Het is vandaag 190 jaar geleden dat Ludwig van Beethoven is gestorven.

Tegenstanders van abortus komen meestal met het volgende “dilemma” voor de dag: aan een professor vraagt men “Wat zou u doen in volgend geval: in een familie waarvan de vader een syfilislijder is, het eerste kind blind, het tweede éénbenig, het derde tuberculoos en het vierde mentaal gehandicapt wordt een vijfde kind verwacht?” De professor antwoordt natuurlijk: “Ik zou abortus toepassen.” Waarop dan triomfantelijk volgt: “Goed zo, u vermoordt Beethoven!”
Ludwig van Beethoven was de zoon van de Rijnlandse zanger Johan van Beethoven en zijn echtgenote Magdelena Keverich. Zijn grootvader, Lodewijck van Beethoven, kwam uit Mechelen en vestigde zich later in Bonn.
Beethovens vader trachtte van zijn zoon Ludwig, in navolging van Mozart, een wonderkind te maken, nadat hij had gemerkt dat de jongen een grote muzikaliteit aan de dag legde. Een moeilijke jeugd waarin armoede een rol speelde en een vader die geregeld dronken was er in alvast één van de vele biografische films die ik over Beethoven heb gezien verantwoordelijk voor was dat hij later doof zou worden (door de slagen op zijn hoofd).
Op elfjarige leeftijd kon Beethoven “Das wohltemperierte Klavier” van Bach bijna in zijn geheel uit zijn hoofd spelen en schreef hij zijn eerste composities. In 1781 bezocht Beethoven met zijn moeder Rotterdam en Den Haag, waar hij optrad voor onder anderen Erfstadhouder Prins Willem V van Oranje-Nassau en diens hofentourage.
In 1782 verscheen zijn eerste uitgegeven werk: de “Dressler-Variationen”. In zijn eerste werken kon Ludwig Van Beethoven nog een “classicus” worden genoemd, al bracht hij ook toen reeds wijzigingen aan b.v. in de structuur van de sonate en de symfonie. Zo verving hij het menuet door het scherzo (Italiaans voor “grap”), een stuk met een driedelige vorm, opgebouwd op twee thema’s met een vlug en vrolijk karakter.
Dat het dus met de legendarische woedeuitbarstingen van Beethoven al bij al wel meeviel vertelt ons componist Ferdinand Ries naar aanleiding van de pianolessen die hij van hem kreeg: “Als ik in een passage iets verkeerd deed, noten verkeerd aansloeg of intervallen (…) miste, zei hij zelden iets; als ik echter in de expressie van crescendo’s enz. of in het karakter van het stuk te kort schoot, werd hij boos, omdat, zoals hij zei, het eerste een ongelukje was, het andere echter gebrek aan kennis, aan gevoel of aan aandacht was.”
In 1798 schreef Beethoven (die toen reeds twee jaar doof was, maar het nog tot 1802 zal geheim houden!) voor de gravin van Thun zijn trio nr.4 in Bes, op.11, voor piano, cello en klarinet, dat ook gekend is in een latere versie, waarbij de cello door een viool werd vervangen. Het thema in het vierde deel, dat is ontleend aan de opera “L’Amor Marinaro” van Weigl, was de aanleiding van een grote ruzie met de componist Steibelt, die dit thema eveneens gebruikte voor een aantal variaties.
In 1803 wordt Beethoven, nochtans pas ge-out als doof (al getuigt Czerny dat hij nog tot 1817 nog zo goed kon horen “als tien jaar daarvoor”), door de ons welbekende heer Emanuel Schikaneder aangesteld als huiscomponist van het Theater an der Wien. Zo begint hij – tussen de derde symfonie door – aan een opera te werken, maar dan niet op het libretto over de Vestaalse maagden dat Schikaneder hem had aangereikt. Nee, Beethoven is geobsedeerd door het verhaal dat op dat moment de ronde doet over hoe in 1793 een vrouw in mannenkleren de gevangenis van Tours was binnen gedrongen om haar man te bevrijden. De verantwoordelijke rechter Jean-Nicolas Bouilly had er een toneelstuk over geschreven “Léonore ou l’amour conjugal” dat op 19 februari 1789 in première was gegaan in het Parijse Théâtre Feydeau.
Het vierde pianoconcerto op.58 werd geschreven in 1805/6. Hij droeg het op aan aartshertog Rudolf van Habsburg. Het vierde pianoconcerto is een zeer toegankelijk werk. Franz Liszt typeerde de dialoog tussen piano en orkest als Orpheus die voor de wilde dieren speelt en ze uiteindelijk tot rust brengt.
Het “allegro vivace” van de achtste symfonie daarentegen, vertelt volgens Frans Brüggen het verhaaltje van de leerling-tovenaar, zoals dat door Walt Disney op muziek van Paul Dukas ook in “Fantasia” wordt weergegeven. Alhoewel Brüggen ongeveer dubbel zo rap speelt als Fürtwängler, toch benadert dit nog niet het tempo dat Beethoven zelf aangaf. Norrington speelt nog rapper en die komt er het dichtste bij. Maar, zoals Brüggen zegt, het is moeilijk te geloven dat het aangegeven tempo écht door Beethoven werd gewild, omdat het haast niet haalbaar is, zeker niet voor de orkesten uit zijn tijd die meestal gewoon van het blad speelden of ten hoogste één repetitie hadden. De theorie dat men het metronoomtempo van Beethoven door twee moet delen, wuift hij anderzijds wel weg. Volgens hem wilde Beethoven gewoon wat “peper in de kont stoppen” van de muzikanten die het toch altijd trager speelden dan hij het wilde.
In 1824 is er de negende symfonie. Op basis hiervan zou men moeilijk kunnen vermoeden dat Beethoven uiteindelijk eenvoud nastreefde. Nochtans is dit zo en daarom ook dat hij Händel als groot voorbeeld had. Er is ook nog een andere reden waarom we dat magische beter van de “negende” kunnen afhalen – sedertdien zou zogezegd een componist die een negende symfonie had durven schrijven dat met de dood moeten bekopen; als voorbeelden worden dan gegeven: Mahler, Bruckner, Schnittke, Vaughan Williams en Egon Wellesz (*) – want net als Schubert heeft Beethoven tal van “onvoltooide” symfonieën geschreven. Hijzelf was alleszins van plan nog een tiende af te werken. Gustav Nottebohm komt in 1887 zelfs tot vijftig in het totaal! Al is dit wel wat overdreven, toch kan men nog aan de aardige som van dertig geraken, meestal voorafgaand aan zijn eerste “officiële”, omdat Beethoven toen nog naar de gepaste vorm aan het zoeken was. Wat ervan overgeleverd is (b.v. van die tiende) is echter onvoldoende om ook maar enigszins tot een afgerond geheel te kunnen komen (**).
Integrale opnames van de symfonieën van Beethoven zijn er o.a. (in min of meer chronologische volgorde) van Mengelberg, Toscanini, Fürtwängler, Von Karajan (niet minder dan vier versies!), Abbado, Wand, Hogwood, Norrington en Harnoncourt.
Hogwood liet de vijf pianoconcerten van Beethoven op vier verschillende fortepiano’s liet uitvoeren. Nochtans is het erg de vraag of de dove Beethoven wel de technische evolutie van dat instrument kon volgen. Wellicht componeerde hij met het geluid van zijn eerste pianoforte in het hoofd.
Het adagio van de Mozart-sonate KV.457 is blijkbaar de inspiratiebron is geweest voor Beethovens “Pathetische”. Net zoals het tragische thema uit Beethovens “Eroica” zowaar uit de ouverture van “Bastien en Bastienne” is gestolen! Maar kom, Beethoven zelf heeft ook genoeg moeten lijden. Zo heb ik van het adagio uit de Mondscheinsonate een orkestbewerking op single, met op de keerzijde trouwens eenzelfde behandeling voor het adagio uit de “pathetische”. De daders zijn “Mitglieder des Orchesters der Städt. Oper, Berlin”.
Op het einde van zijn leven herwerkte hij het slot van een strijkkwartet uit 1825 dat bij zijn tijdgenoten nauwelijks op enig begrip kon rekenen tot de “Grosse Fuge op.133”.
Toch stond Beethoven met zijn later werk vooral model voor de getormenteerde romantische kunstenaar. Niet ten onrechte want toen b.v. een violist Beethoven op de “onspeelbaarheid” van een partij wees, antwoordde deze: “Wat gaat mij uw viool aan?” Hiermee veroorzaakte hij een radicale breuk met het verleden. Beethoven was zich “bewust” van zijn genialiteit en iedereen had zich daar maar naar te schikken. Mozart b.v. componeerde wel degelijk terwijl hij met de uitvoerende musici rekening hield.
Een ander voorbeeld is het feit dat toen Rossini naar Wenen kwam, iedereen aan de rage wilde meedoen, behalve Beethoven en Schubert, die daarvoor te ernstig waren. Zo is de “Coriolanus”-ouverture b.v. een zogenaamde programma-ouverture. Dat wil zeggen dat in de muziek reeds de handeling die nog moet komen voelbaar is: het heimwee van de verbannen Romeinse leider, die echter vast overtuigd is van zijn gelijk en zijn uiteindelijke terugkeer. Naar de vorm is deze ouverture eigenlijk een “symfonisch gedicht”. Beschrijvende muziek dus, een typisch romantisch genre.
Volgens Beethoven zelf is zijn doofheid en zijn dood te wijten aan een niet verzorgde syfilis. Dat wordt door sommigen als een vreemde vorm van “dichterlijke vrijheid” afgedaan. Toch is het merkwaardig dat het verslag van de autopsie onmiddellijk na zijn dood is verdwenen. Vermoed wordt dat Schindler (zie even verder bij Jeroen Krabbé) zijn handeltje in devote souvenirs in het gedrang zag komen. Jaren later werd er een nieuwe autopsie uitgevoerd die wegens het late tijdstip minder uitsluitsel kon geven. Net als bij Mozart gaat men ervan uit dat Beethoven zou vergiftigd zijn. Echter niet noodzakelijk opzettelijk, hé! Genezing of dood door vergiftiging was een dunne lijn in de geneeskunde van die tijd. Maar als ze toch alletwee opzettelijk zouden zijn vergiftigd, dan zou de dader zelfs twee keer dezelfde zijn, namelijk Antonio Salieri. Deze theorie wordt alvast aangekaart in “De tiende symfonie” van Joseph Gelinek (p.213).
Toch wordt in het geval van Beethoven syfilis niet uitgesloten, evenmin als alcoholisme. Op dat vlak zou Ludwig dan zijn vader achterna gegaan zijn, die de kleine Ludwig trouwens als een nieuw wonderkind opvoerde om aan geld te geraken voor zijn drankzucht.
Dit alles is niet te zien in “The magnificent rebel”, een Amerikaanse verfilming van het leven van Beethoven uit 1960 door Georg Tressler, die toch vooral onder z’n Duitse titel bekend is “Schicksals-Symphonie”. De film concentreert zich op de jonge Beethoven (gespeeld door Karlheinz Böhm, de zoon van de dirigent), die in het paleis van zijn broodheer, vorst Karl Lichnowsky (Ivan Desny) verliefd wordt op gravin Giulietta Guicciardi (Giulia Rubini). Aangezien hij echter niet van adel is (hij heet Van Beethoven nietwaar en niet von) wordt hij door haar vader afgewezen.
“Eroica” is dan weer een vrij recente film over Beethovens derde symfonie, waarbij de muziek overigens wordt gespeeld door het Orchestre Révolutionnaire et Romantique van John Eliot Gardiner. Ian Hart leek in de hoofdrol nog altijd meer op John Lennon uit “Backbeat” dan op Beethoven, een paar quasi-stills met karakteristiek gefronste wenkbrauwen niet te na gesproken.
Daarvóór was er nog “Immortal beloved”, net als “Amadeus” in Tsjechië opgenomen. De cameraman was Peter Suschitzky, die o.a. ook “The empire strikes back” op z’n actief heeft. Het was de eerste film van Mel Gibson als producer waarin hij zelf niet speelt.Muzikaal is de film wel een tegenvaller. Men deed immers weliswaar een beroep op “grote namen” (Murray Perahia, Emanuel Ax, Stephen Prutsman, Gidon Kremer, Yo Yo Ma) maar die spelen, net als het London Symphony Orchestra, geleid door muziekdirecteur Georg Solti, niet op authentieke instrumenten, terwijl die uiteraard wél op het doek te zien zijn.
Wat de film wel gemeen had met “Amadeus” en “Farinelli” is dat men duidelijk een poging doet om Beethoven als een heuse popvedette te laten overkomen: een nonconformist die de goegemeente op stang jaagt en er zelfs niet voor terugschrikt om een hotelkamer in elkaar te rammen net als Rod Stewart in zijn jonge jaren! Het leek wel alsof de 37-jarige Gary Oldman (foto) reeds aan het oefenen was voor zijn volgende filmrol, want dat zou namelijk die van gitarist Jimmy Page zijn in “Hammer of the Gods”, een film over de hardrockgroep Led Zeppelin (maar bij mijn weten is die film er nooit gekomen). Rose kent trouwens iets van popmuziek, want hij heeft ook reeds veel videoclips gedraaid, waaronder het fameuze “Relax” van Frankie Goes To Hollywood.
Hoe dan ook, Oldman geeft de beste vertolking weg in de film. De anderen, met Jeroen Krabbé helaas op de eerste plaats, zijn herleid tot schouwgarnituur. Ongetwijfeld komt dat ook omdat Oldman weinig of geen moeite had om zich in te leven in het getormenteerde bestaan van Beethoven. Daarvoor moest hij immers gewoon bij zichzelf te rade gaan. Nee, Oldman wordt gelukkig niet doof (zoals Sting, Pete Townshend en nog een handvol andere popvedetten), maar hij zit wél met een zwaar drankprobleem. En daaraan kon het feit dat hij op de set een verkering begon met Isabella Rossellini blijkbaar niks aan verhelpen.
Jeroen Krabbé geeft als verklaring voor het feit dat zoveel acteurs aan de drank raken: “De eenzaamheid. Je gaat van film naar film, je kan je huiselijke problemen niet oplossen want je bént niet thuis. Vergeten we niet dat Gary nog altijd met een echtscheiding zit (Uma Thurman) en met een kind (van Lesley Manville), dat hij niet ziet (Isabella heeft vorig jaar een zoontje geadopteerd – de nieuwste rage in Hollywood – dat ze Roberto heeft genoemd en ze heeft zelf een elfjarig dochtertje, Elettra, van haar tweede echtgenoot Jonathan Wiedemann, eveneens een filmregisseur, zij het een minder bekende, net als haar eerste man, niemand minder dan Martin Scorsese!). En dan ben je alleen op een hotelkamer en je grijpt naar een glaasje vrolijkheid en voor je het weet worden dat er drie, vier, vijf. Ikzelf ben absoluut iemand die geen alcoholist kan worden, want dat heb ik niet in me. Dat is mijn geluk, want toen ik voor ‘Stalin’ tijdens de winter in Moscou zat, waar het om twaalf uur licht wordt en om drie uur alweer donker, dan merkte ik dat ik om elf uur ’s morgens zei: ik neem maar ’s een vodkaatje om de dag door te komen.”
Of zoals Gary Oldman in navolging van Humphrey Bogart pleegt te zeggen: “Iedereen is toch dronken om vier uur ’s namiddags?”
In plaats van te vertrekken van het cliché van de oude dove knorpot baseert deze film zich op een passionele liefdesbrief die na Beethovens dood werd gevonden en waarvan men niet met zekerheid weet aan wie hij was gericht. Net als de mysterieuze dood van Mozart zou dit eigenlijk gefundenes Fressen voor een scenarist moeten zijn. Maar dat is dus niet zo.
Jammer eigenlijk. Na “Farinelli” en vooral na wat Jeroen Krabbé, die in deze film Anton Schindler speelt, de man die jarenlang de rechterhand van Beethoven was en die dus ook naar die “Immortal Beloved” op zoek gaat, mij bij die gelegenheid vertelde, waren de verwachtingen hoog gespannen, maar “Immortal Beloved” is hoegenaamd geen tweede “Farinelli” geworden, laat staan een tweede “Amadeus”. Want, laat ik dit duidelijk stellen: het is niet omdat regisseur Bernard Rose (die zelf met een knipoog naar zijn idool Alfred Hitchcock even in de film verschijnt als Max Friedrich) als scenarist met een theorie voor de pinnen komt die door musicologen wordt verworpen, dat de film zou tegenvallen, want tenslotte is “Amadeus” ook één grote leugen. Nee, de ware reden is dat de film vreselijk voorspelbaar is. Van de eerste noten van de noodlotsymfonie (die Beethoven volgens John Eliot Gardiner overigens zou hebben gejat uit de “Dityrambique” van Claude Joseph Rouget de Lisle, de componist van de Marseillaise), waarmee hij begint tot de ontknoping op het laatste. Toch wel merkwaardig voor iemand die tot nu toe vooral thrillers draaide (“Paperhouse”, “Chicago Joe and the Showgirl”, “Candyman”).
In de film “Immortal Beloved” (in Vlaanderen uitgebracht als “Ludwig Van B.”) is Isabella Rossellini één van de drie vrouwen die in aanmerking komen om de “Onsterfelijke Geliefde” van Beethoven te zijn: Valeria Golino (“Rain man”, “Hot shots”) als de Italiaanse gravin Julia Guicciardi, Isabella Rossellini als de Hongaarse gravin Anna Marie Erdödy en Johanna ter Steege (“Spoorloos”, “Vincent and Theo”, “Meeting Venus”, “Sweet Emma, dear Böbe”) als zijn schoonzus Johanna Reiss. Wie van de drie is de “Immortal Beloved”?
Rose wil dit raadsel pas op het allerlaatste moment van de film oplossen, we gaan hier dus geen spelbreker spelen door te verklappen dat het eigenlijk de derde is (***) – al uitte die “liefde” zich dan wel in ontzettend pestgedrag! Haar zoon Karl (Matthew North als kind, Marco Hofschneider als jongvolwassene) zou ook niet die van Ludwigs broer Casper (Christopher Fulford) zijn maar het kind van Beethoven zelf. Vandaar dat hij zo zijn best deed om hem naar zijn beeld en gelijkenis te kneden. Ook al omdat hij een betere vader wilde zijn, dan zijn eigen vader (Fintan McKeown). Er wordt trouwens geïnsinueerd dat zijn doofheid te wijten is aan de klappen die hij in zijn jeugd kreeg. Voor de volledigheid: er was nog een derde broer, Nikolaus (Gerard Horan). Ludwig was de oudste van de drie en een soort van vervangvader. En, oh ja, ook Beethoven himself faalde vreselijk als “vader”…
De Nederlandse acteur Jeroen Krabbé speelde Beethovens secretaris Anton Schindler in “Immortal Beloved”. Toen ik hem ontmoette, zei ik dat ik het jammer vond dat hij zelf niet Beethoven speelt. Trouwens, was daar oorspronkelijk niet Anthony Hopkins voor voorzien?
Het is hem aangeboden. Het is mij ook gevraagd, maar uiteindelijk is het Gary Oldman geworden en die geeft een adembenemende vertolking weg. Ikzelf speel zijn secretaris Anton Schindler, de man die jarenlang zijn rechterhand was, een tweederangscomponist die wel zo verstandig was dat hij zijn mediocriteit inzag en zijn leven dan maar in het teken plaatste van de grote Beethoven. Ik moet zeggen: mijn gevoelens bij Beethoven waren net andersom dan bij Händel in ‘Farinelli’. Eigenlijk hield ik helemaal niet van zijn muziek. Wij zijn allemaal immers opgegroeid met zo’n bombastische uitvoeringen.”
Von Karajan.
Ja. Maar eigenlijk zitten we nu op het muziek-technische terrein en daar heb ik te weinig verstand van. Ik weet wel of ik iets mooi vind natuurlijk. En ik vind het wel interessant om een symfonie in de versie van twee of drie dirigenten naast elkaar te leggen. Dan hoor je zo ontzettend verschillende dingen! En heel bijzondere pianisten, daar heb ik ook iets mee. Maar Beethoven ben ik door deze film enorm gaan waarderen. Dat is het leuke van dit vak de ene dag doe je dit en de andere doe je weer helemaal iets anders.”
De laatste tijd is Jeroen Krabbé eigenlijk net zo gekend als schilder dan als acteur. Daarom vroeg ik hem ook nog: als je schildert, speelt er dan altijd muziek?
Heel vaak. Klassieke muziek, jawel, meestal barok omdat ik dat zo heerlijk vind: Vivaldi, Corelli. Ontzettend vrolijke muziek. Dat maakt veel los. Mozart is ook een favoriet van me en verder eigenlijk alles van Bach. Dat is een componist die me nooit gaat vervelen. Ook niet als je van te voren weet wat er nu gaat komen. Wat ik dus wel heel erg bij Händel heb. Dat is gebruiksmuziek. Voor zover ik dat mag zeggen als leek. Meteen daarna zat ik dus volop in Beethoven wegens ‘Immortal beloved’ en die muziek vond ik dan weer fantastisch. Een groot deel daarvan heeft-ie zelf nooit horen uitvoeren. Dat is dus wel heel raar. Die is dus ook nooit gecorrigeerd door hem. Ik kan me voorstellen dat Mozart iets maakte en bij het horen dan vond dat hij er iets moest aan toevoegen of dat het sneller of trager moest, weet ik veel. Wat ik overigens een kenmerk vind van het genie. Neem nu een Picasso. Of je dat nou mooi vindt of niet, het is gewoon geniaal. Omdat hij zichzelf steeds weer veranderde, verbeterde. Maar Beethoven heeft nooit die mogelijkheid gehad, waardoor je iets hoort dat puur van De Schepper komt.”
Graag gedaan hoor.

Ronny De Schepper

(*) Joseph Gelinek, De tiende symfonie, Amsterdam, Mynx, 2008, p.88
(**) Het vormt alleszins een interessant uitgangspunt voor het boek van Gelinek. Helaas gaat het gebrek aan realiteitszin met het boek op de loop. Met als meest extreme voorbeeld de in muziekvorm getatoeëerde code op zijn hoofd. Dan nog liever de Britse film “Ooh… you are awful!” (Cliff Owen, 1972), waarin vier jongedames de combinatie van een Zwitserse bankkluis op hun bevallige achterwerken hebben laten tatoëren!
(***) Idem, p.153.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s