De Gentse dirigent Philippe Herreweghe (foto Michiel Hendryckx, via Wikipedia), die op 11 november 2009 nog het slachtoffer is geworden van een homejacking (*), viert vandaag zijn zeventigste verjaardag.

Wie had u willen zijn?” vroeg De Standaard aan Herreweghe in het kader van de Vraagstaart van Proust. “God,” antwoordde Herreweghe. Het werd hem van allen kante ten kwade geduid. Sommigen dachten dat het spot en jemenfoutisme was, anderen dachten dat hij van zichzelf reeds vond dat hij God was. Het is nochtans net het omgekeerde: Herreweghe voelt zich steeds onzeker en daarom wou hij boven alles verheven zijn.
Het Festival van Vlaanderen stond in 1995 in het teken van 25 jaar Collegium Vocale. Er werd tegelijk ook een gedenkboek uitgegeven bij Brepols, waarin Stephan Moens gesprekken voert met Bernard Foccroulle, Henri Pousseur, Simon Rattle, Reinbert De Leeuw, Jaap Kruithof, Aad Nuis, Jan van Vlijmen en Anne Teresa de Keersmaeker over de man die aan de oorsprong ligt van dit Gentse koor: Philippe Herreweghe.
In “Muzikale Uitwegen”, zoals het boek heet, zegt Herreweghe o.m. dat het begrip post-moderniteit “een gedeeltelijk negatief beladen concept is, dat bij eenieder spontaan de enigszins lichtzinnige architectuur oproept die eraan refereert. Het woord werd trouwens voor het eerst in de jaren zestig gebruikt als strijdleuze van enkele architecten als Venturi, Rossi, Boffil en Hollein die met de avant-garde en haar steeds hectischer drang naar vernieuwing wilden breken en het recht opeisten vroegere stijlen te pasticheren of te citeren. (…) De kern van de postmoderniteit is het vermeende failliet van de rede. De wetenschappelijke en technische successen, de economische expansie en de groeiende welvaart lopen blijkbaar niet noodzakelijk uit op grotere politieke vrijheid of meer persoonlijk geluk. De sociale ideologieën boekten nefaste resultaten en verloren alle krediet; de politiek verloor elke band met levensbeschouwelijk engagement in de diepere zin van het woord. Steeds meer is de rol van de staat gereduceerd tot die van bankier en sociale regulator. De maatschappij is alleen nog maar markt, zonder enige gemeenschappelijke religieuze, filosofische of ideologische onderbouw. Geen enkele sociale klasse, autoriteit of instantie heeft nog het monopolie van de zingeving. Die is, ook sinds het failliet van de Kerk, helemaal zoek.”
Philippe Herreweghe werd geboren op 2 mei 1947 in Gent. Hij trok reeds op 8-jarige leeftijd naar het conservatorium. Maar zijn echte passie voor muziek ontstond toen hij lid werd van het collegekoor. Het Collegium Vocale is dan ook eigenlijk ontstaan in 1970 als studentenkoor van ongeveer tachtig personen. Herreweghe zelf studeerde in de jaren zeventig tegelijk aan het conservatorium en aan de universiteit (geneeskunde en psychiatrie). Eigenlijk was het zelfs een verderzetting van het madrigaalkoor van het Sint-Barbaracollege, dat hij op 12, 13 jaar reeds leidde. Dat betekent dus dat het eigenlijk een vriendenclub was en dat er nooit een auditie heeft plaatsgevonden. “Dat is misschien wel een mirakel geweest,” zegt Herreweghe in een BRT-programma tegen Johan Thielemans, “want sindsdien heb ik honderden stemmen geauditioneerd en dat doet mij inzien dat ik waarschijnlijk bij toeval op zo’n goeie stemmen ben gebotst. Al speelde de koortraditie in Vlaanderen daarin wellicht ook wel een rol.”
Tegelijk studeerde hij orgel bij Gabriël Verschraegen en clavecimbel bij Johan Huys en door de orgelliteratuur kwam hij in contact met de oude muziek. Daarna studeerde hij piano met Marcel Gazelle, de begeleider van Yehudi Menuhin, en daar maakte hij dan weer kennis met het feit dat het interpreteren van oude muziek in vraag werd gesteld (kan Bach wel op piano e.d.). En via zijn vrouw Ageet Zweistra maakte hij nader kennis met de cello.
“Zoals Harnoncourt met orkest werkt, zo moeten wij dus misschien wel met ons koor gaan zingen,” dacht Herreweghe. En zo werden de vijftien besten geselecteerd: “Niet leuk voor degenen die uit de boot vielen. Ik word er in Gent nog op aangekeken. Maar mijn eigen zus behoorde tot de afvallers. Het had dus zeker niets met vriendjespolitiek te maken.” 6 à 7 mensen zijn er trouwens de volle 25 jaar bij.
“Op vocaal gebied was er eigenlijk geen voorbeeld, tenzij dan solisten als Max van Egmond en enkele anderen, die experimenteerden op vocaal vlak zoals klavecinisten dat deden met hun instrument. Zang zonder vibrato en zo. Het is evenwel niet de bedoeling om reconstruerend te werk te gaan, dus om de muziek te laten klinken zoals die vroeger klonk. We zijn geen antiquariaat. Maar we denken wel dat die muziek het beste functioneert wanneer ze wordt uitgevoerd met de middelen van toen, al was het nog maar via de kleine bezetting omdat die dan beter in balans staat met het orkest. De klank zelf hebben we dan weer gevonden via een extrapolering van de instrumentale klank, b.v. van de orgels en de blaasinstrumenten. Een belangrijke volgende stap was dat ik via Ton Koopman in contact kwam met Gustav Leonhardt in Amsterdam, waar de barokbeweging op dat moment volop bloeide. Van hem heb ik ten eerste vooral het respect voor de muziek als zodanig geleerd. Dat leer je niet in het conservatorium. Daar moet muziek beantwoorden aan het romantische ideaal met virtuozen e.d. En op technisch gebied heb ik vooral van zijn heel speciale ritmiek geleerd. Een soort precisie die nauw verwant is aan jazz, terwijl het conservatorium veel meer harmonisch is gericht.”
Oorspronkelijk verleenden de koorleden hun medewerking gratis zodat het koor ook zonder subsidies kon overleven. Ook nu is het koor nog altijd zelfbedruipend als het Bachwerken brengt (de specialiteit van het huis trouwens), maar volgens manager Stefan Leys is de huidige subsidie onvoldoende als ze meer onontgonnen terrein willen bewandelen. Zo zijn er b.v. compositie-opdrachten gegeven aan Philippe Boesmans en George Benjamin.
Als dirigent is Herreweghe een complete autodidact, op een paar lessen van André Vandernoot na, toen hij ongeveer 20 was. Daarnaast is hij ook nog sedert 1982 muziekdirecteur van het Festival van Saintes en in 1990 werd hij door de muziekpers tot muzikale persoonlijkheid van het jaar uitgeroepen.
In Frankrijk is Herreweghe vooral terechtgekomen dankzij de schrijver-criticus Philippe Beausant die in 1977 de Chapelle Royale heeft opgericht om de oude Franse muziek opnieuw uit te voeren en aan Herreweghe heeft gevraagd daarvan de leiding te nemen. “Ondanks het feit dat ik hier opnieuw een koor moest uit de grond stampen dat dezelfde kwaliteit van het Collegium zou halen, was ik toch zeer optimist, want in België heb ik nooit enige vorm van staatssteun gehad, terwijl dat heel snel in Frankrijk wél kon. Ik dacht dan naïef dat ik ook heel snel aan een gelijkaardige kwaliteit zou geraken. Toen heb ik een tijdlang gewerkt met een bepaald soort professionele zangers om dan na enige tijd in te zien dat het resultaat in feite minder goed was, omdat mensen die uit conservatoria komen dikwijls gewoon misvormd zijn en zeker voor dat soort repertoire. En ten tweede omdat dergelijke mensen natuurlijk als ideaal hebben om solist te worden, liefst in de opera, want daar kan men het meeste geld verdienen. En met die mentaliteit komt men natuurlijk niet ver. Dan heb ik het over een andere boeg gegooid en niet langer getracht een soort van Collegium Vocale Bis te vormen, maar de naam Chapelle Royale is een noemer geworden voor producties zowel op het gebied van Franse barok als voor het werken met een bepaald soort jonge solisten. Mensen die niet gefrustreerd zijn, maar die echt doelbewust meewerken aan een koorproductie. Het gesalarieerd gedeprimeerd pessimisme kennen wij dus niet. Integendeel, toen we ontevreden waren over de moderne orkesten die ons moesten begeleiden, hebben we nog een eigen orkest uit de grond gestampt!”
Ondertussen vindt Herreweghe dat er ook in de negentiende eeuw veel symfonische muziek bestaat die geniaal is en toch niet wordt uitgevoerd. “Er zijn misschien wel wat secundaire meesters die interessant zijn, maar ik ben toch meer van plan om mij bezig te houden met Schubert, Mendelssohn e.d. En na Klemperer is dat een hele opgave geworden! Met moderne orkesten kan men in een bepaalde richting gaan, maar erg ver komt men niet. Het is een beetje zoals men jazz zou proberen uitvoeren met klassiek geschoolde pianisten. Men kan wel uitleggen wat men wil en die pianisten kunnen dat dan wel imiteren, maar echt authentiek wordt het toch nooit. Daarom trachten wij een nieuwe stijl te vinden tussen de vioolschool die gebouwd is rond Sigiswald Kuijken en de moderne vioolschool. En met de blazers is het ook de bedoeling te spelen met instrumenten uit die periode, die noch barokfluiten zijn, noch moderne instrumenten.”
Niet alleen de negentiende eeuwse muziek lokt Herreweghe, hij vertolkt ook steeds vaker muziek uit de twintigste eeuw. Daarvoor doet hij dan een beroep op een ander ensemble van hem: Musique Oblique. “Vele van deze mensen hebben gewerkt met Boulez. Samen verkennen we zowat de klassiekers van de twintigste eeuw. Nu en dan brengen we ook eens een creatie, maar ik leg mij vooral toe op Webern, Stravinsky, Boulez enz., juist om mezelf te wapenen om ooit, laten we zeggen binnen tien jaar, meer actief te zijn op het gebied van de creatie. Ik doe één productie per maand, telkens met een andere groep, en tussendoor werken zij met gastdirigenten zoals Jos Van Immerseel, Reinbert de Leeuw en Peter Eötvös.”
Waarom Van Immerseel bijvoorbeeld?
“Ik bewonder mensen zoals Jos van Immerseel die in een zeer brede wereld leven en de muziek niet vanuit de boekjes kennen, maar die het zelf gedaan hebben. Als die een Schubert brengt, is die twintig keer interessanter dan die van zogenaamde grote dirigenten. Met andere woorden: ik vind het bezig zijn met verschillende stijlperioden juist nuttig.” (Knack, 28/7/1999)
In de Muntschouwburg begeleidde Herreweghe het gezelschap van Mark Morris bij het “Stabat Mater”, een samenwerking die in 1991 in Parijs werd verdergezet met “L’Allegro, il penseroso ed il moderato”. Daar werd dat jaar op initiatief van het Théâtre des Champs-Elysées het gelijknamige orkest opgericht, waarvoor Philippe Herreweghe, die daar sedert 1990 zijn residentie had, als leider werd aangezocht. Het is de bedoeling het repertoire van Haydn tot Mendelssohn uit te voeren op oorspronkelijke instrumenten. Er zijn vijf producties per jaar voorzien, wat in een dertigtal concerten zou moeten resulteren. Hij weigert echter “integrales” te doen, zoals men dat in Frankrijk zo graag heeft. Je bent dan verplicht ook slechte muziek te spelen, vertelt hij in een interview van Stefan Moens in “De Morgen” van 21/6/1991: “Ik doe het niet meer, ik speel alleen nog goede muziek. Desnoods noemt men mij een amateursdirigent (…) met een amateursmentaliteit die ik niet wil verliezen.”
Als gastdirigenten werden Harnoncourt, Brüggen, Coin, Fischer, Rattle en Monica Hugett aangezocht. Uit dat interview leren we verder dat Herreweghe bij de oprichting van zijn Orchestre des Champs Elysées weliswaar voor het eerst (wat de “authentieken” aangaat) met audities heeft gewerkt, maar met dien verstande dat zestig procent van de aanwervingen Fransen moesten zijn. “Het is toch een Frans orkest,” zegt Herreweghe blijkbaar zonder enige terughoudendheid…
In 1991 kreeg hij ook de tweejaarlijkse Grote Cultuurprijs van de provincie Oost-Vlaanderen en in de Munt creëerde hij “Medeamaterial” van Pascal Dusapin (in combinatie met “Dido and Aeneas” van Purcell) en “Mozartaria’s” van Anne-Teresa De Keersmaeker. In 1993 kreeg hij de titel van cultureel ambassadeur.
Sinds het seizoen ’93-’94 is hij zowat “conductor in residence” bij het Filharmonisch Orkest van Vlaanderen, dat hij leidt bij alle concerten in de Bourla-schouwburg. Tegelijk heeft het Collegium Vocale sinds twee jaar zijn residentie in De Singel.
Daarna is Herreweghe Norrington opgevolgd als artistiek directeur bij het Chambre Orchestre of Saint Luke van New York, gespecialiseerd in hedendaagse muziek. “Ik mag (in Saintes) wel hedendaagse muziek doen, maar het budget moet kloppen. Een festival hier wat verder in Royan bracht peperdure producties van hedendaagse muziek, en in de zaal zaten enkel journalisten en de componist en zijn familie. Dat vind ik immoreel.” (Knack, 28/7/1999)
Herreweghe heeft over muziek zo z’n uitgesproken ideeën. Zo houdt hij niet van Franse opera (al heeft hij in de Vlaamse Opera wel “Armide” gedirigeerd), van de missen van Mozart (behalve die in c) en van de opera’s van Händel zegt hij: “Het is mooie muziek, maar ik zou ze nooit dirigeren. Het is lyrische muziek en ik ben meer begaafd voor en heb ook meer plezier in het tot klinken brengen van ‘architecturen’. Dat is misschien mijn Vlaamse aard. Als de structuur van de muziek te eenduidig is, trekt ze me minder aan.”
Een andere uitspraak die stof deed opwaaien was deze: “Opera is zoals de muziek van Nino Rota bij de Fellini-films. Prachtig maar alleen onder die films. Ik zal thuis geen plaat van Rota opzetten.” (Knack, 28/7/1999)
Philippe Herreweghe woont nu in Parijs, waar hij zich fietsend door het verkeer beweegt. Toch komt hij steeds vaker terug naar ons land. Vanaf 1998 werd hij zelfs muziekdirecteur van het Koninklijk Filharmonisch Orkest van Vlaanderen, in opvolging van Grant Llewellyn. Hij is van plan zich te specialiseren in de negentiende eeuw (Bruckner!), weliswaar met uitlopers naar de klassiek en de twintigste eeuw. Voor dit laatste werden echter naast hem toch ook twee “specialisten” aangetrokken: Walter Weller voor de hele twintigste eeuw en Peter Rundel vooral voor het hedendaagse werk (Rundel was o.a. in de Munt de dirigent van “Prometeo” van Luigi Nono).
Eén van de redenen om die overstap te wagen is dat Herreweghe zich de laatste tijd minder thuis voelt in Frankrijk, het land waar hij nochtans zijn ontdekking aan te danken heeft. Dat komt omdat men daar de oude muziek heeft ontdekt in een nationalistisch kader. Een soort van heimwee naar het Ancien Régime “toen het allemaal zoveel beter was”. Toen was de Franse muziek met Rameau, Lully, Couperin en vele anderen alvast meer toonaangevend dan later en had ook een meer eigen karakter, zodat het typisch Franse chauvinisme zich daar nu heeft op geënt. En dat zint Herreweghe niet. Volgens hem is de opkomst van de authentieken een postmodern verschijnsel: reeds vanaf de renaissance had men een blind vertrouwen in de rede, in de jaren zestig komt daarover twijfel te bestaan. Vandaar ook het maatschappelijke engagement. Zo zong het Collegium Vocale z’n eerste Johannespassie in dit kader, wat nu eerder grappig mag overkomen, maar destijds was dit wel degelijk gemeend. Dat bleek ook uit de preek die traditioneel tussen de twee delen thuishoort en waarbij men de oorlog in Viëtnam als onderwerp nam. Anderzijds is dergelijk engagement toch juist niet postmodern, waarbij men niet alleen de rede maar ook de hiërarchie van waarden overboord wierp? De contactstoornis tussen componist en publiek anderzijds uiteraard wél. “Maar nu wordt er opnieuw veel contactgevoeliger muziek geschreven waarin het evenwicht tussen rede en gevoel hersteld wordt. Dat moet voor ons een reden zijn om gas terug te nemen. Onze terugkeer naar de oude kunst was in het begin niet ongezond. Maar ze zou dat kunnen worden – en in sommige milieus is ze dat al. Als ik in de VS en Japan ga rondtoeren met Bachs Hohe Messe of, beter nog, met The Messiah van Händel, dan zouden we allemaal heel goed ons brood verdienen. Maar dat willen we niet. We doen niet mee aan een disneylandizering van de muziek.”
In plaats daarvan wil Herreweghe klaarblijkelijk een religieuze verdieping. Daarmee staat hij tegenover iemand als Paul Van Nevel wiens grootste verdienste allicht is dat hij zijn muziek wil “desacraliseren”. Zijn standpunt is dat de polyfonie op zich waardevol genoeg is en dat de religieuze teksten b.v. er in essentie niet toe doen. Met deze opvatting staat hij dus diametraal tegenover Philippe Herreweghe, die n.a.v. de uitvoering van Mozarts “Requiem” in Kiosk van 9/10/96 verklaart: “Hoe langer ik ermee bezig ben, hoe meer ik ervan overtuigd geraak dat je onmogelijk kan doordringen tot de essentie van vooral Bach, als je die religieuze dimensie mist. Je hoeft daarom niet kerkelijk te zijn, maar wel gelovig, of toch op zijn minst een latent gevoel voor piëteit te hebben. Overigens ben ik van mening dat alle echt grote muziek in wezen religieus is. En dat daarom Bach en Bruckner ook tot de allergrootsten behoren.”
Bovendien voelt Herreweghe zich, net zoals Mortier en Foccroulle, geroepen om ook actief aan cultuurpolitiek te doen. “Ik merk nu dat een deel van mijn job ook is: voor mijn muziek vechten, ook op politico-mondain vlak. Soms denk ik: je wordt corrupt, je compromitteert jezelf. Dat is mijn soixante-huitard-achtergrond. Maar dat is fout. Een genie als Mahler heeft zeer veel van zijn tijd in dergelijke dingen gestopt.” (De Morgen 21/6/1991).
En daarom schuwt hij ook op dit vlak de boude uitspraken niet. Over de museumfunctie van bepaalde orkesten b.v. En over de afwezigheid van een goede concertzaal in Gent. Daar wil hij iets aan doen, zegt hij. Maar betekent dit ook dat hij terugkeert naar België? Meer zelfs, dat hij zich in de “echte” politiek wil engageren? Niet noodzakelijk, zo blijkt, want wat hij zeker niet wil is zo’n zaal exploiteren. Dat kan je niet combineren met muziek maken en dat is nog altijd wat hij op de eerste plaats wil doen.
Anders zou hij misschien terecht kunnen bij de VLD. Tenslotte is de vrouw van Verhofstadt toch sopraan in zijn koor?

Ronny De Schepper

(*) De overvallers zeiden dat ze wisten dat hij een kluis bezat en eisten dat hij ze zou openen. Daar zaten echter alleen maar documenten in. Daarop werden de dirigent en zijn vrouw in hun eigen huis opgesloten en gingen de homejackers er onverrichterzake van door.

Een gedachte over “Philippe Herreweghe wordt zeventig…

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s