Uiteraard komen ook de politieke en ideologische aspecten van Hergé’s universum ter sprake en dat hierover nogal wat uiteenlopende meningen worden gedebiteerd ligt voor de hand. Deze bijdrage besluiten we dan ook met een kleine bloemlezing:
“Die linksradicalen in België hebben zich voor niets belachelijk gemaakt, want je hoeft maar een geschiedenisboek of een krant open te slaan om te zien hoe gefundeerd Hergé’s scepsis was ten aanzien van de belofte van een zonnige toekomst. Evenals Pyrrho, de scepticus, evenals zijn geliefde taoistisch dichters, heeft Hergé de draak gestoken met de illusies van de ideologen. Hij heeft voor ons de sluier van Maya opgelicht”. (Gabriel Matzneff)
“Als Kuifje een bepaalde ideologie had moeten uitdragen, was hij allang aan zijn lot overgelaten en had hij het bankroet van de grote stelsels niet overleefd. Maar hij houdt stand door de grillen van de geschiedenis heen: het is niet gerechtvaardigd Hergé politiek te interpreteren, want hij heeft geen enkele machtsvorm verrechtvaardigd; hij volstond ermee elke vorm van tirannie te rechter- of ter linderzijde, belachelijk te maken. (…) Hergé heeft geen Boodschap of het moet Het Talent zijn”. (Pascal Bruckner).
“Je kunt je zelfs afvragen of er ook maar één stripmaker is geweest die zo duidelijk politiek stelling nam als hij, als je die onstuimige start ziet van Kuifje in het land van de Sovjets, en de volharding waarmee hij zijn helden de minst neutrale paden laat bewandelen, van de Chinees-Japanse oorlogen via Palestina tot de Zuid-Amerikaanse guerilla’s. (…). Hergé’s politiek behelst de Rechten van de Mens, en dat is nog zo slecht niet. Een sandinist is hij niet, maar hij geeft wel geld aan Amnesty International…” (Pascal Ory).
“Wie de grafiek en de inhoud van de Kuifjesverhalen onderzoekt, vindt eigenlijk een heel gewone Hergé. Hij is anti-bolsjeviek, racist, politiek gevoelig of ongevoelig volgens de vereisten van de dag. Het grootste stuk van zijn werk sluit aan bij de rechtse atmosfeer, in een periode toen dat in België de bon ton was. De uitgever doet altijd uitschijnen dat dit inderdaad het kenmerk is van de doorsnee Belg die zich in Hergé dan ook zo goed terugvindt. Ik betwijfel dat. De oorspronkelijke moraal en het werkelijk gedachtengoed van Hergé raken aan de levensbeschouwing van Leon Degrelle. Beiden komen uit hetzelfde milieu: scoutisme, katholieke kerk, rechts. Hun wereldmoraal is er een van viriele vriendschap, zoals die wordt aangetroffen bij ex-officieren die in Indochina of Algerije optraden. Maar de moraal van de boy-scout of de militair is er een van koudheid. Ze is niet naïef, maar uitdrukkelijk politiek.” (Jan Bucquoy)
Dit laatste citaat plukten wij uiteraard niet uit “Wordt Vervolgd”, maar uit het extra-nummer van 22 april 1984 van Knack, dat ook geheel aan het werk van Hergé was gewijd. De bijdragen in dit nummer zijn minder gekleurd door de directe, tragische actualiteit en graven dan over het algemeen ook wat dieper dan wat in “Wordt Vervolgd” te lezen staat.

Ronny De Schepper
(met dank aan Jan Mestdagh en Jan Bex)

Selectieve bibliografie
Pierre Assouline, Hergé, Meulenhoff Amsterdam/Kritak Antwerpen, 1996.
Jan Mestdagh, Het moeizame afscheid van Hergé, De Rode Vaan nr.27 van 1983.
Numa Sadoul, Tintin et moi.
Harry Thompson, Hergé-Kuifje, Antwerpen, Kritak, 1991.
Jean-Paul Tomasi & Michel Deligne, Tintin chez Jules Verne, 1998.
Huib van Opstal, Essay R.G., het fenomeen Hergé, uitgeverij Delange, 1994.

(1) In het Frans: Milou, naar Marie-Louise Van Cutsem, het meisje waarop Hergé verliefd was, maar hij trouwde op commando met Germaine Kieckens, de secretaresse van Wallez. Wallez zelf leidde de kerkdienst.
(2) Toch dient te worden opgemerkt dat Hergé, als rasechte “Bruseleir” ook het Vlaams (“Brussels”) machtig was. Vaak duikt het Brussels trouwens op als komisch element in teksten. Zo b.v. als de wapenspreuk van Syldavië, het Balkanlandje uit “De Scepter van Ottokar”: “Eih bennek, eih blavek” (Hier ben ik, hier blijf ik).
(3) M.Wilmet geeft hiervoor nochtans een andere verklaring in Het Laatste Nieuws van 17 oktober 1996: “Belangrijker is evenwel dat de held na acht bladzijden (van “Tintin au pays des Soviets”, RDS) zijn kuifje krijgt (zijn haar raakt in de war tijdens een helse autorit en komt nooit meer goed te liggen…)” De vraag is dan natuurlijk of in die vorige acht bladzijden al ergens de naam van Kuifje opdaagt. (Bij mijn weten is het Nederlands ook de enige taal die afwijkt van de Tintin-benaming.)
(4) Volgens Leon Degrelle heeft nochtans hij en hij alleen model gestaan voor de avontuurlijke reporter. Het lijkt onwaarschijnlijk, maar Hergé’s sympathieën voor extreem-rechts kennende, is er misschien toch wel iets van aan.
(5) Dat gebeurde op voorspraak van politiek cartoonist Paul Jamin (Alidor), Hergé’s eerste hulpje bij “Le petit vingtième”.
(6) Janssen en Janssens van hun kant maken hun eerste optreden in “De sigaren van de farao” (1931), zij het toen nog onder de naam X33 en X33bis. Ze zijn geïnspireerd op de vader van Hergé en diens tweelingbroer.
(7) Zodanig zelfs dat hij hem aanbood als co-auteur te fungeren, Tchang weigerde – uit schrik – maar liet wel zijn handtekening op diverse plaatsen achter in de Chinese karakters.
(8) Na zijn dood zou ze trouwen met een zekere Rodwell, vandaar dat ze nu als Fanny Rodwell door het leven gaat.
(9) De eigen strips van Bob De Moor zijn “Nonkel Zigomar”, “Snoe en Snolleke” en “Cori de scheepsjongen”. Zijn zoon Johan (°1953) kwam eerst ook bij Hergé werken (voor “Kwik en Flupke”), maar hij stond vlugger op eigen benen en maakte op basis van scenario’s van zijn jeugdvriend Stephen Desberg eigen stripreeksen als “Kasper” en “Kobe de koe”. Een andere zoon van Bob De Moor was de bas-bariton Chris De Moor.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s