Vandaag is het 110 jaar geleden dat de Amerikaanse actrice Katharine Hepburn werd geboren.

Hepburn was de dochter van een liberale dokter en een suffragette uit Connecticut. Ze kreeg een liberale opvoeding waarin haar geleerd werd altijd voor haar eigen mening uit te komen, zichzelf op alle terreinen volledig te ontwikkelen en door te zetten. In haar latere jaren prees ze altijd haar ouders en benadrukte dat ze alles aan hen te danken had.
Een grote schok voor Hepburn kwam toen haar twee jaar oudere broer Tom zelfmoord pleegde. Ze gebruikte jarenlang zijn geboortedatum en was erg teruggetrokken op school. Pas toen ze op de planken stond, vond ze haar zelfvertrouwen en eigenwaarde terug. Hepburn began to act while studying at Bryn Mawr College. Zo speelde ze o.a. een mannelijke rol in “The truth about Blayds” van Alan Alexander Milne. Haar zelfvertrouwen werd stilaan zo groot dat ze er b.v. niet voor terugschrok om naakt in de fontein van de school te duiken (’s nachts, neem ik aan). Toch zal zij één van de weinige vrouwelijke filmsterren worden die het niét van haar sex-appeal moest hebben.
In 1928 trouwde Hepburn met Ludlow Ogden Smith, die ze tijdens haar schooltijd ontmoet had. Het huwelijk was vanaf het begin niet goed. Hepburn eiste bijvoorbeeld dat hij zijn naam in S.Ogden Ludlow zou veranderen, zodat haar naam niet Katharine Smith zou worden. Het paar scheidde in 1932 en was voor allebei een onbevredigende ervaring geweest.
In 1932 kwam haar doorbraak op het toneel met een rol in het toneelstuk A Warrior’s Husband. De studio RKO bood haar daarop een filmcontract aan en in 1932 speelde ze haar eerste rol op het witte doek in A bill of divorcement met John Barrymore als tegenspeler. Al voor haar derde film – Morning Glory – won ze een Oscar.
Al snel begonnen er echter verhalen de ronde te doen over haar excentrieke gedrag. Zo weigerde ze bijvoorbeeld iets anders dan een broek te dragen – wat in die tijd erg ongewoon was voor vrouwen – en werkte ze niet mee met de pers. Ze stond er ook om bekend per dag acht ijskoude douches te nemen. Geen wonder dat iedereen haar beschouwde als een ijskonijn. Het conservatieve filmpubliek moest niets van dit soort eigenzinnig, feministisch gedrag hebben en Hepburn keerde in 1934 weer terug naar Broadway.
Ook daar speelde ze niet in kassuccessen en ze besloot het toch nog eens te proberen in Hollywood. De meeste films flopten echter, alleen Alice Adams (1935) en Stage Door (1937) waren redelijk succesvol. Nochtans speelt ze ook in Stage Door weer een buitenbeentje. Deze film, gebaseerd op het toneelstuk van Edna Ferber (“Showboat”), geeft een merkwaardig “realistisch” beeld van hoe het eraan toegaat achter de schermen van Broadway. De aanhalingstekens zijn echter op hun plaats aangezien de dialogen zowat honderd jaar op hun tijd vooruit zijn. Jawel, ik schrijf opzettelijk “honderd jaar”, dat betekent dus dat ze ook nu nog steeds hypermodern zijn. Ongelooflijk eigenlijk, vooral dan nog omdat ze in de mond gelegd zijn van een bijna uitsluitend vrouwelijke cast! Maar anderzijds is het adjectief realistisch dan toch weer op z’n plaats, aangezien het geen rooskleurige afspiegeling is van een glitterwereld, maar integendeel een harde, competitieve omgeving, waarbij de meisjes (het speelt zich af in “The Footlight’s Club”, een verblijf uitsluitend voor meisjes en vrouwen) elkaar bittere concurrentie aandoen en desnoods met de verkeerde mannen gaan slapen om aan een (hoofd)rol te geraken.
Toch heeft de film ook iets magisch-realistisch. Zoals gezegd speelt Katharine Hepburn immers weer een buitenbeentje, in die zin dat ze niet als al de andere meisjes arm is en dus een toneelrol nodig heeft om te overleven, nee integendeel, zij is van rijke komaf maar ze wil op haar eigen benen staan en heeft daarvoor – tegen de wil in van haar familie – voor een toneelcarrière gekozen. Ze is er echter helemaal niet geschikt voor: ze beweegt zich houterig en haar dialogen komen ongeloofwaardig over haar lippen. Tot op de avond van de première zelf de succesactrice van het vorige seizoen, die nu helemaal aan de kant is geschoven (rol van Andrea Leeds), haar een aantal tips komt geven. Nadien pleegt deze ontgoocheld zelfmoord en Hepburn wil oorspronkelijk de scène niet op. Haar coach kan haar echter overtuigen en ze geeft een fantastische vertolking weg. Op het einde verklapt ze aan het publiek dat dezen eigenlijk niet hààr maar de overleden actrice aan het werk hebben gezien. Het M-R-effect wordt dan nadien wel in de kiem gesmoord omdat ze inderdaad een succesvolle actrice blijkt te zijn (het is dus niet zo dat ze maar één avond werd “bezeten”), maar toch lijkt mij dit het signaleren waard.
In 1938 werd ze samen met onder andere Marlene Dietrich, Mae West, Fred Astaire en Joan Crawford als box-office poison bestempeld. Upset at the negative publicity that star Katharine Hepburn was receiving in advance of the film “Holiday”, studio boss Harry Cohn proposed to take out an ad in Variety asking “What is wrong with Katharine Hepburn?” Hepburn cautioned Cohn against the idea stating “Look out! They may tell you!” Katharine Hepburn understudied the role of Linda Seton (played by Hope Williams) in the original Broadway play (she also performed a scene from “Holiday” for her first screen test, which led to her first film role). Linda was natuurlijk weer het “buitenbeentje” and loosely based on Gertrude Sanford Legendre, a former débutante who left high society to become a big-game hunter and later spied for the OSS during WWII.
This was the second of four movies pairing Cary Grant and Katharine Hepburn and the third was “Bringing up baby” van Howard Hawks, waarin Katharine Hepburn met haar tijger de beendercollectie van professor Cary Grant om zeep helpt. Dit werd zowat tegelijk het beste en ook het meest bekende voorbeeld van de populaire screwball comedy. Katharine Hepburn vertolkt alweer een levenslustige erfgename die de stuntelige paleontoloog Cary Grant aan de haak wil slaan. Hepburn blijkt de nicht te zijn van mrs. Random, die een miljoen dollar aan Grants museum wil schenken. Haar hond George gaat aan de haal met het laatste been dat Grant nodig heeft voor een brontosaurusskelet. Voeg daar nog een tam luipaard (Baby), een rare majoor en een zatte concierge aan toe en je hebt de nodige ingrediënten voor een echte screwball comedy. Het gekibbel tussen man en vrouw, grappige dialogen, een razend tempo, helse achtervolgingscènes met visuele gags ‑ een overblijfsel uit de stille slapstick comedy ‑ je vindt ze alle terug in deze film. Hepburn en Grant krijgen volop de kans om uit te pakken met hun komisch talent.
Toch vond ze dat ze geen goede aanbiedingen meer kreeg, zodat ze de hoofdrol in het toneelstuk The Phildadelphia Story op zich nam. Het stuk werd een hit en haar rijke minnaar Howard Hughes kocht direct de filmrechten. In 1939 keerde ze terug naar Hollywood om auditie voor de rol van Scarlett O’Hara in Gone with the Wind te doen, maar producent David O. Selznick vond haar niet geschikt.
In 1940 ging de filmversie van The Philadelphia Story in première. Het werd een kaskraker en Hepburn kreeg haar derde Oscar-nominatie. In “The Philadelphia Story” van George Cukor (haar vierde film samen met Cary Grant) mag Hepburn een hele film lang het vrijgevochten (rijke) vrouwtje spelen, maar uiteindelijk kiest ze toch voor de conventie door haar eerste man (Cary Grant) boven de artistieke bohémien (James Stewart) te stellen. Toch is het “progressieve” aan deze film dat Grant (die hierin Katharine Hepburn voor de tweede maal trouwt) zich blijkbaar veel minder zorgen maakt over het dronken nachtje dat Stewart en Hepburn samen doorbrachten dan de oorspronkelijke echtgenoot-in-spe. Dat deze nouveau riche in de macht is van bladen als “Dag Allemaal”, waartegen de Eastcoast-elite (om te weten wat ik onder deze term versta kan ik naar het boek “The age of innocence” van Edith Wharton verwijzen, of beter nog naar de verfilming ervan door Martin Scorsese) samenzweert, wordt al te gemakkelijk als negatief beschouwd, terwijl het anderzijds toch ook zijn afkomst als mijnwerker zou kunnen zijn. Daar stelt men dan tegenover dat de berooide schrijver wél door de betere kringen wordt aanvaard, omdat hij brains heeft. Maar wat dan met de voortdurende toespelingen op het feit dat hij wel eens iets van de bruidschat zou kunnen meepikken. Conservatief is alleszins hoe fotografe-kunstenares Ruth Hussey toch voor de bijl gaat voor Stewart, ondanks het feit dat hij vóór haar ogen een huwelijksaanzoek doet aan Hepburn. Het feit dat Hepburn op vijf minuten tijd driemaal van huwelijkspartner verwisselt, wordt door sommigen wel afgedaan als kritiek op de instelling als een pure bourgeois-instelling en men verwijst daarvoor naar de komedies van Oscar Wilde. Inderdaad, gebaseerd op het toneelstuk van Philip Barry (voor de film bewerkt door Donald Ogden Stewart) zijn het vooral de dialogen die deze screwball comedy redden. En zeker niet de schmalzerige bij de jazz aanleunende muziek van Franz Waxman.
In 1942 speelde Hepburn samen met Spencer Tracy in de film Woman of the Year en ze bleken een gouden koppel te zijn. Ze zouden samen nog acht films maken, waaronder het succesvolle Adam’s Rib in 1949. In “Adam’s rib” van regisseur George Cukor komen Spencer Tracy en Katharine Hepburn als advocatenechtpaar tegenover elkaar te staan in een proces over een poging tot moord. Het geheel mondt uit in een onwaardige farce, misschien omdat de plot de realiteit een beetje te dicht op de hielen zat. Spencer Tracy en Katharine Hepburn hadden immers 27 jaar lang een buitenechtelijke verhouding omdat Spencer Tracy “als goede katholiek” niet van zijn vrouw wilde scheiden. Maar hij wilde “als goede katholiek” wel naast het potje pissen blijkbaar! En dààr gaat nou precies de film over: een vrouw die overspel pleegt, zou er minder makkelijk vanaf komen, zij het dan dat deze stelling juist wordt “bewezen” door het omgekeerde, namelijk een vrouw die haar overspelige man tracht te vermoorden en Hepburn kan een (onwaarschijnlijke) vrijspraak bekomen, waarna voor de foto’s van de verzamelde pers niet enkel het “gelukkige gezinnetje” wordt herenigd, maar ook de minnares krijgt “een plaatsje” binnen het familieportret. De hypocrisie ten top!
Met haar rol in The African Queen maakte Hepburn in 1951 de overgang naar sterke, oudere vrouwen. Haar rol als de ijzeren maagd Rose Sayer naast een dronken Humphrey Bogart als Charlie Allnut leverde haar een vijfde Oscar-nominatie op. “The African Queen” wordt vaak als eerste theatrale kleurenfilm wordt omschreven. “The African Queen” is niet enkel een avonturenfilm, hij is doorweven met humor, spectaculaire fotografie en boeiende acteerprestaties. De fascinerende combinatie van Humphrey Bogart en Katharine Hepburn levert dan ook schitterende dialogen op, die op een sublieme manier in een satire zijn gegoten. De Canadese avonturier Charlie Allnut (Humphrey Bogart) gebruikt zijn oude stoomboot ‘African Queen’ om in Kongo, bij het begin van de Eerste Wereldoorlog, afgelegen dorpen in Oost‑Afrika te bevoorraden. Wanneer Duitse troepen een missionaris doden, aanvaardt Bogart om Rose (Katharine Hepburn), de zeer preutse zuster van de missionaris, terug te brengen naar de ‘beschaafde’ wereld. Bogart en Hepburn moeten het niet alleen opnemen tegen de natuur en de Duitsers, maar ook en vooral tegen elkaar. Het resultaat is een onverwoestbare avonturenfilm, met snedige dialogen en ijzersterke vertolkingen. Gefilmd op locatie geeft deze film mooie sfeerbeelden van Afrika. De kijker wordt meegenomen op een boeiende bootreis tijdens WO I. Deze film gaat dan ook over een reis op de stoomboot African Queen, waar de protagonisten vechten tegen de natuurelementen, de Duitsers en elkaar. Er is vaak gezegd dat “The African Queen” voor John Huston maar een voorwendsel was om in Afrika te kunnen gaan jagen, zoals dat in de latere film van Clint Eastwood, “White hunter, black heart” wordt geschetst. Zoals zoveel dingen in dit leven is deze bewering tegelijk waar en niet waar. Dat het onzin is zoiets te beweren wordt door de lovende woorden van SVB hierboven bewezen. Een dergelijke kwaliteit haalt men nu eenmaal niet als men het filmen zelfs slechts als “een voorwendsel” beschouwt.
Met het nieuwe type vrouw dat ze ging spelen had Hepburn veel succes: in de jaren vijftig kreeg ze nog drie Oscar-nominaties. Ook werd ze nu steeds meer als een symbool van vrouwenemancipatie gezien in plaats van als een arrogante, excentrieke meid. Toch is ze ook te zien in de allerstupiedste anti-communistische film aller tijden: “The iron petticoat” van Ralph Thomas uit 1956 (op het einde van de film zit er zelfs een toespeling op de destalinering). Deze film is zo erg dat ik de namen van alle betrokkenen zeker moet vermelden. Scenarist was de nochtans beroemde Ben Hecht, maar het verhaal was eigenlijk van Harry Saltzman, al kreeg die daarvoor geen vermelding op de aftiteling (maar wel als producer). Saltzman stond hiermee aan het begin van zijn carrière die hem tot producer van James Bond-films zou leiden (typisch!). Dat Bob Hope de mannelijke hoofdrol vertolkte, mag in de gegeven omstandigheden nauwelijks verwondering wekken, maar Katharine Hepburn als de “overloopster”, kapitein Vinka Kovelenko, is een smet op haar blazoen.
In de jaren zestig – met de vrouwenemancipatie op haar hoogtepunt – rees Hepburns ster hoger dan ze ooit had durven dromen. Het begon eigenlijk al op het einde van de jaren vijftig met “Suddenly last summer” van Joe Mankiewicz. Ze kreeg nu “meer volwassen” rollen toegespeeld en met de ouder wordende mrs.Violet Venable, die haar gevecht tegen age and beauty begint te verliezen en daaruit voortvloeiend ook die tegen het gezond verstand, boort ze werkelijk nieuwe horizonten aan. In 1967 won ze haar tweede Oscar voor de maatschappijkritische komedie Guess Who’s Coming to Dinner, wat ook haar laatste film met Spencer Tracy was. In de film die over het vooroordeel tegen gemengde huwelijken gaat, speelt Hepburn een liberale moeder die haar man (Tracy) probeert over te halen in te stemmen met de keus van hun blanke dochter (Katharine Houghton) voor een zwarte man (Sidney Poitier). Een aantal dagen na de opnames daarvan, overleed Tracy. Uit respect voor zijn weduwe woonde Hepburn de begrafenis niet bij. Ook praatte ze nooit over haar relatie met Tracy zolang zijn weduwe nog in leven was. De relatie van Hepburn en Tracy had blijkbaar ook zijn weerslag op het witte doek: ze zijn uitgeroepen tot het filmpaar met de meeste chemie.
In 1968 mocht Hepburn weer een Oscar in ontvangst nemen, deze keer voor de film The Lion in Winter waarin ze Eleonora van Aquitanië neerzette.
In de jaren zeventig werden de filmaanbiedingen voor Hepburn schaarser. Daarom richtte ze haar aandacht op de televisie. Zo speelde ze onder andere in 1973 in The Glass Menagerie, naar een toneelstuk van Tennessee Williams. Af en toe maakte ze nog wel eens een film, zoals Rooster Cogburn met John Wayne in 1975.
In 1981 ontving Hepburn op de indrukwekkende leeftijd van 74 haar vierde Oscar voor haar rol in On Golden Pond. Die film die over een hartverscheurend generatieconflict gaat, wordt beschouwd als een van Hepburns beste films. “On golden pond” is eigenlijk een toneelstuk van Ernest Thompson. In een oud en stijlvol landhuis, bijna volledig omgeven door een door de zon verguld meer, brengen de Thayers trouw hun zomer door. Hij, een teruggetrokken universiteitsprofessor, wordt pijnlijk geconfronteerd met het ouder worden. Zijn vrouw (Katharine Hepburn) is nog even gracieus en dolverliefd, vol energie en levensvreugde. Deze zomer wordt Norman tachtig jaar. Zijn dochter Chelsea en haar vriend komen voor de gelegenheid op bezoek. Hun ware bedoeling is Chelseas dertienjarige zoon daar te droppen om onder hun tweetjes Europa rond te reizen. En alles laat vermoeden dat de jonge Jimmy het zijn pleeg(groot)ouders niet gemakkelijk zal maken…
In 1994 speelde Hepburn haar laatste filmrol in Love Affair van Glenn Gordon Caron, met producer Warren Beatty als hoofdacteur en zijn vrouw Annette Bening uiteraard als tegenspeelster. Eigenlijk is het een remake van “An affair to remember” met Cary Grant en Deborah Kerr uit 1957 en dat was zelf al gebaseerd op “Love affair” met Charles Boyer en Irene Dunne uit 1939.
Vanwege haar hoge leeftijd en steeds zwakkere gezondheid trok Katharine Hepburn zich meer en meer terug in haar huis in Connecticut. De laatste jaren van haar leven wijdde ze vooral aan haar hobby’s zoals schilderen. Ook publiceerde ze een autobiografie (Me) en een boek over het maken van The African Queen (The Making of The African Queen or How I Went to Africa with Bogart, Bacall and Huston and Almost Lost My Mind). Beide waren bestsellers.
Met een acteercarrière van ruim zestig jaar en een recordaantal Oscars, was Hepburn ongetwijfeld een van de meest succesvolle actrices van de twintigste eeuw. In 1999 werd ze zelfs door het American Film Institute uitgeroepen als de Grootste Vrouwelijke Film Legende. (Grotendeels naar Wikipedia)

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s