Vandaag is het precies twintig jaar geleden dat de Amerikaanse soulzanger Harold Melvin is gestorven. Vijf jaar geleden begaf het populaire quizprogramma van de BBC, “The Weakest Link”, zich op glad ijs. Anne Robinson stelde namelijk de vraag wie de leadzanger was van The Blue Notes, toen die een hit hadden met “If you don’t know me by now”. Zoals gewoonlijk bij een dergelijke vraag hoorde de kandidaat het in Keulen donderen, maar volgens Anne Robinson was het antwoord “Harold Melvin” en dat is hoegenaamd niet juist! (Als je wil weten wie het dan wél is, zal je het artikel dat volgt moeten lezen, vrees ik.)
Nu zou je kunnen zeggen: ja maar, Anne Robinson is toch maar de “quizmaster” (of in haar geval heel duidelijk “mistress”), zij leest die vragen toch maar gewoon af? Ik vind echter dat quizmasters zich toch best een beetje informeren in plaats van zo maar af te rammelen wat er op hun papiertje staan. Hierbij denk ik aan een quiz op de Vlaamse televisie (al weet ik niet meer welke) waarbij een kandidate de naam van Roy Orbison moest raden. Ook alweer noppes natuurlijk, maar toen de quizmaster dan de oplossing gaf, riep ze uit: “Natuurlijk! Dienen blinde! Hoe kon ik dat nu vergeten?” Het feit dat Orbison dus een donkere bril draagt, was genoeg om hem als “blind” te bestempelen. En ook hier volgde er geen reactie van de quizmaster, omdat er op zijn spiekbriefje helemaal geen sprake van was of Orbison nu blind was of niet natuurlijk!
Maar goed, over Roy Orbison heb ik het elders, hier ga ik het dus (o.a.) over Harold Melvin and the Blue Notes (foto) hebben in een artikel over soul…

Typisch voor soul is dat dit zowat de enige zwarte muziek moet zijn die niet teruggaat op blues, maar wel op gospel. In de tijd van de slavernij was elke vorm van organisatie verboden, ook kerkelijk. Toch waren er toen al preachers. Dat waren dan mensen die “een visioen hadden gehad”. Op het einde van de 18de eeuw lieten als eersten de baptisten en de methodisten zwarten tot hun kerken toe, vanaf 1770 waren er ook al aparte zwarte kerken. De eerste bloemlezing van spirituals verscheen zelfs reeds in 1801. De bekeringen namen echter pas enorm toe na “The Great Awakening” (The Civil War). Uit die tijd dateren ook de eerste geïnstitutionaliseerde negerkerken met al onmiddellijk die typische muzikale vorm van vraag en antwoord, die misschien wel teruggaat op de rol van het koor in de Griekse tragedies.
Wat waren nu de kenmerken van zo’n preacher? Hij moest natuurlijk de bijbel kennen en deze kunnen doorgeven op een dramatische en/of beeldende manier. Hij moest ook kunnen zingen en dansen (een sermoen bestaat zowel uit speech, song, dance als moaning). Meestal waren zij ook administrators, die dus ook de wet kenden en bijgevolg ook dikwijls opstandelingenleiders werden (b.v. Nat Turner, Gabriel Prosser – op wie Martin Luther King zich baseerde – en Denmark Vesey).
Vanaf de eeuwwisseling begon men, naast spirituals, ook gospels te onderscheiden. Van meetaf aan was dit een meer commercieel verschijnsel, onder meer onder invloed van Charles Tinley.
De eerste opnamen van zwarte kerkmuziek gebeurden rond 1920 in een studio waarbij men een dienst veinsde. Als voorbeelden hiervoor kunnen gelden: “Nothing to do in hell”, “Testify” en “I’m so happy”. Deze twee laatste platen haalden hogere verkoopcijfers dan die van Bessie Smith.
Toen het draagbaar recording materiaal uitgevonden werd, ging men op locatie opnemen. Voorbeelden: de Reverends Rimson, Jones, Kelsey en Chapman. Men herkent hier ook een nieuwe stijl: de invloed van jazz en swing is erg groot en de dialoog tussen priester en gemeenschap gaat dan ook erg vlug. Ray Charles heeft hiervan heel wat geleerd.
Reverend Shinault hield het nog bij de oude stijl. Deze is meer gewijd en doet toch ergens aan Gregoriaans denken. Er is dus geen dialectische structuur want de priester zingt de hele tijd door. Dit is de gospel zoals we die ook kennen in versies van Elvis Presley bijvoorbeeld. M.a.w. de blanke zuiderse congregaties leunden hier dicht bij aan (bv. Brother Claude Ely op King). Die Shinault by the way was een ex-blueszanger (vormde een duo met Robert Wilkins).
Al deze voorbeelden behoren tot the Church of God in Christ (of the Holiness Pentecostal of the Sanctified Church) en de reden van de opgewondenheid van de gelovigen ligt in het feit dat deze kerken geloofden in de mogelijkheid van fysisch contact met God. De vader van Aretha Franklin daarentegen behoorde tot een andere sekte en zijn opnamen voor Chess zijn dan ook veel gesofisticeerder.
Echte koren (zoals in de blanke kerken) kwamen enkel voor bij de conservatieve baptisten. Heeft men dus enerzijds gedialogeerde gospels en anderzijds gospels voor priester alleen, een echte spiritual is een samenzang door heel de gemeenschap. Daarnaast is een spiritual eigenlijk een klaagzang, zelfs een protestsong (teksten uit het Oude Testament die verwijzen naar bevrijding), terwijl de gospel de meer hoopvolle boodschap van het Nieuwe Testament wilde verspreiden.
Dit aspect vinden we ook terug bij de soul, die zich naast de gospel ook baseerde op… blanke muziek, precies omdat men niet wilde vereenzelvigd worden met “slavenmuziek”. Onnodig te zeggen dat dit meer voor Tamla Motown gold dan voor Stax, maar toch. Omgekeerd waren er trouwens ook uitzonderingen, want soul had – zoals de naam het zelf al aangeeft – dan wel religieuze roots en was als dusdanig tegen de zinnelijke bluesteksten gekant, maar Marvin Gaye werd op Motown toch maar hét zwarte sekssymbool bij uitstek!
Ook “Saved” van Lavern Baker, dat qua tekst zeer religieus is en zelfs de bass-drum van het Leger des Heils als prominent instrument gebruikt, illustreert deze dualiteit zeer goed. Ondanks de tekst wordt dit immers zeer wulps gezongen, men ziet de zangeres als het ware haar tieten schudden voor het publiek. Kortom, van zo’n zwarte eredienst moeten we ons heel wat anders voorstellen dan “een murmelende pastoor in een grijs pak” zoals Raymond van het Groenewoud het zo plastisch uitdrukt in “Liefde voor muziek”. Als voorbeeld kan men ook het begin van de film “What’s love got to do with it” aanhalen, waar de kleine Tina Turner uit de bol gaat in het kerkkoor.
SAM COOKE
De term “soul” zelf zou oorspronkelijk uit de jazz afkomstig zijn en via een tussenpersoon als Ray Charles (*) in de popmuziek geïntroduceerd zijn.
Allemaal best mogelijk, maar persoonlijk vind ik het veel frappanter dat in 1963 (dus nog net vóór de grote doorbraak van Tamla Motown en Stax) er een elpee verschijnt van Sam Cooke met als titel “Mr.Soul”. Na zijn dood (16/12/1964) zal in 1968 trouwens nog een compilatie-album verschijnen onder de titel “The man who invented soul”.
Sam Cooke is gedebuteerd in een gospelgroep en toen hij zijn eerste “gelaïciseerde” opnames uitbracht, waren dit vaak religieuze hymnes waarvan de tekst werd omgebogen naar meer “aardse” genoegens. Het spreekt vanzelf dat dit in de religieuze gemeenschap hoegenaamd niet in goede aarde viel. Helaas kan ik geen voorbeeld geven van werk van Sam Cooke zelf, maar “You can’t hurry love” van The Supremes bijvoorbeeld was oorspronkelijk “You can’t hurry God”!
Sam Cooke is ontegensprekelijk een belangrijke schakel geweest, die door een reus als Otis Redding graag als voorbeeld werd aangehaald. Hij was een pionier in de ballad-style, niet alleen door zijn gevoelige interpretaties (“Bring it on home”) maar vooral door zijn opmerkelijk songwriterstalent. Sam Cooke was overigens de eerste zwarte songschrijver die zelf de copyrights op zijn werk had. Hij was zelfs bijna de eerste songschrijver tout court die dat kon afdwingen, alleen Paul Anka was hem immers voorafgegaan.
Cooke is ook één van de weinige soulzangers die sociaal engagement in zijn teksten verwerkte. Zo b.v. in “A change is gonna come”, waar in de titel reeds de boodschap vervat zit. Typisch is dat het een nummer van vlak voor zijn dood betreft, een periode waarin hij zich blijkbaar met overtuiging aansloot bij de protestrage die toen opgang maakte (zo vond hij dat hijzelf en niet Bob Dylan “Blowing in the wind” had moeten schrijven). Een versie voor zijn dood is trouwens, naast de officiële “moordaanslag door een ontgoochelde vrouwelijke fan”, dat het een politieke moord betrof. In dat geval zou Cooke klandestiene steun hebben verleend aan bewegingen die later zouden uitmonden in Black Panther e.d.
Tenslotte is Cooke ook belangrijk omdat hij zich tijdens de twistrage heeft kunnen handhaven met degelijk materiaal (“Twistin’ the night away”, 1962), terwijl het precies deze rage is die de doorbraak van soul met ruim twee jaar heeft vertraagd. En niet alleen dat. In nummers als “Shake” (1964) wist Cooke zowel een nieuwe dansrage op te vangen als het opzwepende ritme van de “shouting preachers” in de pop te integreren!
Ondertussen was in 1963 reeds een elpee verschenen, “The best of Sam Cooke”, die z’n naam alle eer aandeed. Hierop staan met andere woorden al zijn grootste successen, uitgezonderd die uit 1964 uiteraard. In 1980 werd deze elpee door RCA gerereleased in de reeks “The Originals” en voor één keer willen we ook eens hulde brengen aan de hoestekst (van Skip Voogd), die zo lucied is ook de vinger te leggen op de wonde, namelijk de niet steeds zo gelukkige arrangementen. En misschien had men ook Rod Stewart mogen vermelden bij de groten die door “de zwarte Frank Sinatra” werden beïnvloed. Op deze elpee staan immers niet minder dan vier nummers die ook in de uitvoering van Rod een succes werden.
Amper drie maanden na de dood van Sam Cooke trouwde zijn “aangeduide troonsopvolger” Bobby Womack met diens weduwe Barbara Campbell. Womack vormde met zijn broers Cecil en Curtis “The Valentinos”, die op het label van Sam Cooke een klein hitje hadden met “It’s all over now”. Zij waren dan ook niet blij toen Sam de rechten hiervan aan The Rolling Stones doorverkocht, die er een enorm succes mee hadden. Cecil Womack huwde nadien met Mary Wells en toen ze uit elkaar gingen, huwde deze met zijn broer Curtis. Cecil Womack van zijn kant huwde Sams dochter Linda en vormde samen met haar de groep Womack & Womack oprichtte. It’s all in the family!
MOTOWN
In 1959 slaagt Berry Gordy III erin om 800 dollar van zijn familie in Detroit, the motor-city, los te krijgen om “Come to me” op te nemen, waarmee de Motown-legende start. Iets te laat eigenlijk, want Gordy had voordien al meegeschreven aan “Reet petite” en “Lonely teardrops” voor zijn boksmakker Jackie Wilson, maar die zijn dus wel elders verschenen. In een beginfase (“Money”) behoudt Gordy nog wel de ruwere sound die we ook bij Wilson vinden, maar nadien gaat hij er zich vooral op toeleggen om aan dat geluid te “schaven”, zodat ook blanken het acceptabel vinden. Zo stonden de meisjesgroepen van Phil Spector (Ronettes, Crystals…) model voor latere Motown-formaties als Martha and the Vandellas (“Dancing in the street”) of populaire soul-acts als The Supremes (“Where did our love go”), beide uit 1964. Typisch is dat Berry Gordy bij deze groep de rauwe stem van Florence Ballard met opzet naar de achtergrond mixte ten voordele van het gepolijste stemgeluid van Diana Ross. Zeggen dat hij daardoor ook schuld heeft aan de vroegtijdige dood van Ballard is natuurlijk overdreven, maar het loopt alleszins veel slechter af dan in de film “Dreamgirls”, die een vrije bewerking van deze historie wil zijn.
In 1966 waren de grootste soulhits “Reach out I’ll be there” (Four Tops), “What becomes of the broken hearted” (Jimmy Ruffin) en “This old heart of mine” (The Isley Brothers). Ook “Get Ready” van The Temptations, maar die song is meer bekend geraakt in de versie van de groep Rare Earth, samen met R.Dean Taylor de enige blanke act op Motown.
In oktober 1992 stierf op 52-jarige leeftijd ook Eddie Kendricks, zanger en stichter van The Temptations, aan longkanker. Het jaar daarvoor was reeds de tweede “onsterfelijke” Temptation-stem, David Ruffin, aan een overdosis gestorven en tien jaar eerder pleegde Paul Williams zelfmoord, terwijl Melvin Franklin in februari 1995 eveneens op 52-jarige leeftijd overleed aan de gevolgen van een beroerte. En daarmee is deze legendarische groep volledig uitgeroeid, al zou het me niet verwonderen dat hier of daar nog wel een groep onder die naam optreedt.
In 1967 begon het al bergaf te gaan. Flower Power was immers niet bepaald een goede voedingsbodem voor soul. We noteren nog het schitterende “Tears of a clown” (The Miracles) en “Jimmy Mack” (Martha and the Vandellas), maar bij de Supremes b.v. was het dus al hommeles en verliet Florence Ballard uiteindelijk de groep. Ze werd vervangen door Cindy Birdsong. De reden van haar vertrek was dat Diana Ross zich steeds meer op de voorgrond werkte en bijvoorbeeld eiste dat de groep nu “Diana Ross & the Supremes” zou heten. Maar ook dat zou niet baten: in 1970 ging Diana Ross solo. Ze werd bij The Supremes vervangen door Jean Terrell, zus van de bokser Ernie.
Motown zelf verhuisde in 1971 naar Los Angeles en ondanks het feit dat The Jackson Five, met toen nog de kleine Michael Jackson, verplicht werd mee te verhuizen, zou dit de ondergang van Motown inluiden. Oorspronkelijk was de gok van Gordy nochtans geslaagd. Hij had het immers gedaan om aan de bak te komen met soundtracks en met “Lady sings the blues”, “Mahoganny” en “The Wiz” lukte dit uitstekend. Er was zelfs nog Lionel Richie die zich uit The Commodores losmaakte en tien miljoen exemplaren van “Can’t slow down” verkocht.
In 1983 verschenen trouwens drie monumentale soulplaten. Naast Lionel Richie was er “Thriller” van Michael Jackson en Prince schrijft met “Purple Rain” misschien wel hét nummer van de jaren tachtig. De film van Alberty Magnoli waaruit het nummer is getrokken mag dan nog een tegenvaller zijn, de finale waarin het titelnummer wordt gebracht is indrukwekkend. Kortom, met Lionel Richie, Michael Jackson, maar vooral met Prince heeft de soul dan haar hoogtepunt bereikt. Al heeft Julie Burchill daar zo haar eigen kijk op: Michael Jackson en Prince, schrijft ze, zijn dwergen en daarom de enige zwarten die niet bedreigend zijn voor blanke mannen. Vandaar dat ze ook bij blanken zo populair zijn…
“Blanke” soul was dus nog altijd typisch voor Motown, maar met Rick James (“Superfreak”) trachtte Gordy ook op de nieuwe “zwarte” soul, de funk, in te pikken.
In 1988 verkocht Berry Gordy de Motown-catalogus voor zo’n drie miljard aan het MCA-concern. Het was de periode dat binnen de zwarte gemeenschap de rapmuziek een steile opgang maakte. Het nieuwe Motown lanceerde b.v. Boys II Men, maar daaraan deed Gordy liever niet aan mee. Het was dus eigenlijk toch niet alleen “money” dat hij wilde…
STAX
Alhoewel de gospelstijl typisch is voor Motown, waren er toch ook bij Stax mensen die recht van de kerk naar het podium stapten. Zo moest Sam Moore oorspronkelijk Sam Cooke vervangen bij de gospelgroep The Soul Stirrers. Toen hij echter Jackie Wilson aan het werk zag, wist hij het wel: hij wou soulmuziek brengen. Sam Moore en Dave Prater hadden als Sam & Dave vooral bij live-optredens (begeleid door Booker T & the MG’s en de blazers van The Bar-Kays) enorm succes met nummers van het productieteam Isaac Hayes en David Porter, zoals “Soul man” en “Hold on, I’m coming”. In 1970 gingen ze uit elkaar nadat Prater zijn vrouw in het gezicht had geschoten (ze overleefde het). Af en toe werden ze nog wel eens tot een reünie “gedwongen”, maar zelfs dan weigerde Moore nog een woord met Prater te wisselen. Samen met ene Sam Daniels bracht hij zelfs een plaat uit als “Sam & Dave”. Dave Prater stierf uiteindelijk in 1988 in een auto-ongeval, een maand nadat hij veroordeeld werd voor het verkopen van crack. Sam Moore van zijn kant was toen al zes jaar van zijn heroineverslaving af en is nu nog steeds “alive and kicking”.
Stax (**) was eigenlijk de afkorting van amateur-violist Jim STewart (°1930) en zijn zus Estelle AXton (1918-2004), die in 1960 een bioscoopje in Memphis (Tennessee) tot een opnamestudio hadden omgebouwd. Stewart en Axton waren blanken en ook een deel van de basismuzikanten (gitarist Steve Cropper en bassist Donald “Duck” Dunn b.v.) waren blank en toch klonken zij veel “zwarter” dan Motown, alhoewel de leiding daar geheel uit zwarten bestond. De reden is dat Motown de (overwegend blanke) popmarkt probeerde te veroveren (al dient gezegd dat Gordy wel de speech “I have a dream” van Martin Luther King op elpee heeft uitgebracht), terwijl Stax daar uiteraard niet afkerig tegenover stond, maar toch vooral op het lokale publiek uit het nog altijd segregationistische zuiden mikte.
De eerste opname van Stax (dat toen nog Satellite heette) “Fool in love” van The Veltones wekte de aandacht van DJ en komiek Rufus Thomas. Samen met zijn dochter Carla nam hij er dan zelf “Cause I love you” op, dat de aandacht trok van Ahmed Ertegun (1923-2006) van het Atlantic-label, dat eveneens – ondanks sommige hits van blanke zangers (Bobby Darin b.v.) – weinig toegevingen deed. Dankzij deze distributiedeal slaagde “Gee whiz” van Carla Thomas erin in de nationale hitparade door te stoten. Op die manier bleek dat er al een andere platenfirma was (meer bepaald in Californië) die ook Satellite heette en werd de naam veranderd in Stax. Aldus werd de eerste “echte” Stax-plaat “Last night” van The Mar-Keys, eigenlijk een samenvoeging van The Memphis Horns (van Jim Horn) en Booker T and the MG’s (met naast Cropper en Duck ook nog Booker T himself op orgel en Al Jackson jr. op drums). Zij werden ook de vaste begeleiders van Otis Redding, maar toen die op 12 december 1967 omkwam bij een vliegtuigongeluk zaten niet The Memphis Horns en The MG’s maar The Bar-Keys bij hem in het vliegtuig. Overigens was de bekende scenarist (“Basic instinct”) Joe Eszterhas de laatste man die Otis Redding heeft geïnterviewd (een dag eerder namelijk) en het lag dan ook voor de hand dat hij daar later een scenario zou aan wijden. De verfilming laat echter veertig jaar nadien helaas nog steeds op zich wachten.
Otis Redding had in die tijd aan The Beegees gevraagd een nummer voor hem te schrijven. Dat werd dan “To love somebody”. Hij stierf echter voor hij het kon opnemen, wat werkelijk een ramp is, als men hoort wat Janis Joplin b.v. van dit nummer maakt.
Uiteraard betekende zijn dood een nog grotere ramp voor Stax, naast het feit dat Isaac Hayes (1942-2008) zijn samenwerking met David Porter opzegde en aan een solo-carrière begon (“Shaft”, 1971). Atlantic trok zich terug als distributeur en het olieconcern Gulf & Western dat Stax overkocht, had duidelijk alleen maar belangstelling voor geld en minder voor de muziek die ervoor zorgde dat dit geld binnenkwam en zo was er uiteindelijk in 1974 geen (goeie) muziek meer en dus ook geen geld, kortom Stax werd bankroet verklaard.
FUNK & DISCO
Naast Stax was ook Fame een subsidiary van Atlantic. Fame had als thuisbasis de opnamestudio in Muscle Shoals (Alabama). Daar werd o.m. “When a man loves a woman” van Percy Sledge opgenomen.
Een beetje apart van zowel Stax als Motown staat Curtis Mayfield die in Chicago werkzaam was. Samen met Jerry Butler richtte hij in 1961 The Impressions op, waarmee hij o.a. “People get ready” (later gecovered door Rod Stewart) opnam. In 1970 begon hij aan een solocarrière die in 1990 dramatisch werd afgebroken toen de lichtinstallatie op hem neerkwam en een aantal ruggewervels verbrijzelde zodat hij sedertdien totaal verlamd is.
En dan was er nog Philadelphia met de zogenaamde Philly Sound die ont-zet-tend populair was in het begin van de jaren zeventig. Net zoals Motown of Stax had men bij het gelijknamige label (het heette m.a.w. gewoon “Philadelphia”) een huisorkest, M.F.S.B. (eigenlijk de afkorting van Mother Fucker Son of a Bitch, maar aangezien er ook een “deftig” antwoord op de vraag wat het eigenlijk betekende diende te worden gegeven, wordt ook Mother Father Sister Brother naar voren geschoven), dat naast eigen hitjes (b.v. “Family affair” uit 1973) begeleidde deze groep dus andere artiesten op dit label, zoals The Three Degrees (“Love is the message” uit 1974) of The Trammps (“Shout” uit 1975; hun bekendste hit, “Disco inferno” uit 1977 is een Atlantic-plaat). The Trammps waren eigenlijk de ritmesectie van M.F.S.B., zijnde gitarist Norman Harris, bassist Ronald Baker en drummer Earl Young. Het producersduo dat verantwoordelijk is voor de Philly Sound is Kenny Gamble en Leon Huff.
Alhoewel hun platen hier bij ons door Epic werden verdeeld, zaten Harold Melvin and the Blue Notes (“If you don’t know me be now”, 1973) wel degelijk ook op het Philadelphia-label. De groep heeft als merkwaardigheid dat Harold Melvin niet de leadzanger was (toch niet tijdens hun hitperiode), maar wel Teddy Pendergrass, die oorspronkelijk als drummer was aangenomen toen Harold Melvin nog lead zong.
De Philly-sound was ogenschijnlijk geen lang leven bescoren. In werkelijkheid werd hij kort daarna overgenomen door mensen als Van McCoy en Barry White. Alleen, toen sprak men niet meer van Philly-sound, maar van disco (de laatste hit van M.F.S.B. uit 1976 is “Let’s go disco”), wat prettige party-music is, maar toch onder een totaal andere hoofding valt (zie elders op deze blog).
De “zwarte” soul evolueerde naar funk, wat wél “politiek correct” is (vraag dat maar eens aan Raymond van het Groenewoud!), maar ik hou er niet van en dan is het ook moeilijk om het allemaal bij te houden. Er is al zoveel leed in deze wereld…
EPILOOG
Vraag me dan ook niet hoe het op de dag van vandaag met soul zit. Zoals gezegd heb ik reeds in de jaren tachtig afgehaakt en dan was funk in mijn oren nog een zegen tegenover hiphop en dance of hoe het allemaal ook mag heten. Soms hoor ik iemand aankondigen als zijnde de nieuwste Grote Naam in soul of rhythm and blues, maar als ik dan luister naar wat die mens voorbrengt, dan zie ik daar in de verste verte geen verband met wat Stax of Motown destijds voortbrachten. Maar als ik dan toch één naam moet noemen, dan is het zowaar die van een blanke, read my lips: Amy Winehouse. Als ze stopt met haar familienaam waar te maken natuurlijk… (***)

Referentie
Ronny De Schepper, Soul: van de kerk naar de hitparade, De Rode Vaan nr.20 van 1980

(*) “Hit the road, Jack” zou volgens de legende geïnspireerd zijn door Jack Kerouac, de schrijver van “On the road”.
(**) In Nederland was er een groep met die naam, met als zanger Euson (later o.a. bekend door persoonlijke versies van “Both sides now” en “She’s leaving home”) en aan de keyboards de later vooral als fluitist bekend geworden Chris Hinze.
(***) In de allereerste versie stond hier “Gnarls Barkley” en ik wil mij verontschuldigen voor het feit dat ik heb toegegeven aan de “mainstream” om zijn naam te vervangen door die van mevrouw Winehouse. Niet dat ik haar platen niet goed zou vinden, maar met Gnarls Barkley “I was making a stand”. Ik wil er trouwens ook aan toevoegen dat als men het over “new soul” heeft (of “nusoul” of zoiets, zoals men dat in deze vreselijke SMS-tijden schrijft), dan doen wij Vlamingen het nog niet zo slecht met mensen als Brahim en Sandrine. Er wordt veel kwaad verteld over televisieprogramma’s zoals “Idool” of “X-factor” of wat weet ik al meer – en meestal terecht – maar men kan niet ontkennen dat er op die manier toch al een aantal keer echt talent is komen bovendrijven. Ik denk b.v. ook nog aan Natalia, al hou ikzelf niet zo van haar. Merkwaardig is wel dat de winnaars meestal grandioos de mist ingaan, nietwaar Peter en Joeri? Misschien kan Udo hier wel als uitzondering gelden.

Een gedachte over “Harold Melvin (1939-1997)

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s