Dit is het fameuze laatste interview dat ik heb gedaan voor De Voorpost, maar dat ikzelf niet heb uitgeschreven. Dat is dan gebeurd door mijn opvolger, wiens naam ik helaas niet meer ken, maar blijkbaar begint zijn naam met “Sa” en “Je”, want de vondst “JaSe en SaJe” waarmee hij ondertekent is helemaal van hem (nog even eraan herinneren dat ik voor De Voorpost onder de naam Jan Segers schreef, vandaar dus JaSe). Het interview met Luc Vermeulen vormde een tweeluik met dat met Lukas De Bruyker en ging onder de overkoepelende titel: “Ken je ze nog? De mannen van Papadock’s?”

Luc Vermeulen werd geboren op 3 april 1947 als zoon van schoenmaker-schoenhandelaar Petrus Vermeulen (nationaal voorzitter van de federatie leder) en Yvonne De Schrijver. Toen woonden ze nog in de Ankerstraat in Sint-Niklaas, maar reeds in 1950 verhuisden ze naar de Zamanstraat waar ze nu nog steeds wonen net als Luc zelf trouwens die sinds zijn huwelijk in dezelfde straat is gaan nestelen. Hij is dan ook een enig kind.
De eerste school die hij van binnen zag was de kleuterafdeling van de Berkenboom waar hij bleef tot en met het tweede leerjaar. Daarna ging hij naar het college waar hij ook de middelbare afdeling (Latijn-Griekse) doorliep. Daarop volgen twee jaar klassieke filologie aan de Gentse rijksuniversiteit, maar hier moet Luc afhaken wegens twee zenuwinzinkingen. Dan volgt bij in Sint-Niklaas twee jaar regentaat voor Nederlands, Engels en catechese. Het is hier dat hij voor Hugo Verbeke (de man die de Sint-Niklazenaars liet kennismaken met de negro-folk) een eindejaarswerk maakt waarin hij de mogelijkheden onderzoekt om folksongs als didactisch hulpmiddel te gebruiken in de lessen Engels.
Zijn beroepscarrière als leraar begint Luc Vermeulen in de RMS en RLS van Kruibeke waar hij godsdienst geeft. Daarna heeft hij echter de kans te beginnen als studiemeester in het college, waar hij ondertussen reeds zeven jaar les geeft: Nederlands in de eerste en derde moderne en godsdienst in de derde moderne. In 1975 huwde hij met Annemie De Sutter, de zuster van Pol De Sutter, de man die met zijn « Xantippe » (Heistraat) de kroegencultuur in Sint-Niklaas op gang bracht, wat in het leven van Luc een grote rol heeft gespeeld. En niet alleen van hem. Met hem zullen velen wellicht nostalgisch op deze helaas alweer teleurgegane periode terugblikken.
Horen doet een baby van bij zijn geboorte. Luisteren moet hij echter leren. Dus ook naar muziek luisteren. Op die manier kunnen we zeggen dat Lucs oren opengaan op twaalfjarige leeftijd als hij ene Elvis Presley uit de bonken van radio’s (zoals die er toentertijd uitzagen) hoort spatten. Kleine Luc schaft zich onmiddellijk een tweedehandsgitaar aan en leert er zelf op tokkelen. Nog steeds onder invloed van Elvis (« Jailhouse rock») sticht hij op 16-jarige leeftijd The Jail Birds met André Vastenaeck, een door Hank Marvin (Shadows) bezeten sologitarist die later nog naam zal maken bij de Dinkies, bassist Paul Vinck (later François Stas) en drummer Eugène De Swarte. Luc neemt de ritmegitaar en de zang voor zijn rekening: « Well it’s one for the money, two for the show, three to get ready and go man go! Well don’t you, step on my blue suede shoes » en weg zijn ze.
Als The Beatles opkomen haakt Luc af. Ook in Sint-Niklaas zullen zich wellicht dus op kleine schaal taferelen hebben afgespeeld die te vergelijken zijn met de heroïsche gevechten tussen Mods en Rockers in Brighton (zoals te zien in de film « Quadrophenia »).
Luc was echter niet alleen een rocker, via de rock’n’roll had hij immers de roots, de wortels, van deze muziek ontdekt: de rhythm and blues en de country and western. Aanvankelijk heeft Luc belangstelling voor beide genres. Hij werpt zich op de country samen met Guido (met de banjo) Lamot, de man van de natuurwinkel, en Herman Vlaeminck, welbekend fotograaf van De Voorpost. Kort daarna begeeft hij zich ook aan de blues samen met Lukas De Bruycker en Erik De Volder die hij heeft leren kennen in jeugdhuis het Centrum (toen nog in de Hofstraat) waar hij met Guido en Herman optrad.
In de beatperiode is er voor beide genres natuurlijk weinig werk. De country-groep breidt dan ook vlug uit met William Van Mullem van de Belzebubs en nog een drummer en bassist, zij herdopen zich The New Belzebubs en soms The New Devils en gaan terug rock spelen op bals e.d.
Diep in zijn hart blijft Luc echter een bluesfreak en wanneer in de Zamanstraat zelf het oude café Zwijgershoekske wordt omgetoverd tot zo’n typische kroeg waarover we het net hadden (nu reeds platgewalst), dan moet Luc natuurlijk zijn steentje bijdragen. Met Lukas en Eric en bassist Bob Aendenboom zullen zij de kroeg muzikaal openen. Noch kroeg noch groep had een naam en toen Lukas De Bruvcker met Papadock’s kwam aandraven werd dat in dank aanvaard, ook door de kroeguitbater die zijn stolpje Papadock’s doopte. Luc vond dat er bij Papadock’s ook nog een soort van beginselverklaring wat hun muziek betrof bijhoorde en dat werd dan BRC: Blues Rocking Corporation.
Zoals we onlangs reeds hebben geschreven waren er heel wat problemen om een vaste bassist op de kop te tikken. Eigenlijk is er nooit één geweest. Het was een voortdurend komen en gaan. Na Aendenboom was een schoonbroer van Lukas aan de beurt, daarna Pierre De Venneman, die van de Waasmunsterse Balalten kwam van Filip Fierens, eigenlijk de ideale man omdat die ook nog saxofoon speelde. Die bleef dan ook het langst bij de groep. En dan kwam — op het moment dat de desintegratie reeds begon in te treden — Wilfried Van den Berghen. Hoe het dan verder met Luc verliep laten we hem zelf vertellen…
11 luc vermeulen– Wat na Papadock’s?
L.V.:
Ik was toen een jaar of 24. Heel juist weet ik dat niet meer. Ik moet wel nog zeggen dat ik de laatste twee jaar bij Papadock’s, met Erik De Volder al aan folksong deed. Gewoon entertainment. Nog niet de wetenschappelijke benadering — dat is wel een groot woord — kom, de traditionele benadering. Wij speelden de skiffle-vorm met washboard en zo. En ik was ook nog niet zo thuis in de folktechnieken en de verschillende genres. Van mijn seminariewerk kende ik al veel, maar dat was allemaal theoretisch. Zelf kon ik dat nog niet produceren. En dat was een klein beetje een uitdaging, ik was weg bij Papadock’s en ik wilde op korte tijd laten zien dat ik opnieuw iets uit de grond kon stampen. Zowat als concurrentie met hen. Ik ben begonnen met een zekere Walter Smet, die heeft nu een winkel in Oosterse spullen in Beveren, en we traden op onder de naam Nameless Limited. Ook weer zo een knotsgek gegroeide naam. Dat was al meer naar de zuivere folk. Walter speelde dan gitaar en banjo. Allemaal een beetje, maar voldoende om samen iets te produceren. Hij was vooral zeer goed in allerlei soorten fluitjes. Hij had blokfluiten in alle modellen. Walter is ook de broer van Dirk Smet die ’t Schipke nog opengehouden heeft. Met Walter heb ik heel wat jeugdclubs uit het circuit gedaan. Ons eerste optreden dat was bij Lon De Pauw op de Velle in de Sint-Martens-Latem-Club, op dezelfde avond als de vernieuwde uitgave van Papadock’s. Bij zover dat we uiteindelijk toch samengespeeld hebben. Een paar nummers. Toen was Papadock’s al met de twee Vandenberghes (*).
– En verder?
L.V.:
Omwille van het feit dat Walter vertegenwoordiger was van een firma in huishoudapparatuur, ging het eigenlijk niet om nog samen verder te spelen. Dan heb ik een tijdje stil gelegen. Ik bedoel met optredens. Maar dan ben ik wel op mezelf verder beginnen werken, dus de stijl uitzuiveren, mijn gitaartechniek veranderen omdat ik eigenlijk helemaal van genre veranderd was. En ook dus meer van elk nummer dat ik aanleerde een soort studiewerk te maken. De achtergrond proberen op te zoeken, de manier uit te vissen hoe ik het zo origineel mogelijk zou brengen. Is het een traditional of geen? Kortom, de kenmerken, zo’n beetje muziekwetenschappelijk, dat is een groot woord, beginnen benaderen. Maar ondertussen werkte ik ook als reporter voor Het Vrije Waasland, zo bleef ik wel op die manier in het circuit.
– Kwamen er optredens?
L.V.:
Ondertussen was ik ook actief geworden bij de verzustering, ik was dat al, maar toen kwam ik meer op het voorplan omdat ik dan nog een bestuursfunctie bekleedde. En via die jeugduitwisseling en via mensen die me daarin kenden, omdat ik tijdens die uitwisseling al eens ’n folkavond gaf of een kampvuuravond, was ik met die folksongs op de toer van jeugdverenigingen en jeugdhuizen geraakt. En dat is hoofdzakelijk wat ik nu nog doe. Omdat dat dit ook een dankbaar publiek is: die willen er nog iets van opsteken, die bekijken dat niet alleen als een avond amusement. Ik had toen ook geen groep meer. Ik moet dit wel zeggen: het meeste seucces dat ik al gehad heb, is in jeugdhuizen buiten Sint-Niklaas, o.a. in Puurs en Bornem. Ik treed daar dan meestal op via leerlingen uit het college die dat dan komen vragen. Ik zoek werkelijk niet naar optredens. Voor mij is dat zuiver amusement. Ik kom op het podium en ik vertel iets aan de mensen over de nummers die ik speel, het is dus een stuk wegwijs maken in het gebied van de Angelsaksische folk, vooral de Amerikaanse.
Mijn laatste optreden, dat was hier in het centrum, in De Eglantier. Ik moet zeggen dat dit het eerste prachtige optreden in Sint-Niklaas was, ik bedoel wat respons met het publiek betreft, dat ik hier in dit genre gehad heb. Ja, dan ook eens in de stadsschouwburg voor een scoutsgroep en een schoolkrantje. Dat was een heel goed optreden, maar er was wel een beetje rumoer in de zaal, ja … De combinatie was niet zo goed. Het was met Lieven (Coppieters), die het ook niet zo gemakkelijk had, en met Anonymus. En voor die laatsten waren de meesten gekomen.
Dit kan ik er misschien nog bij vermelden: ondertussen was er bij ons in school van de leraars uit een dixieland-groepje gevormd, de naam is « The Saint-Joseph Episcopal Swinging College Band » of zo. Dat is meer voor de lol onder elkaar. Daar ben ik ook weer eens bij. Op het ogenblik ligt dat wel een beetje stil maar dat komt wel terug. We hebben dan, via Eddy Allcock, nog een band opgenomen voor een kindertoneelstuk van Marc De Decker. We hebben ook eens één keer opgetreden op onszelf. Dat was voor de collegeshow « Vijgen na Pasen ».
– Hoe zie jij nu de tijd van Papadock’s?
L.V.:
Ik kijk daar nog altijd, muzikaal gezien, naar terug als een heel toffe en interessante periode. Wat wij muzikaal gepresteerd hebben, dat vond ik tof. Tenslotte speelden wij bijna altijd eigen nummers. Blues en boogie is natuurlijk altijd opgebouwd in een vaststaand akkoordenpatroon, maar met enorm veel mogelijkheden. Je kunt je er als muzikant enorm in uitleven.Vooral als je erin bent, zoals wij zeggen onder mekaar. Maar ook tegelijkertijd, vooral de eerste drie jaren maar later minder, was dat een fantastische periode wat kameraadschap betrof. Daar kijk ik nog altijd op terug ondanks hetgeen achteraf gebeurd is. Ik beschouw ze nog altijd ergens als mensen waarmee ik zeer goed opgeschoten ben en die mekaar wederzijds muzikaal wel beïnvloed hebben. Voor mij is dat geen jeugdsentiment maar een heel rijpe periode, vooral wat podiumervaring betreft, ook van plezier dat we samen gehad hebben. Want dat was toch de oorspronkelijke bedoeling: we speelden en we wilden mensen bezig houden, maar we wilden vooral plezier maken en ons uitleven.
– Eigen werk? Van wie dan?
L.V.:
Eigenlijk van iedereen wat. Iemand had een idee en we maakten samen op de repetities de eigenlijke vorm en de arrangementen. We probeerden er ook wat ludieke elementen in te steken. Kom, dat groeide tussen pot en pint. En tussen de piano en de versterkers. Ik kan dat zo het best omschrijven.
– Volgens Lukas De Bruyker zou jij niet bezeten geweest zijn door die creatieve drang (zie deel 1)
L.V.:
Ja, dat is te zien wat hij bedoelt met die creatieve drang. In de periode dat ik met hem gespeeld heb, weet ik toch niet bepaald wat hij buiten Papadock’s deed. Er is wel van in het begin een tendens naar het cabaret geweest en dat lag mij niet. Dat moet ik wel toegeven. Op dat punt waren Erik en Lukas inderdaad bezeten. En dat is wel begonnen, denk ik, nadat we twee jaar samenspeelden. Vandaar ook dat in onze optredens altijd van die nummers zaten. Die deden Erik en Lukas dan.
– Nu is Erik de vedette (zie deel 1) terwijl jij eigenlijk de meest merkwaardige was. Je bent we nog actief maar eerder in de schaduw.
L.V.:
Ik zoek het ook niet. Ik blijf ergens bewust in de schaduw. Ik had wel een bepaalde motivatie. We hebben er eigenlijk nooit over gepraat. Maar ik heb wel ervaren dat ik op een bepaald moment voor Erik en Lukas ergens, ik wil dat niet negatief laten klinken, een beetje een blok aan het been begon te worden. Ik dacht nogal rechtlijnig over het genre waarin ik wilde blijven. Mijn idee was om in de blues en boogie te blijven met eventueel ook een verschuiving naar de folk toe. Wat hen blijkbaar niet meer zo interesseerde. En op een bepaald moment kwam er de gedachte bij om professioneel te gaan en toen heb ik zelf gezegd dat mij dit niet lag. Ik wilde in het onderwijs. Daar heb ik voor gekozen, dat lag mij méér. Ik zocht geen professionele muzikant te worden. Dat was één van de redenen waarom ik me teruggetrokken heb.
– En jij hebt daar, met het succes van De Volder, geen spijt van?
L.V.:
In mijn keuze niet. Ik kan nog altijd met hetzelfde ideaal werken. Ik breng muziek zoals ik ze graag hoor, waar ikzelf honderd procent achter kan staan. Ik doe dat voor mijn amusement. En daarom stoort het me enigszins dat Lukas De Bruycker het woord egotrippen vernoemt. Bij mij is dat geen egotrippen. Het is niet voor mezelf dat ik op het podium zit. Ik zit daar wel degelijk voor het publiek. Ik wil iets meedelen misschien geen engagement in politieke zin maar wel de mensen iets leren kennen via die muziek. En toch ook amusement brengen. Meer zoals de Amerikaanse en Engelse folkzangers doen. Ik wil dit nog graag zeggen: ik heb nog altijd geen spijt dat ik eruit gegaan ben. Omdat ik ook dacht dat als Erik en Lukas een andere richting uit wilden, dat ze het ook moesten doen. Ik heb hen dat nooit vlakaf gezegd, maar dat speelde voor mij ook mee. Het was wel enigszins een desillusie omdat ik gewaar werd dat ik niet meer verder mee kon. Dat heeft misschien een maand of twee geduurd voor ik daardoor was. Ondertussen was ik allang met iets anders bezig. Eén ding vind ik wel spijtig, als Erik De Volder ergens geinterviewd wordt, vermeldt hij zichzelf altijd als de vedette van het begin. En hij vergeet de anderen wel.
– Lukas stelt voor om nog eens als Papadock’s samen te spelen… Wat denk jij hiervan?
L.V.:
Om zo nog eens een keer samen te spelen en ook voor de mensen die ons vroeger hoorden, dat zou ik wel willen. Maar dan niet zo één keer samenkomen, maar wel als resultaat van een paar zware repetities. We moeten toch iets op elkaar ingespeeld zijn zodat het niet te rommelig wordt. Lukas heeft mij daarover gecontacteerd en dat was voor de Gentse Feesten. Ik had dat graag gedaan, maar het was ook op het allerlaatste moment en ik zat dan langs alle kanten vast. Ik wil het wel nog doen, maar het moet dan iets degelijks zijn en niet amateuristisch. Het is ook zoveel jaren geleden wat wij allemaal samen gedaan hebben.
– Dat groepen uit elkaar gaan, daar kan men niets aan doen. Maar van The Beatles bijvoorbeeld zijn er een honderdtal platen en van Papadock’s is er niets. De reünie van The Pebbles zal einde juni uitmonden in een live-lp (**). Hoe zou jij daar tegenover staan?
L.V.:
Ja, ten eerste: hoeveel zin zou dat hebben? In mijn ogen is Papadock’s, en dat is dan wel heel persoonlijk, nooit iets geweest om in de platenwereld te gaan. Voor mij was dat een gebeuren. En ik vind dat nog altijd tof dat, ondanks het feit dat er geen platen zijn, iedereen er nog over spreekt. Het is wel degelijk een gebeuren geweest. Maar om nu te zeggen van een plaat op te nemen … Ik denk zelfs dat dit zou tegenvallen. Omdat het vooral een inspelen op het publiek was, over het algemeen. Of op een hoop aanhangers, ja … Er bestaan enkele knotsgekke bandopnames. Ik zou er zelf niet om staan springen om een plaat te maken. Ik weet ook niet in hoeverre die afname zou hebben. In mijn ogen was dat altijd een soort happening met plezier van beide kanten. Maar op de plaat zou dat tegenvallen. Het zou niet áf zijn. Bij Erik en Lukas waren er wel die professionele ideeën om iets op plaat te zetten, maar bij mij was dat er niet. Maar nog eens samenkomen met de ervaring die iedereen nu heeft, ik denk wel dat dit een goed resultaat zou geven. Ondanks het feit dat wij allemaal een verschillend genre zijn uitgegaan, hebben we toch meer podiumervaring. Maar nog eens, dan zullen we een paar keer goed moeten repeteren. Ik bijvoorbeeld ben helemaal uit dat genre weg. Alhoewel ik het wel nog eens gedaan heb, boogie spelen. En na een kwartier was ik er helemaal opnieuw “in”. En als het zover zou komen, wat er ook gebeurd mag zijn, dan liefst met Erik De Volder erbij omdat die in het begin erbij was. Ik heb tenslotte niets tegen hem, hij was iemand en hij had iets te bieden. Hij is, denk ik, nog altijd sterk links geëngageerd, politiek gezien. Dat was vroeger misschien niet zo uitgesproken maar dat is altijd meer naar voren gekomen.
– De Bruyker is ook nogal links geëngageerd. En jij?
L.V.:
Ik denk dat hij sterker doorgezet heeft wat vroeger al bij hem bestond.
12 annemie de sutter en luc vermeulen– Hoe kijk je daar zelf tegen aan?
L.V.:
Luister, ik heb ook ergens mijn overtuiging. Hoe moet ik dat zeggen? Ik heb ook mijn visie op de maatschappij. Maar die is dan niet extreem links. En dat heeft ook eigenlijk niets te maken met mijn muziek. Ik denk dat het zoiets is zoals bij Martin Carthy, als ik die man goed begrijp. Die wil op zijn manier iets wetenschappelijks brengen op de eerste plaats. Hij is volgens mij ook de man die het meest poogt zo « traditioneel » mogelijk te werken. Dat is in feite een engagement in de muziek en niet in de politiek. Ik heb ook nooit in mijn muziek « politiek » engagement gewild. Toch niet uitgesproken links of rechts. Het enige wat mij interesseert is wat scheef gaat in de maatschappij. Persoonlijk bekijk ik dat als christen. En soms, als er een goede respons is bij mijn optredens, komt dat wel te pas en dan zeg ik dat vlakaf: kijk, ik ben christen en dat is mijn visie en dat gaat verkeerd in onze samenleving. Werkloosheid en dergelijke zijn problemen die in folksongs reeds voorkomen. Botsingen in de maatschappij, ook oorlogen. Bijvoorbeeld, op dit ogenblik ben ik nogal sterk geïnteresseerd in folksongs van rond de sessieoorlog in de V.S. Maar dat is eigenlijk zuiver een economische crisis en dus zuiver een economische oorlog geweest tussen het noorden met zijn zware industrie zonder slaven en het zuiden met zijn katoen- en andere agrarische industrie die zuiver op slaven steunde. Vanuit dat soort optiek ga ik dikwijls eens in mijn bindteksten het accent leggen op wat nu gebeurt in de maatschappij. Maar om te zeggen dat ik mij nu links of rechts politiek opstel, nee. Ik geloof niet zo heel sterk in « politiek », eerlijk gezegd. Ik geloof meer in het beginnen van man tot man, van deur tot deur, zonder te zeggen: ik ben communist of ik ben dit of dat.
– De Bruyker verwijt bij jou en bij De Volder het gemis aan politiek engagement…
L.V.:
Ik vraag me af of het noodzakelijk is om in je muziek een politiek engagement naar voren te brengen. Er is een periode geweest in de muziek dat zoiets werkelijk meespeelde, maar ik denk dat het nu voorbij is. Er zijn nu eerder twee richtingen, denk ik. Ofwel ga je in de echte popbusiness, die nu échte business is. Ofwel speel je muziek op mijn manier. Misschien met af en toe een beetje engagement. Bijvoorbeeld: ik wil mijn vooral Amerikaanse folksongs zo traditioneel mogelijk brengen, met zoveel mogelijk achtergrondinformatie. Dat is dan een ander soort engagement. Ik heb de indruk dat politiek engagement voor een stuk aan het verdwijnen is. Of meer aan het verschuiven. Niet van « ik sta in een linkse richting of een rechtse ». Gewoon van reageren tegen wat er fout is. Dat mag wel eens gezegd worden, zoiets. De actuele problemen zoals milieuverontreiniging en kernenergie. Misschien omdat dat de jonge mensen meer aanspreekt dan in een doctrinaire richting te stappen. Dat is toch mijn ervaring op school.
– Als slot wat zijn je toekomstplannen?
L.V.:
Gewoon verder werken zoals ik nu doe. En nog veel thee drinken, want bier is slecht voor de lijn!

Referentie
JaSe en SaJe, Luc Vermeulen: engagement hoeft niet, De Voorpost, 9/11/1979

(*) Alhoewel er op een bepaald moment ene Wilfried Van den Berghe bij Papadock’s heeft gespeeld, die nadien met zijn broers een groep heeft gesticht, denk ik toch dat Luc hier eerder de broertjes Vercruyssen bedoelt.
(**) Die live-elpee is er helaas nooit gekomen.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s