Het is vandaag 370 jaar geleden dat Pieter Corneliszoon Hooft is gestorven in Den Haag. Hij stamde uit het Amsterdamse regentengeslacht Hooft en was de zoon van Cornelis Hooft, die tal van functies in het bestuur van Amsterdam had bekleed, onder andere als burgemeester.

Tussen mei 1601 (het tijdstip waarop Hooft van zijn Italiaanse reis terugkeerde) en januari 1605 heeft er bij hem “meer dan genegenheid” bestaan voor Brechtje Spiegel Janszoon, een nichtje van de beroemde Hendrik Spiegel Laurenszoon. De redenen waarom Hooft aanvankelijk er niet in slaagde Brechtjes genegenheid te winnen, zijn onbekend. “Misschien pronkte hij een weinig met zijn fraaie snorren en uitheemsche manieren,” suggereert Conrad Busken Huet, “en mogelijk achtte zij het van haren pligt hem dit bevorens af te leeren.”
Dit is wel heel speels geformuleerd voor een liefde die kort daarna tragisch afliep. De rollen werden immers omgedraaid en nu was het Brechtje die vond dat haar minnaar hun verhouding veel te luchtig opvatte. Aangezien zij vreesde dat het nooit tot een huwelijk zou komen, ondernam ze twee zelfmoordpogingen. Sommige verzen van “Sal nemmermeer gebeuren”, een gedicht waarin Hooft zich reeds had voorgesteld wat er zou gebeuren als hij de aanwezigheid van Brechtje zou moeten missen, wijzen erop dat hij daarvan wist:

Sal nemmermeer gebeuren, mij dan nae dese stondt
De vrientschap van u oogen, de wellust van u mondt?
De vrientschap van u oogen, van u oogen.

De Vrientschap van u oogen, de wellust van u mondt,
De jonste van u hartgen, dat voor mijn open stondt
De jonste van u hartgen, van u hartgen.

Soo sal jck nochtans blijven, u eewich onderdaen,
Maer mijn verstroyde sinnen, wat sal haer annegaen?
Maer mijn verstroyde sinnen, stroyde sinnen

Mijn sinnen mogen swerven, de leijde lange tijt
Nu sij, mijn overschoone, sijn u haer leitstar quijt.
Sijn quijt mijn overschoone, overschoone

De schoon borst wt tot tranen, ten baten geen bedwang,
De traentgens rolden neder, van d’een op d’ander wang.
De traentgens rolden neder, rolden neder

De schoone traentgens deden, meer dan een lachen doet,
Al in sijn hoochste lijen, sij troosten sijn gemoedt.
Al in sijn hoochste lijen, hoochste lijen

Vrouw Venus met haer starre, thans claerder als de Maen
Bespieden die vryagie, en sacht mirakel aen.
Bespieden die vryagie, die vryagie

En hebben teere traentgens, seijd sij soo groote cracht,
Waerom en is het schrejen, niet in der Goden macht?
Waerom en is het schreijen, is het schreijen.

De traentges rolden neder, maer de Godinne soet
Beij liever soud’jck schennen, seij sij, mijn rosen hoet.
Beij liever soud’jck schennen, soud’jck schennen.

En eer sij cond gedogen, dat ymandt die vertradt,
Ving sij de laeuwe traentges, in een coel rosebladt.
Ving sij de laeuwe traentges, laeuwe traentges.

Wat geef jck om mijn rosen, of t maecksel van mijn crans.
Ick sal gaen maecken perlen, van ongemeene glans.
Ick sal gaen maecken perlen, maecken perlen

De tranen wierden perlen, soo rasch haer t woort ontginck
Die sij met goudt deurboorden, en aen haer ooren hinck.
Die sij met goudt deurboorden, goudt deurboorden.

Als venus inde spiegel (*), haer siet met dit cieraet,
Sij wenscht geen toverrieme, noch cranse tot haer baet.
Sij wenscht geen toverrieme, geen toverrieme.

De blancke perlen hielen de crachte van ’t geween
Sij doen noch in den hemel dat sij op aerde deen.
Sij doen noch in den hemel, in den hemel.

Dit gedicht sluit enigszins aan bij de middeleeuwse dageliederen of wachtersliederen (het dient trouwens te worden gezongen op dezelfde manier als “Het daghet inden Oosten“): b.v. de planeet Venus als morgenster en de minnaar die ’s morgens zijn geliefde verlaat na een zwoele nacht (cfr. de mogelijkheid om een kind van hem te dragen).
Eigenlijk is dit alles beter toepasselijk op Aurora (de godin van de dageraad, maar ook van de troost), maar toch is het beter Venus te nemen, omdat de liefde de dood overwint (cfr. het vitalisme). Bovendien is Venus ook de godin van de dood, cfr. de beeldjes van Venus Libitina (de doodsgodin) die de Romeinen meegaven aan jonggestorven meisjes.
Wat de vorm betreft, bemerk de aaneenschakeling van de strofen:
1-2: door oogen en mond
3-4: sinnen
4-5: schoon
5-6: traentgens
Voor de rol van de ogen in de renaissancistische liefdespoëzie, verwijs ik naar Dr.Laurentius, lijfarts van koning Hendrik IV en professor te Montpellier. In zijn “Historia Anatomica” (1599) schreef hij o.m.: “De liefde raakt eerst de ogen en gaat dan via de aders naar de lever (werd in die tijd als het centrum van de seksuele begeerte beschouwd, RDS) “Spiritus (geestrijk vocht, zeer fijn bloed dat wordt gevormd in het hart, RDS) stijgt omhoog en verdampt in de hersenen. Langs de ogen gaat het dan naar buiten en treft het gevoel van de beminde.”
Kort daarop stierf Brechtje, verzwakt als ze was door de zelfmoordpogingen. In 1607 begon Hooft dan aan “Claech-leidt”, een elegie op de dood van Brechtje. Hij maakte het gedicht evenwel nooit af, mede door het feit dat hij op 29 mei 1608 reeds een gedicht schreef voor Ida Quekel.
Toch zou Hooft ook niet met Ida Quekel trouwen, maar met Christina van Erp. Hij noemde haar “Mithra Granida”, een combinatie van Mitra (de Perzische naam voor een Babylonische godin die men kan vergelijken met Venus of Afrodite) en Mithras (de Perzische zonnegod). Hij heeft m.a.w. de “h” toegevoegd om de bijgedachte aan de zon op te roepen.
Het volgende sonnet schreef Hooft voor haar in het jaar 1610, vlak vóór zijn huwelijk:

Mijn lief, mijn lief, mijn lief; soo sprack mijn lief mij toe,
Dewijl mijn lippen op haer lieve lipjes weiden. (**)
De woordtjes alle drie wel claer en wel bescheiden
Vloeiden mijn ooren in, en roerden (‘ck weet niet hoe)

Al mijn gedachten om staech maelend nemmer moe;
Die ’t oor mistrouwden en de woordtjes wederleiden.
Dies jck mijn vrouwe bad mij claerder te verbreiden
Haer onverwachte reên; en sij verhaelde’ het doe.

O rijckdoom van mijn hart dat over liep van vreuchden!
Bedoven viel mijn siel in haer vol hart van deuchden.
Maer doe de morgenstar nam voor den dach haer wijck,

Is, met de claere son, de waerheit droef verresen.
Hemelsche Goôn, hoe comt de Schijn soo naer aen ’t Wesen,
Het leven droom, en droom het leven soo gelijck?

Na de dood van Christina in 1624 trouwde hij in 1627 met Leonora Hellemans (1595-1661).
Hooft is lid geweest van de Amsterdamse rederijkerskamer de Eglentier die “In Liefde bloeyende” als zinspreuk had. Ook daar drongen de vernieuwingen van de literaire renaissance door. Hooft zal er ongetwijfeld toen al mee in aanraking zijn gekomen. Maar pas tijdens zijn grand tour leerde hij de nieuwe poëzie echt kennen.
Hooft was drost en kastelein van Muiden, baljuw van Naarden en Gooiland en hoofdbaljuw en dijkgraaf van Weesp, Weesperkarspel en Hoog-Bijlmer. Zijn politieke visie steunde op drie pijlers: pacifisme, decentralisatie (macht van de stadhouder beknot door de Staten) en de opvatting dat de Staat boven de Kerk stond. Al bij al kunnen we dus stellen dat er weinig verschil was met Vondel en de Remonstranten. Uiterlijk was er echter een zéér groot verschil. Vondel was explosief (cfr. zijn hekeldichten), terwijl Hooft eerder subtiel symbolisch te werk ging (wellicht wilde hij z’n status niet in het gedrang brengen). Vondel heeft deze dubbelzinnige houding wellicht niet erg geapprecieerd of anders waren er andere bezoekers van de Muiderkring die er hem deden wegblijven.
Hooft woonde immers gedurende 40 jaar in het Muiderslot, bij het huidige Muiden Vesting, en om het sociale en culturele leven aldaar te stimuleren, inviteerde hij vaak bijzondere mensen, die veelal geïnteresseerd waren in literatuur. Zo ontstond de Muiderkring, al moet bij deze benaming – uit de 19de eeuw – worden bedacht dat hier eerder sprake was van incidentele ontmoetingen dan van geregelde samenkomsten. Na het laatste feest aan het einde van de zomertijd namen ze van elkaar afscheid met de groet “tot in de pruimentijd“, hiermee de volgende zomer bedoelend.

Ronny De Schepper

(*) In het Rijmkladboek schrijft hij “spiegel” met een hoofdletter om een steek onder water te geven aan vader Spiegel. Hellinga verklaart dan als volgt: “Als Venus en vader Spiegel (“ende” i.p.v. “inde”, RDS) haar (Brechtje) zien met dit sieraad (haar tranen) dan wenst hij (in het Rijmkladboek staat “Hij”) voor haar geen toverrieme (dikwijls door kraamvrouwen opgelegd om bevallingen vlotter te doen verlopen, m.a.w. hij wenst niet dat zijn dochter een kind zou hebben van Hooft, RDS) en geen kranse (bruidkrans).” Later heeft Hooft dit dus veranderd. Daarmee schikt hij zich in de stoïcijnse houding van de renaissance-dichter en laat hij de kunstenaar, de estheticus, het winnen van de (gevoels)mens. Dit dus in tegenstelling tot b.v. de emotionele romantische dichters.
(**) Dit vers zal natuurlijk voor eeuwig en altijd verbonden blijven met de anekdote dat Staf De Wilde in de les van prof. (toen nog gewoon Mieke) Musschoot probeerde te bewijzen dat Hooft het hier over “schaamlipjes” had…

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s