75 jaar geleden werd in het Engelse Cheltenham Richard Timothy Smith geboren. Hij emigreerde in 1952 met zijn familie naar Nieuw-Zeeland waar zijn vader een landbouwbedrijf had gekocht. Hij leerde er paardrijden, een vaardigheid die hij in zijn filmdebuut “Carry on Cowboy” (1965) goed kon gebruiken. Bij de lancering van zijn acteercarrière veranderde hij zijn naam in O’Brien, de naam van zijn grootmoeder, aangezien er reeds een acteur met de naam Richard Smith bestond. Toen was hij al een jaar teruggekeerd in Engeland, waar hij vervolgens “The Rocky Horror Show” schreef.

In 1975 werd “The Rocky Horror Show” een cult‑product van wereldformaat. Vooral de Engelse en Amerikaanse landen zijn dol op deze absurde mix van Frankenstein, travestie en science fantasy. Het verhaal zelf is van een ontroerende simpliciteit. Op de terugweg van een huwelijksfeestje belanden Brad en Janet in een vreemd onherbergzaam gebied. Ze komen in een vreselijke regenbui terecht, geraken de weg kwijt en krijgen een lekke band. Gelukkig is er een kasteel in de buurt: het kasteel Frankenstein. Daar hebben Dr. Frank’N. Furter en zijn vrienden, afkomstig van een transseksuele planeet uit het Transsylvaanse melkwegstelsel, zich geïnstalleerd. In het kasteel vol feestende freaks wordt het brave stelletje zwaar op de proef gesteld, maar ze worden goedgekeurd. Ze beleven de ‘geboorte’ van Rocky. De laboratoriumcreatie van dokter Frank ‘N. Furter is een prototype van de ideale man: blond, gespierd en hersenloos. Als de goegemeente lucht krijgt van de vreemde gebeurtenissen op kasteel Frankenstein wordt er een speciale legereenheid uitgestuurd. Deze buitenaardse creaturen, mutanten, travestieten ‑ incluis sex, drugs en rock & roll ‑ moeten uitgeroeid worden!
De schrijver, de Brit Richard O’Brien, groeide op in Nieuw Zeeland en kwam als twintigjarige terug naar Londen. Aanvankelijk werkte hij als stuntman, later nam hij acteerlessen en trad op in verschillende musicals. Hij schreef The Rocky Horror Show in 1974. O’Brien speelde zelf de rol van Riff Raff in de theatervoorstelling en in de latere filmversie “The Rocky Horror Picture Show” (1975). De film ging een eigen leven leiden op het ogenblik dat de toeschouwers zelf interactief meespeelden. De show in de zaal begon toen de film tijdens een nachtvoorstelling van het Waverly theater in Greenwich Village steeds dezelfde vijftig mensen trok. Eerst bedachten ze wat krankzinnige teksten, daarna doken de netkousen van Frank en de nerd‑bril van Brad op in de zaal. Inmiddels is de interactie een vast ritueel geworden voor een publiek dat niet meer alleen uit excentriekelingen bestaat. Er is zelfs een officieel draaiboek voor de toeschouwers gemaakt. Rijst, regenschermen, kranten, toiletpapier en waterpistolen horen tot de lijst van rekwisieten. Sommige producenten gaan zelfs zover de nodige attributen of gadgets te verkopen. Andere productieleiders steigeren bij het idee alleen al dat er rijst in hun zalen zou kunnen gegooid worden. Sommigen daarentegen zullen bijzonder boos worden als het publiek wacht met reageren tot de Time Warp‑scène.
De jaren zeventig waren echter vooral het gouden tijdperk van de discomuziek en niet in het minst door de film “Saturday night fever”, met muziek van The Beegees (die hiermee hun falsetto-comeback maakten, terwijl hun sixtiesmuziek zoveel beter is, luister maar naar de soundtrack van “Melody” b.v.) en vooral met John Travolta in de hoofdrol. Die zet in 1978 zijn opgang verder met “Grease” (Randal Kleiser). Grease-componist Warren Casey stierf op 8 november 1988 op 53-jarige leeftijd aan aids. Sedert « Saturday night fever » worden we vanuit Amerika overspoeld met een nieuw soort dansfilms. Disco-films noemde men dat vroeger maar de term is de laatste tijd in onbruik geraakt. Het principe is nochtans ongewijzigd gebleven : ze spelen zich voornamelijk af in een of andere dancing en het dansen zelf staat volkomen centraal. Dat is dus helemaal in tegenspraak met de oude musicals van Fred Astaire en c° waar de dans « groeide » uit een situatie of zelfs de actie vooruithielp, maar ook met de muziekfilms uit de jaren vijftig en zestig waar de muzikale interventies van « vedetten » (of het nu Elvis was of the Beatles dat maakt geen verschil) er « zo maar » tussengelast werden. Kon « Saturday night fever » (en « Grease ») ons echter nog bekoren, dan is dit met het vervolg, « Staying alive » (alweer met John Travolta), zeker niet het geval. The Beegees zorgen weer voor een hele kant muziek, maar hun inspiratie lijkt wel uitgeblust (op uitzondering van de single « Someone belonging to someone »). Bovendien, let op, « Staying alive » zelf staat er niet in de hitversie op. Op de keerzijde gaat het er nog zwakker aan toe met de stemmen van Frank Stallone, Tommy Faragher en Cynthia Rhodes en het werk van diverse « componisten ». Bij deze laatsten ene J.B.Esposito, die naar we vermoeden dezelfde is als Joe Esposito die « Lady, Lady, Lady » zingt op de soundtrack van « Flashdance » (met in de hoofdrol Jennifer Beals). De titelsong, ook genoemd « What a feeling », wordt vertolkt door Irene Cara (« Fame »). Voor de muziek zorgt Giorgio Moroder, die ook tekent voor het « love theme ». Meteen hebben we de drie beste nummers uit de elpee genoemd, trouwens ook alle op single verkrijgbaar. Dit geldt ook voor « Maniac » van een andere bekende naam in het disco-milieu, Michael Sembello. Zelf houden we het echter meer bij « I’ll be here where the heart is » van Kim Carnes. De overige vijf nummers (w.o. nochtans één van Donna Summer) zijn te verwaarlozen. “The wiz” van Sidney Lumet daarentegen heeft muziek van Quincy Jones en op de rolverdeling vinden we Diana Ross (Dorothy), Michael Jackson (vogelverschrikker), Lena Horne (de goede fee uit het zuiden) en Richard Pryor (the Wiz) terug.
Voor Hair (Milos Forman) was Madonna de eerste om te auditioneren (ze kreeg de rol niet), maar het verhaal dat ook Bruce Springsteen zich – tegen zijn zin dan nog – zou hebben komen aanbieden lijkt me na “Born to run” toch ten zeerste apocrief. Bovendien had Bruce op dat moment al geen lang haar meer en nochtans vertelt Forman dat een langharige kerel zich kwam aanbieden op de auditie. Op de vraag: hou je van “Hair”, zei hij “nee”. Wil je dan iets zingen? Weer nee. Waarom kom je dan? Omdat men me gezegd heeft dat ik me ook moest aanmelden. Tenzij Forman natuurlijk al audities hield lang voor hij uiteindelijk van Rado en Ragni de toestemming kreeg om het werk te verfilmen. Die toestemming bleef zo lang uit omdat zij een beroep deden op een tarotlegger en telkens die zei dat de kaarten niet goed lagen, stelden ze het project uit. Op die manier heeft Forman het trouwens tien jaar te laat verfilmd.
Nog uit 1978 is “Thank God it’s friday” (Robert Klane). Uit 1979: “Abba, the movie”, “Elvis the movie” (John Carpenter) en “The muppet movie” (James Frawley). Uit 1980: Fame (Alan Parker) en The Blues Brothers (John Landis). Uit 1981: This is Elvis (Malcolm Leo & Andrew Solt). Uit 1982: Annie (John Huston) en Footloose (Herbert Ross). Nog in 1982 ging Zoetrope over kop door de flop van Coppola’s high tech musical “One from the heart”.
Een jaar later was er “Le Bal” van Ettore Scola door de acteurs van het Théatre du Campagnol o.l.v. Jean‑Claude Penchenat. Deze film gaat terug op een toneelvoorstelling (1981), door sommigen een ‘balletpantomime’ genoemd, vermits er geen woord gesproken werd. Eerst was gedacht aan Marcello Mastroianni en Jean‑Louis Trintignant voor de “hoofdrollen”, maar Scola gaf de voorkeur aan de relatieve anonimiteit van de acteurs van het Campagnol. Ten slotte gaat het om de geschiedenis van iedereen, zoals die door de omstandigheden van de tijd bepaald wordt. Een constante zijn de danszaal en de ‑vloer. In deze ruimte wordt het leven in zijn voortgang gepresenteerd, de generaties die elkaar opvolgen tijdens het Front populaire (1936), de oorlog (1940), de bezetting (1942), de bevrijding (1944), de Amerikanen (1945), de oorlog van Algerije en de rock (1956), mei 1968, het bal hier en nu (1983). “Le Bal” is een studie in relaties en menselijk gedrag, een bindmiddel zijn de zaal en de muziek.
In 1986 was er “Little shop of horrors” naar Roger Cormans legendarische lowbudget (in 2 dagen gedraaide) cult-klassieker uit ’61. Via een succesvolle Broadway-omweg werd dit een meer drollige dan gruwelijke filmmusical van Frank Oz. Net zoals in Absolute Beginners is de achtergrond een vrij harde schildering van stadsarmoede en -frustraties in Skid Row, verpakt in kleurrijke studiodecors. Maar het gruwelsprookje is qua tijd, muziek en sfeer een onderdompeling in de camp van horror/SF-films van de jaren vijftig. Achter de evolutie van een schattig plantje tot een allesverslindend monster, onder het paranoïde motto « het gevaar schuilt in een klein hoekje », verbergen zich dan ook de klassieke seksueel-Freudiaanse en sociaal-kritische implicaties: de tweeslachtige plant, een suggestieve mondspleet, is voor sul Seymour achtereenvolgens surrogaat-liefdesobject (Audrey II gedoopt), een weg naar succes (via een Faust-contract) en een belichaming van de atoomdreiging (de vernietiging van de mensheid). Seymour en Audrey kiezen voor de Norman Rockwell-romantiek, waar toch wel een blijvend reukje aan zit. Maar je kan ook gewoon genieten van een reeks gevarieerde songs, inventief gechoreografeerd, verbonden door een Supremes-achtig koortje, en gelardeerd met kostelijke cameo’s van Bill Murray als masochist, John Candy als d.j. en Jim Belushi als manager. De show wordt gestolen door Audrey II — een schitterende Muppet-creatie met de soul-stem van Four Top Levi Stubbs — en door Steve Martin als de sadistische tandarts/ motorjongen. Verder met Ellen Green (Audrey), Rick Moranis (Seamore), Vincent Gardenia (Mushnik). Ook de in 1991 overleden Bertice Reading speelt nog een klein rolletje en tapdanser Steve Condos mag een gastoptreden verzorgen, samen met zijn broer Nick. Niet lang daarna overlijdt Steve op 71-jarige leeftijd in een kleedkamer in Lyon tijdens een hommage aan hem gewijd. Over het algemeen is de film echter een zware tegenvaller. Vooral het falsetto-geluid van de echte Audrey werkt op de zenuwen.
DIRTY DANCING
Daarna volgde “Purple rain” van Prince in 1987 en ook “La bamba” (Luis Valdez), “Who’s that girl” (James Fowley) en “Aria”. Opera en videoclip-stijl wilde producer Don Boyd in “Aria” op creatieve wijze met elkaar verzoenen. Hij huurde negen controversiële regisseurs in, die in het verleden al hun liefde voor muziek hadden bewezen. Het experiment wordt aan elkaar geregen door John Hurt, voor de gelegenheid paljas-mimespeler. Aria ontgoochelt, ergert en slaat uiteindelijk in een drietal gevallen ook erg aan. Veel gescheer, maar weinig wol. Maar wie uit is op dat laatste slikt dan maar Godard, Altman en Beresford snel door. Sluit eveneens de ogen (de muziek blijft telkens mooi) bij Roeg en Sturridge. Overgangsfragment is het Puccini-stuk van Ken Russell: bloederig mooi, enerverend verfilmd ongeval met ongewoon hiernamaals (een vrouw met saturnusringen!). Dezelfde waanzin ook in « de wereld, één bordeel », via één zeer cynisch te interpreteren camerabeweging gedraaid door Julian Temple op de aria van Rigoletto! Perfect cynisch én emotioneel beklemmend is Wagners « Tristan en Isolde », gesitueerd in Las Vegas. Franc Roddam kan het dus nog. Het hoogtepunt van Aria is evenwel het sobere, larmoyante en theatrale stukje levenswijsheid van Derek Jarman op muziek van Charpentier. In poëtische wit-zwart- en kleurbeelden tovert deze een heel vrouwenleven op het scherm. Applaus. Geduld wordt in Aria toch beloond. (Ronnie Pede in “Film & Televisie”)
Ook “Dirty dancing” (Emile Ardolino) is made in 1988, but it is set in the early sixties. De onwennigheid die ik daarbij voel werd later cinematografisch goed weergegeven door de film “Stand by me”. “Dirty dancing” roept daarentegen veel meer de muziek uit die periode op. Daarbij kan men verbaasd zijn over de grote inbreng van “Latin jazz”, maar vergeten we niet dat op dat moment Cuba het strand van de Verenigde Staten is. Het is juist door de revolutie van 1959 dat deze band doorgeknipt wordt en het ongeveer tot het uitbrengen van deze film zal duren dat salsa (zoals het van dan af wordt genoemd) opnieuw populair wordt.
In “Dirty dancing”, the “bad guy” refuses to take his responsibility when he has made Cynthia Rhodes’ character pregnant, because “some people matter and others don’t”. Daarbij baseert hij zich op het boek “The Fountainhead” van Ayn Rand en hij toont het ook aan de opgroeiende Baby. Die giet als antwoord een kan koffie over zijn witte pak (de scène heeft blijkbaar als basis gediend voor de huidige promotiecampagne voor “Spa, het zuiverende water”). Merkwaardig genoeg vinden we deze houding ook terug in het “luchtige” zomerhitje “In the summertime” van Mungo Jerry: “If her daddy’s rich, take her out for a meal. If her daddy’s poor, just do as you feel”…
“Sister Act” van Emilio Ardelino (vrouwelijke versie van “Nuns on the run”) is een typisch Disney-product. Was de eerste film nog tamelijk grappig (zij het een toonbeeld van het huidige bon ton omgekeerde racisme: vervelende blanke nonnen, nochtans geleid door een schitterende Maggie Smith, worden hippe maar nog steeds godslievende meisjes dankzij jive sprekende zwarte zangeres), dan verzandde de sequel in meligheid. De “zangeres” Goldberg wordt hier immers eventjes een “undercover” muzieklerares om een aantal “hangjongeren” weer op het goede pad te brengen. Maggie Smith is wel nog van de partij, maar zoals Julie Burchill terecht opmerkt: “Ik weiger te geloven dat dit de echte Maggie Smith is, dit moet een kloon zijn!” Als men deze film vergelijkt met “The Sound of Music” of “To Sir with Love”, twee films waarop men zich klaarblijkelijk heeft geïnspireerd, dan wordt nog maar eens duidelijk hoe erg het is gesteld met het Hollywood Anno Hic et Nunc. Het enige positieve is dat Whoopi Goldberg sowieso de rol heeft gekregen, want oorspronkelijk was hij voor Bette Midler bedoeld.
Samen met “The Commitments” was “Hear my song” van Peter Chelsom uit 1991 de beste muzikale film van de jongste jaren. Vertrekkend van een waar gebeurd verhaal over de tenor Josef Locke (gespeeld door Ned Beatty), die van Engeland naar Ierland vluchtte om aan de belastingen te ontkomen, vertelt hij het verhaal van impressario Mickey O’Neill (Adrian Dunbar) die om zijn liefje Nancy “with the laughing face” (Tara Fitzgerald) te herwinnen de tenor terug gaat halen uit ballingschap. Hij had namelijk een nep-Locke opgevoerd (William Hootkins), die haar moeder Cathleen Doyle (Shirley Ann Field) opnieuw had verleid, nadat de echte Jo Locke dat in 1958 ook al had gedaan toen hij haar had uitverkozen als Miss Zuivel. Bij de “daad” wordt de nepfiguur echter ontmaskerd en Cathleen is erg boos over de “ontering”. Ook Locke is erg verontwaardigd en daarom neemt hij het risico van terug te keren. Eind goed, al goed, met zelfs de nep-Locke die een handje toesteekt om de echte Locke uit de handen van de politie (David McCallum) te houden. Een hartverwarmende “feelgood movie”.
Dat kan natuurlijk ook worden gezegd van “Notting Hill”. It seems that Notting Hill’s greatly increased popularity is due not only to the film. It is also renowned for its Carnival Weekend that completely takes over the whole area in the last weekend of August. What once arose out of the spontaneous reaction to the first race riots that set England ablaze in 1958, has now grown into one of the biggest street festivals in the world. It draws around one million people every year. The race riots were also a source of inspiration for the writer Colin MacInnes. They form one of the backgrounds to his novel “Absolute Beginners”, which was filmed in 1986 with David Bowie in the leading role. Notting Hill was originally going to be used as the location for that film too. But when the authorities heard that race riots were going to be filmed, they withheld permission and everything had to be done at Shepperton Studios where, according to the production designer John Beard, all the locations were reconstructed.
Een heel ander regisseur is Terence Davies, de maker van “Distant voices, still lives” en “The long day closes”. Hierin exploreert hij zijn eigen jeugd. Tegenstanders zeggen dat “The long day closes” wel mooi is, maar eigenlijk gewoon op hetzelfde stramien verder borduurt als “Distant voices”. Daarbij heeft men het vooral over de rol van de muziek in de film. In Davies’ jeugd zong iedereen immers nog zelf, want Hilversum III bestond nog niet. Persoonlijk vind ik dit echter allerminst een verwijt, zeker als men weet dat Davies opgroeide in Liverpool, want daar zàt zangtalent, dat werd een kleine tien jaar later bewezen!
In Brighton zat er ook zangtalent, althans toch volgens Jim Cartwright in zijn stuk “The Rise and Fall of Little Voice”. Dit werd als “Little Voice” tout court verfilmd in 1998 door Marc Herman. Jane Horrocks speelt hierin het verschrikte vogeltje (vandaar dat ze de belangstelling wekt van vogelliefhebber Ewan McGregor) Laura Hoff, die sinds de dood van haar vader het erg moeilijk heeft met het liederlijke leven van haar moeder Mari (Brenda Blethyn). Ze vlucht dan ook weg in de platencollectie die haar vader haar heeft nagelaten en waarmee ze erin slaagt exacte kopieën te leveren van zijn grote idolen zoals Judy Garland, Marilyn Monroe of Shirley Bassey. Als dit wordt opgemerkt door één van haar moeders talrijke vrijers, de wat louche manager Ray Say (Michael Caine), dan wil deze haar (en vooral zijn eigen carrière) lanceren in het nightclubcircuit. Maar begin er maar aan met een vogeltje dat niet uit haar kooitje durft komen!

Ronny De Schepper
(met dank aan Linda Crivits voor de “socialistische musicals”)

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s