Vandaag is het twintig jaar geleden dat ik de Gentse dirigent Geert Soenen ben gaan interviewen toen hij in de Bijloke Festivalhal voor het eerst een symfonisch orkest dirigeerde. Het Symfonisch Orkest van Vlaanderen had als beleidslijn immers uitgestippeld dat het jonge dirigenten een kans wil geven. Daarom ging ik toen Geert even opzoeken met als onvermijdelijke eerste vraag: hoe jong is jong?

“34 jaar,” zegt Geert Soenen, terwijl hij behaaglijk achterover leunt in zijn ruime living in de Achilles Musschestraat nr.55. Beneden dreunt een house-beat, daar moet zelfs een musicus maar aan wennen.
Voor een dirigent is dat nog jong, beaam ik. Maar volgens Geert is ook daar de cultus van de jeugd doorgedrongen. Het hoeven allemaal geen Roberto Benzi’s te zijn, zoals ik hem in mijn verbeelding nog in zijn korte broek voor het orkest zie staan, maar in zijn klas in Den Haag (Geert studéért nog, musici studeren altijd) zit b.v. een broekvent van 20 en één van de protégés van Simon Rattle (Daniel Harding) is slechts 18.
“Het is de commercie,” zegt Geert gelaten, “net zoals bij de solisten.” En hij denkt net zoals ik aan de Vanessa Mae’s, de Sarah Changs of de Leila Josefowitzen van deze wereld.
Maar heb je om te dirigeren niet een zekere rijpheid nodig?
“Dat vind ik wel. Vandaar dat ik pas op 27-jarige leeftijd, toen ik reeds zes Eerste Prijzen had behaald aan het Gentse conservatorium (notenleer, piano, trompet, muziekgeschiedenis, geschreven harmonie en kamermuziek) met mijn studies ben begonnen. Al heb ik daar achteraf toch wel een beetje spijt van dat ik zo lang heb gewacht. Dat zal een aardje naar mijn vaartje zijn. Die speelde ook altijd op zeker. Maar misschien is het juist dit gebrek aan voortvarendheid die hem parten gespeeld heeft. Dat men gewoonweg niet aan hem heeft gedacht toen het voorbije weekend ‘Radio 3 in Roeselare’ werd georganiseerd! En hij is nochtans een productief componist! Maar hij heeft mij dus nooit gepousseerd, integendeel hij wou dat ik eerst mijn humaniora in het fameuze college van Roeselare afwerkte, vooraleer ik hier in Gent naar het conservatorium zou komen.”
Is het ook door je vader dat je wilde dirigeren?
“Inderdaad, hij was dirigent van de plaatselijke harmonie, maar ik vond dat hij veel meer in zijn mars had. Daarnaast had ik ook een grote bewondering voor Leonard Bernstein, die men – alle verhoudingen in acht genomen – met mijn vader zou kunnen vergelijken. Hij was ook componist en hij was vooral een uitstekend pedagoog (mijn vader is uiteindelijk directeur van de academie in Tielt geworden). Van beiden heb ik vooral onthouden dat men op de eerste plaats musicus moet zijn, dat m.a.w. het dirigeren moet ingebed zijn in een ruimere visie op muziek.”
Dat is bij jou dus duidelijk ook het geval.
“Ik tracht zowat alle instrumenten in het orkest te kunnen spelen, ja. Buiten trompet (mijn vader heeft trompet gespeeld bij de voorloper van het KFOVV) en piano (eigenlijk verdien ik mijn brood als lesgever piano) heb ik ook nog viool en slagwerk gestudeerd b.v.”
En componeren, heb je dat ook van je vader Willy geërfd?
“Niet veel, maar ik zou best wel willen. Ik heb zopas nog deelgenomen aan de Cantabile-wedstrijd voor piano, maar mijn inzending werd niet weerhouden. Wat ik wel vaak doe is arrangeren. Zo heb ik de symfonische bewerking van de muziek van Pitti Polak voor een Proms-concert gemaakt.”
Bij wie ben je destijds orkestdirectie gaan studeren?
“Bij Rudolf Werthen hier aan het KMC. Enfin, officieel toch. In werkelijkheid heb ik hem op twee jaar tijd slechts acht keer gezien! Daarom ben ik nadien overgestapt naar Den Haag bij Ed Spanjaard en Jac van Steen.”
Niet bepaald bekende namen, maar het zijn misschien wel uitstekende pedagogen?
“Beter dan Werthen alleszins! Maar vooral Ed Spanjaard treedt toch wel veel op, hoor. Met zijn eigen orkest, het Nieuw Ensemble, speelt hij vooral hedendaagse muziek en verder wordt hij gevraagd bij zowat alle Nederlandse orkesten, inclusief het Concertgebouworkest.”
Over ronkende namen gesproken, de heer Herbert von Karajan heeft buiten tal van andere misdaden natuurlijk ook op z’n geweten dat de mensen van een dirigent een soort van showman verlangen, terwijl m.i. het voornaamste werk juist achter gesloten deuren, tijdens de repetities wordt geleverd. Dat bij de uitvoering zelf de dirigent zichzelf haast overbodig maakt. Zoals Jos Van Immerseel bij het bisnummer van de Schubert-symfonieën doelbewust het podium verlaat om het orkest op z’n eentje te laten verder musiceren. Maar zoiets kan natuurlijk alleen maar met je eigen orkest, als je met je orkestleden gaat slapen bij wijze van spreken. Of in het geval van Jos, soms ook niet enkel bij wijze van spreken…
Geert lacht: “Ik heb hem dat ook al zien doen, ja, dat verlaten van het dirigeerverhoog, bedoel ik. Maar ik begrijp wat je wil zeggen. Toch denk ik dat het bij Jos óók show is. Maar ik ben het met je eens, vooral omdat ik van mening ben dat dirigeren op de eerste plaats een vak is. Vooral nù, in een tijd dat er steeds minder ruimte is voor voldoende repetities. Tenzij je het orkest door en door kent natuurlijk. Furtwängler b.v. was technisch ook niet zo’n goede dirigent, maar zijn orkest kende hem zo goed dat hij met een oogopslag al gedaan kreeg wat hij hebben wilde.”
“Als je de partituur au sérieux neemt,”
zegt Jos ook nog, “dan kan je niet op een concert plotseling met een idee komen, want dat betekent dan immers eigenlijk dat je te laat bent. Dat idee had je op de repetities al moeten aanreiken.”
Geert Soenen vindt echter dat men door ingrepen op het eigenste moment b.v. de routine bij de musici kan doorbreken. Bovendien speelt ook de akoestiek een rol. Jos Van Immerseel spreekt dit tegen in het Schubert-boek, maar alhoewel ik ondervonden heb dat akoestiek geen exacte wetenschap is, kan ik mij toch wel voorstellen dat je sommige noten in bepaalde ruimten langer laat aanhouden. En tenslotte heeft Soenen uit zijn masterclass bij Ivan Fisher onthouden dat twee tegengestelde opinies even valabel kunnen zijn. Die kan men dan uiteraard niet verzoenen, maar de ene keer kun je voor de ene opteren, de andere keer voor de andere.
Voor Soenen blijft dirigeren dus een vak op zich: “Ik kan begrijpen dat Frans Brüggen op basis van zijn musicologisch opzoekingswerk zich geroepen voelde om zijn eigen Orkest van de Achttiende Eeuw te gaan dirigeren, maar als die dan bij een ander orkest Stravinsky wil gaan doen, valt-ie onherroepelijk door de mand. Het is de taak van een dirigent om de musici naar elkaar te leren luisteren, hen te doen inzien wat dat ene lijntje aan betekenis heeft binnen de hele partituur. Anderzijds mag hij door zijn gestiek het orkest ook niet afremmen als het echt goed gaat. Soms legt een orkest soms z’n eigen tempo op b.v. Ik vind het dan niet aangewezen om daar tegenin te gaan. Al wil ik dit nu ook weer niet absoluteren. Een sterke persoonlijkheid is nooit weg natuurlijk.”
En het werken met solisten?
“Bij voorkeur nodig ik ze bij me thuis uit en neem met hen apart de compositie door. Dat spaart ook veel tijd uit. Voor vrijdag is dat b.v. het geval met Rudy Haemers voor de ‘Ballade voor saxofoon en strijkers’ van Marcel Poot. Wendy Quinlan daarentegen heeft mijn oproepen op haar antwoordapparaat nooit beantwoord. Nu, zelf was ik ook al niet enthousiast over de keuze van het concerto voor fluit en harp van Mozart. Het is zeker niet zijn beste werk. Maar wel één van zijn populairste natuurlijk. Bovendien is het een beetje genant voor de harpiste van het symfonieorkest, die het ook graag had gespeeld, maar Wendy vormt een duo met de Poolse Alicja Zajaczkowska, vandaar. Zelf heb ik deze tot nu, een paar dagen voor het optreden, nog niet eens gezien.”
Door de manier waarop ze elkaar achteraf kusten op het podium zal hen veel vergeven worden… Maar goed, heb je zelf dan geen inspraak gehad bij de keuze van het programma?
“Niet echt, nee. Ik denk dat de keuze gemaakt is door Fabrice Bollon, maar dat die uiteindelijk heeft verkozen zelf niet te dirigeren omdat zijn vrouw alle momenten kan bevallen. Het zijn wel allemaal nogal ‘prille’ werken. Wat ik wel heb verkregen is dat is dat de 8ste symfonie voor strijkers van Mendelssohn werd vervangen door de 12de. Die heb ik al eens gedirigeerd bij het Praags Kamerorkest tijdens het Festival van Vlaanderen (wat me overigens dit contract heeft opgeleverd) en, aangezien al de rest totaal nieuw is voor mij, vond ik toch dat er ééntje mocht bij zijn dat ik al door en door kende. Want het is vooral de symfonie in C van Bizet die mij voor problemen stelt. Interpretatief denk ik wel iets bereikt te hebben, maar de strijkers krijgen hun partij niet echt onder de knie.”
Dat was bij de uitvoering echter niet meer te horen, bovendien was het een zeer dynamische uitvoering, zodat men met recht en rede kan zeggen dat Soenen voor zijn “examen” geslaagd was. Ook op basis van de andere stukken (vooral dan dat van Poot), maar eigenlijk moet men hier wel stellen dat het om de samenstelling van een kamerorkest ging, zelfs al zei Geert zelf: “De samenstelling voor Bizet (met negen eerste violen) was richtinggevend voor de rest van het programma, maar voor Mozart neem ik wel een viool en de derde contrabas weg. Kleiner wil ik het orkest niet maken, want je leest in de ene brief van Mozart dat hij enthousiast is over een uitvoering van zijn werk in een grote bezetting en in een andere brief is hij blij dat het een kleine bezetting is. Het hangt dus af van de interpretatie, van de zaal, van de instrumenten.”
In het seizoen 1999-2000 werd Geert Soenen aangezocht als dirigent van het jeugdorkest van J&M Oost-Vlaanderen en dat is hij dus blijkbaar in 2008 nog altijd.

3 gedachtes over “Twintig jaar geleden: interview met de Gentse dirigent Geert Soenen

  1. Heel toevallig las ik, na al die jaren, nu dit interview.
    Hoe zou het intussen zijn met de schrijver ervan?
    Eigenlijk wel een leuk interview, waarvoor dank meneer De Schepper.
    Toch bemerkte ik enkele zaken die ik anders zou hebben geformuleerd, of zelfs enkele foutjes:
    – Heb geen viool, maar wel wat altviool leren spelen.
    – Dat Werthen geen goede “pedagoog” was, heb ik niet bedoeld; wel dat hij het te druk had om voldoende les te kunnen geven.
    – Ook Jac Van Steen is een drukbezet dirigent hoor! Maar ik zal verteld hebben dat Ed in Vlaanderen, door optredens met het Nieuw Ensemble, toen wellicht meer naambekendheid genoot. Het zijn echter (nog steeds) allebei schitterende dirigenten met een rijkgevulde agenda!
    – Het verlaten van het podium van de dirigent terwijl het orkest verder speelt zonder hem/haar, kan een leuk “showelement” zijn, maar Jos Van Immerseel (die ik intussen in de Vlaamse Opera heb geassisteerd) laat hiermee zien dat het belangrijkste werk volgens hem op de repetities gebeurt. Wellicht is het meteen ook een sympathieke “ode” aan zijn musici: “luister maar hoe goed ze spelen, ook zonder mij”.
    – Aan Frans Brüggen heb ik, toen ik onder zijn leiding “Die Schöpfung” van Haydn heb gespeeld, ook veel geleerd. Lees dus: “indien hij geen techniek zou hebben, dan zou hij Stravinski (of bijv. ook al een 19de eeuwse opera) niet moeten dirigeren, want in dat geval zou hij door de mand vallen.”
    – Wendy Quinlan was heel leuk om mee te werken, en een zeer goeie fluitiste. Op het ogenblik van het interview wist ik nog niet of we op voorhand zouden kunnen repeteren, want toen was nog geen reactie op mijn oproep gekomen. Daarna heel zeker wel!
    – Genant voor de harpiste van het orkest? Welnee hoor, dat is toch heel normaal. Alleen zal ik opgemerkt hebben dat Wendy, als soliste én lid van het orkest, gewoon was om samen te spelen met een harpiste die geen lid was van het orkest en dat dit “voor een buitenstaander” misschien verkeerd kon begrepen worden. Hoewel…
    – De strijkers konden op het ogenblik van het interview de “moeilijkste, meest virtuoze passages” uit de symfonie inderdaad (ook heel normaal) nog niet feilloos gespeeld krijgen, maar zoals de schrijver zegt, was daar op het concert niets meer van te merken: ik heb met plezier met al deze mensen mogen samenwerken!
    Geert Soenen, dirigent

    Liked by 1 persoon

  2. Bedankt, Geert, voor deze aanvullingen. En met de schrijver gaat het goed, dank u, maar het is inderdaad al heel lang geleden dat ik nog eens een voet heb gezet in een concertzaal, dus het is vrij logisch dat we elkaar niet meer tegen het lijf zijn gelopen. Maar ik wens je verder een succesvolle carrière toe!

    Like

  3. Blij om te horen dat alles goed met je gaat! Inderdaad lang geleden dat ik je nog ben tegen gekomen.
    Ik heb net je artikel over muziek en de nazi’s gelezen. Heel interessant!
    Tot nog eens!
    Vele groeten, Geert

    Liked by 1 persoon

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s