Het is vandaag 140 jaar geleden dat de Vlaamse schrijver Gustaaf Vermeersch werd geboren in Veurne…

Zijn vader overleed amper drie maanden na zijn geboorte, zodat Gustaaf een zeer arme jeugd heeft gekend. Bovendien leed hij aan epilepsie en had hij geregeld aanvallen. Hij werd mensenschuw en sleepte zich door het leven dat voor hem een last (*) was. Op twaalfjarige leeftijd ging hij al aan de slag als telegrambesteller. In zijn vrije uurtjes studeert hij Engels, Duits en vooral Frans. Op twintigjarige leeftijd wordt hij treinconducteur. Dat is nu nog altijd geen lolletje, aangezien die geregeld al eens in elkaar worden geslagen door zwartrijders en als je dan toch eens niet met je kloten laat rammelen, dan word je een literair personage zoals Klotenknijper, in het geval van die Nederlandse schrijfster met MS, ik kan niet op haar naam komen (**), maar in die tijd was dat zeker niet om ’t lachen. En al helemaal niet als je epilepsie had. Want doorgangen van de ene wagon naar de andere, dat bestond nog niet: de treinconducteur was verplicht halsbrekende toeren uit te halen, telkens hij in een rijdende trein naar een andere wagon wou overstappen.
Omwille van zijn beroep verhuist Vermeersch eerst naar Ledeberg, daar leert hij de tien jaar oudere Elodie Coart kennen, die hij huwt in 1899. Ze gaan in Sint-Michiels wonen. In die tijd begint hij ook belangstelling te tonen voor de literatuur. Als hij in de Duimpjesuitgave de novelle “De Oogst” van Stijn Streuvels leest, voelt hij de aandrang om het zelf ook eens te wagen. In 1903 schrijft hij zijn eerste verhaal: “Karel de Goede”, een jaar later al gevolgd door zijn (relatieve) doorbraak met “”De Last”, de story van Jan, een geobsedeerde vrijgezel. Hij is een kantoorklerk, maar voelt zich nutteloos. Hij is ook helemaal alleen (zijn moeder ziet hij nooit). Hij is verliefd op Romme, een zéér arm meisje. Hij schaamt zich voor z’n seksuele drift, die het motief is voor z’n huwelijk. Wanneer ze echter bij haar ouders gaan inwonen, krijgt hij een verschrikkelijke afkeer van zijn schoonmoeder, door wie hij wordt getiranniseerd. Op de koop toe kan zijn vrouw hem niet bevredigen. Hij vlucht in de drank, vaak met vechtpartijen als gevolg. Even gaat het beter, wanneer hij met zijn vrouw apart gaat wonen, maar van zodra de schoonmoeder bij hen komt inwonen, is het opnieuw prijs. Ondertussen is hij wel vader geworden en hij houdt erg veel van zijn kind. Dat wordt echter door zijn vrouw (hierin aangemoedigd door haar moeder) mishandeld. Als de buurvrouw aan Jan vertelt dat het niet zijn kind is, maar dat van Stan, een neef van Romme die soldaat is, pleegt Jan zelfmoord.
Het verhaal is in zoverre autobiografisch getint dat men vertelt over Vermeersch dat hij psychologisch impotent was wegens een te grote moederbinding. Zwartgalligheid, angst en walging zijn thema’s die hem tot een voorloper van het existentialisme maken. Toch is hij niet antiklerikaal. Hij geeft geen beschrijving van feiten, maar van gemoedstoestanden. Men wijst vaak op de overeenkomst met het naturalistische proza van Emile Zola, maar diens werk heeft hij pas nadien gelezen.
Vermeersch verhuist (voor zijn werk) naar Wallonië en richt daar Vlaamsgezinde bewegingen op. Zijn volgende roman, “Mannenwetten” (1905), over de uitbuiting van de Brugse kantwerksters, is dan ook positiever en behandelt emancipatie en drang naar revolutie. Tegelijk houdt hij zich echter ook bezig met spiritisme. Een zenuwinzinking brengt hem terug naar Vlaanderen.
In 1910 schrijft hij “Het rollende leven”, het epos van het leven bij de spoorwegen”, waarin hij het trieste leven van een treinconducteur behandelt, inclusief gedetailleerde beschrijvingen van de sociale wantoestanden. Tijdens de Eerste Wereldoorlog was hij een activist. Als op het einde van de oorlog dan ook nog zijn vrouw sterft, wijkt hij veiligheidshalve uit naar Nederland. Hij heeft daar echter geen middelen van bestaan en keert uiteindelijk terug om zich gevangen te geven. Na drie maanden wordt hij vrijgelaten, maar hij blijft natuurlijk straatarm. Daarop neemt een weduwe (Louise Pelicaen) hem bij haar binnen. Hij sterft in Aalst op 10 december 1924. In 1960 schrijft Louis Paul Boon een monografie over hem. Nog later draait Anton Stevens een documentaire over hem.

Ronny De Schepper

(*) Een zinnetje van Wikipedia. Nooit geweten dat men daar zin voor humor had.
(**) Karin Spaink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s