Vandaag is het vijftig jaar geleden dat de Opéra Royal de Wallonie werd opgericht.

Ikzelf ben de zaal in Luik pas gaan bezoeken in 1991, het jaar dat door het Orchestre de Liège werd afgesloten met een deficiet van 56 miljoen, zijnde 25 miljoen van het afgelopen jaar en 31 miljoen geaccumuleerd deficiet. Dit deficiet was vooral ontstaan sedert 1989 toen de stad Luik haar subsidies met twee derden heeft verminderd. De Franse gemeenschap had haar bijdrage dan wel opgevoerd, maar niet in voldoende mate om aan de salariaire verplichtingen te kunnen voldoen. Reken daarbij de verwijlintresten omwille van de rijkelijk laat uitbetaalde subsidies (een verwijt dat in élke sector weerkeert) en de som was snel gemaakt. Toch rommelde het in Luik nog niet eens zo hevig als bij het orkest van de RTBF, dat zonder omwegen ontbonden werd. Toen dirigent André Vandernoot kort daarop overleed, titelde “Het Laatste Nieuws” overigens subtiel: “Opzeg orkest RTBF breekt hart dirigent“. In het geval van het Orchestre de Liège werd er niet meteen met opdoeken gedreigd, maar wel met een fusie met de Opéra de Wallonie, die op dat moment net een nieuwe intendant (Paul Danblon) had gekregen en waar men een soort van grote kuis à la “Opera van Vlaanderen” wou houden…
Op 13 september 1991 werd met “Nabucco” dan ook het afscheid van opera-intendant Raymond Rossius gevierd, die deze functie bekleedde vanaf 16 mei 1967, de dag dat de Opéra Royal de Wallonie werd gecreëerd. Als afscheid regisseerde hij de allereerste opera die 25 jaar geleden door de O.R.W. werd opgevoerd. Een grootse enscenering, weliswaar zonder olifanten (zoals in de Bulgaarse “Aida”) of paarden (zoals vorig jaar in “I Pagliacci”), maar toch met Veel Volk, dat voortdurend in rijen marcheerde of patronen vormde op de scène. Echte tableaux vivants die dan ook door aanwezige would-be fotografen in het publiek voortdurend met flashlight op de gevoelige plaat werden vastgelegd. Meestal met instamatic-camera’s, zodat ze bij de ontwikkeling zullen vaststellen dat ze de twee rijen voor hen hebben gefotografeerd…
Want zonder verrekijker was er niet veel te zien van “Nabucco”. De zangers maakten weliswaar wijdse, theatrale gebaren, zodat je toch min of meer kon volgen wie wat naar het hoofd slingerde, maar u begrijpt dat in deze context subtiele nuancering ver te zoeken was. Jammer dat in de voorstelling die ik heb bijgewoond Chris De Moor niet van de partij was, want ik had graag gezien wat deze fijnbesnaarde bas er in zo’n omstandigheden van zou hebben terechtgebracht. Rossius werkte echter met een dubbele cast en in de opvoering die ik meemaakte, was het Alessandro Verducci die de rol van hogepriester Zaccaria voor zijn rekening nam. Zijn landgenoot Alberto Rinaldi kreeg de titelrol toegewezen, terwijl de ongelukkige Ismaele door de Colombiaan Ernesto Grisales werd vertolkt. Bij de vrouwen was Irena Zaric nogal zwak als Fenena, maar dat werd goedgemaakt door Lysiane Léonard als Anna en vooral door Galina Savova die als de geslepen Abigail na een wat aarzelende start het laken naar zich toe trok. Het orkest, gedirigeerd door de Italiaan Anton Guadagno, was in de gegeven omstandigheden uitstekend (Guadagno is ook niet de eerste de beste: hij werkte reeds in alle grote operahuizen en maakte opnamen met zowat alle bekende zangers en zangeressen).
Vrijdag 4 oktober 1991
“Le nozze di Figaro” kende in de opera van Luik een valse start, met een doek dat niet open wilde. Omdat er een grote klok op de scène stond (omdat in de tijd van de “Nozze” ook voor het eerst een klok in een schouwburg hing), dacht ik: “Het was nog niet begonnen en we wisten al hoe laat het was.”
Voor de pauze werd de slechte start van “Le nozze di Figaro” niet goedgemaakt. Dat kwam ook omdat Roger Rossel het (uiteraard niet authentieke) orkest op een eigenzinnige manier leidde en de wisselwerking tussen zangers en orkest niet optimaal was. Om over de klavecimbelbegeleiding van Hilary Caine tijdens de recitatieven nog te zwijgen!
Maar de zangers waren goed en zij hebben op de duur de voorstelling niet enkel gered, maar in een ontroerend laatste bedrijf (herinner u de ontroering van Salieri, zoals die door Murray Abraham gestalte wordt gegeven in “Amadeus”) zelfs nog tot een climax opgevoerd. Sommigen onder hen (zoals de ellenlange Ned Barth als graaf Almaviva) waren wel “van de oude stempel”, waarmee ik bedoel dat zij “mooi zingen” als hun hoogste doel zagen, daarbij vergetende dat ze daarnaast nog moeten acteren. Ik zou in deze kategorie ook Jules Bastin en Mady Urbain (als de ouders van Figaro) kunnen vermelden, maar deze éminences grises zijn in “la cité ardente” boven alle kritiek verheven. Geestig is overigens ook de oorspronkelijke “weigering” van Bastin om met Urbain te trouwen. Dat staat overigens niet in het originele libretto.
Met alle respect voor deze mensen, maar zelf geef ik toch de voorkeur aan jonge, dynamische vertolkers die weliswaar goed zingen (uiteraard, anders moesten ze maar een ander vak kiezen), maar daarnaast toch acteurs van vlees en bloed zijn. Vooral de mij onbekende Christiane Boesiger (Luzern, 1966) ontpopte zich als Susanna tot een flamboyant kruidje-roer-me-niet die haar Figaro (“onze” Werner van Mechelen) zelfs een paar keer met echte, niet gespeelde, klinkende oorvijgen bedacht (tijdens de repetities een beetje stout geweest, Werner?).
Naast haar was er ook nog een uitstekende Andrée François als de gravin en nog een Zwitserse belofte, Brigitte Balleys, als Cherubino. Als je dat echter zo bekijkt, moet je op de eerste plaats toch toegeven welke prachtige muziek die goeie ouwe Woolfie voor deze rollen heeft weggelegd.
IMGZaterdag 21 maart 1992
Bellini’s “Sonnambula” viel in Luik vooral op door het knotsgekke decor van Marie-Claire Van Vuchelen, waarin in het tweede bedrijf b.v. een hyperrealistische boom, een surrealistisch gewrocht en een modern staketsel, dat nog het meeste wegheeft van een tramhalte, “clashen”. Op de maquette (zie foto) mag het er dan nog aantrekkelijk uitzien, geloof me, in werkelijkheid was het niet om aan te zien.
Het seizoen 92-93 was in Luik een overgangsseizoen en, eerlijk gezegd, dat was eraan te merken ook. Rossini’s “La Cenerentola”, een overname van de Opéra de Marseille, heb ik enkel op televisie gezien, maar noch de leiding van Roger Rossel, noch de regie van Charles Roubaud konden mij bekoren, evenmin als de prestaties van Ruxandra Donose (Angelina), Donald George (Don Ramiro), Christine Solhosse (Thisbe), Michel Trempont (Don Magnifico), Isabelle Kabatu (Clorinda), Patrick Delcour (Dandini) en Vladimir De Kanel (Alidoro).
Na haar stage bij ECOV in 1986, moest Isabelle Kabatu in de Elisabethwedstrijd van 1988 met de laatste plaats vrede nemen. Maar dat deed ze niet. Ze stelde zich integendeel heel onsportief op. Bij de prijsuitreiking weigerde ze oorspronkelijk bij de twaalf te gaan zitten en ze ontbreekt ook op de officiële foto achteraf. Op zo’n momenten zie je ook dat het koketteren met religie puur show is, want een dergelijke houding kan men nauwelijks “christelijk” noemen. Ze studeerde opera, lyrische kunst, concert en kamermuziek in Brussel, Mons en Gent (o.a. bij Michel Trempont en Zeger Vandersteene). Vervolmakingscursussen bij Vera Rosza, Elly Ameling, Christiane Eda-Pierre, Jessye Norman en vooral Hendrik Jan Rootering. Was in “Carmina Burana” uitstekend op dreef. Ze denkt van zichzelf dat ze blijkbaar de opvolgster van Jessye Norman is (niet enkel wegens haar uiterlijk, ook haar versie van de negro-spiritual “Nobody knows” b.v., al heeft de Waalse kleurlinge natuurlijk niets van doen met Amerikaanse negerslaven!).
Vrijdag 12 februari 1993
Bellini’s “Il Pirata” in Luik was “le comble“. De muzikale leiding door Yoshinori Kikuchi was om in slaap te vallen en de regie van Albert Voli deed helemaal de deur dicht. Na de schipbreuk verschijnen Ignacio Encinas (Gualtiero) en Daniel Houbrechts (Itulbo) op de scène in groot ornaat, alsof ze net op het punt stonden naar een bal te gaan! Encinas, die voor het Luikse publiek blijkbaar niets kan misdoen want zijn succes was enorm, was trouwens weer buitengewoon slecht bij stem. Hij vond echter een “waardige” tegenstrever in Bruce Kelly (Ernesto). Félicia Filip (Imogène) was nog de beste, want ook Jacqueline Lamy (Adèle) was maar flauwtjes (alhoewel, hoe kon dat anders: de hofdames waren tot een soort van nonnen omgetoverd!). Kortom, het was zo erg dat Wei-Yu Mao (Goffredo) deze keer bij de beteren hoorde! Gelukkig was er nog ons aller Marie-Claire Van Vuchelen “to top it all“. Voor de eerste twee bedrijven had ze een hyperrealistisch decor uitgedacht (weliswaar met een hangend rotsblok dat alle wetten van de zwaartekracht tartte), maar traditiegetrouw brak ze voor het derde bedrijf helemaal met dat realisme en voegde ze er een bloedrode zuil én vloerbekleding aan toe, die bol stond van symboliek (om nog van de “ogen” op de rode achtergrond te zwijgen), maar die de resten van het “multifunctionele” decor belachelijk maakten. Maar dat er ook hier nog gradaties in zijn, bewezen de twee stenen beelden (een vechtersbaas en “a damsel in distress“), die nu eens tegelijk dan weer niet en dan weer één van beide op scène stonden. Misschien stelden de beelden Gualtiero en Imogena voor, maar er zat duidelijk geen systeem in (b.v. het beeld had er kunnen staan als het personage er niet was; maar dat was nu eens wél en dan weer niet het geval). Oh ja, en het Nederlands in het programmaboek mogen we zeker niet vergeten te vermelden. Daarin kunnen trompetten luiden (en klokken ongetwijfeld schallen)!
Het gebeurt wel meer dat er bij een overgang nog bepaalde producties worden overgenomen, maar in het geval van de Opéra Royal de Wallonie gaat het toch veel verder omdat de aanduiding van Paul Danblon veel te laat is gebeurd. Vandaar dat Danblon enkel de tijd heeft gehad om zich met de concerten, het ballet en het zogenaamde Petit Théâtre bezig te houden. In de praktijk blijkt dat echter zo goed als niks te zijn. Wat wel merkwaardig is, aangezien Danblon reeds vanaf 1979 assistent was van Rossius en dus toch tijd genoeg had om zich in te werken. Of zou er dan toch een serieuze competitie geweest zijn met de Fransman Thierry Fouquet, op dit moment artistiek directeur van de Opéra Comique, en de 31-jarige Monegask Jean-Louis Grinda, die nu door Danblon als adjunct-directeur werd aangesteld?
Paul Danblon heeft aan de ULB gestudeerd, maar daarnaast heeft hij ook een eerste prijs behaald aan het conservatorium van Brussel. Hij is verder actief (geweest) als acteur, componist (“Cyrano de Bergerac”, gecreëerd in de ORW), regisseur (o.a. “Aida” en “Pique-dame” in de ORW en “Turandot” in Nantes), maar vooral als programma-samensteller op de RTBF. Bij zijn benoeming was hij dan ook hoofd van de dienst wetenschappen aldaar (met o.a. het programma “Elémentaire mon cher Einstein”).
Rossius spreekt nog eens zijn geloof uit in zijn politiek van bekende producties die op een groot publiek mikken. Hij stelt zelfs vast dat ook in andere opera’s in binnen- en buitenland (“zelfs in Oostenrijk en Duitsland, de rijken van de regisseurs die meer met hun eigen carrière bezig zijn dan met het werk dat ze voor het voetlicht brengen“) het zakelijk beheer opnieuw de overhand neemt op de “caprices” van regisseurs en diva’s. Volgens hem is deze politiek van openbaar nut de enige mogelijkheid om het genre te doen overleven. “Wie zullen na het despotisme van de castraten, van de diva’s, van de dirigenten, van de regisseurs, van een zekere kritiek, morgen de mode bepalen en een nieuw gevaar voor de opera creëren?” vraagt Rossius in een bittere galoprisping zich af.
Danblon van zijn kant zegt van zichzelf: “Je suis un réformateur, pas un révolutionnaire“. Hij heeft dan ook het “Primum non nocere” (vooral geen schade berokkenen) in zijn blazoen geschreven. Dat betekent dat hij – ondanks het feit dat hij het programma ook zal opentrekken naar Russische, Duitse en Engelse werken – vooral de lijn van Rossius gaat doortrekken.
Paul Danblon begon zijn eerste “echte” seizoen in Luik dan ook met “La Traviata” in een Sportpaleis! Om het intimistische karakter wat te overstijgen had Marie-Claire Van Vuchelen weer met stellingen gewerkt, terwijl regisseur Jacques Karpo er overbodige balletten had bijgesleurd. Het was overigens een hernomen regie, nog geprogrammeerd door Rossius in 1989 (is die dan toch niet weg te krijgen?), die nu werd ingestudeerd door Paule Goltier. Anton Guadagno voerde het tempo van het orkest wat op, maar hoe “breekbaar” Felicia Filip ook was, in dat decor was dat onbegonnen werk. De plaatselijke favoriet Ignacio Encinas was Alfredo, maar volgens confraters was hij weer even slecht als altijd. Voor “vader” Marcel Vanaud ging het soms wat te rap, maar geen nood er wordt met een dubbele cast gewerkt: hij wordt afgelost door Mauro Buda, terwijl Carmela Apollonio en Antonius Nicolescu het alternatieve liefdespaar vormen. Zelfs de dirigent krijgt een applausvervanging in de persoon van Patrick Baton: met zo’n naam moet je natuurlijk dirigent worden…
Eén van de eerste verwezenlijkingen van Danblon was dat hij er in april 1995 in slaagde om José Van Dam aan te trekken voor de rol van Scarpia in een voor de rest toch weer slecht ontvangen “Tosca”.
Het seizoen 1995-96 begon traditiegetrouw weer in het Sportpaleis met een massa-enscenering van “Carmen”, die vooral opviel omdat er simultaanvertaling was in het Duits en het Vlaams. Het Vlaams jawel, want ondanks het feit dat er misschien meer Nederlanders dan Vlamingen naar Luik afzakken, werden er volgens de onder(boven)schriften aan de arena van Sevilla “appelsienen” verkocht i.p.v. sinaasappelen!
In januari ’96 werd bekend gemaakt dat in 1997 het ballet van de opera zal worden opgedoekt. Ze namen afscheid met de “moderne” versie van “De Notenkraker” van Tsjaikovski, die wij hadden gezien bij de creatie. Muzikaal was dat toen weer huilen met de pet op. De beperktere formatie van het opera-orkest, geleid door plaatselijk idool Robert Bleser (ooit nog de begeleider van Jacques Brel), zorgde voor een ouverture die gewoonweg vals klonk, iets wat we van professionele muzikanten toch niet vaak zullen durven beweren. Maar ook de choreografie van Jacques Dombrowski was geen voltreffer. De “Notenkraker” overplaatsen naar het Amerika van de jaren twintig was een riskante onderneming, die eigenlijk bij voorbaat tot mislukken gedoemd was, omdat beide culturen haaks op elkaar staan. Toegegeven, de aankleding (Patricia Meus en Michèle Swerts) had een zekere charme (Drosselmeyer als een soort Indiana Jones, de scènes in de nightclub), maar men had die beter opgespaard voor een ander ballet. Bovendien had Dombrowski op een paar cruciale momenten de dans vervangen door een modeshow (de bloemenwals!) of zelfs… body-builders (de arabische dans). De tot leven gekomen “Notenkraker” zelf werd trouwens vertolkt door een turner i.p.v. een danser. Ook hier had men dus meer oog voor het spektakel dan voor intieme schoonheid. Toch een gemeend proficiat voor het benenwerk van Pascale Le Grand als Clara en Sabine Defourny als de moeder.
Een paar maanden later werd de naam bekend van alweer een nieuwe intendant. Het werd de 36-jarige Fransman Jean-Louis Grinda, die reeds sedert 1993 adjunct was van Danblon. Danblon zelf werd nog verzocht om aan te blijven, maar hij had geen zin.

Referentie
Ronny De Schepper, Nabucco als verjaardagsgeschenk, De Rode Vaan nr.7 van 14 februari 1992

Een gedachte over “Vijftig jaar Opéra Royal de Wallonie

  1. Alleen maar lof voor de Opéra Royal de Wallonie. Jammer dat de programmering de laatse drie jaar achteruit gaat: waar blijft Faust? Of weer eens herhaling van het repertoire van Verdi. Hoe dan ça vaut toujours la peine, mijn reis vanuit Bois le Duc in Nederland!
    Jos Jansen

    Liked by 1 persoon

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s