Toen het Speelgoedmuseum van Mechelen dertig jaar bestond, pakte het voor de gelegenheid uit met de tentoonstelling ‘Speelgoedrages’. Die geeft een beeld van de bekendste rages en toppers van de jaren 1950 tot op de dag van vandaag. “Zo springt er in de jaren 1950 vooral de hoelahoep uit, in de jaren zestig was iedereen dan weer gek van de scoubidou en in de jaren 1970 waren de klikklakballen hét hebbeding“, zegt conservator Marc Wellens. Naast het speelgoed zijn het vooral ook de herinneringen die tot de verbeelding spreken bij een bezoek aan deze expo. “Herinneringen aan het speelgoed dat je zelf had of zo graag wilde hebben. Leuke momenten uit iedereen zijn kinderjaren“, geeft Wellens aan. De voorbije dertig jaar werd er in het museum heel wat verwezenlijkt. Met bijna honderd tijdelijke tentoonstellingen, honderdvijftig tentoonstellingen waaraan het museum heeft meegewerkt en ook expo’s in China, Japan en de Verenigde Staten behoort het museum tot de top van speelgoedmusea in Europa. “Gemiddeld hebben wij 80.000 per jaar en ondertussen is het personeelsbestand uitgegroeid tot een dertigtal mensen“, zegt directeur Jef Heylen, de stichter van het Speelgoedmuseum, nu aan L.D.N. van de Gazet van Antwerpen. 35 jaar geleden heb ik hemzelf ook geïnterviewd.

Op speelgoed wordt niet bezuinigd. Dat blijkt niet alleen uit het gesprek met de speelgoedhandelaar dat u elders op deze blog vindt, maar dat zal uzelf ook wel beamen. Er wordt niet bezuinigd op speelgoed, niet wat de kwantiteit betreft en, als het even kan, ook niet wat de kwaliteit betreft. Ook al weegt de decembermaand traditioneel zwaar door op het budget met drie feestdagen tereke (jammer dat tradities zo ingeworteld zijn dat er wellicht niet te denken valt aan een spreiding door b.v. Sinterklaas en Kerstmis op een andere dag te laten vallen, iets waar zowel de middenstanders als de loontrekkenden wel zouden bij varen), dan nog proberen de meeste ouders « voor een glimlach van een kind » het onderste uit de kan te halen. Ook al omdat de schoolomgeving voor een ongewilde (?) concurrentie zorgt en niemand graag heeft dat zijn kind er maar bekaaid afkomt in een confrontatie. Verhalen over hoe onze ouders nog tevreden waren met een sinaasappel en wat speculoos kunnen wel romantisch zijn, maar ze gaan niet meer op in een tijd dat ieder kind alle figuurtjes uit Star Wars wil hebben (150 fr per stuk) of het hele assortiment van Playmobil.
Maar al doet het dan pijn in de beurs, het kindergeluk maakt toch veel goed. En zo is dat al eeuwen het geval. Arm of rijk, slaaf of edelman, ontwikkelingsland of technologisch hoog geïndustrialiseerde maatschappij, het maakt allemaal geen verschil. Speelgoed is van alle tijden. In alle maten en kleuren, dat wel, maar het basisprincipe is steeds hetzelfde. Wie hiervan nog niet zou overtuigd zijn, die wordt dat zeker na een bezoek aan het Speelgoedmuseum in Mechelen. Wij gingen er voor u even ons licht opsteken en kwamen er razend enthousiast vandaan. Afgevaardigde-beheerder Jef Heylen stond er ons bereidwillig te woord, terwijl we uit de catalogus van het museum onze informatie haalden om als aanhangsel « ter lering en instructie » een korte geschiedenis van het speelgoed te schetsen.
« Dat konden wij in onze tijd nog kopen voor een frank »
— Om eens origineel te doen zou ik u willen vragen hoe het allemaal is begonnen ?
Jef Heylen
: Het Speelgoedmuseum is gegroeid uit het Folklorefestival. In het kader daarvan organiseerden wij vier jaar geleden een tentoonstelling gewijd aan het speelgoed die een enorme belangstelling kende. Aangezien er nadien nóg aanvragen waren om de tentoonstelling te bezoeken, hebben we besloten er een museumke aan te wijden. Maar onmiddellijk werd ook daarop enthousiast gereageerd. Vooral van de kant van speelgoedfirma’s. Ons idee is immers steeds geweest oud en nieuw speelgoed naast elkaar te brengen. Uiteraard was dit voor die firma’s interessant en door hun inbreng konden wij er een veel groter museum van maken dan oorspronkelijk gepland.
— Maar anders dus dan een klassiek museum ?
J.H.
: Inderdaad. Zonder daaraan afbreuk te willen doen, moeten we immers vaststellen dat niemand naar zo’n museum gáát. Of toch bitter weinig. Dat ligt natuurlijk ook aan het specifieke onderwerp. Speelgoed daarentegen is iets waar iedereen ooit mee geconfronteerd werd. Daarom hebben we het op een « open » manier willen brengen. Geen heiligdom waar men zachtjes prevelend doorheen schuifelt, maar met ruimte om te spelen of om een glaasje te drinken. Elke zes maand veranderen wij ook de opstelling zodat bezoekers regelmatig kunnen terugkeren. Er is trouwens een steeds wisselende thema-tentoonstelling in het voorste gedeelte. Nu is dat « speelgoed van overal », in samenwerking met Unicef, wat loopt tot 6 mei. Dan wordt dat veranderd in « volksdevotie », daarna « pijp en toebak » en vervolgens « de trein ». Wij hebben ons immers « Centrum voor Speelgoed en Volkskunde » genoemd, daar deze twee onafscheidelijk zijn. Ook het speelgoed verschaft namelijk een overzicht van de sociale geschiedenis. Denken we maar aan het materiaal dat werd gebruikt b.v. of aan de hand van poppenhuizen krijgen we een beeld van de architectuur, enzovoort.
— De makers van speelgoed volgden en volgen de realiteit op de voet ?
J.H.
: Dat is zo. Trouwens de kinderen willen dat zo, ook als er geen speelgoed voorhanden is, maken zij er zelf dat de realiteit imiteert. Dat blijkt b.v. zeer goed uit die tentoonstelling « speelgoed van overal », waarbij men kan vaststellen dat kinderen uit de Derde Wereld zowel auto’s, mitrailleurs en fototoestellen namaken, zaken die duidelijk geïmporteerd werden, als de hutten waarin ze leven en wat meer tot hun eigen leefwereld behoort. Er zijn nog meer verbanden aan te wijzen. Het is b.v. geen toeval dat modelbouwdozen een grote opbloei kennen in een periode van werktijdverkorting. Natuurlijk hebben wij dat didactische element niet te zeer beklemtoond, maar het is wel de bedoeling dat de leerkrachten die hier met hun leerlingen naartoe komen, daarop inpikken.
— Het Speelgoedmuseum richt zich uiteraard niet uitsluitend tot kinderen ?
J.H.
: Het spreekt vanzelf dat iedereen die hier komt iets kan terugvinden waarmee hij zelf nog heeft gespeeld. Dat maakt dat bezoeken in familieverband, laten we zeggen grootvader, vader en zoon, werkelijk een unieke belevenis zijn omdat het speelgoed van iedere generatie hier is samengebracht en er een beter inzicht ontstaat in ieders leefwereld. Ook het financiële aspect trouwens. « Dat konden wij in onze tijd nog kopen voor een frank » en dergelijke.
« Onze Jef heeft iets in het museum staan »
— En dat wordt dan gedaan aan de hand van een twintigtal thematisch ingerichte zaaltjes…
J.H.
: Als je je « Speelgoedmuseum » noemt, dan moet je ook speelgoed laten zien. En speelgoed bestaat in massa, daarom ook dat wij het « massaal » hebben opgesteld. Het is hier geen antiquariaat. Niemand van ons heeft een universitair diploma. We zijn gewoon gestart zoals wij het zelf hebben ervaren. Nu begint de nood van studiemateriaal zich toch al te laten voelen. Heel veel mensen vragen immers documentatiemateriaal aan. Daarom hebben we een studiecentrum opgericht dat onszelf zal documenteren en ook de mensen die erom vragen.
— De geschiedenis van het speelgoed, daar zal wel veel vraag naar zijn, neen ?
J.H.
: Uiteraard, maar dat hebben we reeds voorzien in onze catalogus. Normaal begint een rondleiding door de tentoonstelling trouwens met een diareeks van zo’n vijftien minuten die de evolutie van het speelgoed van in de oertijd tot nu weergeeft. Daarnaast hebben we ook nog een catalogus waarin de afkomst van ons materiaal staat aangegeven. Want wij kopen dat niet, wij hebben dat in bruikleen. Daardoor krijg je immers het effect dat je de gemeenschap mee gaat integreren in het museum. « Onze Jef heeft iets in het museum staan, gaan we eens kijken ? », dat soort betrokkenheid. Het is niet voor niks dat we stilaan zo’n tachtig duizend bezoekers hebben mogen tellen. Vandaar dat we ook zelfbedruipend zijn en dat we geen beroep moeten doen op subsidies.
— Er is zelfs een uitstraling naar het buitenland toe ?
J.H.
: Ja, we komen in aanmerking voor de prijs van het Europese museum van het jaar, een prijs die begin mei wordt uitgereikt in Parijs. Het tofste is echter dat wijzelf van deze prijs niks afwisten, maar dat we vanuit Engeland als kandidaten werden aangewezen. Deze prijs wordt uitgereikt aan musea die de laatste twee jaar hun deuren hebben geopend. Wijzelf bestaan nu achttien maanden en voor het ogenblik komen zo’n vijftig musea verspreid over 21 landen voor de prijs in aanmerking. Of we die prijs nu al dan niet halen is minder belangrijk, het feit dat we in aanmerking komen is voor ons reeds een grote stimulans. Je moet er immers rekening mee houden dat niemand van ons betaald wordt. Iedereen doet dat dus in z’n vrije tijd, met alle problemen vandien.
— Inderdaad. Gaat die toestand houdbaar blijven ?
J.H.
: De tien, vijftien jaar dat ik voor het Folklorefestival werk, leert mij dat je dit zo’n vijf jaar kunt volhouden. Maar daarbij moet je wel in aanmerking nemen dat het de eerste jaren zijn dat je de meeste kosten hebt wat accomodatie betreft. Als je daarbij dan nog loonkosten moet beginnen tellen, dan is dat ondoenbaar. Nu is het eigenlijk zo dat wij betalen om hier te mogen werken, namelijk in de vorm van aandelen. Maar op die manier hebben we toch iets gecreëerd waarvoor men na een jaar of vijf misschien wel een loonkost kan uittrekken. Of beter gezegd : een kostenvergoeding, want een loon is onmogelijk, dat kan niet. Nu werken wij met 25 mensen, vooral vrouwen, en een loon voor 25 mensen uitbetalen, dat kan niet, zelfs niet met 100.000 bezoekers per jaar. Het kan natuurlijk wél als ons de mogelijkheden geboden worden om uit te breiden, want daar zijn we zelfs na die korte periode reeds aan toe. Er zijn immers zoveel mogelijkheden. Volksspelen b.v. We zouden over voldoende ruimte moeten beschikken om de mensen toe te laten daarmee te worden geconfronteerd. Kinderfilms en tekenfilms zouden we toch ook moeten kunnen brengen, vind ik.
Kippen waar je een cassette kan instoppen
— Je biedt ook « pakketten » aan. Wat meer uitleg hierover ?
J.H.
: Ja, de eerste reeks was in samenwerking met het Mechels Miniatuur Theater. Om groepen aan te trekken blijkt er immers nog steeds een grote drempelvrees te bestaan t.o.v. musea. Dit wordt dan ondervangen door zo’n « pakket ». Dat bestond dan uit een bezoek aan het Speelgoedmuseum in de voormiddag, gevolgd door een historische wandeling door Mechelen, zo naar het MMT, waar er dan een voorstelling voor kinderen was. Ongeveer hetzelfde hebben we nadien herhaald, maar dan in samenwerking met het Stadspoppentheater. Nu bereiden we een pakket voor i.s.m. het sportpaleis De Nekker. Dat zal dan beginnen met een toeristische wandeling o.l.v. een stadsgids, omdat dit juist een interessante as is, van de Grote Markt tot hier. Tijdens het bezoek aan ons museum is er dan de mogelijkheid om te picknicken, zodanig dat de namiddag vrij blijft voor allerlei sportmanifestaties in De Nekker. En dat alles voor 120 fr, want we willen toegankelijk blijven voor iedereen.
— Die pakketten vinden wellicht veel aftrek bij scholen ?
J.H.
: Uiteraard. Wij zorgen immers ook voor teksten die als voorbereiding kunnen dienen, verder voor vragen die de kinderen kunnen beantwoorden en ook geven we de leraar een cassetterecorder mee waarin hij dan een cassette met uitleg kan steken. In een later stadium hopen we dat systeem te perfectioneren door overal kippen te installeren waar je dan een cassette kan instoppen. Ideeën hebben we genoeg, maar ja, je moet ook tijd hebben hé ?
— Ja, je moet er vaak als de kippen bij zijn. Nog iets waardoor jullie van een traditioneel museum verschillen, dat is dan het gebouw, waarin jullie een onderkomen hebben gevonden. Normaal stopt men een museum in een oud gebouw of zoiets, maar jullie zitten in een heuse hypermoderne building ?
J.H.
: Puur toeval. Eerst meenden we het op de zolder van het lokaal van het Folklorefestival te doen, maar die ruimte bleek te klein voor de grote respons. Daarom zijn we gaan zoeken welke grote gebouwen van de stad er leeg stonden en dat was het geval met deze benedenverdieping van het Nova-center dat wij huren tegen de symbolische waarde. Voor de stad zijn wij immers een toeristische aantrekkingspool geworden, wat o.a. de middenstand ten zeerste ten goede komt. Maar dat het uiteindelijk dit gebouw geworden is, daar zit dus geen enkele bedoeling achter. Natuurlijk zijn we erg tevreden met de ligging (vlak bij het station Nekkerspoel, red.).
— Hoelang doe je er zo eigenlijk over om het museum volledig te doorlopen ?
J.H.
: Als je op je gemak alles wil bekijken, als er een klein beetje interesse en een klein beetje begeleiding aanwezig is, mag je rekenen op anderhalf uur. Natuurlijk er zijn er ook die er op tien minuten doorstormen, terwijl anderen met een volledige namiddag niet toekomen. Als je de speelhoek en het cafetaria meetelt, mag je toch stellen dat je hier je namiddag kunt passeren met de kinderen. Vooral nu het kouder begint te worden geraken we op zondagnamiddag geregeld aan drie, vierhonderd bezoekers.
— Zullen we dan ook even een kijkje gaan nemen ?
Een reep heet nu « hoola hoop »
Na de tentoonstelling van Unicef waarover we het daarnet reeds hadden, komen we eerst en vooral bij een stand van Lego.
J.H. : Er mag in het museum slechts een stand van een firma komen als ze didactisch werken en laten zien hoe ze gegroeid zijn. Het mag geen trade-mart worden. Maar anderzijds heeft het ook geen zin om hypocriet te zijn. Als je spreekt van « een plastieken bouwsteentje » dan weet niemand waarover je het hebt. Lego daarentegen, dat kent iedereen. Hetzelfde geldt voor Meccano. De merknaam is de naam geworden eigenlijk. Op andere terreinen is dat ook het geval voor « ne Kodak » of « nen Bic ». Nu, Lego heeft dat heel origineel aangepakt : in Legoblokjes zelfs wordt immers het hele productieproces van de steentjes uitgebeeld. In een andere kast zien we de evolutie van de dozen van in 1958 tot nu. En er zijn misschien weinig mensen die dat weten, maar het eerste speelgoed van Lego was in hout.
Bij de eerste stand van het eigenlijke museum valt ons onmiddellijk op dat er ook plaatjes met brailleteksten werden aangebracht.
J.H.
: Ja, en daarnaast is er ook nog een boek in brailleschrift voorzien. Verder zijn er kastjes die voor de blinden kunnen opengedaan worden, zodat ze kunnen voelen wat voor soort materiaal het is. Het is veel interessanter voor die mensen dat ze het zelf kunnen beleven dan dat men ze het altijd moet vertellen. Verder hebben we ook een speciale stand gewijd aan speelgoed voor mindervaliden omdat er in Mechelen ook een speel-o-theek is.
Die eerste stand geeft de meest traditionele spelen weer die eigenlijk nooit veranderd zijn, ook al heet een « reep » nu « hoola hoop ».
In de oude caféspelen is de grens tussen spelen voor volwassenen en voor kinderen helemaal vervaagd : de kegelbaan, de vogelpik,het knikkerspel… Vaak is het zelfs niet uit te maken of het nu de kinderen zijn die in hun spel de volwassenen imiteren of andersom !
Bij de verschillende soorten fietsen, kinderwagens en hobbelpaarden treffen we ook de kinderfiets van Leopold III aan, met op de buis de inscriptie « son Altesse le Prince Leopold » en een « soupape » met een goud kettingske… Daarnaast duiken de eerste treintjes op. Een duik op de knop en sommige beginnen te rijden.
J.H.
: We hebben dit opgevat zoals een kind er zou mee spelen, dat wil zeggen dat er bepaalde wanverhoudingen in zitten. Een grote trein en een klein huizeken b.v. Een kind is immers geen modelbouwer. Daarvoor hebben we trouwens een andere stand, ook al storen maniakale modelbouwers zich zelfs daar aan het feit dat we b.v. een fabriek hebben gezet in een berglandschap, wat uiteraard onwaarschijnlijk is. Het is echter niet onze bedoeling aan modelbouw te doen. We hebben dat — met wat hulp uiteraard — door kinderen zelf laten doen omdat we uitgaan van de fantasie van het kind. En een kind speelt met al wat het krijgt of al wat het vindt. Het is niet alleen in de Derde Wereld dat kinderen speelgoed vervaardigen uit afvalmateriaal, wij hebben ook dergelijke stukken van Belgische kinderen. Het heeft dus geen zin van daar vanuit de hoogte op neer te kijken, onze kinderen spelen óók met een schoendoos…
De Sint niet weggemoffeld tussen bergen speelgoed
Een beetje verder komen we een heuse bouwwerf tegen. « Dat wilden we er per se bij hebben », zegt Jef Heylen, « is immers niet iedere Belg met een baksteen in zijn maag geboren ? »
Ook al zijn we lang geen kinderen meer, we kijken toch onze ogen uit. Naar racebanen b.v. die van kort na de oorlog blijken te dateren en vervaardigd werden in het door de Amerikanen bezette gedeelte van Duitsland. Een beetje verder ontmoeten we miniatuur-racewagentjes die de exacte kopieën willen zijn van de wagens van de vedetten van dat ogenblik. Zo kunnen we in een notedop de evolutie van de formule één-races zien : van de wagen van Stirling Moss over die van Jim Clark naar Jackie Stewart. Bij het bewegend speelgoed bemerken we ook een steenkoolmijn, waarbij de lift werd aangedreven door muisjes die in een tredmolen liepen. Uiteraard zitten er nu geen diertjes meer in… De meeste mijnen liggen immers reeds lang stil. Nochtans… wat horen wij daar ? « Hi ho, hi ho, and off to work we go… » Inderdaad, de zeven dwergen, op weg naar hun werk in de mijnen. Enfin, niet in de mijne, maar in de hunne.
Het blijkt een speciale ruimte te zijn waar de troon van Sinterklaas staat opgesteld. « Ge kunt er voor of tegen zijn », zegt Jef Heylen, « maar de kinderen verwachten dat nu eenmaal en als je hem dan toch brengt dan kan je het beter in de aangepaste sfeer doen en niet weggemoffeld tussen bergen speelgoed zoals het in de grootwarenhuizen gebeurt ».
Van de vreedzame Sint belanden we daarna tussen hele regimenten soldaten van allerlei slag. Een ander discussiepunt wellicht…
J.H. : Er zijn mensen die ons vragen, waarom zet je soldaatjes in een speelgoedmuseum. Omdat het speelgoed is natuurlijk. Als je daaraan iets wil veranderen, is het op de eerste plaats aan de volwassenen om geen oorlog meer te voeren. Uiteindelijk is ook dit het zoveelste bewijs van de invloed van de wereld der volwassenen op het kind. Trouwens bij het binnenkomen heb je wellicht wel de pedagogische borden gezien die werden vervaardigd door het OIVO, een overkoepelende organisatie van verbruikersverenigingen.
Om ons weer onder te dompelen in een bad van vredelievendheid zijn de volgende standen gewijd aan poppen, sprookjes, poppenhuizen en troeteldieren. Deze laatsten in een enscenering die doet terugdenken aan de ark van Noë. Telkens bewegen er een paar elementen. Het is zeker niet spectaculair, maar in de fantasie van de kinderen komt het hele decor dan tot leven. « We hebben het zelfs al meegemaakt », zegt Jef Heylen « dat kinderen ook dieren zagen bewegen, die helemaal niet kónden bewegen… ».
Bij de gezelschapsspelen vraagt hij zichzelf luidop af : « Wie zou er toch op het idee gekomen zijn om voor het eerst een ganzenbord te maken ? Bij sommige spelen valt dit wel na te trekken, steltlopen b.v. dat komt uit de moerassige gebieden van de Landes, maar bij die gezelschapsspelen die toch ook universeel zijn, ligt dat verband veel minder duidelijk ».
Als ik echter een « Ronde van België » zie staan die uit het begin van deze eeuw dateert en waarop men met dobbelstenen het parcours van Cyriel Van Hauwaert of Francois Faber kon nabootsen, dan lijkt me alvast wat dit spel betreft de reden voor de hand te liggen… Er zullen immers altijd wel maniakken bestaan hebben als ondergetekende…
Miniatuurautootjes in Speelgoedmuseum
Vorig jaar stond in ons speciaal Sinterklaasnummer het Mechelse Speelgoedmuseum centraal. Het spreekt vanzelf dat we daar niet ieder jaar uitgebreide aandacht kunnen aan besteden, ook al zouden we dat nog zo graag doen. Want dit jaar b.v. valt er toch ook weer veel interessants te melden over dit speelse museum.
Zo is er vooreerst tot en met 31 januari e.k. een tentoonstelling van miniatuurautootjes te bezichtigen. Hiervoor deed het Speelgoedmuseum een beroep op de mensen van de « Mini-Car-Truck-Show », die b.v. ook reeds een tentoonstelling op het autosalon op hun palmares hebben. Het is dan ook niet niks, vijfduizend autootjes, afkomstig uit privé-collecties en clubs en gerangschikt volgens bepaalde criteria.
Een voor de hand liggende indeling is b.v. die volgens merk, want jawel, er zijn freaks die zich in het verzamelen van één bepaald merk specialiseren. Soms gaan ze daarbij zo ver dat ze de hand weten te leggen op een ontwerp van een wagen die nog niet eens op de markt is. Ook in het Speelgoedmuseum is er zo’n uniek exemplaar te bezichtigen. Toch heeft dit voor ons hoegenaamd niet de magie die racewagens wel bezitten. Maar uiteraard komen ook die ruimschoots aan bod in deze tentoonstelling.
Naast dit « autosalon » is er nog een internationale poppenbeurs van start gegaan. Iemand die het Speelgoedmuseum reeds kent, zal zich allicht afvragen hoe men dit heeft opgelost wat het probleem van de beschikbare ruimte betreft, maar we kunnen de talrijke nieuwsgierigen onmiddellijk geruststellen : er werd nu ook een tweede verdieping van de Nova-building in gebruik genomen. Er is dus geen enkel beletsel meer waarvoor u zou thuis blijven…

Referenties
Ronny De Schepper, Een speelgoedmuseum voor iedereen, De Rode Vaan nr.49 van 1983
Ronny De Schepper, Miniatuurautootjes in Speelgoedmuseum, De Rode Vaan nr.48 van 1984
L.D.N., Speelgoedmuseum bestaat 30 jaar, Gazet van Antwerpen 11 mei 2012
De tentoonstelling ‘Speelgoedrages’ loopt nog tot 6 januari 2013 in het Speelgoedmuseum in de Nekkerspoelstraat 21 in Mechelen.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.