In 1940 schrijft Benjamin Britten (1913-1976) zijn War Requiem, dat echter pas in 1962 voor het eerst zal worden uitgevoerd in de kathedraal van Coventry, die tijdens de Tweede Wereldoorlog was vernietigd. Britten ging uit van de oorlogsgedichten van Wilfred Owen om op die manier zijn pacifistische ingesteldheid uit te dragen. De twee zangers verpersoonlijken een Duitse en een Engelse soldaat, terwijl de sopraan samen met de koren het eigenlijke rouwproces vorm geven. (DSRG, War Requiem in de opera, Het Laatste Nieuws, 22 januari 1994)

Bij ons richt Emiel Hullebroeck in 1940 de “Federatie van Vlaamse Kunstenaars” op en de “Vereniging voor Auteursrechten”, wat dan na de oorlog zal opgaan in het nationale SABAM.
1941 is het jaar van het debuut van Leonard Bernstein als componist met een sonate voor piano en klarinet. Het is echter vooral een jaar later bij zijn eerste symfonie voor sopraan en orkest (“Jeremiah”) dat duidelijk wordt dat hij zich eindelijk aan de invloed van Hindemith weet te onttrekken. Bernstein was echter niet te beroerd om te pikken van minder bekende vrienden. Zo gebruikte hij een thema uit het eerste bedrijf van “Regina” van zijn joodse communistische homoseksuele vriend Marc Blitzstein om een van zijn hits uit “West Side Story” te componeren.
Nog in de V.S. publiceert Stravinsky dat jaar zijn “Pulcinella”, gebaseerd op sonates van Pergolesi. Arthur Benjamin deed eigenlijk precies hetzelfde met Cimarosa, maar toch wordt dit werk verkocht als zijnde het hoboconcerto van Cimarosa, ook al schreef deze buiten zijn sonates enkel vocale muziek (*).
Nog in 1941 werd de Argentijnse jazz-gitarist Oscar Aleman (1909-1980) door de nazi’s verplicht naar zijn geboorteland terug te keren. Hij zou er pas in 1968 opnieuw ontdekt worden (door Duke Ellington). Aleman maakte (o.m. samen met de Belg Robert De Kers) in de jaren dertig deel uit van het orkest dat Josephine Baker begeleidde.
Georg Solti werd geboren in Budapest in 1912 studeerde hij piano, compositie en directie bij Bartok, Kodaly en Leo Weiner. Hij vond dat allemaal eigenlijk vanzelfsprekend en werd pas serieus toen hij naar Salzburg kwam als “Glockenspieler” in de “Zauberflöte” van Toscanini. “Een kinderlijke dictator die om een niets begon te roepen en te tieren,” aldus Solti, “zoiets zou ik nooit doen. Maar hij heeft me wel leren hard werken. Zodanig zelfs dat toen ik in 1939 moest uitwijken en niet meer kon werken, blij was dat ik op dat moment de pianopartituur van vijftig opera’s uit het hoofd kende!” In 1946 wilde hij terugkeren, maar de communistische machthebbers lieten hem weten “hem niet nodig te hebben”. Hij heeft zich dan in Engeland gevestigd en is er muziekdirecteur geworden van Covent Garden. Daarna van de Beierse Staatsopera, artistiek directeur van de opera van Frankfurt en vooral gedurende 22 jaar leider van het Chicago Symphony Orchestra.
In 1950 schrijft Karlheinz Stockhausen (1928-2007) zijn “Chöre für Doris”, het baanbrekende werk voor de elektronische muziek.
In 1952 vindt John Cage de muzikale “happening” uit. Hij componeert immers 4’33”, een compositie waarbij de uitvoerders volstrekt niets hoeven te doen. De gewone geluiden (b.v. het morrende publiek) vormen dan de compositie.
Op 26 september 1957 gaat in New York “West Side Story” van Leonard Bernstein in première. Op 20 december wint Jacques Brel “Le Grand Prix du Disque” met “Quand on n’a que l’amour”.
Op 3 januari 1958 weigert Maria Callas verder te zingen na het eerste bedrijf van “Norma” in de opera van Rome. Zij geeft “een plotse stemverlaging” op als reden, maar algemeen wordt aangenomen dat zij zich beledigd voelde omdat ze het applaus met anderen moest delen en zij naar haar zin onvoldoende werd toegejuicht. Het is een dure liefdadigheidsvoorstelling die helemaal is uitverkocht. De “sjiekere” plaatsen (zoals president Gonchi en zijn echtgenote) houden zich sterk, maar “op den uil”, zoals Het Laatste Nieuws destijds berichtte, braken er relletjes uit tussen voor- en tegenstanders van Callas. Datzelfde jaar was Witold Lutoslawksi’s treurmuziek een niet-seriële dodekafonische reactie tegen het sociaal-realisme dat hem tot dan toe werd opgedrongen.
In 1959 wint Jef Remon uit Temse als Jacques Raymond de “Ontdek de Ster”-wedstrijd van de BRT.
In 1960 maakt ene Solange Corbier zich boos omwille van de “zondagscomponisten” die met goedkope melodietjes in de volkstaal zich een weg tot in het oksaal hebben weten te banen. In haar pré-Lefeveriaanse aanklacht verzucht ze: “Men zingt van du vin et du pain, waarom dan ook niet du boursin?”. Arme mevrouw Corbier, want het ergste moest nog komen. Na het Tweede Vatikaanse Concilie maken immers de zogenaamde beatmissen opgang. En als het dan nog échte beatmuziek betrof (b.v. “Presence of the lord” van Blind Faith) dan zouden we nog zeggen, maar hieronder verstond men scoutsversies van “He’s got the whole world in his hands” of “We shall overcome”!
“We shall overcome” kennen we vooral van Pete Seeger. Die zong op 8 juni 1963 in Carnegie Hall (New York) “Who killed Norma Jean?”, naar het gedicht van Norman Rosten, een vriend van Marilyn Monroe.
Reinbert De Leeuw zette als student in de jaren zestig dan weer het Concertgebouw op stelten door kwakende speelgoedkikkertjes los te laten tussen het orkest.
Geboren in Amsterdam in 1941 was ook Edo De Waart voorbestemd om in de jaren zestig tot de contestanten te behoren, zij het dat het zich vooral beperkte tot optreden zonder rokkostuum als dirigent van het Nederlands Blazersensemble.
Na de dood van Mravinsky werd Joeri Temirkanov muziekdirecteur en Mariss Jansons eerste gastdirigent. Temirkanov behaalde zijn diploma viool aan het conservatorium in Leningrad in 1962. Als dirigent debuteerde hij in de opera van Leningrad, maar na zijn overwinning in de Nationale Directiewedstrijd van 1968 werd hij over heel de Sovjet-Unie gevraagd. In 1971 kwam hij terug naar de Kirov Opera van Leningrad, maar deze keer als artistiek directeur. Hij is ook reeds sedert elf jaar eerste gastdirigent van The Royal Philharmonic Orchestra.
Dirigent-pianist Frederick Jackson was gehuwd met de Australische violiste Margot MacGibbon en stierf in 1972 vóór haar ogen tijdens de uitvoering van Verdi’s “Requiem” in the Royal Academy of Music in Londen.
De Argentijnse Alicia Farace is in 1980 de eerste vrouw die in België (in Brussel met name) een diploma orkestdirectie haalde.
“Platen beluisteren is als de liefde bedrijven met een foto van Sophia Loren.” Met die woorden wees de Roemeense dirigent Sergiu Celibidache alle voorstellen af om platen uit te brengen. Maar toen hij in 1996 overleed, gooiden zijn nabestaanden alle opnamen die van hem waren gemaakt op de markt.
Michel Tabachnik is een Zwitsers dirigent en componist (°Genève, 10/11/1942) die er in 1996 van werd beschuldigd de leider te zijn van de Orde van de Zonnetempel. Zijn ex-vrouw was één van de zestien slachtoffers van de collectieve zelfmoord in de Franse Alpen in 1995. In 2006 werd hij echter vrijgesproken bij gebrek aan bewijzen. Het parket tekende evenwel beroep aan. Het beschouwt Tabachnik als een van de theoretici van de sekte en hij zou met zijn publicaties hebben bijgedragen tot de zelfmoorden. Maar ook in beroep werd hij vrijgesproken en hij leidt nu zowaar het Noord Nederlands Orkest.

(*) Aldus mijn bronnen. Maar wat dan met zijn beroemde concerto voor twee fluiten in G? Is dat dan ook eigenlijk een compositie van iemand anders?

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s