De eerste tekenen van dansmuziek vinden we terug rond 1700-1500 vóór Christus in Mesopotamië maar ook in het nabijgelegen Egypte dat de leidende rol in de beschavingsgeschiedenis had overge­nomen, vandaar de vele afbeeldingen van musicerende en dansende vrouwen in een soort van minuscule badpakjes.

Tot in de middeleeuwen zou de dans nog veel magische en religieuze referenties kennen. De zwaarddans b.v. symboliseerde het doden van het voorbije jaar of de strijd tussen leven en dood of de bescherming van bruid en bruidegom tegen het kwaad. Er werd gedanst voor de oogst, voor een huwelijk, voor een nieuw jaar.
De kerk nam terzake een nogal dubbelzinnige houding aan. De Jezuïeten b.v. wendden bepaalde dansen aan om religieuze, morele en didactische ideeën te verspreiden. Sommige priesters richtten grote dansfeesten in, tot in de kerk toe, met de bedoeling de kas te spijzen. Anderzijds waren er ook puriteinen die aanstoot namen aan het zedeloze karakter van de dans en aan de inhoud van de liedjes die daarbij werden gezongen. Vooral gemaskerde dansen waren natuurlijk het terrein bij uitstek voor ongeoorloofd vertier.
In die tijd werden nog vooral rondedansen en kettingdansen uitgevoerd, zoals we ze nu nog zien in de Balkan en in de Slavische landen. Zo b.v. de joodse Hora, de Reigen uit Duitsland en de Carole uit de Provence, die later evolueerde tot de Farandole, een rijdans, en de Branle, een pure rondedans.
In de twaalfde eeuw is er de hoofse cultuur met een cultus van de romantische liefde en op die manier krijgen we een aanloop naar het dansen met twee: de dansende ketting wordt immers opgesplitst in paren van telkens één man en één vrouw die netjes naast elkaar blijven dansen. (Al zien we in films die deze tijd willen evoceren vaak dat de rijen zich in vier opsplitsen, namelijk tweemaal twee: een voorloper van de partnerruil?)
De basse danse uit de Boergondische tijd was al een overgang naar de koppeldans: met langzame statige passen schreden man en vrouw hand in hand voort naast elkaar, afgewisseld met kleine trippelpasjes, waarbij de dansers even op de tenen rezen. Het is dus géén beledigende term, het betekent gewoon dat men geen sprongen maakt.
Ook de contredanse zaait een dergelijke verwarring. Eigenlijk staat de oorsprong van de term zelfs niet helemaal vast. Dat het van het Engelse country dance zou komen, lijkt voor de hand te liggen, maar anderen beweren dat de benaming afkomstig is van het feit dat men tegenover (“contre”) elkaar danste.
De adel en de boeren dansten dus dezelfde dansen, ook al was er uiteraard een verschil merkbaar in de manier van uitvoering, omwille van de kostuums. Op die manier doken hierbij stilaan verfijnde maniertjes op, een vorm van snobisme afkomstig uit Italië.
Een en ander had merkwaardig genoeg ook te maken met een wijziging in de architectuur: de uitvinding van de schoorsteen maakte het niet langer noodzakelijk dat er rond een vuur werd gedanst, tenminste als men binnenshuis danste.
Sommige kerkvorsten lieten zich niet onbetuigd. Paus Leo X (1474-1521) b.v. gaf vaak uitgebreide feesten waarbij naakt werd gedanst. En Cesare en Lucrezia Borgia, kinderen van paus Alexander XI, vonden de “kastanjedans” uit, waarbij naakte meisjes tijdens de dans kastanjes (*) van de grond moesten rapen. Zonder hun handen te gebruiken. Hopelijk moesten ze op die manier ook niet “de kastanjes uit het vuur halen”…
De negatieve faam van Lucrezia Borgia werd in 1993 trouwens bijgespijkerd door de Franse historica Geneviève Chastenet (achterkleindochter van Hypolite Taine). Volgens haar zijn de misdaden die aan de muze van Ariosto, Titiaan en Pietro Bembo worden toegeschreven, eerder het product van vrouwenhaat. Een tegelijk intelligente én mooie vrouw kon men toen immers nog minder velen dan nu. Maar misschien maakt Chastenet wel dezelfde fout? Zij schuift nu immers alles in de schoenen van Cesare, die ziekelijk jaloers zou zijn geweest op z’n zuster (ook seksueel, want de twee hadden een incestueuze verhouding) en haar tot drie huwelijken zou hebben gedwongen, waarvan het eerste op dertien jaar, met vier kinderen als gevolg.
De dans was het theater binnengedrongen via Firenze. Door haar huwelijk in 1533 met Hendrik II introduceerde de 14-jarige Catharina de Medici vele Italiaanse gewoonten aan het Franse hof. Zo had zij een vriendin die steeds als man gekleed liep. Zijzelf reed ook te paard als een man, omdat ze wel mooie benen had, maar geen borsten (daarom ook dat ze de mode van grote décolletées zoveel mogelijk trachtte te ontmoedigen door voor te schrijven dat men een corset moest dragen dat de borsten zoveel mogelijk wegdrukte – de mode van décolletées tot onder de borsten dateert daarom pas uit de barokperiode, als reactie waarschijnlijk). Met dat oogmerk had ze speciaal een broek laten ontwerpen, een soort van “hot pants”, die ook gedragen werd onder de hoepeljurken.
Ook bracht Catharina haar eigen balletmeester mee, waardoor het beroep van dansmeester op korte tijd erg populair werd. Een dansmeester leerde de dames en heren van het hof danspasjes aan, want de gezelschapsdansen werden steeds ingewikkelder en veel oefenen was aangewezen. Zo ontstond in 1581 haar “Ballet Comique de la Reine”, de onmiddellijke voorloper van de barokke “ballets de cour”, echter nog steeds bestaande uit edellieden zelf en niet uit professionelen.
Zo wordt vanaf 1573 aan het Poolse hof de “Polonez” gedanst. Dat de dans vooral bekend werd in zijn Franse vorm als “polonaise”, komt doordat hij erg populair werd toen de Poolse delegatie op de kroningsfeesten van Henri de Valois deze dans demonstreerde. Dat het een plechtige dans is, wordt o.m. geïllustreerd door het feit dat de leider van de delegatie die dame uitkiest die het hoogste is in rang en niet de mooiste of de jongste!
Daardoor verwijderde de hofdans zich steeds verder van de volksdansen, wat op zich niet inhield dat het volk zich hoefde te vervelen. Dansen was immers een uiterst erotische bezigheid geworden. Koppeldansen hadden de rijdansen volledig verdrongen en het kwam er vooral op aan de rokken zo hoog mogelijk te doen opwaaien. En aangezien ondergoed in die tijd nog ongekend was…
Op die manier werd de dreher (een voorloper van de wals) in de ban van de kerk geslagen. Daarbij waaiden de rokken immers ongeveer rond het middel van de vrouw.
Ook de volta was erg populair (o.a. bij Elisabeth I van Engeland), omdat het koppel in een innige omarming onstuimig in het ronde draaide.
In Spanje stonden op het dansen van de sarabande zware straffen, omwille van de lichamelijke directheid.
Toch kon ook het omgekeerde gebeuren: de mazurka is een hofdans, die rond 1600 gegroeid is uit de mazowsze, een boerendans. Dat is te merken aan het feit dat het een parendans is (men kiest hier bijgevolg wél de mooiste en niet de voornaamste), maar anderzijds zijn de elementen die naar paarden verwijzen (het stampen met de voeten of het met de hakken tegen elkaar slaan) eerder van het hof afkomstig.

Ronny De Schepper

(*) Bij John Irving (Owen Meany, p.355) waren het mandarijntjes. En dat was des te merkwaardiger aangezien het zich afspeelt in een stripteasebar in Boston (VS) anno 1961. Je zou toch verwachten dat dit toen – en zeker dààr – streng verboden moet geweest zijn! En voor wie oppert: ’t is toch maar een roman, moet het duidelijk zijn dat Irving bijna voortdurend van autobiografische voorvallen vertrekt.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.