Het is vandaag 125 jaar geleden dat de korte opera “I Pagliacci” van de Italiaanse componist Ruggero Leoncavallo, die zelf het libretto schreef, in première ging in de Scala van Milaan, gedirigeerd door Arturo Toscanini. Na de eeuwwisseling zou het ook de eerste opera zijn die live door de radio werd uitgezonden (met Enrico Caruso in de hoofdrol).

Ik heb de opera verscheidene keren gezien, telkens in combinatie met de eenakter “Cavalleria Rusticana” van Pietro Mascagni, zoals dat meestal gaat. In de Opera voor Vlaanderen in 1984 was dit vooral aantrekkelijk wegens de sfeervolle en rake enscenering van Jo Dua. Er werd getracht een zekere eenheid te scheppen tussen deze twee veristische opera’s waar de jaloersheid centraal staat. Ongebruikelijk opende « Pagliacci » de avond. Bij het slot en de tragische uitroep van Canio « La commedia è finita » verlaat een dorpelinge bedrukt het toneel.
Bij de openingsakkoorden van « Cavalleria Rusticana » ziet men dat dit Santuzza was, zojuist getuige van de fatale afrekening van de jaloerse Canio. Het sfeervolle decor is hetzelfde gebleven en « Cavalleria Rusticana » speelt zich dus af in het dorpje waar de avond daarvóór « Pagliacci » op tournee was. De figuur van Santuzza krijgt hierdoor een extra-dimensie en de tragische afloop van de opera — de dood van Turiddu door haar jaloersheid — is er des te beklemmender door.
Spijtig dat de werken muzikaal minder goed gediend werden. In « Pagliacci » kon het er nog door : Francisco Lazaro was dramatisch zeer expressief als Canio, Louis Manikas heeft de forse bariton voor Tonio en Marion Sylvestra als Nedda boeide door haar onfeilbare techniek en helder timbre. Toch verkiezen wij een meer speelse, subtiele en poëtische benadering van deze rol. Droeviger was het gesteld met de geknepen tenor van Boudewijn van Averbeke (Peppe) en Josef Baert (Silvio) die niet op kon tegen de te forse Nedda. Andere recensies vind ik niet zo direct terug, zodat ik me voorlopig beperk tot de commentaar op Wikipedia.
De structuur van de opera is gebaseerd op de Griekse tragedie. Hij begint dan ook met een proloog, die eigenlijk als het “manifest” van het verismo kan gelden en waarbij één van de acteurs (Tonio) zich rechtstreeks richt tot het publiek om het verhaal te schetsen en wat de toeschouwer ervan kan verwachten. Het op deze manier betrekken van het publiek krijgt extra draagkracht wanneer blijkt dat de opera zelf handelt over een toneelgroep die voor haar publiek acteert. De climax van het verhaal wordt bereikt wanneer de hoofdfiguur (Canio) het verschil tussen fictie en werkelijkheid niet meer kent en Tonio’s proloog geeft de kijker aldus een hint van Canio’s psychologische toestand.
De opera heeft een korte tijdsduur (ongeveer een uur) maar is desalniettemin ingedeeld in twee akten. De eerste akte toont de hoofdfiguren in het dagelijkse leven waar de tweede akte hen toont binnen de context van een door hun opgevoerde toneelvoorstelling. Voor de kijker versterkt deze splitsing het gevoel van de verwarring tussen fictie en werkelijkheid.
Het veristische karakter van de opera is onmiskenbaar aanwezig: liefde, ontrouw, haat, jaloezie en ten slotte wraak. Doch deze gevoelens zijn deels oprecht en deels geacteerd. De laatste woorden van de opera laten de kijker ruimte over voor interpretatie. “La commedia è finita!”, de komedie is voorbij. Richt hij zich tot het publiek, tot zijn vrouw die hij zopas vermoord heeft of gaat hij nog steeds op in de toneelvoorstelling zonder fictie en werkelijkheid te kunnen scheiden?
Muzikaal zijn de veristen weinig vernieuwend t.o.v. de grote Verdi die met werken als “La Traviata” hun overigens reeds de weg had gewezen. De enige verandering die ze aanbrachten, was het weglaten van een grote ouverture en een verkorten van de aria’s om de dramatische spanning zo weinig mogelijk te onderbreken. Maar juist door deze nadruk op dramatiek en door de verhoging van de herkenbaarheid bij het publiek, werd ook de impact op de toeschouwers groter.

MUZIKAAL MINDER GOED GEDIEND
Dat was een jaar later helemaal anders bij de herneming van het duo « Paljas/Cavalleria ». Deze opvoering in de OVV was vooral aantrekkelijk wegens de sfeervolle en rake enscenering van Jo Dua. Er werd getracht een zekere eenheid te scheppen tussen deze twee veristische opera’s waar de jaloersheid centraal staat. Ongebruikelijk opende « Pagliacci » de avond. Bij het slot en de tragische uitroep van Canio « La commedia è finita » verlaat een dorpelinge bedrukt het toneel.
Bij de openingsakkoorden van « Cavalleria Rusticana » ziet men dat dit Santuzza was, zojuist getuige van de fatale afrekening van de jaloerse Canio. Het sfeervolle decor is hetzelfde gebleven en « Cavalleria Rusticana » speelt zich dus af in het dorpje waar de avond daarvóór « Pagliacci » op tournee was. De figuur van Santuzza krijgt hierdoor een extra-dimensie en de tragische afloop van de opera — de dood van Turiddu door haar jaloersheid — is er des te beklemmender door.
Spijtig dat de werken muzikaal minder goed gediend werden. In « Pagliacci » kon het er nog door : Francisco Lazaro was dramatisch zeer expressief als Canio, Louis Manikas heeft de forse bariton voor Tonio en Marion Sylvestra als Nedda boeide door haar onfeilbare techniek en helder timbre. Toch verkiezen wij een meer speelse, subtiele en poëtische benadering van deze rol. Droeviger was het gesteld met de geknepen tenor van Boudewijn van Averbeke (Peppe) en Josef Baert (Silvio) die niet op kon tegen de te forse Nedda.
In « Cavalleria Rusticana » liep echter alles mis. Anne-Marie Antoine als Santuzza hebben wij nog nooit zo slecht gehoord. Onze Belgische prima-donna die dit jaar nochtans als Minnie (« Fanciulla del West ») in Spoleto optrad, is blijkbaar fel op haar retour. Amper nog een schaduw van wat zij vroeger presteerde. Of was zij misschien verkouden ?
Giorgio Aristo heeft blijkbaar een hele weg afgelegd sinds wij hem 5 jaar geleden hoorden in een klein rolletje in « The Student Prince » te Heidelberg. Voor Turiddu is hij toch nog niet helemaal rijp en zijn luide, onsubtiele en larmoyante tenor met een onzekere hoogte kon ons maar matig bekoren. Mireille Capelle had als Lola haar gebruikelijke Zarah Leander-allures. Louis Manikas als Alfio en Christiane Lemaître als Lucia waren de enige lichtpunten in deze « Cavalleria ».
Voor deze veristische opera’s is de dirigent Frits Celis niet de juiste man op de juiste plaats. Koor en orkest kwamen dan ook niet boven routine-niveau uit en verwarden klankvolume met theatrale spanning.

Referentie
Roger De Vocht, Mét boe en bah, De Rode Vaan nr.47 van 1985

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.